CConstaterende datBeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Programma van Eisen

Commissie Grondgebiedzaken 6 september 2021, gemeente BeekBij agendapunt: Stukken ter kennisname: Voorontwerp bestemmingsplan “Zorgwoningen Carmelitessenklooster” te Beek.15.689 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

PROGRAMMA VAN EISEN CARMELSTRAAT 23 TE BEEK GEMEENTE BEEK

Programma van Eisen Carmelstraat 23 te Beek in de gemeente Beek

Opdrachtgever

Nedprojekt B.V. Geldropseweg 70 5731 AD Mierlo

PvE nummer

13721.001

Versienummer

D

Status

Definitief

Datum

17 november 2020

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

Dhr. dr. A.C. Mientjes

Paraaf

Autorisatie

Mevr. E.M. de Boo van Uijen, MSc

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Carmelstraat 23

Projectnaam

Carmelstraat 23 Beek

Plaats binnen archeologisch proces ● IVO – Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase o IVO – Overig (IVO-O) o Opgraven o IVO-P - variant Archeologische Begeleiding o Opgraven - variant Archeologische Begeleiding Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

Auteur

Dhr. dr. A.C. Mientjes Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475-504961 M: 06-40752031 E: mientjes@econsultancy.nl

17-11-2020

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

datum

Paraaf

Nedprojekt B.V. Geldropseweg 70 5731 AD Mierlo Contactpersoon: Dhr. T. van Baast (Compositie 5 stedenbouw) T: 076-5225262 E: tvanbaast@c5s.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

● Gemeente

Gemeente Beek Bezoekadres: Raadhuisstraat 9, 6191 KA Beek Postadres: Postbus 20, 6190 AA Beek Contactpersoon: Mevr. B. Coenen Beleidsadviseur Volkshuisvestiging T: 046-4389398 E: brenda.coenen@gemeentebeek.nl

o Provincie o Rijk o Overig

Adviseur namens de bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail ArchAeO B.V. Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven Contactpersoon: Dhr. drs. F.P. Kortlang T: 040-2519270 M: 06-22505236 E.: advies@archaeo.nl

Econsultancy Programma van Eisen

Kennisgeving Depothouder /eigenaar

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Paraaf

Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg Bezoek- en postadres: De Vondst - Provinciaal Archeologisch Depot Raadhuisplein 20, 6411 HK Heerlen Contactpersoon: De heer drs. S.J.J. Kusters T: 043-3897049 M: 06-52720731 E: sjj.kusters@prvlimburg.nl

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 3

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 3

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3 5.4

5.5 6

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 4 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ........................................................................ 5 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ........................................................... 6 Structuren en sporen ........................................................................................................ 6 Anorganische artefacten ................................................................................................... 6 Organische artefacten ...................................................................................................... 6 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten........................ 6 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................... 7 Gaafheid en conservering ................................................................................................ 7

Doelstelling ....................................................................................................................... 8 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................... 8 Vraagstelling ..................................................................................................................... 9 Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 9 5.4.1 Algemeen ........................................................................................................... 9 5.4.2 Gaafheid en conservering van de vindplaats(en)............................................. 10 5.4.3 Periode en sites ................................................................................................ 10 5.4.4 Landschap en bodem ....................................................................................... 10 5.4.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek ............................................................ 10 Aanbeveling .................................................................................................................... 11

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 11 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14 6.15

Strategie ......................................................................................................................... 11 Methoden en technieken ................................................................................................ 12 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 13 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 14 Lichten ............................................................................................................................ 16 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 16 Anorganische artefacten ................................................................................................. 16 Organische artefacten .................................................................................................... 17 Archeozoölogische, archeobotanische resten en fysisch-antropologische resten ......... 17 Overige resten ................................................................................................................ 18 Omgang met en berging van kwetsbaar vondstmateriaal ..............................................

18 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek ........................................ 18 Bouwstenen .................................................................................................................... 19 Complexiteit .................................................................................................................... 19 Beperkingen.................................................................................................................... 19 13721.001

7

EVALUATIE, UITWERKING EN CONSERVERING ................................................................. 19 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9 7.10

8

RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 23 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport ...................... 23 Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid ................. 24 Inhoud standaard-/evaluatierapport................................................................................ 24 Kwaliteit .......................................................................................................................... 25 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 25

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 26 9.1 9.2 9.3

10

Evaluatiefase .................................................................................................................. 19 (De)selectie van vondstmateriaal en monsters .............................................................. 20 Technische uitwerking evaluatiefase .............................................................................. 21 Wetenschappelijke uitwerking - algemeen ..................................................................... 21 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 21 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 22 Anorganische artefacten ................................................................................................. 22 Organische artefacten .................................................................................................... 22 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 23 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 23

Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 26 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 26 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 26

DEPONERING .......................................................................................................................... 26 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 26 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 27 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 27

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 27 11.1 11.2 11.3 11.4

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 29 12.1 12.2 12.3 12.4

13

Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 27 Overlegmomenten .......................................................................................................... 28 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 28 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 29

Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 29 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 29 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ..................................... 29 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering .......................................... 29

AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 30 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 30 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 30 13.3 Niet gesprongen explosieven (NGE) en veldgraven ...................................................... 31

LITERATUUR EN BIJLAGEN ............................................................................................................. 32

13721.001

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

13721.001

Provincie

Limburg

Gemeente

Beek

Plaats

Beek

Toponiem

Carmelstraat 23

Kaartbladnummer

68 B

Kadastrale gegevens

Kadastrale gemeente Beek, sectie B, perceel 4904

Centrum x,y–coördinaat

X : 184.269 / Y: 328.271

Archeologische Beleidsadvieskaart voor de gemeente Beek (actualisatie 2013)1

Het plangebied ligt in een zone met zowel een hoge als middelhoge archeologische verwachting

CMA/AMK-status

n.v.t.

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

n.v.t.

Oppervlakte plangebied2

Circa 9.880 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied3

Circa 2.400 m2

Huidig grondgebruik

Kloostertuin en gebouwen van voormalige Carmelitessenklooster uit 1936

Voorgenomen bodemingrepen

Realisatie van nieuwbouw in kloostertuin

NAP-hoogte maaiveld

Tussen de circa 74,7 en 75,9 meter +NAP

1 Van Wijk en Laan, 2013. 2 Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 3 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 1 van 33

2 2.1

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK Aanleiding

Initiatiefnemer Nedproject is voornemens om in de kloostertuin van het voormalige Carmelitessenklooster aan de Carmelstraat 23 te Beek, gemeente Beek, een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het voormalige klooster wordt momenteel gebruikt door Zorghuis Beek. In de eerste plaats bestaan de plannen uit de realisering van eerstelijnsverblijven (een groepswoning (37 kamers) met 24-uurs-zorg). De eerstelijnsverblijven zullen voor een deel aangelegd worden in het gebouw van het voormalige klooster. Een ander deel (12 zorgwoningen) zal bestaan uit een nieuwe aanbouw in de kloostertuin. Ten tweede zal een nieuwbouwcomplex met 20 appartementen/zorgwoningen beschermd wonen in de kloostertuin worden gerealiseerd. De totale oppervlakte van de bouwvakken binnen de kloostertuin zal circa 2.400 m2 bedragen. Gebleken is dat binnen het vigerende bestemmingsplan “Kern Beek”, zoals vastgesteld op 28 maart 2013, de voorgenomen herontwikkeling niet mogelijk is. Het gebruik voor zorgwoningen past weliswaar binnen de vastgestelde maatschappelijke bestemming, maar ter plekke van de voorgenomen nieuwbouw is geen bouwvak opgenomen. Als gevolg is een bestemmingsplanwijziging nodig om de plannen te kunnen realiseren. In het nieuwe concept bestemmingsplan “Carmelitessenklooster” te Beek (Id./nr.

NL.IMRO.0888.bp19019-CO01; getekend: 16 januari 2020) is de verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden vertaald naar een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1. Dit houdt in dat alle bodemverstoringen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en dieper dan 40 centimeter beneden het maaiveld onderzoeksplichtig zijn. De huidige ontwikkelingsplannen overschrijden deze ondergrenzen, waardoor in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Besloten is dat dit vervolgonderzoek dient te bestaan uit een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase. 2.2

Motivering

In 2005 is door SOB Research een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd ter plekke van het plangebied.4 Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum laag, Neolithicum tot en met Middeleeuwen hoog, en Nieuwe tijd laag. Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een lössbodem met een Bt-horizont en hieronder een Chorizont. Lokaal is de bodem, met name nabij het gebouw van het voormalige Carlemitessenklooster, verstoord tot maximaal 1 meter beneden het maaiveld. Omdat in de boringen geen evidente archeologische indicatoren zijn aangetroffen, is geadviseerd om het plangebied vrij te geven in deze fase van de Archeologische Monumentenzorg-cyclus.

In 2014 heeft ArchAeO als archeologisch adviseur van de gemeente Beek het rapport opnieuw beoordeeld.5 Hierbij is geconcludeerd dat mede naar analogie van de analyses in het kader van de Actualisatie Archeologische Beleidsadvieskaart voor de gemeente Beek in 2013 een verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden nog steeds van toepassing is op het onderhavige plangebied.6 ArchAeO heeft daarom geadviseerd om een dubbelbestemming archeologie op te nemen in het 4 Van Wilgen, 2005. 5 Van de Water, 2014. 6 Van Wijk en Laan, 2013.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 2 van 33

Bestemmingsplan “Carmelitessenklooster” te Beek totdat afdoende verkennend en waarderend onderzoek is uitgevoerd. Het vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, vloeit hieruit voort. 2.3

Besluit

De gemeente Beek als bevoegde overheid heeft besloten om een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te laten voeren voorafgaand aan en ter plaatse van de bouwvakken waarbinnen de voorgenomen nieuwbouw zal worden gerealiseerd. Wanneer behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen en deze ex situ behouden dienen te blijven zal een archeologische opgraving plaats moeten vinden. De archeologisch uitvoerder zal in deze situatie overleg voeren met de bevoegde overheid, haar toezichthouder en de opdrachtgever, waarbij de waardering en selectie van de eventueel aanwezige vindplaatsen en de te volgen vervolgstrategie besproken worden. In deze context zal tevens de noodzaak tot het opstellen van een evaluatierapport en een nieuw, aangepast Programma van Eisen bekeken worden.

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Soort onderzoek

Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Uitvoerder

SOB Research

Uitvoeringsperiode

oktober 2005

Rapportage

Wilgen, L.R. van, 2005: Inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen Bouwplan Carmelitessenklooster, Beek. (SOB Research rapportnr. 1183-0510) Heinenoord.

Bewaarplaats vondsten/documentatie

SOB Research Heinenoord

Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch

Niet van toepassing.

Archeozoölogisch

Niet van toepassing.

Fysisch-antropologisch

Niet van toepassing.

Fysisch-geografisch

Niet van toepassing.

Geofysisch

Niet van toepassing.

Archeologisch materiaal

Niet van toepassing.

Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur

Niet van toepassing.

Amateurarcheologen

Niet van toepassing.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 3 van 33

4 4.1

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 7

Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied (circa 9.880 m²) ligt aan de Carmelstraat 23, aan de noordoostelijke grens van de bebouwde kom van Beek (zie figuur 1 en 2). Aan de noordwest zijde worden het plangebied begrensd door de Carmelstraat, aan de noordoost zijde door de Weg langs de Carmel, aan de zuidoost zijde door de Bourgognestraat, en aan de zuidwest zijde door woonpercelen en grasland. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van tussen de circa 74,7 en 75,9 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Beek, sectie B, nummer 4904. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 68 B (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het onderzoeksgebied X = 184.269 / Y = 328.271. In het noordwestelijke deel van het plangebied is het gebouwencomplex van het voormalige Carmelitessenklooster aanwezig (zie figuur 3). In het overige deel van het plangebied ligt de kloostertuin met grasland en bomen. Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het plangebied ligt binnen het Limburgs lössgebied.

Tijdens de laatste twee ijstijden van het Pleistoceen (circa 2,58 miljoen - 11.700 jaar geleden), het Saalien (circa 238.000 - 126.000 jaar geleden) en het Weichselien (circa 116.000 tot 11.700 jaar geleden), zijn in Zuid-Limburg verschillende pakketten löss (Formatie van Boxtel; Laagpakket van Schimmert) afgezet. Löss is een zeer fijnkorrelig sediment dat tijdens de koudste en droogste perioden van het Pleistoceen, klimatologisch gekenmerkt door een poolwoestijn en de bijna volledige afwezigheid van vegetatie, door de wind is afgezet. Dit type sediment heeft het merendeel van de plateaus en pleistocene Maasterrassen in Zuid-Limburg bedekt en kan een dikte hebben van enkele meters tot zelfs 15 meter. De löss wordt gerekend tot het Laagpakket van Schimmert, Formatie van Boxtel. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland ligt het zuidelijke deel van het plangebied op een lösswand (code 11/10A4) en het noordelijke deel ter plekke van een daluitspoelingsrest-terras (code 6E12) (zie figuur 4). Ten oosten van het plangebied ligt het dal van de Keutelbeek (code 2S4). Hier kunnen beekafzettingen aanwezig zijn behorende tot het Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel. Op de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied binnen de niet-gekarteerde bebouwde kom van Beek (zie figuur 5).

Op basis van extrapolatie lijkt het waarschijnlijk dat ter plekke van het plangebied radebrikgronden, bestaande uit siltige leem (code BLd6A), voorkomen. Radebrikgronden zijn kenmerkende lössbodems en zijn opgebouwd uit een klei-inspoelingshorizont met een dikte van tussen de circa 15 en 60 centimeter (Bt-horizont, of briklaag), met daarboven een uitspoelingshorizont (Ehorizont). Onder de Bt-horizont kan nog een BC-horizont aanwezig zijn, die vervolgens overgaat naar een C-horizont (ook vaak aangeduid als ‘moedermateriaal’). De code ‘A’ geeft aan dat er sprake is van een hellingsklasse vlak en bijna vlak, met een hellingspercentage van minder dan 2 procent. Dit betekent dat zich waarschijnlijk geen (dik) pakket colluvium heeft gevormd op de löss in situ als gevolg van erosie door oppervlaktewater.

7

Van Wilgen, 2005.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 4 van 33

Regionale archeologische context Volgens de Archeologische Beleidsadvieskaart voor de gemeente Beek (actualisatie 2013) 8 is op het plangebied zowel een hoge als middelhoge verwachting van toepassing. De hoge verwachting geldt voor het centrale deel van het plangebied. Binnen het plangebied zijn tot op heden geen vindplaatsen bekend (zie figuur 6). In een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied is een aantal Archeologische Monumenten (AMK-terreinen) aanwezig. Dit betreffen nederzettingsterreinen van de Lineaire Bandkeramiek uit het VroegNeolithicum A, circa 5.300-4.200 voor Chr. (AMK-nummers 8405, 8406 en 16254), versterkte huizen uit de Late-Middeleeuwen (AMK-nummers 8403 en 8404) en de oude dorpskernen van Beek en Neerbeek, waar archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn (AMK-nummers 16318 en 16347). In het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis3) staan meerdere archeologische vindplaatsen geregistreerd in een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied.

Deze vindplaatsen betreffen onder andere sporen en vondsten uit de periode van de Lineaire Bandkeramiek (VroegNeolithicum A, circa 5.300-4.200 voor Chr.), de Bronstijd, de Midden- en Late-IJzertijd (nederzettingssporen en een graf), de Romeinse tijd (onder andere een villaterrein en een graf), de Vroege- en Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd (onder andere een versterkt vroenhof). Veelzeggend is tenslotte bijvoorbeeld het proefsleuvenonderzoek dat in 2014 door Econsultancy is uitgevoerd tegen de zuidgrens van het onderhavige onderzoeksgebied. 9 Hoewel de lössbodem, inclusief de Bt-horizont, hier grotendeels verstoord was tot circa 60/70 centimeter beneden het maaiveld zijn drie dieper ingegraven sporen waargenomen, die gedateerd konden worden in het Vroeg-Neolithicum (Lineaire Bandkeramiek). Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 maakt het plangebied deel uit van een aantal percelen bouwland die worden aangeduid met de benaming ‘voor den nieuwen Hoff’. Wel wordt in deze periode het plangebied aan zowel de noordwest als zuidoost zijde begrensd door wegen. Op de topografische kaart uit 1837-1844 is het plangebied nog steeds in gebruik als landbouwgrond en mogelijk ook als weiland en bosperceel (geen bebouwing aanwezig). In 1936 wordt in het noordwestelijke deel van het plangebied het Carmelitessenklooster gebouwd.

In de tweede helft van de 20 e eeuw is een aantal vleugels toegevoegd aan het oorspronkelijke kloostergebouw. Het overige deel van het plangebied is sindsdien tot op heden in gebruik als kloostertuin. In deze kloostertuin zal de geplande nieuwbouw worden gerealiseerd. Tot slot is er op basis van het vooronderzoek vooralsnog geen reden om resten uit de Tweede Wereldoorlog, inclusief niet gesprongen explosieven (NGE), te verwachten binnen het plangebied. 10 4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum laag, Neolithicum tot en met Middeleeuwen hoog, en Nieuwe tijd laag.

8 Van Wijk en Laan, 2013. 9 Schutte en Stiekema, 2014. 10 http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/; http://www.beobom.nl/ruimingskaart/.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 5 van 33

4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Idem, met een maximum van circa 2.400 m2 (ongeveer de totale omvang van twee bouwvakken). 4.4

Structuren en sporen

Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het plangebied terug kunnen gaan tot in het Neolithicum. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit vuursteenstrooiingen, akkerlagen, nederzettingssporen, infrastructuur (wegen, voorden en bruggen) grafvelden en rituele plaatsen en depots. De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/ of waterputten, afvalkuilen en perceelscheidingen. 4.5

Anorganische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. 4.6

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 centimeter beneden het maaiveld en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 centimeter beneden het maaiveld, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Het grondwater zit in Zuid-Limburg op grote diepte en als gevolg hoogstwaarschijnlijk ook ter plekke van het plangebied. Organische resten en ook metaal zullen slecht geconserveerd zijn door de droge en zure bodemomstandigheden. 4.7

Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmate-

PvE 13721.001 versie D

Pagina 6 van 33

riaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en het bodemtype is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.8

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd in 2005 door SOB Research, heeft de volgende bodemopbouw vastgesteld ter plekke van het plangebied (zie figuur 7).11 In het gehele plangebied zijn lössafzettingen aangetroffen. In 7 van de 12 uitgevoerde boringen is een klei-inspoelingshorizont aangetroffen (Bt-horizont) op een diepte van gemiddeld tussen de 50 en 75 centimeter beneden het maaiveld (tussen de circa 74,16 en 75,28 meter +NAP). In één boring is de top van de Bt-horizont aangetroffen op 25 centimeter beneden het maaiveld. De dikte van de Bt-horizont varieerde tussen de 35 centimeter en 1,05 meter. Beneden de Bt-horizont is de C-horizont in de löss (‘moedermateriaal’) aangetroffen. De top van de C-horizont lag op een diepte van tussen de 70 centimeter en 1,60 meter beneden het maaiveld (tussen de circa 73,32 en 74,83 meter +NAP). Gesteld kan worden dat in het grootste deel van het plangebied een bouwvoor aanwezig is tot een gemiddelde diepte van 50 à 75 centimeter beneden het maaiveld. Mogelijk is in het bovenste deel van de bodem ook colluvium aanwezig, hoewel dit minder waarschijnlijk is gezien het vlakke karakter van het landschap. Verstoringen van de bodemopbouw tot circa 1,00 meter beneden het maaiveld zijn alleen waargenomen direct nabij de gebouwen van het voormalige Carmelitessenklooster.

Tot slot zijn in één boring minieme houtskoolspikkels aangetroffen op een diepte van tussen de 55 centimeter en 1,60 meter beneden het maaiveld. Op basis van de boorresultaten kon niet bepaald worden of het houtskool natuurlijk is of antropogeen van oorsprong. De resultaten van het vooronderzoek laten zien dat in het plangebied merendeels een intacte lössbodem aanwezig is, waarbij het archeologisch relevante niveau ligt in de top van de Bt-horizont op een gemiddelde diepte van 50 à 75 centimeter beneden het maaiveld. Tevens dient rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van een (dun) pakket colluvium op de löss in situ. In de top van het colluvium kunnen ook archeologische waarden aanwezig zijn. 4.9

Gaafheid en conservering

Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Bij het vooronderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op grootschalige bodemverstoringen in de kloostertuin. Alleen vlak bij gebouwen van het voormalige Carmelitessenklooster zijn significante bodemverstoringen waargenomen. Daarnaast lijken natuurlijke erosieprocessen en als gevolg aantasting en/of afdekking van de oorspronkelijke bodemopbouw ook geen wezenlijke rol gespeeld te hebben. Door de zeer lage grondwaterspiegel en de zure bodemcondities zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten - slecht tot niet geconserveerd zijn. Deze resten zullen mogelijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen.

11 Van Wilgen, 2005.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 7 van 33

5 5.1

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling

Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het inventariserend veldonderzoek (IVO) gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van archeologische waarden. Indien uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat behoudenswaardige resten aanwezig zijn, dient overleg geïnitieerd te worden tussen de archeologisch uitvoerder, de bevoegde overheid, haar toezichthouder en de opdrachtgever. Hierbij zal een besluit genomen worden door de bevoegde overheid in hoeverre een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk is in die delen van het plangebied waar behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Tevens zal vastgesteld worden of het nodig is om een evaluatierapport van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek op te stellen.

Bij een vervolgonderzoek dient ook minimaal nagegaan te worden of het hier nu voorliggende Programma van Eisen aangevuld moet worden met nieuwe onderzoeksvragen en/of de onderzoekstrategie dient te worden aangepast. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het in dit Programma van Eisen omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Limburg lössgebied.12 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 16. 17. 18. 20. 21. 22. 23.

De dynamiek van het Nederlandse landschap Sociale en economische differentiatie Emigratie, immigratie, acculturatie De archeologie van het rituele Conflictarcheologie Dodenbestel en grafmonumenten De vroegste bewoning van Nederland Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) De verankering van het boerenbestaan De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw Overgang Romeinse tijd naar Vroege-Middeleeuwen ‘Frankisering’ en kerstening Dorpsvorming De relatie stad - platteland De dynamiek van het landgebruik Mens - materiële cultuurrelaties Netwerken en infrastructuur

12 http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 8 van 33

Beleidsplatform Erfgoed Limburg13 De Provincie Limburg heeft de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. Om de opgedane archeologische kennis te synthetiseren zijn in 2017 drie rapporten gepubliceerd die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap. De syntheserapporten beslaan de Vroege-Prehistorie, Late-Prehistorie en Romeinse tijd. Het rapport over de Middeleeuwen/Nieuwe tijd volgt op een later moment. De komende jaren wensen Provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader worden de syntheserapporten verbonden aan elk gravend archeologisch onderzoek in de provincie Limburg. In een aparte paragraaf in de synthese dienen de volgende vragen beantwoord te worden. • Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017? • Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)? 5.3

Vraagstelling

De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, dienen minimaal de onderstaande onderzoeksvragen een rol te spelen. 5.4

Onderzoeksvragen

5.4.1 1. 2.

Algemeen Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Zijn meerdere archeologische niveaus aanwezig? Op welke diepte ligt/liggen het/de archeologische niveau(s)? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Beek aanscherpen? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Kunnen eventueel dieper liggende archeologische niveaus in situ bewaard blijven, of worden deze verstoord door de geplande civieltechnische graafwerkzaamheden? Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten?

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

13 http://www.erfgoedbeleidlimburg.nl/.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 9 van 33

5.4.2 13. 14. 15.

Gaafheid en conservering van de vindplaats(en) In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord?

De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 5.4.3 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 16. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn ter plekke van het plangebied te herkennen? 17. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 18. Wat is, indien aanwezig: o de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie? 19. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, perceelindeling, akkers, grondstofwinning, etc.? 20. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat? 21.

Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? 22. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? 5.4.4 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 23. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? 24. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? [bij deze vraag dient in het bijzonder rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een stratigrafie bestaande uit löss in situ, mogelijk (lokaal) afgedekt door (een dun pakket) colluvium] 25. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 26.

In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 5.4.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofy-

PvE 13721.001 versie D

Pagina 10 van 33

sisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het proefsleuvenonderzoek. 5.5

Aanbeveling

Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: - behoud in situ; - definitieve opgraving; - vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gemeente Beek als bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.

6 6.1

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie

In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP), karterende en waarderende fase. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgs lössgebied. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door deze Senior KNA-archeoloog, bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/(KNA)archeoloog. Binnen de twee bouwvakken met een totale oppervlakte van circa 2.400 m 2 zullen drie proefsleuven van 25 bij 4 meter en één proefsleuf van 40 bij 4 meter worden aangelegd (zie figuur 8). Dit betreft een totale oppervlakte van 460 m 2. Meer specifiek zal in noordwestelijk gelegen bouwvak, tegen de bebouwing van het voormalige Carmelitessenklooster, een proefsleuf van 25 bij 4 meter worden aangelegd. In het zuidoostelijk gelegen bouwvak zullen twee proefsleuven van 25 bij 4 meter en de proefsleuf van 40 bij 4 meter worden aangelegd. Een bijkomend aandachtspunt zijn de bomen aanwezig in het plangebied.

Het proefsleuvenonderzoek kan pas worden uitgevoerd nadat de bomen ter plekke van de bouwvakken verwijderd zijn. Om te voorkomen dat archeologische waarden worden aangetast, dienen bomen en struikgewas tot het maaiveld gekapt en gefreesd te worden zonder dat de intacte bodemopbouw verstoord wordt. Overgebleven wortelstelsels zullen gecontroleerd verwijderd worden tijdens het proefsleuvenonderzoek. Tot slot verdient het de aanbeveling om de proefsleuven aan te leggen buiten de kroonprojectie van bomen die in het kader van de planontwikkeling behouden blijven. Dit is wenselijk om te voorkomen dat wortelstelsels onnodig beschadigd raken. Een bomenplan in het kader van de ontwikkelingsplannen was echter nog niet beschikbaar op het moment van het opstellen van dit Programma van Eisen. Mocht er in de proefsleuven een vindplaats worden aangetroffen dan dient er overleg plaats te vinden met de bevoegde overheid, haar toezichthouder en de opdrachtgever. Wanneer de vindplaats behoudenswaardig is en niet in situ behouden kan worden, dient deze opgegraven te worden. Dit houdt in

PvE 13721.001 versie D

Pagina 11 van 33

dat alleen het gedeelte in het onderzoeksgebied waar de vindplaats zich bevindt wordt opgegraven. Op basis van het overleg zal de bevoegde overheid besluiten of eerst een evaluatierapport opgesteld dient te worden om vervolgens een beslissing te kunnen nemen over vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving. Tevens dient er rekening mee gehouden te worden dat de onderzoeksvragen uit het hier nu voorliggende Programma van Eisen aangevuld en de onderzoeksstrategie aangepast moeten worden specifiek gericht op de aard en ouderdom van de aangetroffen vindplaats. 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Voorwerk • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. Het Plan van Aanpak dient ruim vóór aanvang (minimaal 1 week) van het veldonderzoek ter goedkeuring aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd. • Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-nr (Archis3 Onderzoeksmeldingsnummer). • Het definitieve Programma van Eisen wordt door de archeologisch uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • Binnen de twee bouwvakken met een totale oppervlakte van circa 2.400 m 2 zullen drie proefsleuven van 25 bij 4 meter en één proefsleuf van 40 bij 4 meter worden aangelegd (zie figuur 8). Dit betreft een totale oppervlakte van 460 m 2. • Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die aantoonbare ervaring heeft met archeologisch werk. Indien deze niet voorhanden is dient de machinist extra goed geïnstrueerd en continu begeleid te worden door de Senior KNA-archeoloog.

• Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. • De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Er wordt in principe uitgegaan van de aanleg van één vlak in de top van de Bt-horizont van de lössbodem. Bij het laagsgewijs verdiepen van de bodem vanaf het maaiveld dient echter wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een (dun) pakket colluvium. Ook de top van het colluvium dient als een relevant archeologisch niveau beschouwd te worden. • Voordat er verder verdiept wordt, dienen de sporen in het bovenliggende vlak volledig gedocumenteerd en afgewerkt te zijn. • De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. • In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, ex situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. • Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. Deze zullen pas volledig worden onderzocht in het geval van een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, of indien mogelijk in situ behouden blijven.

• Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens

PvE 13721.001 versie D

Pagina 12 van 33

• •

•

• • • • •

•

• • • • • •

• • •

• 6.3

worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. Van de vlakken worden foto’s gemaakt in secties. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 5 bij 4 meter per bodemlaag verzameld. Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld. Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld.

Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Dit geldt eveneens voor de uitgekomen grond. Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. Bij het waterpassen van het vlak om de 5 meter, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo goed mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk. Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid.

Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in onverstoorde context in een vak van 4 bij 4 meter, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier megaboringen gezet met een diameter van 15 centimeter. De grond wordt gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 millimeter. Het boren vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende boringen geen artefacten meer worden aangetroffen. Bij positieve resultaten wordt het vlak niet verder verdiept, omdat een vuursteenvindplaats met een andere opgravingsstrategie moet worden opgegraven. Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht. Omgang kwetsbare vondsten en monsters

Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal”.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 13 van 33

6.4

Structuren en grondsporen

• Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). • Om de leesbaarheid te vergroten, worden sporen (en zo nodig delen van het vlak) altijd met de schep opgeschaafd. Het opgravingsvlak wordt gefotografeerd, sporen worden nauwkeurig ingekrast met een meetpin (dus niet met een schep). • De sporen worden getekend, de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, en graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. • Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Sporen en lagen die zowel in het vlak als in het profiel zichtbaar zijn, krijgen hetzelfde spoor- en laagnummer. • Voor een goede waardestelling en het vaststellen van de kwaliteit is het couperen van ruim voldoende sporen noodzakelijk, zeker als de aard niet duidelijk is. Hierbij is wel terughoudendheid geboden bij paalsporen van een (gebouw)structuur als de kans op vervolg groot is en de oriëntatie van het gebouw niet duidelijk is. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt.

• Sporen waarvan de aard en functie onbekend zijn worden altijd op adequate wijze gecoupeerd, gedocumenteerd en in principe afgewerkt, tenzij deze bij nadere bestudering deel blijken uit te maken van een gebouwstructuur, waterput en dergelijke. • Ook indien er geen sprake is van een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, worden alle archeologische sporen ten minste gecoupeerd, gedocumenteerd en in principe afgewerkt, tenzij anders wordt besloten. • Sporen met een omvang groter dan 1 meter worden in kwadranten opgegraven, tenzij het bijvoorbeeld waterputten of inhumatiegraven betreft. • Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. • Greppels worden in iedere werkput tegen de profielwand minstens één keer over een breedte van minstens 1 meter gecoupeerd. Daarna worden deze machinaal volledig uitgeschaafd met het oog op vondsten en om te onderzoeken of er sporen direct onder greppels aanwezig zijn. • Greppelstructuren worden aan gebruiksfasen toegewezen en waar mogelijk vergeleken met de oudste kadastrale kaarten van het gebied. • Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Deze sporen dienen zoveel mogelijk in dezelfde richting te worden gecoupeerd.

Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Bij een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving dienen alle sporen te worden gecoupeerd, afgewerkt en uitgewerkt tot het niveau der beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). De graven worden niet geborgen. Bij een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving dienen de graven echter wel geborgen te worden, in overleg met de bevoegde overheid en indien noodzakelijk een specialist. • Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. Bij een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving dienen deze sporen wel volledig opgegraven te worden. • De vulling uit de gecoupeerde sporen wordt op metaal nagezocht met de metaaldetector. • Er worden representatieve foto’s gemaakt van de grondsporen in het vlak en de coupes.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 14 van 33

• De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. • Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. • Van sporen waarvan de onderkant in een dwarsdoorsnede binnen de maximale verstoringsdiepte van de civieltechnische graafwerkzaamheden niet bereikt kan worden, wordt de diepte en/of opbouw door middel van boringen bepaald. • De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). • De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 millimeter. • Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Baksteengrootte, metselverband, en vijf- en tienlaagsmaat dient genoteerd te worden, indien aanwezig. • Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. • Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten.

Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. • Indien blijkt dat (water-/beer-)putten tot ver in het grondwater doorlopen, wordt voorafgaand aan het onderzoek een bronbemaling aangebracht die ervoor moet zorgen dat de waterput zorgvuldig en onder droge omstandigheden kan worden opgegraven. 14 Vullingen van waterputten worden volledig stratigrafisch onderzocht, dus ook de opvullagen. Daartoe wordt de waterput gecoupeerd vanaf het eerste niveau waarop het spoor zichtbaar werd. Alle lagen worden onderzocht op vondsten die stratigrafisch worden verzameld. Aanwezige accumulatielagen worden met pollenbakken bemonsterd voor specialistisch onderzoek. Waterkuilen worden in kwadranten onderzocht. Houtconstructies worden zorgvuldig gedocumenteerd en bemonsterd. • 20e eeuws- en jonger muurwerk wordt op hoofdlijnen geregistreerd. Voor ouder muurwerk geldt het volgende: een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau, met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond. Na documentatie van het opgaande muurwerk wordt de doorsnede van de muur opgenomen in de profieltekening. In principe zal de muur in het stadium van proefsleuven niet worden doorgesneden. Van muurwerk wordt de bovenzijde, de onderzijde en van iedere versnijding de hoogtemaat genomen.

De hoogtematen worden in ieder geval aan het begin en het eind van de betreffende muur genomen, alsmede op hoeken en/of aanhechtingen. Bouwkundige details zoals reparaties of faseringen dienen nauwgezet te worden vastgelegd op tekening en middels een foto. Aangegeven wordt waar en welke mortel is toegepast. Bij funderingsonderzoek worden met name de hoeken onderzocht. Bouwmateriaal en mortel worden bemonsterd. Bij natuursteen wordt acht geslagen op de diversiteit van de gesteentesoorten. Van alle aanwezige afzonderlijke baksteenmaten wordt een baksteen verzameld. Het baksteen wordt beschreven en de baksteenformaten worden opgemeten. Ook een 5- of wanneer mogelijk een 10-lagenmaat dient te worden genoteerd. Van natuursteen worden relevante maten genomen en wordt het verband geregistreerd. Ook moet het metselverband worden beschreven alsook de relatie met aangrenzend muurwerk. Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek, onder de muur uit de funderingssleuf, ingesloten tussen de stenen, liggend op het muurrestant/uit de uitbraaksleuf. De te volgen strategie wordt doorgesproken met een bouwhistoricus die in samenspraak met de projectleider de afweging maakt of veldbezoek wel/niet noodzakelijk is. • Kansrijke sporen worden bemonsterd.

14 Binnen onderhavig plangebied is de omschreven situatie waarschijnlijk niet van toepassing vanwege de diepe ligging van

het grondwaterpeil in het Zuid-Limburgse heuvelland en als gevolg ook het plangebied.

PvE 13721.001 versie D

Pagina 15 van 33

• Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid. 6.5

Lichten

Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden. Ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de te raadplegen specialist. 6.6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beek&id=ad08f8f2-cebe-4b93-9ce5-5a2d18618289