B.1 MvA technische vragen BL Verordening LL Vervoer
Tekst van het document
MEMORIE VAN ANTWOORD ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Memorie van Antwoord m.b.t. gestelde vóórvragen ex. artikel 10 van de Verordening op de raadscommissie Beekdaelen 2020 van de raadsfractie Beekdaelen Lokaal ten aanzien van het agendapunt B.1 Voorstel inzake gewijzigde verordening Leerlingenvervoer 2022 Beekdaelen ter behandeling in de raadscommissie van 30 november 2021.
Vraag 1 Inleiding bij pag 2; …..omdat er steeds vaker aanvragen komen voor ll-vervoer die geen betrekking hebben op de dichtstbijzijnde toegankelijke school, maar er dringende reden zijn om ll-vervoer toe te kennen vanwege het beter passen bij verder weg gelegen onderwijs. Vraag: welke specifieke dringende redenen geven ouders op die beter passen bij verder weg gelegen onderwijs? Svp aantal voorbeelden welke ouders benoemen woonachtig in de gemeente Beekdaelen. Antwoord: In de inleiding betreft het een algemene constatering waarbij er sprake kan zijn van een aanvraag voor bekostiging van leerlingenvervoer voor een school verder weg gelegen dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Ouders kunnen bijvoorbeeld van mening zijn dat een verder weg gelegen school vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling passender is dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De voorwaarden waaronder een bekostiging kan worden toegekend staan opgenomen onder artikel 8 lid 4 van de verordening. Het uitvoerend overleg uit artikel 5 lid 3 van de verordening is onder andere bedoeld eraan bij te dragen dat zulke situaties kunnen worden voorkomen door in de behoefte te voorzien bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Bijvoorbeeld: een ouder vindt een school in Nijmegen vanwege een specifiek aanbod op bijvoorbeeld autisme spectrum stoornissen passender dan een school met aanbod voor autisme spectrum stoornissen in de regio, dan was er in het verleden geen uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband waarin de het organiseren van beschikbaarheid van het specifieke aanbod op een school in de regio besproken werd. Met het ingaan van de huidige verordening wordt dat overleg wel ingeregeld.
Vraag 2 Art 5 Oogo met het samenwerkingsverband. Punt 3 ( pag 3) Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg met het samenwerkingsverband. Hierin wordt besproken; A) de ontwikkelingen in het onderwijs. Vraag; in de eerste helft van 2020 waren de bevindingen over passend onderwijs dat 60% van de ouders ontevreden waren. (verslag; Staat van de Ouder) In hoeverre worden onderstaande punten meegenomen in de besprekingen? Samengevat heeft Ouders & Onderwijs 10 aanbevelingen voor beter passend onderwijs: 1. Kleinere klassen 2. Investeer in leerkrachten 3. Meer ondersteunend personeel in de klas 4. Zorg voor maatwerk 5. Maak transparant waar kinderen recht op hebben 6. Een onafhankelijk ouderpunt bij ieder samenwerkingsverband 7. Regionale steunpunten met ervaringsdeskundige ouders 8. Onafhankelijk toezicht van de samenwerkingsverbanden 9. Een leerrechtbudget voor thuiszitters 10. Geen Veilig Thuis-melding bij ontbreken passend onderwijs Antwoord: Het in artikel 5 lid 3 genoemde overleg is nieuw in de voorliggende verordening. Bij de implementatie van de nieuwe verordening wordt dit overleg opgestart. Actueel wordt de opstart van dit overleg in de regio ambtelijk voorbereid in samenspraak met de bestuurders in het OOGO Passend Onderwijs.
De bedoeling van het overleg is bij te dragen aan een integrale blik bij aanvragen omtrent bekostiging van het leerlingenvervoer, de lijnen met het samenwerkingsverband worden korter waardoor er beter op maat kan worden gehandeld. Het aanbrengen van wijzigingen in de (uitvoering van) de Wet Passend Onderwijs is aan de wetgever (Tweede Kamer) en de beleidsmaker (het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). De door uw fractie aangehaalde aandachtspunten van de Stichting Ouders & Onderwijs waren bedoeld voor de evaluatie van de Wet Passend Onderwijs en zijn door de stichting ook per brief gedeeld met de bij het onderwerp betrokken Kamerleden. Zij hebben deze input in de voorbereiding van hun inbreng en/of moties kunnen verwerken. Er is een uitgebreide evaluatie gedaan van de Wet Passend Onderwijs, op basis waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een verbeteraanpak met 25 verbetervoorstellen heeft geformuleerd, zie bijgevoegde kamerbrief van 4 november 2020. De evaluatie en deze brief zijn besproken in een notaoverleg van de Tweede Kamer in de vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 16 november 2020. In een stemming op 18 november 2020 heeft de Tweede Kamer naar aanleiding van het notaoverleg gestemd over een aantal moties.
Zo heeft de kamer onder andere gestemd vóór moties voor het versnellen van de verbeteraanpak en voor het voorkómen van Veilig Thuismeldingen bij geschillen over passend onderwijs.
Vraag 3
Hoeveel leerlingen zitten noodgedwongen thuis vanwege het ontbreken van passend onderwijs en krijgen deze ouders idd een Veilig-Thuis melding? Antwoord: De voorliggende verordening ziet niet op thuiszitters en bijbehorend beleid. Met de jaarverslagen van Bureau VSV Parkstad wordt uw raad geïnformeerd over de thuiszitters in onze gemeente. Specifieke casussen worden opgepakt door de betrokken partners. De gemeente Beekdaelen zet in op het zoveel mogelijk voorkomen van Veilig Thuismeldingen bij geschillen over passend onderwijs die leiden tot thuiszitters.
Vraag 4 Art 14 Tijdelijk verblijf buiten de Gemeente Vraag: wat als een kind langer als 6 weken tijdelijk buiten de Gemeente verblijft. Bijvoorbeeld 8 weken in een crisisopvang. Kunnen de ouders dan aanspraak maken op 2 weken verlenging tav de vervoerskosten? Antwoord: Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente. De oorspronkelijke gemeente neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor haar rekening. Als het verblijf een langere periode in beslag neemt, wordt door de oorspronkelijke gemeente geen vergoeding meer verstrekt. Er kan dan een vervoersvoorziening worden aangevraagd bij de gemeente waar de leerling gedurende die periode feitelijk woont. Dit verzoek wordt dan beoordeeld op basis van de eigen verordening van die gemeente. Aangezien er in een dergelijke situatie over het algemeen geen sprake is van de dichtstbijzijnde toegankelijke school, bestaat er vaak geen recht op een vergoeding. In een dergelijke situatie dienen de desbetreffende gemeenten in onderling overleg te treden om de situatie voor de leerling zo goed mogelijk op te lossen.
De kosten voor een dergelijke oplossing zouden gedragen kunnen worden door de oorspronkelijke gemeente (op basis van de hardheidsclausule of de Jeugdwet), waarbij de gemeente van de verblijfplaats van de leerling wel het vervoer organiseert. Wanneer door de rechter wordt bepaald dat de leerling definitief wordt geplaatst op het opvangadres, eindigt de tussen de gemeenten gemaakte afspraak en neemt de gemeente, waar de leerling nu definitief verblijft, een besluit.
Vraag 5 Pag 11; gehandicapte leerling. De handicap moet structureel van aard zijn (langer dan 3 maanden) Vraag: wat wordt bedoeld met ; wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking? Over welke beperkingen heeft men het dan? Antwoord: Alleen beperkingen die structureel en niet behandelbaar zijn in deze definitie beperkingen in de zin van verordening.
Vraag 6 Pag 17 Vanaf 9 jaar wordt er een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan gemaakt. Vraag: wat houdt dit in? Is dat dat kinderen vanaf 9 jaar geacht worden om zelfstandig met het openbaar vervoer (de streekbus) naar school moeten/ kunnen reizen? Antwoord: Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het moment waarop de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, lijkt een goed moment om het eerste persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe aanvraag geëvalueerd worden. Er wordt steeds gekeken waar de leerling naartoe kan groeien, dat kan begeleid of zelfstandig gebruik van de fiets of het OV zijn. Het plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, zodat er in elk geval voor aanvang van het voortgezet onderwijs zoveel mogelijk is gewerkt aan zelfredzaamheid van de leerling. Vraag 7 Pag 20 vijfde lid Bij onaanvaardbaar gedrag kan de vervoersvoorziening beëindigd worden. Voor deze reden was er voorheen altijd een begeleider aanwezig in het taxi-busje (speciaal onderwijs).
Dit gaf rust voor zowel de chauffeur alsook houvast aan deze kwetsbare kinderen. Vraag; Is dat tegenwoordig nog zo? Antwoord: De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Wanneer begeleiding noodzakelijk is, moet de mogelijkheid geboden worden om de minderjarige leerling te begeleiden. Er is niet standaard een begeleider aanwezig in het aangepast vervoer.
Bijlage: Kamerbrief evaluatie en verbeteraanpak passend onderwijs