Omgevingsbeleid voor zonneparken in de gemeente Beek
Tekst van het document
Omgevingsbeleid voor zonneparken in de gemeente Beek
Versie: Definitief Raadswerkgroep Energietransitie Beek Datum: 20 juli 2020 Auteur: Raadswerkgroep Energietransitie Beek (REB) Gemeente Beek Raadhuisstraat 9 6191 KA Beek T 046 – 43 89 222 F 046 – 43 77 757 E info@gemeentebeek.nl Vragen: william.vandewauw@gemeentebeek.nl
Managementsamenvatting De gemeente Beek heeft een dubbele opgave aangaande de energietransitie, namelijk enerzijds voldoen aan de afspraken die internationaal, nationaal en regionaal zijn gemaakt en anderzijds voldoen aan de eigen ambities, namelijk het realiseren van een gezonde en duurzame toekomst voor de Beekse inwoners. Daarnaast is de gemeente ook verantwoordelijk voor onlosmakelijke raakvlakken met dit onderwerp, zoals het landschap, de natuur, het milieu en de ruimtelijke ordening. De gemeente Beek wil op termijn energieneutraal worden. Dit volgt mede uit de Beekse ”Toekomstvisie 2010 – 2030”. In de realisatie van haar ambities wil de gemeente duurzaam zijn in elke vorm van dienstverlening en beleidsontwikkeling. Voor de inrichting van een gebied en het realiseren van een aangename woon- en leefomgeving is duurzaamheid een belangrijk sleutelwoord. Om de Beekse toekomstvisie te realiseren is begin 2017 het Klimaat- en energiebeleidsplan 2017-2023 “De knop om!” unaniem door de Beekse gemeenteraad vastgesteld. In dit beleidsplan zijn de ambities met betrekking tot klimaat- en energiebeleid geformuleerd en geprioriteerd. Eén van de belangrijkste ambities is het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit met behulp van zon-PV systemen.
Grootschalig, om naast de kleine ontwikkelingen ook snelle stappen te kunnen zetten richting de vastgestelde doelstellingen en ambities. Zonne-energie is een toepasbare en bewezen techniek. Gebaseerd op de huidige bestaande technieken is de inzet van zonne-energie voor de gemeente Beek de enige optie om zonder CO2uitstoot (tijdens de exploitatiefase en CO2 staat voor Koolstofdioxide) elektriciteit op te wekken. Door de aanwezigheid van onder andere de luchthaven Maastricht Aachen Airport is opwek uit windenergie niet mogelijk binnen de gemeente Beek. Tevens sluit de provincie Limburg opwek van windenergie uit in het Nationaal Landschapspark Zuid-Limburg (NLZL). Het energieverbruik in de gemeente Beek is hoog. Dit hoge energieverbruik komt mede door de vele bedrijven en de mobiliteit op bijvoorbeeld de autosnelwegen A2 en A76. Opgemerkt dient te worden dat het toegerekende Beekse energieverbruik voor mobiliteit niet alleen wordt veroorzaakt door inwoners en bedrijven van de gemeente Beek, maar ook door verkeer over de A2 en A76 zonder de gemeente Beek als start of eindbestemming te hebben. Om een CO2-neutrale situatie te creëren zal de gemeente Beek de komende jaren fors moeten inzetten op zonne-energie, energiebesparing en het “zo veel als mogelijk” afstappen van fossiele brandstoffen. Het hoge energieverbruik van Beek noopt tot veranderingen.
Inzet van daken en gevels, open terreinen, parkeerplaatsen en dergelijke in het bebouwd gebied (voor duurzame opwek van zonne-energie), geeft onvoldoende elektriciteit om aan de huidige energievraag te kunnen voldoen. Inzet van een klein deel van het buitengebied is derhalve noodzakelijk. Door de komst van nieuwe technieken, energiebesparing en bijvoorbeeld de inzet van waterstof als energiedrager, is de inzet van dit klein deel van het buitengebied slechts tijdelijk nodig. De inzet betreft circa 2,5% van alle landbouwgrond op het grondgebied van de gemeente Beek gedurende circa 25 tot 30 jaar. Na het gebruik van deze landbouwgrond als zonnepark zal het gebruik terug transformeren naar landbouw of mogelijk zelfs naar natuur, afhankelijk van de vraag in 2050. Om dit te kunnen realiseren moet zorgvuldig worden omgegaan met de inrichting van deze zonneparken, met voldoende oog voor natuur, landschap, ecologie, bodem, ruimtelijke ordening, et cetera. Daarnaast zijn maatschappelijk draagvlak en betaalbaarheid belangrijke uitgangspunten. Zonneparken zijn niet door de hele gemeente wenselijk. Bepaalde gebied worden in dit “Omgevingsbeleid voor zonneparken in de gemeente Beek” uitgesloten. In deze gebieden is het niet wenselijk dat zonneparken worden gerealiseerd. In andere gebieden, onder bepaalde voorwaarden, is dat wel mogelijk.
Deze gebieden die onder voorwaarden wel voorzien mogen worden van zonneparken zijn de zoekgebieden, waarbij opgemerkt dient te worden dat zonneparken slechts in een deel van deze zoekgebieden benodigd zijn en dat deze zonneparken niet van vandaag op morgen kunnen worden gerealiseerd, omdat hiervoor op dit moment de benodigde ondergrondse infrastructuur ontbreekt.
2
Inhoudsopgave: 1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 5 1.1 Inleiding en aanleiding ontwikkeling beleidskader ........................................................................ 5 1.2 Toekomstvisie en beleid gemeente Beek ...................................................................................... 6 1.3 Historie en wet- en regelgeving ....................................................................................................... 9 Kyotoprotocol 1997 .............................................................................................................................. 9 Beleid Europese Unie ........................................................................................................................ 10 Klimaatakkoord van Parijs 2015 ...................................................................................................... 10 Nationaal Klimaatakkoord / RES...................................................................................................... 10 1.4 Energietransitie in Beek ..................................................................................................................
13 1.5 Beekse opgave Zon-PV .................................................................................................................. 17 2 ZONNE-ENERGIE .................................................................................................................................. 20 2.1 Zonneparken .................................................................................................................................... 20 2.2 Ruimtelijke afweging ....................................................................................................................... 22 Ruimtelijke ordening .......................................................................................................................... 22 Locatiekeuze en ontwerp .................................................................................................................. 23 Bestemmingsplan en omgevingsvergunning ................................................................................. 23 Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) ......................................................................... 24 2.3 Maatschappelijke afweging ............................................................................................................
25 3 ZONNELADDER ..................................................................................................................................... 27 3.1. Zon-PV en landschap..................................................................................................................... 27 Urgentie ............................................................................................................................................... 27 Zonnepark en landbouw .................................................................................................................... 28 Zonnepark en parkeerplaats............................................................................................................. 28 Zonnepark en oude stortplaats ........................................................................................................ 28 Zonnepark op en rond A2 en A76.................................................................................................... 29 3.2 Zonneparken in buitengebied ........................................................................................................ 30 Bodemkwaliteit....................................................................................................................................
31 3.3 Zonneladder Beek ........................................................................................................................... 32 3.4 Locatiebepaling ................................................................................................................................ 33 Initiatiefnemer ..................................................................................................................................... 33 Voorkeursgebieden ............................................................................................................................ 33 3
Technische afweging ......................................................................................................................... 33 4 RANDVOORWAARDEN EN UITGANGSPUNTEN ........................................................................... 37 5 GERAADPLEEGDE BRONNEN ........................................................................................................... 41 6 BIJLAGEN ................................................................................................................................................ 42 Bijlage 1 - Kaart 1: Bestaand bebouwd gebied gemeente Beek ..................................................... 42 Bijlage 2 - Kaart 2: Geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 (GC05) ..... 46 Bijlage 3 - Kaart 3. Aanknopingspunten voor zonneparken per locatietype.................................. 47 Bijlage 4 Ongeschikte en geschikte gebieden voor zon-PV ........................................................ 49 Bijlage 5 Checklist Ruimtelijke ordening ......................................................................................... 51 Bijlage 6: Locatiestudie zoekgebieden Omgevingsbeleidsplan zonneparken Beek ................ 57 Bijlage 7: Feedback concept omgevingsbeleid voor zonneparken gemeente Beek in nota dialoog/participatie.
............................................................................................................................ 63
4
1 INLEIDING 1.1 Inleiding en aanleiding ontwikkeling beleidskader Zonneparken zijn voor onze gemeente nieuw. De gemeente Beek heeft een dubbele opgave aangaande de energietransitie, namelijk enerzijds voldoen aan de afspraken die internationaal, nationaal en regionaal zijn gemaakt en anderzijds voldoen aan de eigen ambities, namelijk het realiseren van een gezonde en duurzame toekomst voor de Beekse inwoners. Daarnaast is de gemeente ook verantwoordelijk voor onlosmakelijke raakvlakken met dit onderwerp, zoals het landschap, de natuur, het milieu, de economie en de ruimtelijke ordening. Zonne-energie is een toepasbare en bewezen techniek. Gebaseerd op de huidige bestaande technieken is de inzet van zonne-energie voor de gemeente Beek de enige optie om zonder CO2-uitstoot tijdens de exploitatiefase elektriciteit op te wekken. Mede door de aanwezigheid van bijvoorbeeld de luchthaven Maastricht Aachen Airport (MAA) is opwek uit windenergie niet toegestaan. Biovergisting, biomassacentrales, mestvergisting en dergelijke installaties zijn buiten beschouwing gelaten. Deze installaties stoten ook CO2 uit, soms zelfs meer dan een kolencentrale blijkt uit diverse nationale en internationale onderzoeken. Ook kernenergie is in deze notitie niet meegenomen.
Hoewel kernenergie (tijdens de exploitatiefase) geen CO2 uitstoot geeft, is deze bedrijfstak voorzien van eigen wet- en regelgeving en een omvangrijk vergunningenstelsel, een en ander los van de opslag van het radioactief afval en de hoge bouwkosten. Ook alternatieve bronnen als geothermie en dergelijke zijn in deze notitie niet meegenomen, omdat deze technieken momenteel nog in de kinderschoenen staan, zeker in een gebied met vele geologische breuklijnen, zoals bijvoorbeeld de Feldbiss breuk en dergelijke in Zuid-Limburg. De gemeente Beek zal daarom de komende jaren, naast energiebesparing, in moeten zetten op groot- en kleinschalige zonne-energie. Om aanvragen voor het realiseren van zonneparken (grondgebonden zonnepanelen binnen en buiten de bebouwde gebieden) te kunnen toetsen en om sturing te kunnen geven aan deze ontwikkeling, is beleid nodig. Daarom is dit document, het “Omgevingsbeleid voor zonneparken in de gemeente Beek”, opgesteld. Dit beleid zorgt voor een beleidsmatig toetsings- en afwegingskader, waarbij onder andere gekeken wordt naar de ruimtelijke impact, duurzaam ruimtegebruik, de kwaliteit van het landschap en de bebouwde omgeving, het milieu, ecologische aspecten en uiteraard andere bijzonderheden om uiteindelijk te kunnen bepalen waar en onder welke voorwaarden dergelijke zonneparken kunnen worden gerealiseerd.
Daarnaast is van belang wat er gaat gebeuren met een perceel na beëindiging van een zonnepark. Bovendien is het Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NPRES) opgestart. Het voorliggende Beekse omgevingsbeleid voorziet in het Beekse aanbod duurzame opwek van elektriciteit, benodigd voor oplevering van de concept Regionale Energie Strategie (RES) (uiterlijk 1 oktober 2020) en RES 1.0. De RES 1.0 wordt in dit beleidsplan meegenomen, omdat op het grondgebied van de gemeente Beek op daken, (parkeer)terreinen, losse percelen, et cetera (binnen de bebouwde omgeving) en de in dit plan gedefinieerde zoekgebieden samen, meer dan voldoende ruimte is voor het realiseren (op den duur) van 100% van het huidige Beekse elektriciteitsverbruik. In dit beleidsplan staat op welke locaties zonneparken in beginsel mogelijk zijn, op welke manier en hoe inwoners meegenomen worden in het ontwikkelproces en welke mogelijkheden er zijn voor participatie. De kwaliteit van het landschap, de betaalbaarheid en het draagvlak staan hierbij voorop. Dit omgevingsbeleid vormt tevens de onderlegger voor de Regionale Energie Strategie (RESelektriciteit) en het toekomstige Ruimtelijke Afwegingskader (RAK) voor de gemeente Beek aangaande hernieuwbare opwek van zonne-energie.
Dit omgevingsbeleid vormt tevens een onderlegger voor de Omgevingsvisie en het omgevingsplan van de gemeente Beek als gevolg van de Omgevingswet.
5
1.2 Toekomstvisie en beleid gemeente Beek De gemeente Beek wil op termijn energieneutraal worden. Dit volgt mede uit de Beekse ”strategische toekomstvisie 2010 – 2030”. In de realisatie van haar ambities wil de gemeente Beek duurzaam zijn in elke vorm van dienstverlening en beleidsontwikkeling. Voor de inrichting van een gebied en het realiseren van een aangename woon- en leefomgeving is duurzaamheid een belangrijk sleutelwoord, waarbij opgemerkt dient te worden dat duurzaamheid, met onderdelen als “klimaatadaptatie” (het proces waarbij de samenleving zich aanpast aan het actuele of verwachte klimaat en de effecten daarvan, om de schade die gepaard kan gaan met klimaatverandering te beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt te benutten), de energietransitie, hittestress, waterinfiltratie, regenwateropslag, circulaire economie uit reststromen, et cetera mogelijk de grootste uitdagingen zullen worden van deze eeuw. Deze onderwerpen liggen allemaal bij de gemeente (regisseur) en omdat al deze onderwerpen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dus ook bij de Raadswerkgroep Energietransitie Beek (REB). Beleid Beek en beleidsstandpunt Beeks aandeel mobiliteit Om de toekomstvisie te realiseren is begin 2017 het Klimaat- en energiebeleidsplan 2017-2023 “De knop om!” unaniem door de gemeenteraad vastgesteld.
In dit beleidsplan zijn de ambities met betrekking tot klimaat- en energiebeleid geformuleerd en geprioriteerd. Eén van de belangrijkste ambities (met een hoge prioriteit) is het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit met behulp van zon-PV systemen. Grootschalig, om naast de kleine ontwikkelingen ook snelle stappen te zetten richting de vastgestelde doelstellingen/ambities. Het energieverbruik in de gemeente Beek is hoog. Dit hoge energieverbruik komt voornamelijk door de woningen, vele bedrijven, de mobiliteit en de situering van de luchthaven MAA, A2 en A76 op het grondgebied van de gemeente Beek. Elektriciteitsverbruik woningen (circa 3.200 kWh per gemiddeld huishouden), warmte (gas omgerekend in kWh circa 15.000 kWh per gemiddeld huishouden) en mobiliteit (brandstoffen omgerekend in kWh, circa 15.000 kWh per gemiddeld huishouden). Een en ander wil dus zeggen dat elk gemiddeld huishouden aan de lat staat voor circa 33.000 kWh per jaar, los van het energieverbruik van bedrijven en overige mobiliteit.
Opgemerkt dient te worden dat het toegerekende Beekse energieverbruik voor mobiliteit niet alleen wordt veroorzaakt door inwoners en bedrijven van de gemeente Beek, maar ook door ander verkeer over de A2 en A76 zonder de gemeente Beek als start of eindbestemming te hebben. Gebruik van snelwegen wordt toegerekend aan de gemeenten die een snelweg op het grondgebied hebben liggen. Beek wordt hierdoor geconfronteerd met een extra energieaandeel A2, A76 en mogelijk ook luchthaven. Met name de A2 is een landelijke slagader vanuit België richting Amsterdam. Slechts een deel van het verkeer op deze autosnelweg is van en of voor de gemeente Beek. De rest kan worden toegerekend aan bijvoorbeeld transporten/reizigers van en naar overigens provincies/gemeenten in Nederland en vanuit en naar het buitenland, zoals België, Luxemburg, Frankrijk, et cetera. Dit aandeel is meer een landelijk of regionaal probleem dan een probleem van bijvoorbeeld alleen de gemeente Beek. Daarnaast wordt mogelijk een deel van de mobiliteit vanuit de luchthaven MAA meegenomen in de mobiliteitsberekening. De omvang van dit aandeel is niet te achterhalen blijkt uit navraag. MAA heeft echter een regiofunctie. De vraag is dus ook of deze mobiliteit toegerekend kan en moet worden aan de gemeente Beek. De gemeente Beek voelt zich niet verantwoordelijk voor het hoge energieverbruik uit mobiliteit.
Slechts een deel hiervan kan worden toegerekend aan de gemeente. Beek heeft ook geen invloed op dat overige deel. Nota bene Het concept van dit Omgevingsbeleid voor zonneparken in de gemeente Beek is gedurende het opstellen meermaals getoetst door netbeheerder Enexis. Daarnaast zijn in het kader van de RES alle schakelstations van Enexis getoetst op het mogelijke toekomstige aanbod van duurzame elektriciteit. Uit deze toets blijkt dat het schakelstation tussen Beek en Neerbeek oranje kleurt. Een en ander wil zeggen dat uitbreiding aan de orde is vóór 2025. Uitbreiding van dit hoofdschakelstation staat in de planning van Enexis voor eind 2023.
6
Beleid provincie Limburg De provincie Limburg streeft net als de gemeente Beek naar CO2-neutraliteit. Daarmee sluit Limburg aan bij de landelijke doelstelling om in Nederland te komen tot een 95% reductie van de CO2-uitstoot in 2050. Om dit te realiseren zijn en worden op landelijk niveau afspraken gemaakt aan verschillende tafels, zoals de tafel elektriciteit, warmte, et cetera. Echter, of CO2-neutraliteit in Limburg haalbaar is en hoe dit te realiseren zal de komende decennia moeten blijken. De provincie geeft aan in beginsel geen voorstander te zijn van zonne- en windparken in het buitengebied. In het collegeprogramma 2019-2023 schrijft de provincie: “Onder de voorwaarden haalbaarheid, betaalbaarheid en draagvlak stellen wij ons, als midden bestuur op als een betrouwbare partner van het Rijk en van gemeenten. Dit betekent dat wij onze rol zullen pakken bij onder andere de uitvoering van wetten en wettelijk geborgde afspraken en realistische ambities rondom de klimaat- en energietransitie, zoals bij de totstandkoming van Regionale Energie Strategieën.
Wij erkennen dat mensen vanuit verschillende uitgangspunten en opvattingen meewerken aan een innovatief energietransitiebeleid, welke onze economische structuur versterkt, ons minder afhankelijk maakt van fossiele brandstoffen uit het buitenland (bijvoorbeeld Rusland en Arabische landen) en tegelijkertijd de gevolgen van uitstoot vermindert en rekening houdt met biodiversiteit.” De provincie Limburg heeft tevens een duurzaamheidsladder voor de opwek van duurzame energie vastgesteld. De provincie Limburg geeft hierover het volgende aan: Brief Corsa 20ink02034, de dato 23 april 2020. In lijn met de concept POVI-teksten hanteren wij voor de ruimtelijke inpassing van zonne-energie de Limburgse zonneladder. De Limburgse zonneladder is opgesteld in navolging van de motie Dik-Faber met als doel stimulerend te werken voor zon op daken, en terughoudend te zijn met zon op landbouwgronden en in natuurgebieden. Het gaat zowel om de juiste locatie als om de juiste ruimtelijke inpassing op die locatie. De zonneladder is als volgt: 1. Op daken en gevels van gebouwen; 2. Onbenutte terreinen in gebouwd gebied; 3. Gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur. 4. Gronden in gebruik voor landbouw; 5. Uitsluitingsgebieden (Natura2000 gebieden en waterwingebieden). Deze zonneladder is nadrukkelijk niet bedoeld om volgtijdelijk te doorlopen.
Het is niet zo dat eerst alle daken vol hoeven te liggen voordat een andere treden kan worden benut. Alle treden van de ladder kunnen tegelijkertijd betreden worden. Wij benadrukken daarbij dat een goede ruimtelijke afweging van essentieel belang is. De energietransitie vergt nu eenmaal ruimte, zowel bovengronds als ondergronds, en die ruimte moet vrijgemaakt worden. Het betreft omgevingsruimte die niet of minder ingezet kan worden voor andere doeleinden. De inzet van de RES Zuid-Limburg om zon op daken te benutten en te zoeken naar multifunctioneel ruimtegebruik, wordt dan ook gewaardeerd. Maar duidelijk dient te zijn dat geen enkel gebied wordt uitgesloten voor zonneweiden, met uitzondering van Natura2000-gebieden en waterwingebieden. Vanzelfsprekend dient eventuele plaatsing van zonnepanelen in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg met respect voor de landschappelijke kernwaarden te gebeuren. Het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg is daarvoor een belangrijke handreiking. De gecombineerde opgave van duurzame energieopwekking en het waarborgen van het Zuid-Limburgse landschap is een proces van zorgvuldige afwegingen. In de Regionale Energie Strategieën wordt inzichtelijk gemaakt waar en hoe het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden. De Provincie stelt zich in deze RES’en op als gelijkwaardig partner.
Ten behoeve van het opstellen van de RES’en willen wij gemeenten blijven ondersteunen met kennis over energie, ruimtelijke kwaliteit in algemene zin en landschap en cultuurhistorie in het bijzonder. Wij bereiden daarom een provincie-breed ontwerpend onderzoek voor waarin wij samen met u en andere relevante partijen de energietransitie in een bredere (ruimtelijke) context plaatsen, zoals klimaatadaptatie en economie. Beleid Rijksoverheid De rijksoverheid heeft het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Daarnaast heeft de rijksoverheid ingestemd met het nationale SER Energieakkoord 2013 en het nationaal Klimaatakkoord 2019, waarbij de uitwerking van het nationale Klimaatakkoord al verwerkt is in de nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het realiseren van een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving is een van de vier strategische opgaven voor de fysieke leefomgeving, aldus het NOVI. De drie andere onderwerpen zijn: het realiseren van een duurzame en concurrerende economie, een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving en een waardevolle leefomgeving. Deze vier strategische opgaven raken alle vier onderwerpen als CO2-reductie (van het aardgas af, opwek duurzame elektriciteit, PAS, PFAS, et
7
cetera), energiebesparing (trias energetica), van lineaire naar circulaire economie (verminderen niet herbruikbare reststromen), circulaire land- en tuinbouw, milieu, waterkwaliteit, klimaatadaptatie, hittestress, waterinfiltratie, regenwateropslag, et cetera. Ook vanuit het NOVI blijkt de onlosmakelijkheid en het belang van deze onderwerpen. De Rijksoverheid verwijst voor de planvorming en implementatie van zonneparken naar de constructieve zonneladder van de gezamenlijke Natuur en milieufederaties, maar geeft hier ook duidelijk bij aan dat het de decentrale overheid vrij staat om eigen keuzes te maken. Belangrijk is energiebesparing en opwekking van duurzame energie volgens een strakke routekaart om tijdig het doel van energieneutraliteit te bereiken. De zonneparken dienen zorgvuldig in de natuur, in het landschap en in de leefomgeving te worden ingepast. Bovendien dient een eerlijke verdeling van lusten en lasten te worden gerealiseerd. Het is niet de bedoeling om zonneparken op te richten en deze hierna (met Nederlandse subsidies) door te verkopen aan bijvoorbeeld buitenlandse investeerders. Het zonnepark is en blijft bij voorkeur lokaal/regionaal eigendom van inwoners en bedrijven. Dus ook de lusten blijven in de regio. Klimaatwet In 2019 is de Klimaatwet aangenomen. De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent Nederland de CO2-uitstoot moet terugdringen.
Beek zal, net als alle andere gemeenten, de komende jaren moeten gaan voldoen aan deze eisen.
8
1.3 Historie en wet- en regelgeving Kyotoprotocol 1997 Het Kyotoprotocol is een afspraak onder het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties, het UNFCCC (United Nations Framework Convention on Climate Change). In het Kyotoprotocol (Kyoto, 1997) hebben de industrielanden zichzelf verplicht om de eigen uitstoot van broeikasgassen te beperken. Dit door in 2012 gemiddeld ruim 5% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990 (jaar van de nulmeting). De doelstelling voor de Europese Unie (EU) was 8% en voor Nederland 6% minder uitstoot ten opzichte van het jaar 1990. Het protocol is in werking getreden in 2005 en is in 2010 geratificeerd door 187 landen, waaronder door Nederland. Het oorspronkelijke Kyotoprotocol liep tot eind 2012 en is door een aantal landen, waaronder Nederland, verlengd tot 2020, waarbij de ambitie ook naar boven is bijgesteld. In 1990 was de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) in Nederland circa 160 miljard kilogram. In 2017 werd in Nederland ook circa 160 miljard kilogram CO 2 uitgestoten (Bron: CBS/RIVM, 2018). De CO2-uitstoot was in 2017 dus nog net zo hoog als bijna 30 jaar terug. In de onderstaande twee afbeeldingen is de uitstoot van broeikasgassen (Bron: CBS/RIVM, 2018) en de emissie CO2 per sector in Nederland inzichtelijk gemaakt (Bron: RIVM, 2018).
Afbeelding 1: Uitstoot broeikasgassen, CBS/RIVM 2018
9
Afbeelding 2: Emissie CO2 per sector, RIVM, 2018
Beleid Europese Unie De EU-landen hadden echter al separate afspraken gemaakt die verder gingen dan de doelstellingen uit het Kyotoprotocol van 1997, namelijk een CO2-reductie van 20% ten opzichte van 1990 in 2020. Daarnaast is destijds afgesproken dat in 2020, 20% minder energie wordt verbruikt en dat 20% van de gebruikte energie van hernieuwbare bronnen komt, zoals wind- en of zonne-energie. Voor 2030 hadden de EU-landen afgesproken dat de CO2-uitstoot 40% lager moet zijn dan in 1990. Deze afspraken zijn ook nationaal vastgelegd in het SER Nationale Energieakkoord van 2013. Dat wil zeggen voor Nederland: 25% CO2-emissiereductie, 14% opwek hernieuwbare energie en 20% minder energie in 2020 ten opzicht van 1990. Dit akkoord is gesloten door onder andere het Rijk, de VNG en het IPO. De doelstellingen voor 2020 zullen niet gerealiseerd worden. Onderzocht wordt of middels de aankoop van hernieuwbare energie uit het buitenland voldoen aan de doelstellingen voor 2020 alsnog haalbaar is. Nederland heeft anno 2020 de minste opwek van duurzame energie van heel Europa, het totale aandeel "hernieuwbare energie" in 2019 was 8,6 procent.
Klimaatakkoord van Parijs 2015 Op de Klimaattop van Parijs in 2015 heeft de internationale gemeenschap bindende afspraken gemaakt om klimaatverandering tegen te gaan. Het akkoord is een vervolg op het Kyotoprotocol. Afgesproken is dat de gemiddelde temperatuurstijging op aarde onder de 2°C moet blijven en aan de groei van de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2 een eind moet komen. De uitstoot van broeikasgassen moet in 2050 weer in balans zijn met de natuurlijke CO2-opslag van de aarde. Door ontbossing, verdroging bodem en bosbranden wordt deze natuurlijke CO2-opslag overigens elk jaar minder. Het Klimaatakkoord van Parijs is een historisch akkoord, omdat er voor het eerst een bindend verdrag is gesloten en geratificeerd door bijna 200 landen. Het is bijzonder dat ook de grootste industrielanden, zoals India en China het akkoord hebben ondertekend. Ook landen met veel aardolie, zoals SaoediArabië, doen mee. Op 1 juni 2017 kondigde de Verenigde Staten (VS) aan zich terug te trekken uit het Klimaatakkoord. Formeel kan de terugtrekking pas eind 2020. Na deze aankondiging van de VS hebben ruim 20 staten binnen de VS aangegeven zich wel aan het Klimaatakkoord te gaan houden. Opgemerkt dient te worden dat na de bekendmaking van de VS ook Rusland, Turkije en Saoedi-Arabië twijfelen over hun deelname aan het Klimaatakkoord van Parijs.
Nationaal Klimaatakkoord / RES Nederland heeft een eigen uitwerking gemaakt om aan het Klimaatakkoord van Parijs te voldoen, namelijk “het Nationale Klimaatakkoord”. Het Nationale Klimaatakkoord heeft als doel terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 met ten minste 49% ten opzichte van 1990 en in 2050 met ten minste 95% ten opzichte van 1990. Om dit doel te behalen zijn diverse afspraken gemaakt
10
rondom energiebesparing en hernieuwbare energieopwekking. Voor hernieuwbare energieopwekking wordt een stijging van 17 Terawattuur (TWh) naar 84 TWh in 2030 beoogd. De doelstelling is om dit te realiseren op zowel zee als land. De volgende (opwek)doelen zijn geformuleerd: Hernieuwbaar wind op zee In 2030 dient ten minste 49 TWh elektriciteit door bestaande en nieuwe windmolenparken op zee te worden gerealiseerd. Plannen voor verdere opschaling worden voorbereid en overwogen als de vraag naar elektriciteit uit sectoren (extra) toeneemt. De Rijksoverheid zal in 2020 extra gebieden op zee aanwijzen. Dat gebeurt in een integrale belangenafweging met onder andere natuurorganisaties en de visserij. Hernieuwbaar op land 35 TWh wordt in 2030 via wind- en zonne-energie op land gerealiseerd. Decentrale overheden krijgen de ruimte deze opgave in te passen. De Rijksoverheid onderzoekt mogelijkheden om rijksgronden ter beschikking te stellen voor de opwek van hernieuwbare elektriciteit. De ambitie is dat 50% van nieuwe hernieuwbare elektriciteit op land in eigendom komt van de lokale omgeving. Participatie en draagvlak zijn immers essentieel voor de energietransitie en daarmee voor de uitvoerbaarheid van de doelstellingen. Het is daarom wenselijk om belanghebbenden goed te betrekken bij de planvorming en hen waar mogelijk ook in staat te stellen financieel te participeren.
De conceptversie van de RES zal, zoals eerder in het Klimaatakkoord opgenomen, worden aangeboden aan het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om te bezien of voldaan wordt aan de nationale doelstelling van 35 TWh aan weersafhankelijke hernieuwbare elektriciteit op land. Mocht dat niet het geval zijn, dan krijgen de gemeenten de tijd om de restopgave onderling te verdelen. De bedoeling van de RES is om de opwek van duurzame elektriciteit over het hele land te verdelen in onderling overleg tussen de verschillende regio’s. Iedere gemeente staat aan de lat voor een deel van de energietransitie. Het is niet de bedoeling dat gemeenten zich hieraan geheel of gedeeltelijk onttrekken. Iedere gemeente zal een deel moeten leveren. Daarnaast is het van belang de maatschappelijke kosten te beperken (kosten infrastructuur netwerk). Door de duurzame opwek van elektriciteit te situeren nabij de grootverbruikers ontstaan lagere maatschappelijk kosten (kortere kabels en dergelijke) dan al deze elektriciteit te halen uit andere gemeenten, provincies of zelfs vanuit de Noordzee. In de toekomst moet namelijk ook rekening gehouden worden met meer vraag naar elektriciteit voor mobiliteit, opwek warmte, veranderende productieprocessen bij bedrijven, elektrisch koken, et cetera. De hoofdtransportkabels zijn niet bestand tegen deze vraag bij centrale opwek.
Daarnaast heeft de gemeente Beek ook haar eigen ambitie, namelijk elektriciteitsneutraal worden. Het huidige plan voorziet alleen in het elektriciteitsneutraal worden van iets meer dan de huidige elektriciteitsvraag voor 2050. De aanvullende elektrificering van woningen (elektrisch koken en elektrisch verwarmen), elektrische mobiliteit, et cetera kan, met de kennis van nu, niet in Beek worden opgewekt. Deze elektriciteit blijft uit het Europees netwerk komen en wordt dus op andere locaties buiten Beek opgewekt. In de toekomst is Beek mede afhankelijk van nieuwe technieken, verbeteringen van de elektriciteitsopbrengst van zonnepanelen, elektriciteitsopslag, et cetera. Omdat Beek snel aan de slag wil en moet met het realiseren van haar aandeel van deze opgave wordt wachten op vaststelling van de uiteindelijke RES 1.0 niet voorgestaan (conform advies landelijke Sectortafel Elektriciteit). De landelijke doelstelling is immers dat uiterlijk 31 december 2024 alle te realiseren projecten zijn vergund, zodat deze projecten dan nog in aanmerking kunnen komen voor SDE+-subsidie. Daarnaast blijkt uit onderzoek in opdracht van de Raad van State dat het huidige landelijke klimaatbeleid onvoldoende is om de doelen voor 2030 te kunnen halen. Een en ander wil dus zeggen dat iedere gemeente sneller een grotere stap moet zetten dan nu aangenomen wordt.
Stand van zaken eind 2019 Het doel voor 2030 is de opwek van 35 TWh hernieuwbare elektriciteit op land. Op dit moment is en wordt bij met name gemeenten in het noorden van Nederland al 8,1 TWh gerealiseerd, opgebouwd uit 1,5 TWh zon-PV en 6,6 TWh wind. In de pijplijn tot 2030 zit op dit moment 18 TWh, waarvan 7 TWh zon en 11,1 TWh wind. Nog te gaan additioneel tot 2030 circa 9 TWh. Dat moet verdeeld worden over de RES-regio’s in het kader van de RES 1.0. Het uitgangspunt is echter dat ook Beek elektriciteitsneutraal
11
wordt uiterlijk 2050. Het feit dat andere gemeenten op dit moment harder lopen dan de gemeente Beek wil uiteraard niet zeggen dat de gemeente Beek nu achterover kan leunen. Daarnaast zal het landelijke klimaatbeleid op advies van de Raad van State nog worden aangepast. Ruimte (uitgangspunt ruimtelijke inpassing plannen in Beek), NOVI en RES De beschikbare ruimte moet zo efficiënt mogelijk benut worden door meervoudig ruimtegebruik, door vraag naar en aanbod van hernieuwbare energie zoveel mogelijk dicht bij elkaar te brengen, door te zoeken naar functiecombinaties (met onder meer natuur en landschap) en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten/kenmerken van een gebied. Het uitgangspunt hiervoor is in beginsel het NOVI en de constructieve zonneladder van de gezamenlijke Natuur- en milieufederaties. Het NOVI is echter een ideaalbeeld, omdat een samenleving zich ontwikkelt op basis van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Voor de energietransitie (de komende decennia) is ook van belang welke mogelijkheden er zijn binnen het bestaande elektriciteits- en gasnetwerk en de maatschappelijke kosten die hieraan verbonden zijn. Decentrale inbreng, een eerlijke verdeling, inbreng van inwoners en betaalbaarheid zijn hierbij tevens belangrijke uitgangspunten. In diverse Regionale Energie Strategieën worden de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord in de praktijk gebracht.
In de RES werken overheden met maatschappelijke partners, netbeheerders (voor gas, elektriciteit en warmte), het bedrijfsleven en waar mogelijk inwoners van gemeenten, samen regionale keuzes uit. Dit doen zij voor de opwekking van duurzame elektriciteit (doel: tot heden minimaal 35 TWh op land), de warmtetransitie in de bebouwde omgeving (van fossiele naar duurzame bronnen) en de daarvoor benodigde opslag- en infrastructuur. Deze keuzes worden omgeslagen naar gebieden, projecten en naar de implementatie en uitvoering van die projecten. Om dit te realiseren heeft de rijksoverheid een kleine subsidie beschikbaar gesteld over een periode van drie jaar voor heel Nederland. Doel van de RES Duurzame energievoorzieningen (zonne- en windparken) zijn zichtbaar en vragen ruimte. Daarnaast is het voor de netbeheerder goed om te weten waar de verschillende gemeenten zonne- en windparken willen laten aanleggen, zodat ook vooraf de infrastructuur hiervoor kan worden aangelegd. Regionale samenwerking is hierbij essentieel, immers het zicht op een zonnepark of een windpark stopt niet bij de gemeentegrens, net zomin als de ondergrondse en bovengrondse infrastructuur. Enexis is meegenomen bij het opstellen van dit omgevingsbeleid en heeft tijdens de ontwerpfase meermaals haar feedback gegeven op de inhoud van dit plan.
De RES is een instrument om te komen tot regionale afstemming en regionale keuzes. Echter, het komen tot een 100 procent gedragen RES is ingewikkeld en misschien zelfs onmogelijk. Welke keuzes er ook gemaakt worden, er zullen altijd tegenstanders zijn. Bijvoorbeeld: aangrenzende gemeenten zullen niet gelukkig zijn met een zonne- of windpark tegen of in de nabijheid van de gemeentegrens, inwoners van gemeenten zullen niet gelukkig zijn met een zonne- of windpark in of rond de bebouwde omgeving (NIMBY: Not in my back yard), milieu- en landbouworganisaties zullen niet gelukkig zijn met zonne- en windparken in of in de nabijheid van natuur- en of landbouwgebieden, zeker niet in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL), nabij natura 2000 gebieden, et cetera. Het buitengebied van Beek is overigens geheel gesitueerd in het Nationale Landschapspark Zuid-Limburg. Ook landelijk lopen diverse discussies. Bijvoorbeeld: milieuorganisaties hebben moeite met de klimaatplannen, omdat deze plannen aan de ene kant niet ver genoeg gaan om het doel te behalen en aan de andere kant te ver gaan als het gaat over de ingreep in het landschap en de ingreep in de nabijheid van de natuur. Gemeenten met toerisme als belangrijke inkomstenbron zullen zonne- en windparken mogelijk zien als een bedreiging van inkomsten.
Gemeenten in en rond de nationale parken en natuurgebieden in Nederland ondervinden tevens belemmeringen om zonne- of windenergie op te wekken op hun grondgebied. Geconcludeerd kan worden dat al vanaf 1990 gesproken wordt over het klimaat-/milieuprobleem, maar de oplossing anno 2020 nog ver weg is. Daarnaast komt de problematiek van het nationaal stoppen met aardgas uit Groningen (mogelijk al in het jaar 2022). Immers, de gaskraan in Groningen gaat definitief dicht en tot die tijd gaat de gasproductie omlaag, dus de gasprijs omhoog en wordt Nederland afhankelijk van hoogcalorisch aardgas uit bijvoorbeeld Rusland en Noorwegen.
12
Opgave waar partijen in de regio voor staan Elke gemeente neemt een deel van de klimaatdoelstellingen voor haar rekening. Sommige gemeenten kunnen echter iets meer duurzame energie opwekken dan andere gemeenten. Deze gemeenten staat het vrij een hoger bod te doen ten voordele van andere gemeenten. Echter, of dat in de praktijk ook gaat gebeuren is nog maar de vraag, immers waarom zouden die gemeenten de doelstellingen van andere gemeenten oppakken. Vóór 1 oktober 2020 moet in principe helder zijn hoe de opgave voor bijvoorbeeld elektriciteit is verdeeld over de regio’s, inclusief een eerste indicatie van de hoeveelheid warmtebronnen en de ligging daarvan in relatie tot de warmtebehoefte in de bebouwde omgeving. De gemeenteraden stellen een Transitievisie Warmte vast met een tijdspad voor het ontwikkelen van alternatieve energievoorzieningen en het geleidelijk afschaffen van aardgas. Deze transitievisie moet eind 2021 klaar en vastgesteld zijn. De RES is belangrijk voor deze wijkgerichte aanpak, omdat de RES vroegtijdig op regionaal niveau zicht geeft in de beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen. In de RES worden de warmtebronnen en netwerken die regionaal beschikbaar zijn, in beeld gebracht. De RES heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050.
Als blijkt dat de doelstellingen niet gerealiseerd worden, dan worden de gemeenten verzocht met een beter bod te komen of er volgt mogelijk aanwijzing. Gemeenten krijgen dan mogelijk een doelstelling opgelegd die binnen een bepaalde tijd gerealiseerd moet worden. Als randvoorwaarde van de RES geldt nog dat energiebesparing de komende jaren wel mag worden opgenomen in de RES, maar niet mee telt voor het resultaat. De groei van zonnepanelen op daken onder de 15.000 Wp telt ook niet mee, behalve het eventuele deel boven de 7 TWh. Onder paragraaf 1.5 wordt duidelijk dat ook energiebesparing nog ver weg is, daarom telt energiebesparing ook niet mee in de RES. Netbeheerder Enexis kijkt stap voor stap mee in dit proces als belangrijkste stakeholder.
1.4 Energietransitie in Beek De energietransitie betekent de overgang van elektriciteit, warmte en brandstof voor mobiliteit uit fossiele brandstoffen, zoals aardgas, steenkool en aardolie, naar volledig groene hernieuwbare energie uit hoofdzakelijk zon en wind en in de toekomst mogelijk ook uit waterstof (als energiedrager) of andere nieuwe technieken. Windenergie is in Beek uiterst ingewikkeld wegens de ligging van de luchthaven MAA en Eurocontrol in onze gemeente. Daarnaast sluit de provincie Limburg windmolens in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg uit (Bron: concept POVI). Om een CO2-neutrale situatie te creëren zal de gemeente Beek de komende jaren fors moeten inzetten op zonne-energie, energiebesparing en het “zo veel mogelijk” afstappen van de fossiele brandstoffen. Of energieneutraliteit uiteindelijk haalbaar is heeft te maken met diverse factoren, zoals de mogelijke opslag van elektriciteit, betere zonnepanelen, introductie waterstof, et cetera. Hiervoor zijn nieuwe technieken benodigd die de komende decennia ontwikkeld moeten gaan worden. In het verleden zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar het verbruik van energie binnen de gemeenten. In 2015 volgde uit een onderzoek van de provincie Limburg dat het energieverbruik van Beek 2,14 PetaJoule (PJ), circa 595 miljoen kWh, bedroeg (Bron: provincie Limburg, Energiedashboard, 2015).
Dat staat gelijk aan het energieverbruik van bijna 18.000 gemiddelde Nederlandse huishoudens (inclusief energie voor mobiliteit en warmte). Deze 2,14 PJ is ook vergelijkbaar met de opwek van circa 100 windturbines (met een vermogen van 3MW vollast-uren, oftewel 6.000 MWh) of circa 2 miljoen zonnepanelen. Beek heeft overigens maar circa 7.400 huishouders. In afbeelding 3 is het provinciale Energiedashboard over de gemeente Beek opgenomen.
Afbeelding 3: Screenshot Energiedashboard gemeente Beek, Provincie Limburg, 2015
13
De Klimaatmonitor (cijfers mei 2019) liet echter zien dat de gemeente Beek een energieverbruik van circa 1,5 PJ had (zie afbeelding 4). Deze lijst was echter niet compleet, omdat in deze berekening het energieverbruik van de bedrijven niet was meegenomen. Volgens het Energiedashboard van de provincie Limburg (2015), staat het energieverbruik van klein zakelijk en industrie voor 0,61 PJ aan de lat. Hieruit volgde dus ook dat Beek geen standaard plattelandsgemeente is, immers Beek laat in deze lijst bijvoorbeeld gemeenten als Brunssum, Roerdalen, Stein, Valkenburg en Meerssen achter zich. Onderwerp
Gegevens Beek in TJ
Gebouwde omgeving Verkeer en Vervoer Industrie, Energie, Afval en Water Landbouw, Bosbouw en Visserij Hernieuwbare warmte
753 TJ 818 TJ ? 4 TJ 17 TJ
= 0,75 PJ = 0,82 PJ volgens energiedashboard 0,61 PJ = 0,04 PJ = 0,17 PJ
Afbeelding 4: Cijfers Klimaatmonitor gemeente Beek, Ministerie van Infrastructuur en Rijkswaterstaat, 2017 (website mei 2019)
In de klimaatmonitor (september 2019) zijn de cijfers verder aangevuld en is informatie uit het jaar 2018 meegenomen. Onderstaand een screenshot van de klimaatmonitor versie september 2019.
Afbeelding 5: Cijfers Klimaatmonitor gemeente Beek, Ministerie van Infrastructuur en Rijkswaterstaat, 2004 t/m 2018 (website september 2019)
Hoewel nog aan het vullen van de website gewerkt wordt, maakt Rijkswaterstaat een verschil tussen energieverbruik met en zonder autosnelweg. Het verschil, oftewel de invloed van de autosnelweg is dus 585 TJ/0,585 PJ per jaar. De cijfers van deze versie van de Klimaatmonitor zijn bijna niet te controleren, net als de cijfers uit het energiedashboard van de provincie Limburg. Opmerkelijk is dat de nieuwe cijfers van de Klimaatmonitor gunstiger zijn voor Beek en inzicht geven over de invloed van de autosnelwegen A2 en A76. Onderstaand de verschillen tussen het energiedashboard uit 2015 en de septemberversie van de landelijke Klimaatmonitor. Energiedashboard provincie Limburg (2015)
Elektriciteit Gas Brandstof (mobiliteit)
0,38 PJ 0,75 PJ 1,01 PJ
Klimaatmonitor Ministerie van Infrastructuur en Rijkswaterstaat (lijst september 2019) 0,31 PJ 0,68 PJ 0,82 PJ
Afbeelding 6.
Met name op het onderdeel mobiliteit wijkt de nieuwe Klimaatmonitor af van het Energiedashboard. Mogelijk is dat de invloed van de luchthaven, omdat vliegbewegingen nog niet zijn meegenomen in de
14
cijfers van de Klimaatmonitor (september 2019). De invloed van de autosnelwegen en de luchthaven zouden dan samen 0,78 PJ (0,585 PJ plus 0,19 PJ) kunnen zijn. Kijkende naar elektriciteit dan is een afname van 0,07 PJ zichtbaar. Dit zou te verklaren kunnen zijn door het aandeel niet toegerekend energieverbruik uit het energiedasboard. Dit beleidsplan is gebaseerd op het huidige elektriciteitsverbruik. Als aanname voor dit plan zal worden uitgegaan van een elektriciteitsverbruik van 0,31 PJ. Toename elektriciteit Kijkende naar elektriciteit, dan wordt verwacht dat er de komende jaren zelfs een toename ontstaat als gevolg van elektrische mobiliteit en elektrische warmte. Ook deze elektriciteit zal duurzaam moeten worden opgewekt. Daarnaast wordt steeds meer gekeken naar waterstof (energiedrager) als vervanger van aardgas en voor het transporteren van elektriciteit. Echter, voor de opwek van waterstof is op dit moment hoofdzakelijk elektriciteit nodig (elektrolyse). Een toename van elektrische mobiliteit en elektrische warmte gaat een afname van brandstoffen als benzine, diesel en aardgas betekenen. Energieneutraal Energieneutraal worden in uiterlijk 2050 is voor de gemeente Beek, gezien de omvang van het thema mobiliteit in Beek, een hele uitdaging. Tevens ontbreken anno 2020 hiervoor nog de benodigde nieuwe technieken, zoals bijvoorbeeld betaalbare energieopslag.
Er is meer dan genoeg potentie voor het bereiken van de hernieuwbare energiedoelstellingen in 2020 (14%) en 2023 (16%), echter de invulling daarvan zal een uitdaging worden. Er zit tevens een groot gat tussen de totale energievraag en totaal aan opwekpotentieel (1,2 PJ per jaar als gevolg van een berekening van de provincie Limburg). Opgemerkt dient te worden dat de gemeente Beek niet gaat voldoen aan de doelstelling voor 2020 uit het oude SER Energieakkoord 2013 en waarschijnlijk ook niet aan de doelstellingen voor 2023 als niet snel grote stappen worden gezet. Welke gevolgen dit heeft voor de gemeente Beek is nog niet helemaal inzichtelijk. Een energie neutraal Beek is echter geen onhaalbare kaart. Als de gemeente Beek fors inzet op het reduceren van de energievraag én gebruik maakt van duurzame opwekbronnen van haar buurgemeente Sittard-Geleen (restwarmtenet Het Groene Net) is voldoen aan het Klimaatakkoord in 2030 mogelijk haalbaar. Hiervoor moeten echter snel grote stappen worden gezet als het gaat om het duurzaam opwekken van elektriciteit, hoewel dit niet van vandaag op morgen gerealiseerd kan worden. Het Groene Net is immers ook niet van vandaag op morgen te realiseren. Uitgangspunt voor dit plan is dat de gehele gemeente Beek op termijn zal worden aangesloten aan Het Groene Net of gelijkwaardig.
Of dat haalbaar is zal moeten worden bezien in de wijkgerichte Transitievisie Warmte. Om invulling te geven aan de landelijke opwekdoelen zet Beek in op drie focusgebieden met de grootste energie- en economische impact voor de gemeente Beek: 1. grootschalig en kleinschalig opwekken van elektriciteit met zon-PV; 2. verduurzamen warmtehuishouding van consumenten en bedrijven met bijvoorbeeld warmtenet Het Groene Net; 3. verduurzamen van de bestaande woningvoorraad in de gemeente Beek en zorgen dat de inwoners en bedrijven zuiniger en efficiënter om gaan met energie. Behalen van deze doelen kan de gemeente niet alleen. Hiervoor is ook de inzet van bedrijven en inwoners nodig. Opgemerkt hierbij dient te worden dat energiebesparing een belangrijk onderwerp is. De gemeente Beek werkt al jaren aan het reduceren van de energievraag door het uitdelen van gratis energiescans aan bedrijven, de invoering van Groene bouwleges, het toezicht op de informatieplicht energiebesparing, de Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED), een energiezuinige woonwijk, educatie over duurzaamheid op basisscholen, het ontwikkelen van een tool aangaande de informatieplicht, het informeren van bedrijven, inwoners, verenigingen en VvE’s middels in Beek ontwikkelde informatiefolders, informatie op het digitale energieloket, de duurzaamheidslening voor inwoners en verenigingen, et cetera.
Feit is echter dat de elektriciteitsvraag de komende jaren zal toenemen. Inwoners en bedrijven gebruiken energiezuinigere apparaten, doch het aantal apparaten per huishouden en bedrijf neemt fors toe. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de toename van het aantal mobiele telefoons en tablets, maar ook steeds groter wordende tv’s (55 en 65 inch tv’s hebben vaak energielabel D). Daarnaast gaat de mobiliteit langzaam over van brandstof naar elektriciteit, bijvoorbeeld elektrische auto’s en elektrische
15
streekbussen bij het openbaar vervoer. Tevens zal niet de hele provincie aangesloten kunnen worden aan bijvoorbeeld een hoge temperatuur restwarmtenet of aan een andere duurzame warmteoplossing. Elektrische warmte middels bijvoorbeeld een warmtepomp of infrarood krijgt nu al een behoorlijk aandeel in Nederland. Bovendien gaan steeds meer bedrijven om van gebruik van fossiele brandstof naar elektriciteit, denk hierbij aan bijvoorbeeld het crematorium in Geleen (introductie elektrische ovens). Dit alles vraagt meer elektriciteit. Het voordeel hiervan is dat de vraag naar benzine, diesel en aardgas zal afnemen. De (energie)besparing zit dus hoofdzakelijk aan de kant van de brandstoffen en niet in de vraag naar elektriciteit. Mogelijk brengen nieuwe technieken hier in de toekomst verandering in. Normaliter is de opwek van duurzame energie altijd op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwing aan de orde. Gezien de tijdsdruk om de opwekdoelen te behalen moeten binnen de gemeente Beek grote stappen worden gezet. Inzet grootschalige opwek van zonne-energie is noodzakelijk en onmisbaar om in elk geval in de buurt te komen van de afgesproken doelen uit het Klimaatakkoord, maar ook om de leveringszekerheid in de toekomst te kunnen garanderen.
Immers, als de elektriciteit bijvoorbeeld alleen op zee (centraal) zou worden opgewekt, zouden aanzienlijke aanpassingen qua infrastructuur nodig zijn en bij windstilte op zee zou dan een gebrek aan elektriciteit kunnen ontstaan. Daarnaast kan bijvoorbeeld het opwekken van duurzame elektriciteit in de nabijheid van de grootverbruikers worden gerealiseerd (vraag en aanbod naast elkaar). Door spreiding ontstaat meer leveringszekerheid en lagere maatschappelijke kosten. Daarnaast kunnen plaatselijke bedrijven en inwoners ook in Beek en in de regio participeren en profiteren van de opbrengsten uit de opwek van zonne-energie.
16
1.5 Beekse opgave Zon-PV Volgens het Energiedashboard van de provincie Limburg (2015) heeft de gemeente Beek een uitzonderlijk potentieel om met grootschalige zon-PV projecten aan de slag te gaan. Het huidige elektriciteitsverbruik van de gemeente Beek is circa 105 miljoen kWh per jaar (0,38 PJ) volgens het energiedashboard van de provincie en (0,31 PJ) circa 87 miljoen kWh volgens de laatste cijfers uit de klimaatmonitor. Een toename van de elektriciteitsvraag uit mobiliteit (elektrische auto’s) en warmte (warmtepompen, infrarood, et cetera) is hierin nog niet meegenomen. Uitgaande van de nieuwe cijfers uit de klimaatmonitor en op basis van de huidige technieken zijn ongeveer 330.000 zonnepanelen nodig (bestaande en nieuwe zonnepanelen samen) om alleen de huidige elektriciteitsvraag duurzaam op te wekken (op daken, gevels en op land samen). Deze cijfers zijn echter volop in beweging. Niet uitgesloten kan worden dat eind 2020 het elektriciteitsverbruik volgens de Klimaatmonitor toch 0,38 PJ of meer blijkt te zijn. Daarnaast worden zonnepanelen steeds beter en zullen minder zonnepanelen nodig zijn voor dezelfde energievraag. De energievraag is overigens ook afhankelijk van de economie.
Opgemerkt dient te worden dat halverwege 2019 in Beek circa 14.500 zonnepanelen (circa 4% van het benodigde aandeel) op daken van woningen en bedrijfsgebouwen zijn gesitueerd en kan worden geconcludeerd dat nog een lange weg te gaan is. Inzet van daken De geschiktheid van daken voor zonnepanelen is afhankelijk van de hoeveelheid zoninval op het dak, de oriëntatie richting de zon en/of schaduw door andere gebouwen, bomen of andere objecten in de omgeving. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de dakconstructies van gebouwen (draagkracht). Naast de energetische en technische kenmerken, spelen ook andere aspecten mee, bijvoorbeeld woningen/gebouwen met een monumentenstatus, et cetera. Verder zijn er ook esthetische bezwaren van eigenaren of omwonenden (immers niet iedereen is van mening dat zonnepanelen mooi, doelmatig en noodzakelijk zijn). Hierdoor is te concluderen dat slechts een deel van de bestaande daken kan worden benut voor zonne-energie. Daarnaast heeft Beek, door het stedelijke gebied, betrekkelijk veel stapelbouw. Bij gestapelde woningen hebben alleen de bovenste woningen een dak. Uit onderzoek van de gemeente Beek is gebleken dat op alle daken van de Beekse bedrijfsgebouwen, inclusief de gebouwen die nog gerealiseerd moeten worden (volgens vigerende plannen), maximaal 150.000 zonnepanelen passen.
Op de daken van de Beekse woningen, waarop zonnepanelen geplaatst kunnen worden, gaan maximaal 60.000 zonnepanelen. Dit onderzoek is gebaseerd op een positief scenario. De uiteindelijke praktische verdeling kan en zal anders (lager) uitvallen. Deze getallen zijn begin 2020 bevestigd in het onderzoek voor de concept RES door adviesbureau Kragten. Hoewel het de voorkeur heeft om altijd eerst de daken in de bebouwde omgeving vol te leggen met zonnepanelen (maximaal 210.000 zonnepanelen op daken in een ideale situatie), moet worden geconstateerd dat circa 120.000 zonnepanelen (op basis van de cijfers uit de Klimaatmonitor september 2019) een plek moeten krijgen in zonneparken binnen en buiten de bebouwde omgeving. Uiteraard zullen de komende jaren nieuwe technieken worden ontwikkeld om elektriciteit op te wekken, worden zonnepanelen technisch steeds beter en worden elektrische apparaten zuiniger.
Tegelijkertijd zal de vraag naar elektriciteit ook toenemen door: het gebruik van steeds meer elektrische apparaten; rijden met meer elektrische auto’s of auto’s op waterstof (elektrolyse), elektrische bussen, et cetera met een afname van fossiele brandstof bij het onderdeel mobiliteit als gevolg; een mogelijk goed lopende economie met meer robotisering en digitalisering (bron: NOVI); elektrisch verwarmen van woningen en gebouwen (met bijvoorbeeld warmtepompen, infraroodverwarming, et cetera). Immers, niet iedereen zal aangesloten willen en kunnen worden aan bijvoorbeeld Het Groene Net en wil bijvoorbeeld zelfvoorzienend zijn, et cetera. De verwachting is dat het elektriciteitsverbruik de komende decennia niet af zal nemen, ondanks het feit dat de Rijksoverheid uit gaat van een afname van de energievraag met circa 1,5% per jaar. Op basis van onderstaande schema’s van het CBS ontstaat echter een ander beeld.
17
Afbeelding 7. Bron: CBS april 2019, elektriciteitsverbruik 2017
Afbeelding 8. Bron: CBS april 2019, elektriciteitsverbruik 2018
Uit bovenstaande schema’s wordt duidelijk dat in 2018 in Nederland voor circa 435 PetaJoule aan elektriciteit werd verbruikt en in 2017 was dat nog circa 434 PetaJoule, een toename van circa 1 PetaJoule in een jaar (circa 277 miljoen KWh, circa 1 miljoen zonnepanelen). De productie van elektriciteit in Nederland gaat wel omlaag. Dat komt omdat elk jaar meer elektriciteit uit het buitenland wordt ingekocht. Niet het verbruik gaat omlaag, maar de productie in Nederland gaat omlaag. De komende jaren zal door het gebruik van elektrische auto’s, elektrische warmte en dergelijke natuurlijk wel de vraag naar fossiele brandstoffen afnemen (energiebesparing, doch geen afname van de elektriciteitsvraag). Door energiezuinige nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, elektriciteitsopwekking via bouwmaterialen (dakpannen, glas, zonne-gevels, opslag in accu’s, et cetera) en waterstof als energiedrager zal de centrale opwek van elektriciteit mogelijk afnemen de komende decennia. De verwachting is echter dat zonnepanelen buiten de bebouwde omgeving tot zeker 2050 nodig zullen zijn. Uitgangspunt hierbij is dat investeringen en met name maatschappelijke investeringen ook de tijd moeten krijgen om zichzelf terug te verdienen (Bron: Enexis, 2019).
Daarnaast moet de samenleving zich aanpassen aan het verwachte klimaat en de effecten daarvan, om de schade die gepaard kan gaan met klimaatverandering te beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt te benutten (klimaatadaptatie). Ook de bebouwde omgeving staat hiermee onder druk, mede door onderwerpen als hittestress, waterinfiltratie, regenwateropslag, et cetera. Oplossingsgericht kan gedacht worden aan het deels wegnemen van verharding in het openbare gebied en in tuinen, extra regenwateropslag, afkoppelen van hemelwaterafvoeren middels infiltratie en terugbrengen van meer groen en water in het openbare gebied en op daken. Door deze maatregelen
18
zal de temperatuur in het stedelijke gebied, volgens de laatste onderzoeken, afnemen met bijna 10 graden Celsius. Oplossingsrichtingen: Mitigatie: verlagen energieverbruik, verminderen fossiele brandstoffen en meer opwek hernieuwbare energie. Adaptatie: aanpassen infrastructuur (wateroverlast/verdroging/hitte), gebruik gewijzigde omstandigheden en vergroening (creëren van extra aan een gesloten zelfonderhoudend bos bij voorkeur in de uitsluitingsgebieden). De mogelijke aanleg van restwarmtenet Het Groene Net en bovenstaande ingreep in de bebouwde omgeving zullen grootschalige zonnepanelenprojecten in de bebouwde omgeving mogelijk tijdelijk hinderen. Desalniettemin zal de gemeente bedrijven actief stimuleren om daken van bedrijfspanden te verstevigen om ze geschikt te maken voor zonnepanelen, bijvoorbeeld via de Groene bouwleges. Dit geldt ook als daken moeten worden vervangen. De groene bouwleges wil zeggen dat elk zonnepaneel op het dak korting geeft op de te betalen gemeentelijke bouwleges voor de omgevingsvergunning tot maximaal 100% van die bouwleges.
19
2 ZONNE-ENERGIE 2.1 Zonneparken Zonneparken kunnen worden gerealiseerd binnen en buiten de bebouwde omgeving. In Nederland verschijnen steeds meer grondgebonden zonneparken, hoewel dat in Zuid-Limburg nog niet echt zichtbaar is. Een grondgebonden zonnepark bestaat uit een aaneenschakeling van in rijen opgestelde PV-panelen (zonnepanelen). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kleine opstellingen (kleiner dan 1 hectare), middelgrote opstellingen (1 tot 10 hectare) en grote opstellingen (groter dan 10 hectare). 1 hectare betreft 10.000 m 2 (100 bij 100 meter). De opstelling van de panelen kan zowel zuid-, oost- of west georiënteerd zijn. In Nederland bereiken zonnepanelen het maximale effect als ze zuidoost of zuidwest georiënteerd zijn. Naast ruimte voor de zonnepanelen zelf is op het zonnepark ook ruimte nodig voor andere zaken. Denk hierbij aan ruimte voor de entree, onderhoudspaden, transformatoren, afscherming door een hekwerk of sloot en ruimte voor het inpassen in het landschap, natuurcompensatie, ecologie, et cetera. Op een zonnepark kan op dit moment (afhankelijk van het type opstelling) tussen de 0,8 en 1,3 MWp per hectare worden opgewekt. Eén hectare zonnepark levert daarmee elektriciteit voor ongeveer 300 huishoudens. Door technische innovaties zal de energieopwekking per hectare de komende jaren toenemen.