TAM-IMRO Baeks Kompas Bijlage 10a - Archeologie - PVE.pdf
Tekst van het document
Programma van Eisen IVO-P door middel van proefsleuven KernKindCentrum te Beek AA240060.R01v0.2.PVE175 Geonius Programma van Eisen 175 22 juli 2024
Programma van Eisen IVO-P door middel van proefsleuven KernKindCentrum te Beek AA240060.R01.v0.2.PVE175 22 juli 2024 Programma van Eisen Geonius Programma van Eisen 175 Versie Concept v0.2 Opdrachtgever Gemeente Beek Raadhuisstraat 9 6191 KA Beek
Auteur S. Augustin
AA240060.R01v0.2.PvE175
2 van 35
Administratieve gegevens Programma van Eisen Format conform KNA versie 4.2 (01-04-2024) Locatie
KernKindCentrum Carmelstraat te Beek
Projectnaam
AA240060
Plaats binnen archeologisch proces X IVO-P Proefsleuven Opsteller Senior KNA Archeoloog
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
S.A.H. Augustin
22-7-2024
paraaf
De Asselen Kuil 10, Geleen s.augustin@geonius.nl 088-1300600 Senior KNA archeoloog (reg. nr. 17200911) Opdrachtgever
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
paraaf
datum
paraaf
datum
paraaf
Gemeente Beek Dhr. H. Meulenberg Raadhuisstraat 9, Beek 046 49 89 330 h.meulenberg@gemeentebeek.nl Goedkeuring bevoegde
Naam, adres, telefoon, e-mail
overheid X Gemeente
Gemeente Beek Mevr. I. Buchem Beleidsadviseur Erfgoed & Cultuur 046 48 89 22 ingridbuchem@gemeentebeek.nl
Adviseur van het bevoegde gezag Drs. F.Kortlang fko@kragten.nl Kennisgeving
Naam, adres, telefoon, e-mail
Depothouder/eigenaar Gemeente
drs. (Sjeng) Kusters
X Provincie
Cluster Cultuur, Erfgoed
Rijk
Postbus 5700 6202 MA Maastricht Bezoekadres Limburglaan 10 | 6229 GA Maastricht Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Bezoekadres Raadhuisplein 20 6411 HK Heerlen
AA240060.R01v0.2.PvE175
3 van 35
Programma van Eisen Format conform KNA versie 4.2 (01-04-2024) T +31 652720731 E-mail sjj.kusters@prvlimburg.nl Geonius Archeologie is een onderdeel van Geonius Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), 4002 (Bureauonderzoek), 4003 (Inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000
Bronzen riemverdeler uit circa 900 na Chr. De riemverdeler of driepas is het beeldmerk van Geonius Archeologie. Een riemverdeler verbindt verschillende riemen met elkaar en draagt zodoende zorg voor één geheel. De vorm komt overeen met het logo van Geonius dat staat voor de van oorsprong drie disciplines die één organisatie vormen en zorg dragen voor de uitvoering van integrale projecten..
AA240060.R01v0.2.PvE175
4 van 35
Inhoud 1
Administratieve gegevens onderzoeksgebied . 7
2
Aanleiding en motivering van het onderzoek.. 8
2.1
Aanleiding en motivering
3
Eerder uitgevoerd onderzoek ................................. 9
4
Archeologische verwachting ................................ 10
4.1
Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context
10
4.2
Aard en ouderdom van de vindplaats(en)
11
4.3
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
12
4.4
Structuren en sporen
12
4.5
Anorganische artefacten
12
4.6
Organische artefacten
12
4.7
Archeozoölogische en botanische resten
12
4.8
Motivatie
12
4.9
Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
12
4.10
Gaafheid en conservering
12
5
Doelstelling en vraagstelling ................................ 13
5.1
Doelstelling
13
5.2
Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders
13
5.3
Vraagstelling
13
5.4
Onderzoeksvragen
13
6
Methoden en technieken ....................................... 15
6.1
Methoden en technieken
15
6.2
Strategie
16
6.3
Omgang kwetsbare vondsten en monsters
17
6.4
Structuren en grondsporen
18
6.5
Aardwetenschappelijk onderzoek
19
6.6
Anorganische artefacten
19
6.7
Organische artefacten
20
6.8
Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten
20
6.9
Overige resten
21
6.10
Dateringstechnieken
21
6.11
Beperkingen
21
7
Uitwerking en conservering................................. 22
7.1
Structuren, grondsporen, scheepwrak of vliegtuig, vondstspreidingen
22
7.2
Analyse aardewetenschappelijke gegevens
22
7.3
Anorganische artefacten
22
8
5 van 31 AA240060.R01v0.2.PvE175
7.4
Organische artefacten
22
7.5
Archeozoölogische en -botanische resten
23
7.6
Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)
23
8
(De)selectie en conservering ................................ 24
8.1
Selectie materiaal voor uitwerking
24
8.2
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering
24
8.3
Selectie materiaal voor conservering
25
9
Deponering ................................................................. 26
9.1
Eisen betreffende depot
26
9.2
Te leveren product
27
10
Randvoorwaarden en aanvullende eisen ......... 30
10.1
Personele randvoorwaarden
30
10.2
Overlegmomenten
30
10.3
Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie
30
10.4
Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen
32
11
Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde
PVE 33 11.1
Wijzigingen tijdens het veldwerk
33
11.2
Belangrijke wijzigingen
33
11.3
Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk
34
11.4
Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering
34
Literatuur ............................................................................... 35 Bijlagen Bijlage 1 Lijst met te verwachten aantallen Bijlage 2 Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen Bijlage 3 Puttenplan Bijlage 4 Eisen Depot
AA240060.R01v0.2.PvE175
6 van 35
1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied Projectnaam
AA240060
Provincie
Limburg
Gemeente
Beek
Plaats
Beek
Toponiem
KernKindCentrum te Beek
Kaartbladnummer
60G
x,y–coördinaten
X: 184238 / Y: 328330
CMA/AMK-status
n.v.t.
Archis-monumentnummer
n.v.t.
Archis-waarnemingsnummer
2339956100 / 2041583100 / 2439156100
Oppervlakte plangebied
18.483 m²
Oppervlakte onderzoeksgebied
1600 m²
Huidig grondgebruik
sportveld
AA240060.R01v0.2.PvE175
7 van 35
2 Aanleiding en motivering van het onderzoek 2.1 Aanleiding en motivering Aanleiding voor het uitvoeren van het IVO-P vormt het voornemen om het gebied in te richten als een KKC (KernKindCentrum) waarbij in elk geval twee fusiescholen basisonderwijs, een kinderdagverblijf, GGZ jeugdzorg en evt. andere diensten zoals logopedie komen. Hiertoe wordt een TAM-IMRO plan gemaakt (wijziging omgevingsplan). Onderdeel van de realisatie is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Het plangebied is in het verleden reeds archeologisch onderzocht (bureauonderzoek en IVO-O). Hierbij werd het advies uitgegeven dat bij ingrepen dieper dan 90 cm -mv archeologisch vervolgonderzoek diende worden uitgevoerd. De gemeente heeft aangegeven dat nader onderzoek middels een IVO-P dient worden uitgevoerd.
Afbeelding 1: Uitsnede uit de Topografische Kaart met daarop het plangebied in het rood . Bron: Topografische Kaart Nederland
AA240060.R01v0.2.PvE175
8 van 35
3 Eerder uitgevoerd onderzoek Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek Uitvoerder
n.v.t.
Uitvoeringsperiode
n.v.t.
Rapportage
n.v.t.
Veldonderzoek (IVO-O, IVO-P, IVO-Opwater, IVO-Onderwater, AB et cetera) Uitvoerder
ADC Archeoprojecten
Uitvoeringsperiode
Januari 2012
Uitvoeringsmethode
IVO verkennende fase d.m.v. boringen
Rapportage
Hulzer J., 2012. Sportpark de Haamen, Beek. ADC Rapport 2876. Amersfoort
Vondsten/monsters/documentatie
/
Specialistisch onderzoek Archeobotanie
n.v.t.
Archeozoölogie
n.v.t.
Fysische antropologie
n.v.t.
Fysische geografie
n.v.t.
Geofysisch onderzoek
n.v.t.
Archeologisch materiaal
n.v.t.
Vondsten/documentatie
n.v.t.
Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur
n.v.t.
Amateur-archeologen
n.v.t.
AA240060.R01v0.2.PvE175
9 van 35
4 Archeologische verwachting 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context Onderstaande informatie werd overgenomen uit het booronderzoek en proefsleuvenonderzoek van ADC1 en het rapport van Arcadis2.
Landschappelijke context Het plangebied bevindt zich in het Zuid-Limburgse lössgebied, dat gekenmerkt wordt door een voor Nederlandse begrippen sterk reliëf. Het gebied is gedurende een periode van 2,5 miljoen jaar (het Kwartair) versneden tot een terrassenlandschap. De rivierterrassen van de Maas zijn ontstaan door tektonische opheffing en onder invloed van klimaatveranderingen. Hierdoor zijn 31 terrasniveaus ontstaan. De grindrijke rivierafzettingen van de hooggelegen terrassen zijn in het Weichselien afgedekt door een pakket löss. De löss is afgezet in de koudste delen van het Pleistoceen, voornamelijk in de Saale en Weichsel ijstijden. Het is onder periglaciale omstandigheden afgezet door de wind als een deken over het toenmalige geaccidenteerde terrein. Löss bestaat overwegend uit zwak zandige leem. Gedurende de laatste IJstijd, het Weichselien hebben zich erosiedalen gevormd. Als gevolg van periglaciale omstandigheden in het Weichselien was de ondergrond in het lössgebied bevroren. Hierdoor kon water alleen via het oppervlak afstromen. Op hellingen heeft de geconcentreerde afstroming van sneeuwsmelwater geleid tot insnijding en daarmee de vorming van sneeuwsmeltwaterdalen. Deze dalen zijn thans droog en worden in Limburg doorgaans aangeduid als grubbe zoals de Sibbegrubbe in Valkenburg a/d Geul.
Toen de mens het gebied op grotere schaal begon te ontginnen vanaf de Romeinse tijd en de vegetatie verwijderde, werd de löss weer mobiel. Omdat löss erg erosiegevoelig is, spoelt op hellingen tijdens regenval de löss erg gemakkelijk weg (al bij hellingspercentages van 4 - 8%) en wordt vervolgens aan de voet van de helling weer afgezet als colluvium. Lokaal kan dit pakket colluvium meters dik worden. Vooral vlakbij de terrasranden is een dik pakket colluvium te verwachten. Daarnaast is ook op de lösshellingen op de hoger gelegen terrassen colluvium te verwachten. Door de aanwezigheid van colluvium is het mogelijk dat verschillen in reliëf minder duidelijk of zelfs niet meer te herkennen zijn. Het colluvium is te herkennen als een zandiger en bruiner pakket sediment met een vuil uiterlijk, waarin soms fijne grindjes worden aangetroffen en waarin geen duidelijke bodem is gevormd. Het plangebied De Haamen ligt op een uitloper van het plateau van Schimmert. Ten zuiden van het plangebied ligt een droogdal dat naar het noorden afwatert. In het gehele plangebied De Haamen komen volgens de bodemkaart radebrikgronden (code BLd6) voor. Daarnaast komen ten zuiden van het plangebied daalbrikgronden (code Blh6) voor.
1 Hulzer J., 2012 & Weekers, 2015 2 Meering, 2010
AA240060.R01v0.2.PvE175
10 van 35
Historische context Op de kadasterkaart van 1811-1832 staat het plangebied vermeld als onbebouwd terrein, en het was in gebruik als bouwland, liggende tegenover de omgrachte vroenhof. Het terrein is door de perioden heen onbebouwd gebleven.
Archeologische context Er zijn in de omgeving enkele onderzoeken uitgevoerd. Het gaat om een (verouderd) bureauonderzoek van Arcadis, een quickscan, een booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek (beiden ADC). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn er geen archeologische sporen aangetroffen. Op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staan geen archeologische monumenten binnen het plangebied aangegeven. Net ten zuiden van het plangebied ligt een archeologische vindplaats van zeer hoge archeologische waarde, monument 8403. Dit betreft de resten van een omgrachte vroenhof (het hof van een grondheer), dat dateert uit de late Middeleeuwen. In 1781 werd op deze plaats een nieuwe pastorie gebouwd, die inmiddels verdwenen is. De gracht van de vroenhof is nog als laagte in het landschap te herkennen. De voorgenomen ontwikkeling ligt in een hoge archeologische verwachting gekregen (rood). Deze hangt vermoedelijk samen met de voormalige vroenhof die is gelegen tegenover het plangebied.
IVO-O3 In een groot gebied, waarvan het plangebied deel uitmaakte, werd in 2012 een booronderzoek uitgevoerd door ADC Archeoprojecten. De boringen 13 t.e.m. 17 waren gelegen ter hoogte van het huidige plangebied. In de boringen is er sprake van diverse pakketten opgebrachte grond, veelal bestaande uit matig fijn grijs zand en/of leem. Er ontbrak in deze boringen ook een overgang van de AE naar de Bt-horizont. Het ontbreken van de overgang van de Bt- naar de bovenliggende natuurlijke (A- of AE-) horizont wordt in dit verband beschouwd als relevante bodemverstoring, omdat de kans hier groot is dat de top van de Bt-horizont is verdwenen. Niettemin is het mogelijk dat op die plekken er nog diepe archeologische sporen bewaard zijn gebleven. Ter hoogte van de locatie dient bij ingrepen dieper dan 90 cm -mv archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.
Proefsleuvenonderzoek4 Volgend op het IVO-O werd een IVO-P uitgevoerd waarbij direct ten noordoosten van het plangebied een proefsleuf (put 3) werd aangelegd. In deze put is een verstoord bodemprofiel en geen archeologische resten aangetroffen.
Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het booronderzoek werd aan het plangebied een lage verwachting voor jager-verzamelaars gegeven. Voor landbouwers werd een middelhoge verwachting toegekend, vanwege de vermoedelijk verstoring van de top van de Bt-horizont. Hierdoor zijn alleen nog diepe sporen bewaard.
4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Binnen het plangebied is tot op heden geen vindplaats bekend. Aan de overzijde van het plangebied is een AMK terrein gelegen met resten van een omgrachte vroenhof.
3 Hulzer et al.2012. 4 Weekers-Hendrikx, 2015.
AA240060.R01v0.2.PvE175
11 van 35
4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Onbekend. Het is niet bekend of zich in het plangebied een vindplaats bevindt.
4.4 Structuren en sporen Met name voor de afgedekte (A)B-horizonten in geldt een zeer hoge verwachting voor alle perioden vanaf het neolithicum voor zowel nederzettingscomplexen, grafcomplexen als complextypen die samenhangen met infrastructurele en economische voorzieningen en activiteiten.
4.5 Anorganische artefacten Op archeologische vindplaatsen mogen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk, bouwmateriaal en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal vuursteen, metaal, glas, etc.) verwacht worden. Het is mogelijk dat vondsten die in het colluvium of alluvium worden aangetroffen van elders afkomstig zijn.
4.6 Organische artefacten Onbekend. Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen vergankelijke objecten van organisch materiaal voorkomen, zoals van bot, hout, textiel en leer.
4.7 Archeozoölogische en botanische resten Onbekend. Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of archeozoölogisch afval worden aangetroffen.
4.8 Motivatie Om meer inzicht te krijgen in eventueel aanwezige archeologische waarden dient het archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
4.9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen In een deel van het plangebied is de bodem opgehoogd met opgebracht puin. Het archeologische niveau is te verwachten in de top van de Bt-horizont die buiten de opgehoogde delen op een diepte vanaf circa 0,5 m -mv (74,3 m +NAP) ligt.
4.10 Gaafheid en conservering Doordat de oorspronkelijke bodem deels afgetopt en deels geroerd is in het plangebied, zullen archeologische waarden van jager-verzamelaars en ondiepe sporen reeds verdwenen of geroerd zijn. Dieper ingegraven sporen kunnen echter nog resteren.
AA240060.R01v0.2.PvE175
12 van 35
5 Doelstelling en vraagstelling 5.1 Doelstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is door middel van proefsleuven het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals hierboven geformuleerd. Het onderzoek is er op gericht om vast te stellen of zich binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Het resultaat van het onderzoek is een waardering van de archeologische informatie en een selectieadvies.
5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Volgens de NOaA maakt het onderzoeksgebied deel uit van de Archeo regio het Limburgs lössgebied. De relatie met de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2 (NOaA2) wordt als volgt vastgesteld: •
Indien archeologische vindplaatsen worden aangetroffen wordt tijdens de evaluatiefase bepaald welke onderzoeksvragen uit de NOaA2 die betrekking hebben op de eventueel aangetroffen vindplaatsen;
•
betrekking hebbende op eventueel aangetroffen vindplaatsen, (ten dele) beantwoord dienen te worden. In het evaluatierapport wordt hiertoe een voorstel gedaan, dat wordt beoordeeld en waar nodig gecorrigeerd en/of aangevuld door de bevoegde overheid.
•
De NOaA2 onderzoeksvragen die in het project betrokken zullen worden zijn specifiek opgesteld voor de archeoregio ‘Limburgs lössgebied’ als ook voor de specifieke periode en het complextype waartoe de aangetroffen resten behoren.
Daarnaast heeft de Provincie Limburg de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. De komende jaren wensen provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis.
5.3 Vraagstelling De centrale vraagstelling is of er daadwerkelijk archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn en zo ja, wat daarvan de aard, ouderdom, omvang, gaafheid en conservering is en welke bijdrage deze kunnen leveren aan de kennisvermeerdering over het ontstaan en ontwikkeling van het plangebied en omgeving.
5.4 Onderzoeksvragen Het onderzoek dient, voor zover mogelijk, antwoord te geven op de volgende vragen: 1.
Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Is er sprake van processen van erosie, sedimentatie, laterale verplaatsing?
2.
Is er sprake van (sub)recente verstoring en post-depositionele processen?
3.
Indien sporen en structuren worden aangetroffen wat is het aantal, de aard, datering en de locatie van deze sporen en structuren?
AA240060.R01v0.2.PvE175
13 van 35
4.
Kan een uitspraak worden gedaan over de omvang, horizontale en verticale spreiding alsmede begrenzing en samenhang van de sporen en structuren?
5.
Indien grondsporen zijn aangetroffen: op welk niveau zijn deze leesbaar?
6.
Kunnen binnen de vindplaats verschillende complextypen, verschillende functies, of sites worden onderscheiden?
7.
Welke vondsten en welke paleo-ecologische resten zijn in de context van een laag, spoor of structuur aangetroffen? In welke mate dragen zij bij de aan de karakterisering hiervan (complextype, status)?
8.
Zijn er vondstconcentraties en wat is de aard daarvan?
9.
Is er een relatie met uit gravend archeologisch onderzoek bekende vindplaatsen in of op zeer korte afstand van het betreffende deelgebied?
10. Welke verbanden zijn er te leggen met historische, historisch-landschappelijke, bouwhistorische en overige cultuurhistorische aspecten van het onderzoeksgebied en zijn omgeving? 11. Wat is de fysieke kwaliteit (gaafheid en herkenbaarheid van sporen; conservering van (an)organisch vondstmateriaal en van ecologische resten) van het onderzoeksgebied? Welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? 12. Ofwel: Is of zijn er behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig binnen de grenzen van het plangebied? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde. 13. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van deze vindplaats aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? 14. Indien het onderzoek archeologische fenomenen heeft opgeleverd, hoe kan de vindplaats beschreven en geïnterpreteerd worden? Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen in het evaluatierapport extra vragen opgenomen worden of vragen komen te vervallen.
AA240060.R01v0.2.PvE175
14 van 35
6 Methoden en technieken 6.1 Methoden en technieken Het onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit Archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.2), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl) geldt in de praktijk als richtsnoer. In algemene zin wordt gewerkt volgens KNA 4.2, deelproces 2, specificaties OS 02 t/m OS 11, volgens de KNALeidraad Proefsleuvenonderzoek en volgens de KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie 2002. Voorwerk Het schrijven van een PvA (KNA-specificatie OS01); Het melden van het onderzoek in ARCHIS 3. Aanvulling op OS 3 (vlakaanleg): De graafwerkzaamheden dienen worden uitgevoerd met een machine met een gladde bak; Bij het aantreffen van muurwerk blijft een profieldam haaks op de muur staan, zodanig dat de muur in verband met de bovengrond gedocumenteerd kan worden. Aanvulling op OS 04 (verzamelen van vondsten en monsters): Tijdens het onderzoek wordt voldoende diagnostisch materiaal verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de vindplaats; Vondsten worden per spoor en/of per stratigrafische eenheid of vulling verzameld.
Bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarden) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. Alle metaalvondsten en bewerkt vuursteen, mogelijk bij een structuur horende stenen en bijzondere vondsten dienen driedimensionaal te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. Vondstconcentraties zonder context worden individueel ingemeten en geregistreerd. Bij los liggende natuurstenen wordt goed gelet op de mogelijkheid dat het om stiepen gaat. Deze stenen worden ingemeten en verzameld. Profielen worden onderzocht op vondsten die per stratigrafische eenheid gedocumenteerd worden. In het geval van bijzondere vondsten moeten specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en /of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen, het bergen van de vondsten en het bemonsteren. Aanvulling op OS 05 (registreren vlakken, grondsporen, profielen): Alle archeologisch relevante vlakken worden getekend. Per onderzoekslocatie dient de bodemopbouw te worden gedocumenteerd. Dit gebeurt middels een profieldocumentatie van een meter breed. De documentatie bestaat uit het opschaven van de wand van de rioolsleuf over een meter breed tot de onderkant van de gegraven rioolsleuf. Het geschaafde
AA240060.R01v0.2.PvE175
15 van 35
profiel wordt gefotografeerd (voor en na inkrassen van de bodemlagen) en beschreven. De bovenkant van het profiel wordt middels GPS vastgelegd (x, y, z-waarden in RD coördinaten). Profiel- en vlaktekeningen worden gecontroleerd op de aansluiting van lagen en sporen. Sporen en lagen die zowel in het vlak als in een profiel zichtbaar zijn, krijgen hetzelfde spoornummer. Alle sporen worden beschreven in dag- en weekrapporten of de op daartoe geëigende formulieren. In het geval van bijzondere sporen (zoals inhumatiegraven) moeten specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen, het bergen van de vondsten en het bemonsteren. Aanvulling op OS 06 (hoogtemeting): Coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Aanvulling op OS 07 (couperen grondsporen): Alle archeologische sporen worden gecoupeerd en afgewerkt; Greppels worden in een sleuf altijd gecoupeerd, getekend en beschreven; Indien waterputten worden aangetroffen, dan wordt hiervan door middel van een Edelmanboor of guts de diepte vastgesteld.
Waterputten worden in eerste instantie niet gecoupeerd; indien waterputten worden aangetroffen, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid hoe hier verder mee omgegaan moet worden binnen de mogelijkheden van de begeleiding; Bij paalgaten wordt extra gelet op de stand van paalkernen en op insluitsels (steenpakkingen, ligstenen onder palen). Aanvulling op OS 08 (beeldregistratie) van de KNA 4.2: Alle vlakken voor zover deze worden aangelegd, worden in overzichten en waar nodig in detail gefotografeerd. Alle profielen worden in overzichten en waar nodig in detail gefotografeerd. Alle sporen worden aan de bovenzijde gefotografeerd voorzien van een noordpijl, schaalstok en onderzoeksmeldingsnummer. Alle
coupes
worden
gefotografeerd
voorzien
van
een
noordpijl,
schaalstok
en
onderzoeksmeldingsnummer. Er worden meerdere overzichten, actie- en sfeerfoto’s van het onderzoek gemaakt, waarop het opgravingsproces , toegepaste methoden en karakteristieke punten uit de omgeving te zien zijn. Indien meer dan 4 vuurstenen artefacten per 4 m² in het vlak worden vastgesteld, terwijl deze niet aan een grondspoor kunnen worden toegewezen, kan een vuursteenconcentratie aanwezig zijn. Dit kan gecontroleerd worden door het opnieuw (met de hand) opschaven van de betreffende zone. In het geval van een vuursteenconcentratie zullen dan meer artefacten worden aangetroffen. Hierover dient contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag.
6.2 Strategie De oppervlakte van het gehele plangebied bedraagt 18.483 m². In totaal worden er 20 proefsleuven voorzien in het plangebied met afmetingen van 4 x 20 m. In totaal zal 1.600 m² van het terrein onderzocht worden, wat neerkomt op een percentage van ca. 8,6% van het hele plangebied. Indien nodig kan 200 m² extra aangelegd worden om onduidelijke situaties op te helderen. De projectleider kan hier zelfstandig over beslissen.
AA240060.R01v0.2.PvE175
16 van 35
Afbeelding 2: Puttenplan in het plangebied. Bron: Geonius
Op een diepte vanaf circa 0,5 m -mv (74,3 m +NAP) wordt het archeologische niveau verwacht. Indien noodzakelijk wordt een tweede vlak aangelegd. Alle grondsporen worden ingemeten, getekend, gefotografeerd, gecoupeerd en afgewerkt. Recente sporen worden niet gecoupeerd. Alle andere archeologische waarden zullen worden gedocumenteerd/geborgen conform het protocol 4003. Aan het begin en het einde van elke werkput wordt een profiel gemaakt dat wordt ingemeten, getekend, gefotografeerd en geïnterpreteerd. Indien onvoorziene vondstcomplexen (zoals inhumatiegraven) worden aangetroffen, dient overleg plaats te vinden met de bevoegde overheid. In het overleg zal dan de vervolgstrategie worden bepaald, eventueel in samenspraak met een specialist. Nader onderzoek vindt plaats volgens de bepalingen opgesteld in de KNA versie 4.2 m.b.t. opgraven. Alle putten en vlakken worden besproken met het bevoegd gezag. Op basis van voortschrijdend inzicht kan na overleg met en goedkeuring van het bevoegd gezag worden afgeweken van de voorgestelde strategie.
6.3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters Conform OS11 / OS11wb en de KNA-Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. Het bergen van kwetsbaar vondstmateriaal gebeurt volgens de KNA leidraad Eerste Hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal (niet digitaal, maar wel als waaier beschikbaar). Bij complexe situaties (zoals en bloc-bergingen) dient een erkend conserveringsspecialist te worden geraadpleegd en zo mogelijk te worden ingeschakeld om de berging te
AA240060.R01v0.2.PvE175
17 van 35
begeleiden. Bij het aantreffen van vondstmateriaal dat een dringende conservering behoeft dient direct contact te worden opgenomen met het Provinciaal Depot.
6.4 Structuren en grondsporen Alle archeologische sporen worden gefotografeerd, beschreven en getekend; Alle aangetroffen sporen - m.u.v. subrecente en recente sporen - worden aanvullend gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. Greppels worden in een sleuf gecoupeerd, getekend en beschreven; Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier te worden vastgelegd en onderzocht dat een eventuele fasering aangebracht kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld; Waar mogelijk worden sporen tegen de putwand in het profiel gecoupeerd, zodat de relatie met het stratigrafisch ingravingsniveau kan worden vastgelegd; Indien meerdere sporen (bijvoorbeeld paalkuilen) van een structuur onderzocht worden, dient dit (bij voorkeur) steeds in dezelfde richting te gebeuren; Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met het bevoegd gezag en het archeologisch depot van de provincie voordat de uitwerking ter hand genomen wordt; Verstoringen worden in de mate van het mogelijke verklaard en gedateerd (op een hoger niveau dan enkel de vermelding sub-recent); Sporen en vullingen worden afgezocht met metaaldetector; Recente verstoringen en natuurlijke sporen hoeven niet nader te worden onderzocht; Sporen groter dan 1 m in diameter worden via de
kwadrantenmethode gecoupeerd; Bij grote sporen wordt een kwadrant van vondstrijke laag verzameld om te zeven, dit ivm aantreffen van vondsten met een kleine fractie (kralen, kleine voorwerpen, die bij normale afwerking over het hoofd worden gezien. Muurwerk en uitbraaksleuven Een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau, met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond. Na documentatie van het opgaande muurwerk wordt de muur doorgesneden en wordt de doorsnede van de muur opgenomen in de profieltekening. Van het muurwerk wordt de bovenzijde, de onderzijde en van iedere versnijding de hoogtemaat genomen. De hoogtematen worden in ieder geval aan het begin en het eind van de betreffende muur genomen, alsmede op hoeken en/of aanhechtingen. Bouwkundige details zoals reparaties of faseringen dienen nauwgezet te worden vastgelegd op tekening en middels een digitale foto. Aangegeven wordt waar en welke mortel is toegepast. Bij funderingsonderzoek worden met name de hoeken onderzocht. Bouwmateriaal en mortel wordt bemonsterd. Bij natuursteen wordt acht geslagen op de diversiteit van de gesteentesoorten. Van alle aanwezige afzonderlijke baksteenmaten worden de baksteenformaten opgemeten. Ook een 5- of wanneer mogelijk een 10- lagenmaat dient te worden genoteerd.
Van natuursteen worden relevante maten genomen en wordt het verband geregistreerd. Ook moet het metselverband worden beschreven alsmede de relatie met aangrenzend muurwerk. Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek, onder de muur uit de funderingssleuf, ingesloten tussen de stenen, liggend op het muurrestant/uit de uitbraaksleuf. Indien nodig wordt een bouwhistoricus tijdens het veldwerk geraadpleegd. Graven Incidentele graven worden na overleg met bevoegd gezag en opdrachtgever volledig gedocumenteerd. Indien meerdere graven worden aangetroffen worden deze beperkt gedocumenteerd; voldoende om een
AA240060.R01v0.2.PvE175
18 van 35
vervolgstrategie bij definitief onderzoek aan te bevelen. Daarna worden zij zodanig afgedekt dat zij tot opnieuw blootleggen ongeschonden blijven. Slecht bewaarde (ondiepe) graven worden direct gecoupeerd en afgewerkt. Bij het aantreffen van een grafkuil wordt bij een opgraving het vlak opgeschoond, gefotografeerd en getekend. Vervolgens wordt (indien slecht bewaard dan wel sprake is van een incidenteel graf) de kuil gecoupeerd, waarbij de inhoud (indien mogelijk) laagsgewijs verzameld wordt, gefotografeerd en getekend. Ten slotte wordt ook de andere helft van het spoor laagsgewijs onderzocht, gefotografeerd en getekend. De inhoud van grafkuilen wordt gezeefd (over een zeef met een maaswijdte van 2 millimeter). Verder dient ca. 1 liter van de inhoud apart verpakt te worden ten behoeve van paleo-ecologisch onderzoek naar eventuele bijgiften op plantaardige basis. Concentraties verkoold materiaal en concentraties botmateriaal worden volledig verzameld. Bij het veldwerk worden een specialist op het gebied van archeozoölogie (bij complete dierlijke skeletten) en een fysisch antropoloog (bij inhumaties) betrokken. Crematieconcentraties of urnen worden en bloc geborgen. Water- en beerputten Water- en beerputten worden gedocumenteerd. Om de diepte van de waterputten te bepalen wordt in de put een boring geplaatst (en beschreven) tot maximaal 6 meter.
Het gedeelte van de put (water en of beerput) dat vergraven zal worden wordt gecoupeerd waarbij de inhoud (indien mogelijk) laagsgewijs verzameld wordt, gefotografeerd en getekend. Ten slotte wordt ook de andere helft van het spoor laagsgewijs onderzocht, gefotografeerd en getekend. In overleg met bevoegd gezag en opdrachtgever wordt bepaald of ze al dan niet volledig moeten worden onderzocht of in situ behouden kunnen blijven.
6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek Het aardwetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd door een fysisch geograaf of een senior KNA archeoloog die aantoonbaar (middels CV en rapporten/publicaties) ervaren is met het onderzoeksgebied en de regio. In de lange zijde van de proefsleuf zal de bodemopbouw worden vastgelegd middels het aanleggen van twee profielopnames (gefotografeerd, getekend, ingemeten en beschreven) van een meter breed, aan het begin en het einde van de put. Hierbij dienen de opgebrachte bodem, oude bodem en ligging van (de) archeologisch vlak(ken) in beeld te worden gebracht. De profielputten worden tenminste 30cm dieper aangelegd dan het opgravingsvlak; Indien in de voornoemde profielwanden sporen voorkomen of als sprake is van een gevarieerde bodemopbouw zullen de betreffende profieldelen over een grotere breedte worden gefotografeerd, getekend, ingemeten en beschreven; Alle profiel opnamen worden ingemeten (X-,Y-,Z- waarde); De lithostratigrafische beschrijving van alle profielen vindt plaats op aanwijzingen van de (interpretatie van) de senior KNA archeoloog of fysisch geograaf met ervaring in de archeoregio en met de voorkomende bodems in het plangebied. Indien er sprake is van ingewikkelde bodemopbouw dient een fysisch geograaf te worden ingeschakeld.
De senior KNA archeoloog maakt de afweging of een fysisch geograaf gewenst is al dan niet in overleg met het bevoegd gezag.
6.6 Anorganische artefacten Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de KNA. In aanvulling daarop (alleen bij actieve begeleiding): Tijdens het onderzoek wordt voldoende diagnostisch materiaal verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de vindplaats; Vondsten worden per spoor en vulling verzameld;
AA240060.R01v0.2.PvE175
19 van 35
Vlakvondsten worden verzameld in vlakken van de breedte van de rioolsleuf x 5 meter of middels GPS ingemeten; Stortvondsten worden per 5 m verzameld of middels GPS ingemeten; Metaalvondsten worden met behulp van een metaaldetector opgespoord en dan verzameld.
6.7 Organische artefacten Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de KNA. In aanvulling daarop (alleen bij actieve begeleiding): Tijdens het onderzoek wordt voldoende diagnostisch materiaal verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de vindplaats; Eventuele vondsten van organisch materiaal worden geborgen en dienen zo snel mogelijk onder de hiervoor geschikte omstandigheden te worden opgeslagen. In het bijzonder dienen temperatuur, contactmaterialen, vochtigheidsgraad en de hoeveelheid licht waaraan ze blootgesteld te worden bewaakt; Vondsten worden per spoor en vulling verzameld; Vlakvondsten worden verzameld in vlakken van de breedte van de sloot x 5 meter of middels GPS ingemeten; Stortvondsten worden per 5 m verzameld of middels GPS ingemeten; Keramisch bouwmateriaal mag niet in het veld worden gedeselecteerd. Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden organische vondsten dient eerst te worden overlegd met het bevoegd gezag en het archeologisch depot van de provincie voordat de (selectie) uitwerking en conservering ter hand genomen wordt (zie hierboven).
6.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de KNA. In aanvulling daarop: Er worden monsters genomen ten behoeve van pollenonderzoek, macro-botanisch onderzoek en archeozoölogisch onderzoek, bij voorkeur uit kansrijke sporen en lagen zoals, natte, houtskoolrijke of humeuze grondsporen en oude loop- of vegetatiehorizonten; De monsters worden verzameld in luchtdicht afgesloten emmers / monsterbuizen; Monsters worden door of in overleg met een specialist verzameld. Indien inhumatiegraven worden aangetroffen zal na overleg met het bevoegd gezag een specialist fysische antropologie worden ingeschakeld. De opdrachtgever dient hiervan op de hoogte te worden gesteld. Het bevoegd gezag zal bepalen of en hoe de graven dienen te worden geborgen tenzij middels planaanpassing de graven in situ kunnen worden behouden. Indien het gaat om recente stoffelijke resten, dient de politie te worden gewaarschuwd; Indien crematiegraven worden aangetroffen zullen deze als volgt worden gedocumenteerd volgens de methode Hiddink: het vlak zal worden gefotografeerd (voor en na inkrassen), worden getekend op schaal 1:10, ingemeten (X-, Y-, Z-waarde) en vervolgens worden gecoupeerd.
De coupe zal worden gefotografeerd (voor en na inkrassen), getekend op schaal 1:10 en de coupelijn ingemeten (X-, Y-, Zwaarde). Vervolgens zal het resterende spoor worden afgewerkt waarbij de volledige vulling van het graf wordt ingezameld in emmers; Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de hierboven verwoorde onderzoeksvragen;
AA240060.R01v0.2.PvE175
20 van 35
Het is aan de senior KNA archeoloog – eventueel in samenspraak met de fysisch geograaf – om het aantal monsters te bepalen. Naast het paleolandschappelijke resultaat, moet hetzelfde monster ook gedateerd worden (middels C14 analyse.
6.9 Overige resten Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de KNA.In aanvulling daarop: Uit een cultuurlaag/oude loop- of vegetatiehorizont worden monsters genomen ten behoeve van pollenonderzoek. Monsters worden door of in overleg met een specialist verzameld.
6.10 Dateringstechnieken Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de KNA. In aanvulling daarop (alleen bij actieve begeleiding): Indien relevant worden monsters genomen ten behoeve van C14- en/of dendrochronologisch onderzoek, bij voorkeur uit kansrijke sporen of lagen; Ten behoeve van een datering van een onbekende cultuurlaag/oude loop-of vegetatie horizont worden monsters zo nodig (na overleg met bevoegd gezag) genomen voor een OSL-datering. Dit gebeurt door bemonstering van de laag zelf, als mede de erboven en eronder gelegen laag.
6.11 Beperkingen Er zijn in principe geen beperkingen van het onderzoek.
AA240060.R01v0.2.PvE175
21 van 35
7 Uitwerking en conservering 7.1 Structuren, grondsporen, scheepwrak of vliegtuig, vondstspreidingen Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking van de structuren en grondsporen worden gesteld, wordt verwezen naar de vigerende versie van de KNA. In aanvulling daarop: Alle grondsporen worden zo mogelijk geïnterpreteerd, gedateerd en gewaardeerd. Grondsporen en structuren worden uitgewerkt tot op een niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. Van vondstverspreidingen worden zowel horizontale als verticale verspreidingen binnen de verstoring in kaart gebracht en de vondsten globaal gedateerd.
7.2 Analyse aardewetenschappelijke gegevens Fysisch geografische analyse vindt indien mogelijk in het veld plaats. De analyse gebeurt op basis van de bestudeerde profielen met het oog op de onderzoeksvragen. Het eerste doel is de genese van het landschap te achterhalen, met aandacht voor de locatie van de vindplaats(en) in het paleolandschap. Het tweede doel is de waarde van de archeologische data te bepalen op grond van de gaafheid en conservering van archeologische contexten, post-depositionele processen, degradatie van bodem of vondsten, etc.
7.3 Anorganische artefacten In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: Anorganische vondsten worden per materiaalcategorie gewassen, gesplitst, geteld, gewogen en gewaardeerd; De vondsten worden uitgewerkt tot het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen; De vondsten worden tijdelijk zo opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat; Indien de resultaten van het veldonderzoek hiertoe aanleiding geven, kan er gedurende een evaluatie tussen de opdrachtgever, het bevoegd gezag, de depothouder en de archeologische uitvoerder bepaald worden of vondsten in aanmerking komen voor uitwerking en analyse, foto en/of tekening en duurzame conservering.
7.4 Organische artefacten In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De vondsten worden per materiaalcategorie gewassen, gesplitst, geteld, gewogen en gewaardeerd; De vondsten worden uitgewerkt tot het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen; De vondsten worden tijdelijk zo opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat;
AA240060.R01v0.2.PvE175
22 van 35
Indien de resultaten van het veldonderzoek hiertoe aanleiding geven, kan er gedurende een evaluatie tussen de opdrachtgever, het bevoegd gezag, de depothouder en de archeologische uitvoerder bepaald worden of vondsten in aanmerking komen voor uitwerking en analyse, foto en/of tekening en duurzame conservering.
7.5 Archeozoölogische en -botanische resten In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: Analyses in de vorm van C14-, dendrochronologisch of OSL-onderzoek, vinden alleen plaats indien deze relevant zijn voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Indien de resultaten van het veldonderzoek hiertoe aanleiding geven, kan er gedurende een evaluatie tussen de opdrachtgever, het bevoegd gezag, de depothouder en de archeologische uitvoerder bepaald worden of vondsten in aanmerking komen voor uitwerking en analyse, foto en/of tekening en duurzame conservering.
7.6 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking van het beeldmateriaal worden gesteld, wordt verwezen naar de vigerende versie van de KNA. Relevante tekeningen en/of foto's van vlakken, profielen, structuren, belangrijke individuele sporen (vlak en coupe) en vondsten worden voor publicatie gereed gemaakt. Het beeldmateriaal dient de locatie van het onderzoek, de werkwijze en de bevindingen te illustreren. In profieltekeningen moeten x, y, z-waarden in RDcoördinaten en NAP worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen. Op alle tekeningen van een horizontaal vlak worden op regelmatige plaatsen NAP-hoogten gezet. Technische uitwerking De algemene technische uitwerking omvat het digitaliseren van in het veld gemaakte tekeningen, het bewerken van digitale afbeeldingen en het digitale gegevensbeheer. Alle sporen en structuren alsook de gedocumenteerde profielen worden afgebeeld op een ‘alle-sporenkaart’, of (bij een complexe stratigrafie) op gecombineerde vlaktekeningen. Vondsten worden gereinigd, gesplitst, geteld en gewogen en primair gedetermineerd (op bakselniveau en grove datering voor keramiek). Paleo-ecologische resten worden gekarakteriseerd. Foto’s, tekeningen, vondsten, monsters worden geadministreerd. Handgeschreven verslagen worden uitgetikt en gearchiveerd.
Overige analoge documentatie wordt gescand en gearchiveerd. Alle gekarakteriseerde vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand.
AA240060.R01v0.2.PvE175
23 van 35
8 (De)selectie en conservering 8.1 Selectie materiaal voor uitwerking Alle vondsten worden globaal gedetermineerd en gewaardeerd, zodat een waardering van de vindplaat(en) kan plaatsvinden. Indien voor een beantwoording van de onderzoeksvragen bepaalde vondsten of monsters nader uitgewerkt dienen te worden, gebeurt dit in overleg met de verantwoordelijke senior archeoloog. Na afloop van het veldwerk wordt indien nodig in het evaluatieverslag een (de-) selectievoorstel gedaan. Op basis van een eerste evaluatie van de onderzoeksresultaten en een eerste scan en/of waardering op geschiktheid voor analyse (door de betreffende (materiaal) specialisten) van de vondsten en monsters, dient een (de-)selectie van vondsten en monsters plaats te vinden en een selectie van welke artefacten geconserveerd zullen moeten worden. De onderbouwing en verantwoording voor deze (de-)selectie dient onderdeel uit te maken van het evaluatieverslag. De selectie dient goedgekeurd te zijn door de opdrachtgever, het bevoegd gezag en de depotbeheerder. Omdat niet zeker is of archeologische resten zullen worden aangetroffen, is er geen inzicht in de hoeveelheid van archeologische resten. Er kan dan ook geen lijst met verwachte aantallen worden opgesteld. De opdrachtgever/vergunningvrager dient derhalve een stelpost in zijn begroting op te nemen voor het uitwerken van vondsten.
Onder stelpost wordt verstaan: de in de overeenkomst aangeduide geldbedragen die in de aanneemsom zijn inbegrepen en ten laste waarvan nader in het PvE beschreven uitgaven worden gebracht. Indien de som van de uitgaven, die ten laste van de stelpost worden gedaan, hoger of lager lijkt te zijn dan het bedrag van die stelpost, dan zal de afwijking worden verrekend. De stelpost maakt deel uit van de offerte van de archeologisch uitvoerder.
8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Op basis van de aard en context van de vondsten binnen de archeoregio kunnen vondsten in aanmerking komen voor een duurzame conservering. De lijst van betreffende vondsten dient goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag en de depothouder. Op basis van de aard en context van de vondsten binnen de archeoregio kunnen vondsten niet geselecteerd worden voor deponering. Indien een selectierapport is opgesteld wordt op basis van het selectierapport en de daarin opgenomen (de)selectie tabellen van vondsten en monsters een voorstel gedaan voor de (de-)selectie van vondsten en monsters. Het (de-)selectierapport dient bij oplevering aan opdrachtgever, in afschrift, ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de depothouder) eigenaar en het bevoegde gezag. De goedkeuring door het bevoegde gezag betreft het vaststellen of de voorgestelde (de-) selectie leidt tot het kunnen beschikken over voldoende (onderzoeks)materiaal ter beantwoording van de onderzoeksvragen. De goedkeuring door de depothouder/eigenaar betreft het vaststellen of de voorgestelde (de-)selectie
AA240060.R01v0.2.PvE175
24 van 35
overeenkomt met het gemeentelijk beleid en om een schatting te kunnen maken van de hoeveelheid in het depot op te nemen materiaal. Na aanlevering van het selectierapport hebben bevoegde overheid en de depothouder/eigenaar maximaal 15 werkdagen de tijd voor de afhandeling van het verzoek tot goedkeuring aan het selectierapport. Blijft deze goedkeuring uit, dan kan het benodigde werk zonder goedkeuring voortgezet worden (dit geldt uiteraard niet voor het verwijderen van gedeselecteerd materiaal. Dit moet dan gewoon aangeleverd worden. (Zonder goedkeuring mag dit immers nooit verwijderd worden). Voor deselectie dient per vondst - waarvan geadviseerd wordt het te mogen deselecteren - minimaal inzicht gegeven worden in: vondstnummer; soort context waar het object gevonden is (spoor); datering; conserveringstoestand; aard van het object (determinatie); bijzonderheden (inscripties, bewerkingssporen, etc.) en. reden/motivering voor de-selectie.
8.3 Selectie materiaal voor conservering Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien hiervoor de toestemming is verkregen van de depothouder; Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. In principe zullen alle vondsten onderhevig aan degradatie binnen een week worden aangeboden aan de daartoe erkende conservator. Dit om eventuele verdere degradatie te voorkomen. Een voorstel voor selectie wordt opgesteld door de uitvoerende instantie door de uitvoerende instantie (senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist). Indien er sprake is van een groot en/of bijzonder vondstcomplex dient in deze fase al het advies van de betreffende specialisten te worden ingeroepen; In overleg met de opdrachtgever, de bevoegde overheid en de Depot Beheerder wordt bepaald welke voorwerpen dienen te worden geconserveerd; Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Provinciaal Bodemvondsten Limburg, welke als bijlage aan dit PvE zijn bijgevoegd.
AA240060.R01v0.2.PvE175
25 van 35
9 Deponering 9.1 Eisen betreffende depot Er is conform de KNA 4.2 sprake van een aantal overleg- en goedkeuringsmomenten met en door de depothouder. Vóór het veldwerk: Vóór aanvang van het onderzoek dient het PvE te worden toegestuurd aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg. Tijdens het veldwerk: Wanneer er tijdens het veldwerk bijzondere, onvoorziene vondsten en/of significante afwijkingen ten opzichte van het PvE voordoen die gevolgen (kunnen) hebben voor de conservering en/of deponering van het vondstcomplex is overleg met de eigenaar (depothouder) nodig. Waar mogelijk sluit deze aan bij overleg tussen uitvoerder, opdrachtgever en bevoegde overheid. Contactgegevens: drs. (Sjeng) Kusters Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Raadhuisplein 20, 6411 HK Heerlen T +31 652720731 E-mail sjj.kusters@prvlimburg.nl Tijdsduur reactie tijdens veldwerk: direct/maximaal twee werkdagen na melding. Bij uitblijven van een reactie binnen deze termijn vervalt de inspraak van depothouder en beslissen de overige partijen. Na het veldwerk: Selectie van materiaal voor uitwerking: geef in het evaluatieverslag aan welke vondsten en monsters gewaardeerd en uitgewerkt gaan worden en welke niet.
Indien er weinig of geen archeologische waarden worden aangetroffen kan in overleg met de bevoegde overheid worden besloten af te zien van de evaluatiefase, en hoeft geen evaluatierapport en of selectierapport worden opgesteld en kan worden overgegaan tot de rapportage. Selectie voor conservering: alle geselecteerde vondsten en monsters moeten, indien noodzakelijk, geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot, tenzij schriftelijk en op grond van een selectierapport voor conservering anders is overeengekomen met desbetreffende depothouder dan wel de eigenaar van het vondstmateriaal. In een conserveringsrapport dient te worden vastgelegd welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. Zie ook KNA-richtlijn OS16. Selectie voor deponering en verwijdering: De (de)selectie- en conserveringsrapporten die tijdens de evaluatiefase opgesteld worden (hetzij als onderdeel van het evaluatierapport, hetzij als losse rapporten) altijd aan de depothouder ter goedkeuring voorgelegd. Pas na goedkeuring kan overgegaan worden tot de daadwerkelijke (de-) selectie. Voor de actuele aanleveringsvoorwaarden van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg, zie bijlagen.
AA240060.R01v0.2.PvE175
26 van 35
De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Limburg conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA. Voor de actuele aanleveringsvoorwaarden van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg, zie bijlage 4. Tijdsduur reactie: afspraak maken overleg: direct/maximaal 3 werkdagen; afhandeling verzoek deselectie: maximaal 15 werkdagen. Bij uitblijven van een reactie binnen deze termijn vervalt de inspraak van depothouder en beslissen de overige partijen. De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS. Conform vigerende versie van de KNA wordt ook een digitale versie van het rapport alsmede de projectdocumentatie
aangeleverd
aan
het
E-depot
DANS
Data
Station
Archaeology;
https://archaeology.datastations.nl) onder vermelding van het onderzoeksmeldingnummer. Na verwerking in het DANS Data Station Archaeology krijgt de documentatie een persistent identifier, zodat de data digitaal zijn te traceren.
9.2 Te leveren product Evaluatiefase Indien geen archeologische waarden dan wel een beperkt aantal, worden aangetroffen zal geen evaluatie- en of selectierapport worden opgesteld. Het wel of niet opstellen van een evaluatie- en of selectierapport dient na afloop van het veldwerk zo nodig te worden kortgesloten met het bevoegd gezag. Indien nodig wordt na het veldwerk en na de technische uitwerking zoals hieronder omschreven, door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies - een evaluatierapport opgesteld. In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek), voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. Ten behoeve van het evaluatierapport dienen monsters gewaardeerd te worden op geschiktheid voor nadere analyse en/of gebruik voor dateringsmethoden. In deze fase dient voorts geëvalueerd te worden in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden, onder andere in het licht van vraagstellingen uit de NOaA (zoals bepaald in paragraaf 5.2).
Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering. Om deze evaluatie mogelijk te maken worden alle basisgegevens zoals vondstlijsten, spoorlijsten, allesporenkaarten (per vlak), etc., zoals verwerkt tijdens de technische uitwerking, ontsloten in het evaluatierapport. Het evaluatierapport wordt gelijktijdig aangeboden aan bevoegd gezag en initiatiefnemer. Het wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling op dit programma van eisen. Na aanbieding van het evaluatierapport heeft de initiatiefnemer één week de gelegenheid zijn visie op de mate van uitwerking en rapportage kenbaar te maken richting bevoegd gezag. Een besluit hieromtrent wordt evenwel genomen op basis van inhoudelijke argumenten door bevoegd gezag archeologie. Het risico van de uitwerking van het archeologisch onderzoek ligt immers cf. nationale wetgeving bij initiatiefnemer.
AA240060.R01v0.2.PvE175
27 van 35
Na vaststelling van het evaluatierapport geeft de opdrachtgever/vergunningaanvrager opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concept-eindrapport. Het evaluatierapport wordt uiterlijk twaalf weken na beëindiging van het veldwerk, inclusief alle (de-) selectie lijsten per vondstcategorie, aangeleverd. Op basis van het evaluatierapport wordt (indien nodig tijdens een overleg) vastgesteld welke zaken dienen te worden uitgewerkt en in welke mate. Tevens worden afspraken gemaakt over de inhoud van het eindrapport. Met de uitwerking van het onderzoek kan pas dan gestart worden wanneer sprake is van een door het bevoegde gezag goed gekeurd evaluatierapport. Het bevoegde gezag heeft twee weken gelegenheid om het concept van het evaluatierapport te beoordelen en de steller te voorzien van eventueel commentaar. Twee weken na het verkrijgen van het commentaar dient de eindversie digitaal te worden aangeleverd aan het bevoegd gezag ter definitieve toets. Na goedkeuring van het eventueel op te stellen evaluatie- en of selectierapport door bevoegde overheid wordt overgegaan tot de opstelling van het onderzoeksrapport. Dit rapport zal worden opgesteld op basis van de richtlijnen opgenomen in KNA 4.2.
Het conceptrapport wordt uiterlijk 6 maanden na afronding van het veldwerk in enkelvoud (analoog en/of digitaal) ter toetsing aangeboden aan de opdrachtgever en bevoegde overheid, tenzij de tijd benodigd voor de uitwerking van monsters dan wel specialistisch onderzoek langer zal duren of indien na overleg met de opdrachtgever een andere tijdsperiode wordt afgesproken. Mocht dit zo zijn dan zal dit met de bevoegde overheid worden kortgesloten. Het bevoegd gezag dient binnen 6 weken te reageren. Door de bevoegde overheid gevraagde correcties dienen binnen 3 weken tot een definitief rapport te leiden. De verplichting tot voorlegging ter goedkeuring van het rapport rust op de opdrachtgever; deze mag de certificaathouder vragen hem hierin te ontzorgen. Eindproduct Het eindproduct bestaat uit een eindrapportage in de huisstijl van het uitvoerend opgravingsbedrijf in analoge en digitale vorm en een CD/DVD waarop alle documentatie (tekeningen, foto’s, verslagen, analyses, dag- en weekrapporten, scans, tabellen, databases van sporen, vondsten, monsters, foto en tekeningenlijsten, etc.) is opgeslagen. Het digitale eindrapport wordt geleverd aan de opdrachtgever, aan het college van B&W van de gemeente waar het onderzoek is uitgevoerd, aan het provinciaal depot voor bodemvondsten, aan de Koninklijke
Bibliotheek,
aan
de
Rijksdienst
voor
het
Cultureel
Erfgoed.
Levering
aan
vergunningvrager/opdrachtgever geschiedt volgens contract tussen opdrachtgever en uitvoerder. Van het eindrapport worden 2 analoge exemplaren aan de gemeente geleverd, ook wordt het rapport digitaal aangeleverd in pdf formaat. In het rapport dienen een samenvatting met de meest opmerkelijke resultaten van het onderzoek en enkele afbeeldingen ten behoeve van een persbericht aangeleverd te worden. Vondsten die in de rapportage zijn afgebeeld, apart beschreven of van museale waarde zijn worden gemarkeerd in de vondstenlijst en zichtbaar apart verpakt. Structuur en inhoud Het rapport dient zo min mogelijk herhalingen te bevatten. De tekst dient op alle essentiële punten door afbeeldingen en tabellen ondersteund te worden. Het rapport bevat in ieder geval de volgende items:
AA240060.R01v0.2.PvE175
28 van 35
- Samenvatting. - Inleiding: aanleiding, beleidsmatig en planologisch kader, locatiebeschrijving, bekende verstoring/huidig gebruik, bestaande waarde/verwachting, onderzoeksdoel, uitvoeringsperiode, personeel, enz. - Bekende gegevens van archeologische, aardwetenschappelijke, historische en andere aard. - Vraagstelling en verwachtingen. - Strategie, methoden en technieken in veld en bij uitwerken (met motivatie en met opgave van aanpassingen van programma van eisen). - Beschrijving en determinatie van sporen en structuren. - Beschrijving en determinatie van (an)organische artefacten per materiaalcategorie. - Waardebepaling - Conclusie en aanbevelingen. - Een locatiekaart; - Een overzicht van de aangelegde putten; - Een overzicht van aanwezige stratigrafie en/of belangrijke profielen; - Een overzicht van de aangetroffen sporen en structuren; - Een kaart waarop 1) het areaal van de archeologische sites, 2) het areaal van verstoorde bodemprofielen en 3) de niet onderzochte terreindelen staan aangegeven; - Foto’s en tekeningen (van sporen, structuren of vondsten) om de tekst te ondersteunen.
- Conclusie en samenvatting dienen duidelijk te verschillen: De conclusie zet de onderzoeksbevindingen af tegenover de aanleiding, doel- en vraagstelling, evalueert de gebruikte strategie en methoden, geeft aan in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord zijn en vat de essentie van de antwoorden op de onderzoeksvragen samen. In de conclusie worden tevens de AMZ-aspecten behandeld (waardebepaling, aanbevelingen). De samenvatting vat het geheel van het rapport samen: inleiding, voorgeschiedenis, plaats, tijdpad, betrokkenen, belangrijkste gegevens uit deelrapporten, synthese, conclusie. De samenvatting moet voor een breed publiek begrijpelijk zijn, in het bijzonder t.a.v. de AMZ aspecten. Openbaarheid Alle rapporten zijn openbaar. Restricties kunnen alleen door de bevoegde overheid gesteld worden vanuit een oogpunt van bescherming van het bodemarchief.
AA240060.R01v0.2.PvE175
29 van 35
10Randvoorwaarden en aanvullende eisen 10.1 Personele randvoorwaarden Waar in de onderstaande tekst sprake is van ‘hij’, dient dat als ‘hij / zij’ gelezen te worden. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een daartoe conform de SIKB BRL 4000, protocol 4003 gecertificeerd opgravingsbedrijf met een qua aantal, opleiding, ervaring adequaat bemenst team. Het bedrijf dient zo georganiseerd te zijn dat flexibel op wijziging of uitloop van werkzaamheden gereageerd kan worden en dat ondersteunend of vervangend personeel of specialisten snel ter plaatse kunnen zijn. Projectleider is een senior-KNA-archeoloog met ervaring in de regio. Bij afwezigheid van de projectleider berust de leiding in het veld bij een vergelijkbare senior KNA-archeoloog. Het fysisch-geografisch onderzoek wordt uitgevoerd door minimaal een senior KNA archeoloog en/of fysisch geograaf met aantoonbare ervaring in het onderzoeksgebied; Voor aanvullende werkzaamheden kan een beroep worden gedaan op gekwalificeerde, georganiseerde amateurarcheologen op voorwaarde dat deze enkel werkzaamheden verrichten onder de vlag van de leidend archeoloog;