CConstaterende datBeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ontwerpbegroting ODZL 2026

Commissie Grondgebiedzaken 19 mei 2025, gemeente BeekBij agendapunt: Commissiestukken: Jaarrekening 2024 Omgevingsdienst Zuid-Limburg, ontwerpbegroting 2026 ODZL.15.654 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwerpbegroting 2026 Meerjarenraming 2027-2029

Inhoud 1

Inleiding

1.1

Context begroting 2026 ...........................................................................................5

1.2

Missie, visie en succesbepalende factoren .......................................................5

1.3

Op weg naar een robuuste Omgevingsdienst Zuid-Limburg......................6

1.4

Seveso programma VTH ...........................................................................................8

1.5

Toekomstvisie 2026 – 2030 ....................................................................................8

1.6

Maatschappelijke ontwikkelingen .......................................................................9

1.7

Technologische ontwikkelingen ............................................................................9

2

Beheer van de OmgevingsdIenst

2.1

Vergunningverlening ...............................................................................................13

2.2

Toezicht en handhaving .......................................................................................... 17

2.3

Advies en Onderzoek ...............................................................................................21

3

Financieel

3.1

Ravijnjaar 2026 ......................................................................................................... 28

3.2

Financiële uitgangspunten ................................................................................... 29

3.3

Begrotingsmutaties ................................................................................................30

3.4

Begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 ........................................31

3.5

Overhead ..................................................................................................................... 32

3.6

Toelichting Begroting ............................................................................................. 33

3.7

Geprognosticeerde balans ................................................................................... 35

3.8

Investeringsbegroting ........................................................................................... 36

4

Verplichte paragrafen

4.1

Lokale hefÏngen ....................................................................................................... 38

4.2

Weerstandsvermogen en risicobeheersing ................................................... 38

4.3

Onderhoud kapitaalgoederen .............................................................................40

4.4

Financiering.................................................................................................................41

4.5

Bedrijfsvoering ......................................................................................................... 42

4.6

Verbonden partijen ................................................................................................. 42

4.7

Grondbeleid ................................................................................................................ 42

5

Bedrijfsvoering

5.1

Personeel- en organisatiebeleid ........................................................................ 44

5.2

Informatiemanagement ........................................................................................ 46

5.3

Ondersteuning .......................................................................................................... 47

6

Bijlagen

6.1

Risico-inventarisatie ..............................................................................................50

6.2

Tarievenoverzicht .....................................................................................................57

6.3

Bijdrage per deelnemer ......................................................................................... 59

6.4

Lijst met afkortingen ..............................................................................................60

5

11

27

37

43

49

Begroting 2026

1.

4

Inleiding

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

1.1

Context begroting 2026

Voor u ligt de begroting 2026. Deze begroting is in grote lijnen een voortzetting op de begroting 2025. Een begroting die in het teken stond van het plan van aanpak robuuste Omgevingsdienst ZuidLimburg. In 2026 verwachten we het plan van aanpak af te ronden en de verbeteringen structureel te borgen in onze organisatie. Met andere woorden: in 2026 verwachten we te voldoen aan de robuustheidscriteria en onze taken op een adequate wijze te kunnen uitvoeren. Dit wil echter niet zeggen dat we niet continu blijven doorontwikkelen. Het belang van een schone, gezonde en veilige leefomgeving neemt alleen maar toe en staat ook steeds meer op het vizier van onze inwoners, bedrijven en instellingen. Daarnaast staan wij voor grote transities, zoals klimaatadaptatie, energietransitie en de overgang naar een circulaire economie. Deze uitdagingen kunnen wij alleen gezamenlijk aanpakken, waarbij een belangrijke rol is weggelegd

1.2

voor onze omgevingsdienst. In deze begroting worden diverse ontwikkelingen beschreven die invloed hebben op onze werkwijze en de taken die we uitvoeren. Vooralsnog zijn deze ontwikkelingen niet financieel vertaald. Eerst wordt onderzocht of de veranderingen in het takenpakket binnen de bestaande financiële kaders kunnen worden gerealiseerd, rekening houdend met het financiële ‘ravijnjaar’ 2026 van onze deelnemers.

Missie, visie en succesbepalende factoren

Missie Wij als Omgevingsdienst Zuid-Limburg werken samen met onze partners aan de totstandkoming van een veilige leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Visie • Wij bieden meerwaarde door bundeling van specialistische kennis. • Wij hebben goede kennis van de lokale situatie. • Onze medewerkers nemen hun verantwoordelijkheid, zijn deskundig en dragen onze kernwaarden uit.

• • •

Wij zijn een gezaghebbende milieuautoriteit. Wij hebben een efÏciënte bedrijfsvoering. Wij hebben continuïteit in onze dienstverlening.

Succesbepalende factoren • Betrokkenheid bestuurlijke omgeving. • Professionalisering bedrijfsvoering. • Zichtbare milieuautoriteit in Limburg. • Brede (milieu)advisering. • Gewaardeerde kennispartner.

5

Begroting 2026

1.3

Op weg naar een robuuste Omgevingsdienst Zuid-Limburg

In 2021 constateerde de commissie Van Aartsen dat de omgevingsdiensten in Nederland niet toegerust waren voor hun taken. In de rapportage werd de onderstaande conclusie getrokken: “Het is slecht gesteld met het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Het ontbreekt de omgevingsdiensten aan kennis en doorzettingsmacht. Het rijk voert geen overkoepelende regie. ‘Doordat het stelsel niet functioneert zoals bedoeld, ontstaat vermijdbare schade.” Deze conclusie voor de omgevingsdiensten werd voor de Omgevingsdienst Zuid-Limburg beves-

1 2 3 4 5 6

Om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen werd een interbestuurlijk programma ingericht: het IBP VTH. Dit programma had tot doel om in gezamenlijkheid het VTH-stelsel te versterken. Het IBP VTH kwam tot zes pijlers waarop versterking noodzakelijk was en waaraan concrete eisen waren verbonden:

Robuuste omgevingsdiensten en financiering Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving en vervolging; Informatievoorziening VTH; Kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt; Onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving; Monitoring kwaliteit milieutoezicht.

De robuustheidscriteria en kpi’s zijn onderdeel van pijler 1. Elke omgevingsdienst in Nederland, inclusief de Omgevingsdienst Zuid-Limburg, moet op 1 april 2026 robuust zijn. Om dit te bereiken, stelde het

6

tigd door het rapport van de visitatiecommissie en door het rapport van de Zuidelijke Rekenkamer (specifiek voor de uitvoering van de provinciale taken).

Algemeen Bestuur in het voorjaar van 2024 een plan van aanpak vast voor een robuuste Omgevingsdienst Zuid-Limburg. Dit plan werd vervolgens financieel vertaald in de begroting voor 2025 en de meerjarenraming 2026-2028.

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

Naast het versterken van de organisatie op het gebied van datagedreven werken, innovatie en bedrijfsvoering, richten we ons ook op het versterken van de regionale samenwerking en risicogericht toezicht. Daarnaast werken we aan de oprichting van een kennis- en expertisecentrum, in nauwe samenwerking met andere omgevingsdiensten en partners. In het najaar van 2024 beoordeelde het ministerie van IenW alle plannen van aanpak. In hun eerste oordeel over ons plan van aanpak gaven zij aan dat het niet duidelijk was of onze omgevingsdienst op 1 april 2026 robuust zou zijn. Het ministerie uitte haar zorgen hierover, gezien het feit dat wij een van de zes Seveso-omgevingsdiensten zijn, wat betekent dat er in onze regio grotere risico’s zijn voor een gezonde, schone en veilige leefomgeving. Tijdens een gesprek met het ministerie hebben we echter enkele punten verder kunnen concretiseren. Bij het opstellen van deze begroting was nog niet bekend of dit zou leiden tot een andere beoordeling. Mede op basis van het plan van aanpak zijn verschillende onderzoeken gestart, die in 2025 worden afgerond. De aanbevelingen zullen deels in 2025 en deels in 2026 worden geïmplementeerd. Dit betreft: • Revitalisering opdrachtgeverschap: In 2024 werd vastgesteld dat het opdrachtgeverschap een impuls nodig had.

Hoe kunnen we het partnerschap versterken? Wat vraagt dit van zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer? Eind 2024 startte dit proces, wat leidde tot de afspraken om zowel het gezamenlijke overleg als de overleggen met de individuele deelnemers inhoudelijk anders vorm te geven. In het gezamenlijk overleg wordt ingezet op gemeenschappelijke thema’s en ervaringen. In de accountgesprekken gaat het specifiek over de kwaliteit van dienstverlening en de wijze van samenwerking. Eind 2025 evalueren we of dit het partnerschap heeft versterkt. Na de evaluatie worden de afspraken verankerd.

• Bedrijfsplan milieu gerelateerde plustaken: Eén van de manieren om te komen tot een robuuste Omgevingsdienst Zuid-Limburg en, niet onbelangrijk, om te komen tot een adequate invulling van de milieu gerelateerde plustaken, is om deze taken te bundelen binnen onze omgevingsdienst. De deelnemers stonden hier welwillend tegenover, maar wilden eerst de financiële en kwalitatieve effecten daarvan zien. Daarom wordt er een bedrijfsplan opgesteld, dat medio 2025 wordt opgeleverd en vervolgens het besluitvormingstraject ingaat. De effecten hiervan kunnen vanaf 2026 zichtbaar zijn. • Financieringssystematiek: Het Algemeen Bestuur heeft geconcludeerd dat onze financieringssystematiek transparant en eerlijk moet zijn. Daarom onderzoeken we in 2024 en 2025 onze huidige financieringssystematiek en mogelijkheden voor verbetering, met aandacht voor fairness, transparantie, robuustheid en stabiliteit. Medio 2025 stellen we een implementatieplan op en voeren dit uit, wat kan resulteren in een nieuwe opzet vanaf het begrotingsjaar 2027. • Verantwoordings- en rapportageproces VTH: In 2024 hebben we het huidige verantwoordings- en rapportageproces VTH grondig onderzocht. Dit onderzoek gaf aan dat een andere wijze van data verzamelen, analyseren en presenteren zorg zou dragen voor meer transparantie en meer mogelijkheden om te kunnen sturen.

In 2025 voeren we het verbetertraject uit en implementeren we de aanbevelingen. Vanaf 2026 passen we de nieuwe systematiek toe. De meeste van bovenstaande acties, zoals verwoord in het plan van aanpak, kwamen voort uit het IBP VTH. Dit landelijke programma is in september 2024 afgerond. Het IBP VTH krijgt wel een opvolging in een samenwerkingsverband tussen Rijk, provincies, gemeenten, omgevingsdiensten en unie van waterschappen.

7

Begroting 2026

1.4

Seveso programma VTH

De Omgevingsdienst Zuid-Limburg zet zich als één van de zes Seveso-omgevingsdiensten in afstemming met de provincies/IPO in voor uitvoering van het Meerjarenprogramma Seveso-6 2024-2027. Dit programma is gericht op de volgende vijf onderdelen in de VTH-uitvoering en de Seveso-inspecties bij de provinciale bedrijven: 1. Programma Samenwerken als één op het gebied van Toezicht en Handhaving. 2. Programma Samenwerken als één op het gebied van Vergunningverlening. 3. Cluster Samenwerking, Coördinatie en bijdrage Seveso+.

1.5

Deze vijf clusters en programma’s werken allemaal aan de totstandkoming van een excellente uitvoering van de VTH-taken bij Seveso- en RIE4-bedrijven en de ontwikkeling van een gezamenlijk landelijk speelveld. De samenwerking tussen de zes Seveso-OD’s heeft dan ook als doel te werken alsof zij één dienst zijn. De Omgevingsdienst Zuid-Limburg levert een bijdrage aan bovengenoemd programma en de landelijke projecten die hieruit volgen.

Toekomstvisie 2026 - 2030

De huidige toekomstvisie van de Omgevingsdienst Zuid-Limburg heeft een tijdshorizon tot 2025. Gelet op alle ontwikkelingen omtrent de leefomgeving, de rol van de omgevingsdiensten en alle maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, zal in 2025 het traject worden opgepakt om te komen tot een toekomstvisie 2026 – 2030. Er wordt bewust gekozen voor een beperkte tijdshorizon, gezien de grote veranderingen die zich in onze maatschappij voortdoen. Er wordt nu dan ook niet meer gesproken over een tijdperk van verandering maar over een verandering van tijdperk.

8

4. Cluster Kwaliteit, Opleiding en Kennisontwikkeling. 5. Cluster Communicatie.

Het opstellen van een toekomstvisie wordt een interactief proces waarbij alle stakeholders worden betrokken en waarbij ook gekeken wordt naar de ontwikkelingen die alle omgevingsdiensten raken, niet alleen de Omgevingsdienst Zuid-Limburg.

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

1.6

Maatschappelijke ontwikkelingen

Binnen het beleidsveld van onze omgevingsdienst zijn diverse belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen zichtbaar. Deze ontwikkelingen beïnvloeden de wijze waarop wij, samen met onze ketenpartners, onze maatschappelijke opgave vervullen: het waarborgen van een schone, gezonde en veilige leefomgeving. Er is steeds meer maatschappelijke aandacht voor milieuvraagstukken. Burgers en belangengroepen vragen steeds meer aandacht voor hun leefomgeving en zijn kritisch op overheden en bedrijven die daar rechtstreeks van invloed op zijn. De problemen rondom Tata Steel en Chemours hebben deze aandacht nog versterkt. Dit is ook zichtbaar in Zuid-Limburg met een in het oog springend chemisch industrieel complex als

1.7

Chemelot. Maar ook de media-aandacht voor de misstanden omtrent tankcleaning bedrijven en de problemen rondom Zeer Zorgwekkende Stoffen als PFAS laten zien dat een gezonde, schone en veilige leefomgeving meer dan ooit leeft in onze maatschappij. Als Omgevingsdienst Zuid-Limburg moeten we daar niet alleen oog voor hebben, maar het zal ook onze manier van werken beïnvloeden. Het wordt steeds belangrijker om samen met het bevoegd gezag en alle ketenpartners in gesprek te gaan en te blijven met de belanghebbenden. Daarbij is het van toenemend belang om inzichtelijk te maken wat de ‘outcome’ van onze werkzaamheden is voor de omgeving.

Technologische ontwikkelingen

Technologische ontwikkelingen volgen elkaar in een steeds hoger tempo op, wat kansen biedt voor onze organisatie. Door het gebruik van data en Artificial Intelligence (AI) kunnen we onze taken mogelijk effectiever en efÏciënter uitvoeren. Hierdoor kunnen we onze capaciteit beter inzetten op de gebieden met de grootste risico’s en de meeste impact op onze leefomgeving.

zal hierin een grote rol spelen. Naast de meer ‘interne’ uitdagingen brengt het gebruik van AI in combinatie met social media ook mee dat we als overheid in het algemeen en omgevingsdienst in het bijzonder een nog grotere rol hebben in het juist interpreteren en communiceren van wat er in onze regio gebeurt op het gebied van gezondheid en veiligheid.

Nieuwe technologieën brengen echter ook uitdagingen met zich mee. Hoe integreren we deze het beste in onze werkprocessen? Wat hebben we daarvoor nodig? En hoe zorgen we ervoor dat onze medewerkers deze technologieën optimaal kunnen gebruiken? Het plan van aanpak voor een robuuste omgevingsdienst bevat al enkele maatregelen hiervoor. De nieuwe afdeling Bedrijfsvoering

Zoals geschetst gaan maatschappelijke en technologische ontwikkelingen een belangrijke rol spelen in de wijze waarop wij invulling geven aan onze maatschappelijke opgave. Dat geldt ook voor economische en geopolitieke ontwikkelingen, hoewel de mate en wijze hiervan nog niet volledig te schetsen zijn. In onze nieuwe toekomstvisie zullen we deze ontwikkelingen meenemen. 9

2.

Beheer van de Omgevingsdienst

Begroting 2026

Taken Onze taken zijn het in opdracht van gemeenten en provincie, individueel en collectief, uitvoeren van wettelijke taken en adviestaken op het terrein van milieu, op een zo efÏciënt mogelijke wijze en op een goed kwaliteitsniveau. De organisatie heeft hiervoor eigen werknemers in dienst en huurt daarnaast op contractbasis extra personeel en/of specifieke expertise van externe medewerkers in. Prestaties Op dienstniveau maken we afspraken met de opdrachtgevers over inhoudelijke en financiële verantwoording. Naast het rapporteren van gegevens is het ook belangrijk om tijdig te overleggen en tussentijds te communiceren met de opdrachtgevers.

De prestaties worden opgenomen in een jaarlijks werkprogramma dat besproken en afgestemd wordt met de opdrachtgevers, waarna het werkprogramma door hen wordt vastgesteld. Van de dienst kunnen de opdrachtgevers verwachten dat de taakuitvoering conform de vastgestelde kwaliteitscriteria is. Met een overspannen arbeidsmarkt staat ook onze beschikbare capaciteit onder druk. We sluiten niet uit dat dit ook in 2026 consequenties kan hebben voor de uitvoering van de werkprogramma’s. Als zich dit inderdaad voordoet voeren we hierover tijdig het gesprek met de opdrachtgevers.

Speerpunt

Prestatie indicator

Proactief informeren van opdrachtgever

2 maal per jaar voortgangsrapportage en 1 eindrapportage conform planning in werkprogramma

Periodiek overleg opdrachtgever Per kwartaal overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemer (contracthouders en accountmanagers) Uitvoeringskwaliteit op landelijk niveau

12

Werken conform de kwaliteitscriteria

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

2.1

Vergunningverlening

Taken Voor alle opdrachtgevers verzorgen we voor wat betreft de milieutaken de vergunningverlening en afhandeling van milieumeldingen over de gehele breedte van de Omgevingswet. Voor de locaties met als bevoegd gezag de provincie Limburg, bestaan de werkzaamheden daarnaast uit de behandeling van omgevingsvergunningen voor het bouwen of wijzigen van een bouwwerk. Voor een aantal gemeenten behandelen we daarnaast diverse soorten onthefÏngen, bijvoorbeeld voor het tijdelijk overschrijden van geluidnormen, het vervoeren van ‘gevaarlijke stoffen’ of het vuur stoken in de open lucht.

het verlenen van ontbrandingstoestemmingen. Een bijzondere wettelijke taak hebben we als een van de zes landelijke omgevingsdiensten voor de Seveso- en Rie-4 bedrijven. Vanuit onze expertise zijn wij belast met de uitvoering van het volledige VTH-pakket voor Seveso-inrichtingen in de gehele provincie Limburg, voor zowel milieu als bouw. Prestaties Binnen vergunningverlening werken we aan de volgende speerpunten en streven we ernaar de benoemde prestatie indicatoren te behalen.

Voor de provincie Limburg voeren we tot slot de diverse taken met betrekking tot vuurwerk uit, zoals de afhandeling van vuurwerkmeldingen en

13

Begroting 2026

Speerpunt

Prestatie indicator

Tijdige vergunningen

VTH-applicatie op basis van 90% van de omgevingsvergunningen, voorbereid met de uitgebreide procedure, aanvraag- én besluitdatum. dient binnen de wettelijke termijn behandeld te zijn, tenzij door de aanvrager wordt ingestemd met termijnoverschrijding. 95% van de omgevingsvergunningen voorbereid met de reguliere procedure, dient binnen de wettelijke termijn behandeld te zijn, tenzij door de aanvrager wordt ingestemd met termijnoverschrijding.

Communicatie middels voortgangsrapportages.

Tijdige advisering over de te nemen beslissing op een aanvraag.

95% van de adviezen over de te nemen beslissing op een aanvraag dient binnen de afgesproken termijn gegeven te zijn, tenzij wordt ingestemd met termijnverlenging.

VTH-applicatie op basis van adviesaanvraag én a dviesdatum.

Kwaliteit

Omgevingsvergunningen c.q. adviezen over de te nemen beslissing op een aanvraag voldoen aan de meest actuele weten regelgeving (normen, BREF’s, richtlijnen etc.) en het beleid van de opdrachtgever.

Rechterlijke toets c.q. uitspraak Raad van State.

Van de bezwaar- en beroepschriften mag maximaal 15% gegrond worden verklaard.

Communicatie middels voortgangsrapportages.

Omgevingsvergunningen worden binnen de daarvoor geldende termijnen geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe BBT-conclusies/BREF’s.

Rechterlijke toets c.q. uitspraak Raad van State in relatie tot toezichts- en handhavingsacties.

Actualiteit

Ontwikkelingen Op het gebied van vergunningverlening voorzien we de volgende ontwikkelingen die in 2026 invloed hebben op onze werkwijze en de taken die we uitvoeren:

14

Informatievoorziening/ meten

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

Financiële zekerheid majeure risico-bedrijven De Omgevingswet verplicht provincies, vanuit hun hoedanigheid als bevoegd gezag voor bedrijven met een verhoogd risicoprofiel vanwege gevaarlijke stoffen (majeure risico-bedrijven), om financiële zekerheid te stellen als onderdeel van de vergunningverlening voor die bedrijven. Daarnaast biedt de Omgevingswet de mogelijkheid om op basis van beleid ook financiële zekerheid te stellen voor bedrijven in de afvalsector. Voor deze bedrijven is dat wenselijk omdat afvalstoffen doorgaans een negatieve waarde vertegenwoordigen. Deze zekerheid zorgt ervoor dat eventuele calamiteiten of milieuschade snel en adequaat kunnen worden aangepakt, zonder dat de kosten op de samenleving of overheden worden afgewenteld. Het verplicht stellen van financiële garanties biedt niet alleen een belangrijk vangnet bij incidenten, maar bevordert ook een andere risicobeheersing door de bedrijven zelf. Het verplicht stellen van financiële zekerheid in vergunningen voor bedrijven met majeure risico’s of die afvalstoffen verwerken zal aanzienlijke gevolgen hebben voor de werkzaamheden van vergunningverleners op lokaal en regionaal niveau.

Hoewel de exacte kosten op dit moment moeilijk te voorspellen zijn en mede afhankelijk zijn van eventueel te voeren beleid voor afvalverwerkende bedrijven, is duidelijk dat structurele investeringen nodig zijn voor het opstellen van striktere vergunningsvoorwaarden voor in ieder geval majeure risico-bedrijven. Dit vraagt namelijk om extra expertise en capaciteit. Dit kan betekenen dat de we extra medewerkers of externe deskundigen moeten inschakelen voor het uitvoeren van risicoanalyses en het beoordelen van de hoogte en vorm van financiële zekerheid. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) spelen een steeds belangrijkere rol. Zoals eerder beschreven is er steeds meer aandacht voor het probleem van ZZS, mede door onderzoeken zoals het rapport ‘Industrie en omwonenden’ van de

Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV) en de vele incidenten die uitgebreid in de media zijn belicht, waaronder Tata Steel, Chemours en de asfaltcentrale in Nijmegen. Maar ook meer regionaal is er bijvoorbeeld media-aandacht voor tankcleaning bedrijven en voor uitstoot of lekkages bij bedrijven. Deze zaken hebben de urgente noodzaak aangetoond van een gecoördineerde aanpak van ZZS, en de rijksoverheid heeft dan ook besloten om hier significant meer aandacht en middelen aan te besteden. Ook vanuit de VNG en het IPO is naar aanleiding van het project ‘Decentrale benadering ZZS’ besloten om samen met het rijk als één overheid op te trekken om de uitstoot en risico’s van ZZS door bedrijven te minimaliseren. De provincie Limburg heeft zich via het IPO geconformeerd aan deze afspraak. Dit betekent dat gemeenten en provincies een cruciale rol spelen in het verminderen van de impact van deze stoffen op de volksgezondheid en het milieu. De aanwezigheid van ZZS in het milieu heeft verregaande gevolgen voor de gezondheid van omwonenden, flora en fauna, en vervuiling van water en bodem. Stoffen zoals PFAS, dioxines en zware metalen kunnen, zelfs in kleine hoeveelheden, jarenlang aanwezig blijven in het milieu en ernstige gezondheidsrisico’s veroorzaken. Gemeenten en provincies hebben de verantwoordelijkheid om hun inwoners te beschermen tegen deze risico’s.

Uitstel of onvoldoende inzet kan leiden tot hogere gezondheidskosten op de lange termijn, verlies van biodiversiteit en hoge saneringskosten die uiteindelijk vele malen hoger zijn dan de preventieve maatregelen die nu genomen kunnen worden. Deze toenemende werklast kan niet zonder extra middelen en investeringen worden gedragen. Het adequaat aanpakken van ZZS vereist gespecialiseerde kennis, tijd voor vergunningverleners en specialisten, en voortdurende inspanningen om de risico’s voor mens en milieu te minimaliseren.

15

Begroting 2026

Deze extra inspanning vraagt om directe financiering, zowel voor de uitbreiding van capaciteit als voor het vergaren van de noodzakelijke kennis rondom ZZS. Het ontbreken van deze investeringen zou de voortgang ernstig vertragen, met als gevolg dat schadelijke stoffen langer in het milieu blijven en de gezondheid van omwonenden onnodig in gevaar wordt gebracht. Bovendien lopen gemeenten en provincies het risico op reputatieschade wanneer blijkt dat zij onvoldoende hebben ingegrepen om deze problemen aan te pakken. Daarom is het essentieel dat gemeenten en provincies extra middelen vrijmaken om de VTH-taken rondom ZZS effectief uit te voeren. Alleen met een gezamenlijke inspanning kunnen we de impact van ZZS terugdringen en een veilige leefomgeving garanderen voor toekomstige generaties. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) kan vanaf 2026 van invloed zijn bij de behandeling van vergunningaanvragen en dan specifiek bij projecten waarbij directe en indirecte lozingen een rol spelen. De KRW is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht werd. Doelstelling van de richtlijn is het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater. De EU-lidstaten moeten deze ‘goede toestand’ uiterlijk in 2027 realiseren.

Nederland gaat deze termijn niet halen, maar de verwachting is dat dit (zoals met stikstof) ook een invloed gaat hebben op onze werkzaamheden. Naar verwachting zullen indirecte lozingen (werkveld ODZL) veel meer aandacht krijgen van zowel de waterkwaliteitsbeheerder (wettelijk adviseur) als van derden zoals belangenorganisaties. Dit zal leiden tot hogere eisen aan bedrijven en aan de ODZL met betrekking tot de kwaliteit van het te lozen water en de beoordeling van onderzoeken en maatregelen die de te lozen waterkwaliteit aanzienlijk moeten verbeteren.

16

Einde afvalverklaringen Binnen de milieuvergunningverlening wordt een aanzienlijke toename verwacht in het aantal aanvragen voor zogenaamde ‘einde afvalverklaringen’. Deze verklaringen zijn vereist als bedrijven afvalstoffen willen verwerken tot producten die niet langer als afval worden beschouwd en opnieuw op de markt kunnen worden gebracht. De toegenomen focus op circulaire economie en recycling leidt naar verwachting tot een toename van deze aanvragen. De behandeling van deze aanvragen brengt een aantal specifieke uitdagingen met zich mee omdat de beoordeling zeer complex kan zijn. Het beoordelen of een stof of materiaal niet langer als afval geldt, vereist een gedegen inhoudelijke analyse van zowel milieuwetgeving als technische criteria. Dit vraagt om extra inzet van onze vergunningverleners en specialisten. Omdat ‘einde afvalverklaringen’ juridisch bindend zijn en impact hebben op de naleving van de Europese afvalstoffenwetgeving, vergen deze besluiten een nauwkeurige en uitgebreide afstemming tussen verschillende partijen en juridische toetsing. Dit betekent dat er meer tijd en capaciteit nodig is om de aanvragen zorgvuldig te behandelen

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

2.2

Toezicht en handhaving

Taken Binnen Toezicht en handhaving zetten we ons in voor de veiligheid, milieubescherming en naleving van de regelgeving op basis van de Omgevingswet, zoals het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) en de geldende milieuvergunningen, evenals de Seveso wet- en regelgeving. Bij toezicht verzamelen we informatie om te bepalen of een activiteit voldoet aan de eisen die in de vergunning en/of algemene regels zijn gesteld. Vervolgens vormen we een oordeel op basis van de verzamelde informatie.

Onder handhaving wordt verstaan: het overgaan tot het opleggen van bestuursrechtelijke en/ of strafrechtelijke (herstel)sancties indien uit het toezicht blijkt dat niet aan de gestelde eisen wordt voldaan. Bij het opleggen van sancties is steeds juridisch advies aan de orde. Prestaties We werken vanuit Toezicht en handhaving aan de volgende speerpunten en streven ernaar de benoemde prestatie indicatoren te behalen.

Speerpunt

Prestatie indicator

Informatievoorziening/ meten

Kwaliteit

Toezichtrapporten voldoen aan de meest actuele wet- en regelgeving en het beleid van de opdrachtgever.

Rechterlijke toets c.q. uitspraak Raad van State.

95% van de handhavingsbesluiten worden genomen binnen de daarvoor afgesproken termijn.

VTH applicatie op basis van (verzoek- én) besluitdatum.

Tijdigheid

Uitvoering werkprogramma opdrachtgever zoals onderling afgesproken.

Voortgangsrapportages.

Uniformiteit

Hanteren van vastgesteld handhavingsbeleid opdrachtgever.

Voortgangsrapportages.

17

Begroting 2026

Ontwikkelingen Op het gebied van toezicht en handhaving voorzien we de volgende ontwikkelingen die in 2026 invloed hebben op onze werkwijze en de taken die we uitvoeren: Milieutoezicht In 2024 is in opdracht van de omgevingsdienst en in samenwerking met de opdrachtgevers een regionale risicomodule opgeleverd. Nadat de regionale risicoanalyse in 2025 door de opdrachtgevers in hun uitvoeringsbeleid wordt opgenomen vormt de risicomodule vanaf 2026 de basis voor ons milieutoezicht. De focus komt hierbij te liggen op het toezicht bij de meest risicovolle bedrijven zoals die waar de milieurisico’s voor de omgeving het grootst zijn. Denk hierbij onder andere aan het milieutoezicht bij Seveso- en RIE-bedrijven. Daarnaast richten wij onze toezichtcapaciteit op de meest milieubelastende activiteiten (MBA’s). De regionale risicoanalyse bepaalt hierbij de prioritering/inzet en de hieruit volgende toezichtfrequentie. Als we daartoe aanleiding zien houden we ook steekproefsgewijs of themagericht toezicht. Bij overtredingen gebruiken we de bestuursrechtelijke instrumenten om de overtreding te beëindigen. Bij de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak is de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) leidend. Seveso-toezicht Voor Seveso-inrichtingen ligt onze focus op het waarborgen van de naleving van veiligheids- en milieuregels.

Daarmee worden risico’s voor mens en milieu geminimaliseerd. Dit omvat regelmatige inspecties, risicoanalyses en samenwerking met andere overheidsinstanties en bedrijven om een gecoördineerde aanpak te waarborgen. We werken nauw samen met de Nederlandse Arbeidsinspectie, de Veiligheidsregio’s en andere inspectiepartners om een uniforme en effectieve uitvoering van het toezicht te realiseren. Bij

18

zogenaamde zorgbedrijven worden vaker inspecties ingepland. Daarnaast wordt ook specifiek ingezet op het uitvoeren van onaangekondigde inspecties. Regionale programmering Onze prioriteiten voor het begrotingsjaar 2026 zijn het verhogen van de inspectiefrequentie bij hoog-risico bedrijven en het versterken van de capaciteit en expertise van ons toezicht- en handhavingsteam door middel van gerichte training en opleiding. We zullen ook de betrokkenheid van alle stakeholders, inclusief bedrijven, overheidsinstanties en de gemeenschap, versterken om gezamenlijke verantwoordelijkheid en naleving te bevorderen. Daarnaast zullen we een nieuwe financieringswijze implementeren waarbij ook gemeenten zonder hoog-risico bedrijven bijdragen aan de kosten, met ruimte voor lokale prioriteiten. Met deze aanpak streven we ernaar om de veiligheid, milieubescherming en naleving van gemeentelijke regelgeving in onze regio te waarborgen en te verbeteren. Toezicht op indirecte Lozingen Toezicht op indirecte lozingen is een essentiële taak van onze dienst. Dit omvat inspecties, monsternames, analyse en prioritering van lozingsactiviteiten. Tot op heden ontbreekt echter specifieke financiering, wat ons vermogen belemmert om adequaat toezicht te houden, vooral op het gebied van monstername en analyse door externe firma’s.

Voor effectieve invulling van onze toezichtfunctie is een specifieke budgettoewijzing nodig. Hoewel de exacte inzet qua formatie (fte’s) niet kan worden vastgesteld, zijn er wel inschattingen te maken van de kosten voor het nemen van monsters en het analyseren van afvalwater. Om de financiële impact te minimaliseren, stellen we voor om een budgetreservering te maken voor de variabele kosten die gepaard gaan met het analyseren van afvalwater en het nemen van monsters. Dit budget, ter hoogte van € 50.000,

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

biedt de flexibiliteit om in te spelen op fluctuaties in de werkdruk zonder de noodzaak voor extra financiering. Dit extra budget is niet in deze begroting verwerkt. De benodigde capaciteit qua fte’s moet nog worden bepaald. Data-analyse en BI-tools In 2026 geven we verder vorm aan de data-analyse van milieutoezicht door middel van Business Intelligence (BI)-tools. Door gebruik te maken van geavanceerde data-analyse kunnen we het risicogestuurd toezicht verder vormgeven en onze middelen efÏciënter inzetten. Dit omvat het combineren van interne gegevens met open data en externe bronnen, zoals milieumeldingen en historische controledata, om een volledig overzicht van de risico’s in een bepaald gebied te verkrijgen. Samenwerkingen met collega omgevingsdiensten zoals bijvoorbeeld het Gelders Datalab en het Brabants OmgevingsDatalab dienen als voorbeeld voor hoe data-analysemodellen kunnen worden uitgewisseld en toegepast. Afhandeling van klachten en incidenten De afhandeling van klachten en incidenten is een belangrijk onderdeel van ons werk. We volgen hierbij onder andere de landelijke uniforme afhandeling van ongewone voorvallen bij Seveso-bedrijven, zoals beschreven in de factsheet “Ongewone Voorvallen”. Dit omvat het registreren, analyseren en opvolgen van meldingen om herhaling te voorkomen en de veiligheid te verbeteren.

Milieugezondheid Milieugezondheid wordt een steeds belangrijker thema binnen ons werkgebied. We zullen intensiever samenwerken met de GGD om de gezondheidseffecten van milieufactoren beter in kaart te brengen en aan te pakken. Deze samenwerking is cruciaal om een integrale benadering van het milieutoezicht en milieugezondheid te realiseren en om preventieve maatregelen te kunnen nemen.

Actieve openbaarmaking van handhavingsbesluiten Vanuit de Meerjarenafspraken (MJA) en het IBP VTH is een handreiking actieve publicatie handhavingsbeschikkingen opgesteld met als doel onherroepelijke handhavingsbesluiten actief openbaar te maken. Het besluit tot publicatie is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen rechtsmiddelen openstaan. In de handreiking wordt aangegeven dat door de zes Seveso-Omgevingsdiensten gestart moet worden met het openbaar maken van onherroepelijke handhavingsbesluiten. Vervolgens zal in een volgende fase overgegaan worden tot het openbaar maken van alle andere onherroepelijke handhavingsbesluiten (zowel provinciaal als gemeentelijk). Hiertoe zullen eerst afspraken gemaakt worden met de bevoegde gezagen, te beginnen met de provincie. Gelet op deze toenemende aandacht voor een transparante en open overheid zal de rol van de Woo-coördinator groter worden. AVG en Wpg Op grond van de AVG/Wpg zijn we verplicht om op een verantwoorde wijze om te gaan met persoonsgegevens. Het is van belang dat onze dienst blijvend aandacht heeft voor privacy management. Tegelijkertijd is duidelijk, dat er meer capaciteit nodig is dan nu voorhanden is. De functionaris gegevensbescherming en privacy-ofÏcer zijn op dit moment nevenfuncties voor medewerkers waardoor zij niet fulltime bezig kunnen zijn met de toenemende privacy gerelateerde taken.

Zeker voor onze groeiende organisatie is meer nodig om de dienst privacyproof te krijgen, waarbij ook aandacht dient te zijn voor de technische ondersteuning hierin. Een en ander geldt des te meer, nu wij sinds 2024 eigen BOA’s in dienst hebben, waardoor we ook moeten voldoen aan de Wet politiegegevens (Wpg) èn verplicht zijn om een Wpg audit te laten uitvoeren. Door toevoeging van 1 FTE aan het juridisch team zal naar verwachting goed invulling gegeven kunnen worden aan de hiervoor vermelde toenemende taken. Deze is niet financieel vertaald in deze begroting. 19

Begroting 2026

Asbest Er wordt al enige jaren gesproken over een herziening van het asbeststelsel. Tot op heden heeft dit nog niet tot nieuwe wet- en regelgeving geleid. Eind 2025 moet er een nieuwe Europese richtlijn zijn voor de asbestbranche. Welke gevolgen dit heeft voor de asbesttaken van onze dienst is nu nog niet bekend.

20

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

2.3 Advies en onderzoek Taken De afdeling Advies en Onderzoek heeft medewerkers die verantwoordelijk zijn voor het toetsen, controleren, adviseren en uitvoeren van onderzoeken en metingen op het gebied van energie, geluid, lucht en omgevingsveiligheid. Deze medewerkers spelen ook een rol in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid op deze terreinen. Ze houden rekening met mogelijke innovaties in de uitvoering van hun werkzaamheden en geleverde producten.

Prestaties In het onderstaande overzicht worden de prestatie-indicatoren van Advies en Onderzoek gepresenteerd en is aangegeven op welke wijze wordt getoetst of deze indicatoren behaald zijn en hoe daarover wordt gecommuniceerd.

Speerpunt

Prestatie indicator

Informatievoorziening/ meten

Kwaliteit

De adviezen bevatten heldere conclusies en zijn transparant in de afwegingen.

Tevredenheid opdrachtgever.

Tijdigheid

95% van de adviezen is voor de afgesproken termijn aan de opdrachtgever verzonden.

Voortgangsrapportages.

Ontwikkelingen Op het gebied van advies en onderzoek voorzien we de volgende ontwikkelingen die in 2026 invloed hebben op onze werkwijze en de taken die we uitvoeren:

omgeving is het belangrijk dat aan die omgevingsplannen kwalitatief goede beleidsregels worden verbonden. Hoewel ieder bevoegd gezag hierin zijn eigen verantwoordelijkheid heeft, is het wenselijk tot uniformiteit in kwaliteit te komen.

Algemeen We adviseren gemeenten bij het opstellen van omgevingsplannen. In het kader van de Omgevingswet moeten de gemeenten de aankomende periode omgevingsplannen op te stellen, waarin onder meer de onderwerpen asbest, bodem, energie, externe veiligheid, geluid, geur en lucht beschreven worden. Gezien het belang van de onderwerpen voor een veilige en gezonde leef-

Energie In juli 2023 is de wetgeving rond de energiebesparingsplicht aangepast. Daarbij is het toezicht op de energiebesparingsplicht aangemerkt als basistaak voor de omgevingsdiensten. Met het oog op verdere reductie van Koolstofdioxide (CO2)-uitstoot heeft de minister de energiebesparingsverplichting uitgebreid naar bedrijven met een milieuvergunning en een NEA-vergunning (ETS-be21

Begroting 2026

drijven). Het rapport “energiebesparingsplicht, 2008-2023” trekt conclusies over de landelijke situatie rond de werking van deze wetgeving, het toezicht erop en doet aanbevelingen aan de minister. Afhankelijk van de individuele situatie zijn er ook conclusies te trekken voor omgevingsdienst en bevoegd gezag. We anticiperen op de veranderende situatie en zijn hierover in gesprek met provincie en gemeenten. In het kader van de meldingsplicht zullen de meeste bedrijven en instellingen moeten melden welke maatregelen van de erkende maatregelenlijsten (EML) wel en nog niet zijn uitgevoerd, dit zijn de informatieplichtige locaties. De grootverbruikers van energie moeten een energiebesparingsonderzoek uitvoeren en hiervoor een rapportage aanleveren (onderzoeksplichtige locaties). Handhaving op deze meldingsplicht is lastig omdat de omgevingsdiensten geen toegang hebben tot de energie-verbruikscijfers van bedrijven en instellingen. In 2025 zou een wetswijziging ertoe moeten leiden dat elektriciteitsbedrijven aan omgevingsdiensten doorgeven voor welke locaties in de regio de meldingsplicht en besparingsplicht mogelijk van toepassing zijn. Het toezicht van de omgevingsdienst kan dan beter gericht worden op bedrijven en instellingen die tot dan de meldingsplicht verzuimd hebben. Op dit moment hebben zich rond de 2.800 bedrijven en instellingen gemeld.

Het toezicht op energiebesparingsplicht is erop gericht locaties eenmaal per vier jaar te controleren en de grote energiegebruikers tweemaal per vier jaar. De focus op CO2-reductie en de genoemde verbreding van de energiebesparingsplicht betekent een aanzienlijke verzwaring van de energietaak van de omgevingsdienst. Met het oog op effectiever en efÏciënter toezicht wordt gekeken naar scenario’s om specifiek aandacht te richten op locaties waar het toezicht tot meer CO2-reductie kan leiden, zoals grootverbruikers van energie. Doelstelling is de effectiviteit van toezicht te verbeteren door per doelgroep te sturen op de balans tussen kosten van handhaving en opbrengsten in CO2-reductie. 22

Analyse van beschikbare data laat zien dat door verschuiving van de toezichtstaak van gemeenten naar de omgevingsdiensten een aanzienlijke uitbreiding van capaciteit nodig is. De SPUK THE gelden die tot en met 2026 als subsidie aan onze dienst zijn toegekend krijgen naar verwachting een structureel karakter richting 2030. Echter, gezien de toezichtstaak dekt deze subsidie slechts een beperkt deel van de kosten. Weliswaar zal de provincie voorzien in een structurele bijdrage, ook de gemeenten zullen hun bijdrage moeten leveren om energiebesparing en CO2-reductie te realiseren. We zullen de gemeenten consulteren om in gezamenlijkheid tot een gedragen koers te komen. In het kader van toezicht op de energiebesparingsplicht komen onze energiespecialisten bij bedrijven en instellingen over de vloer. Daarbij komen ook mogelijkheden voor verduurzaming aan de orde zoals zon-op-dak, windstroom, buurtbatterijen, gebruik van restwarmte et cetera. Onze medewerkers horen daarbij ook over de problemen die bedrijven ervaren als gevolg van de netcongestie. De energiespecialisten van omgevingsdienst zouden een nader te bepalen rol kunnen krijgen, enerzijds bij het inventariseren en rapporteren van problemen en anderzijds bij het informeren van bedrijven over oplossingen die beschikbaar zijn (of komen) in de regio.

Op het gebied van energie hebben gemeenten en provincie een aantal bouw-gerelateerde toezichtstaken. Denk aan toezicht op EPBD-wetgeving, Label C-verplichting, de nieuwe verordeningen voor F-gassen en ozonlaagafbrekende stoffen. Van andere omgevingsdiensten in het land komen berichten dat zij deze taken toebedeeld hebben gekregen. Wij geven onze opdrachtgevers in overweging om dat ook in Zuid-Limburg te doen. Data-analyse zal een belangrijke rol spelen bij het monitoren van voortgang van toezicht, de ontwikkeling van het energiegebruik en de reductie van CO2. Ook stelt het ons in staat om inspecties met nadruk uit te voeren bij bedrijven die achterblijven op hun verplichtingen. Tevens kan de analyse van beschikbare data, gemeenten en provincie helpen

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

richting te geven aan hun stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming en reductie van CO2 bij bedrijven en instellingen. Onderdeel van de nationale opgave om CO2 te reduceren is de reductie van de CO2 uitstoot van zakelijk verkeer en woon-werkverkeer van werknemers van bedrijven en instellingen, ook wel aangeduid met Werkgebonden personenmobiliteit (WPM). Werkgevers hebben daarom een verplichting om ook hierover te rapporteren in een loket van RVO. Het gaat hierbij om 229 werkgevers in Zuid Limburg met meer dan 100 werknemers. Het toezicht op deze rapportageverplichting is als basistaak neergelegd bij de omgevingsdiensten. In eerste instantie houden we alleen toezicht of bedrijven de meldingen daadwerkelijk uitvoeren. Mogelijk zal in tweede instantie de geleverde data geanalyseerd moeten worden en volgen hieruit andere activiteiten voor toezicht. We willen hiervoor het landelijk beleid volgen dat ODNL vaststelt in afstemming met de Nederlandse omgevingsdiensten. Mogelijk is daarbij budget nodig voor capaciteit en aanpassingen in het bedrijfsproces. Externe veiligheid In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) worden de gegevens van risicobronnen opgenomen. Dit verplichte register is de bron voor de visualisatie van externe veiligheidsrisico’s op de Atlas leefomgeving.

De Atlas leefomgeving is een digitale kaart die voor burgers, bedrijven en overheden de externe veiligheidsrisico’s in ons land zichtbaar maakt. Het actualiseren en valideren van deze gegevens is een continu proces, waarvoor een extra (technische) specialist wordt gevraagd. Deze is niet financieel vertaald in deze begroting, waardoor de actualiteit en volledigheid van deze kaart voor de regio niet gegarandeerd kan worden. De Omgevingswet beschouwt enkele nieuwe MBA’s als risicovol. Het betreft met name kleine propaantanks en gasdrukmeet- en regelstations. De gegevens van deze MBA’s moeten in REV worden opgenomen. Vaak heeft het bevoegd

gezag het beheer van externe veiligheidsdata aan de omgevingsdienst gemandateerd. Echter, de voornoemde risicovolle MBA’s vallen niet onder de basistaken. Wanneer gemeenten uitsluitend basistaken hebben ingebracht betekent dit dat wij de VTH-taken van deze risicovolle MBA’s niet uitvoeren en daarmee is het ook niet mogelijk om de REV-data van deze activiteiten actueel te houden. Bij voorkeur worden alle registratie plichtige risicovolle MBA’s als taak ingebracht door opdrachtgevers. De Omgevingsregeling stelt verplicht dat gegevens uit het zaaksysteem van de omgevingsdienst in het REV digitaal aangeleverd worden middels een automatische koppeling (API). In 2024 is een stappenplan vastgesteld om die API-koppeling gefaseerd te realiseren. In eerste instantie voor de vijf meest voorkomende activiteiten. De overige 35 activiteiten dienen daarna nog aangesloten te worden. Met Omgevingswet is ook een nieuw instrument geïntroduceerd: aandachtsgebieden. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. De aandachtsgebieden zullen een rol gaan spelen in de omgevingsplannen van gemeenten over de indeling van gebieden voor risicobronnen en risico-ontvangers. We kunnen gemeenten over externe veiligheid adviseren bij het opstellen van omgevingsplannen.

De energietransitie brengt nieuwe veiligheidsrisico’s met zich mee, zoals bijvoorbeeld opslag van waterstof, grootschalige batterijopslag en energie opslagsystemen. We zullen moeten inspelen op nieuwe regelgeving en veiligheidsprotocollen voor deze technologieën. Externe veiligheid bij klimaatadaptie behoort tot “Omgevingsveiligheid” en valt op dit moment buiten onze scope. Denk hierbij aan de risico’s door extreme weersomstandigheden zoals hittegolven en overstromingen. Opname van deze risico’s binnen het veiligheidsbeleid vraagt om uitbreiding van de opdracht aan en om nieuwe expertise binnen de organisatie. 23

Begroting 2026

Gelet op bovenstaand ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met een uitbreiding van de personele capaciteit van minimaal 1 fte voor het uitvoeren van de extra werkzaamheden voor externe veiligheid. Deze uitbreiding is niet financieel vertaald in deze begroting.

teiten. Er wordt meer en meer aandacht besteed aan de cumulatieve effecten van verschillende milieufactoren, zoals geluid in combinatie met bijvoorbeeld luchtkwaliteit en externe veiligheid. Hiervoor worden integrale adviezen afgegeven aan het bevoegd gezag.

Geluid Geluid is een milieuaspect dat vanuit de omgevingswet lokaal geregeld moet worden. Het ruimtelijke spoor en het milieuspoor zullen overgaan naar één spoor. We kunnen gemeenten helpen bij het slim en duurzaam implementeren van geluid onder de Omgevingswet, zowel in hun beleid als in hun omgevingsplan. De gemeenten (binnen de regio) dienen namelijk omgevingsplannen op te stellen waarin hun ambities per gebiedstype voor het aspect geluid zijn geborgd. Milieuzonering is één onderdeel hiervan.

Namens de gemeenten wordt hulp aangeboden bij het uitvoeren van geluidmetingen, het uitwerken en adviseren bij geluidmetingen of handhaving bij monitoring van bedrijven, evenementen of anderszins. Waar mogelijk maken we gebruik van IoT-apparaten en slimme sensoren voor realtime monitoring van geluid, trillingen en licht.

We helpen gemeenten bij het uitvoeren van zonebeheer bij de diverse kleine en grote industrieterreinen in de regio. Zolang er voor de gezoneerde industrieterreinen nog geen geluidproductieplafonds (GPP’s) bepaald zijn, moet er een zonetoets worden uitgevoerd zoals deze ook werd uitgevoerd onder de oude wetgeving. Wij kunnen de gemeenten met specialistisch advies bijstaan bij de omzetting naar GPP’s. We beoordelen en toetsen akoestische onderzoeken naar industrie-, wegverkeer-, railverkeeren luchtvaartlawaai. Tevens beoordelen wij onderzoeken in het kader van de bouwregelgeving, zoals interne geluidwering, geluidwering gevel en installatiegeluid, waaronder ook warmtepompen/airco’s. We adviseren gemeenten op het gebied van geluid(beleid), licht en trillingen bij nieuwe plannen en/of vergunningen. Door de verdichting van steden komt er meer druk op de omgeving. Wij kunnen adviseren op de vraag naar stillere, minder verlichte stedelijke omgevingen en oplossingen voor trillingen door bijvoorbeeld bouwactivi-

24

Door jarenlange kennis en ervaring op het gebied van geluid adviseren we gemeenten bij de toepassing van geluid binnen het evenementenbeleid. Lucht Door landelijk toenemende kennis over gezondheidseffecten van luchtverontreiniging kan en moet de omgevingsdienst in Zuid-Limburg een sleutelrol spelen in het monitoren en adviseren inzake de luchtkwaliteit in het algemeen en fijnstof, ultrafijnstof, ozon en stikstofdioxide reductie in het bijzonder. Hiervoor beschikken weover diverse immissie meetstations die voor wat betreft fijnstof ISO17025 geaccrediteerd zijn. De samenwerking met lokale industrieën rondom emissiereductie zal intensiveren, mede vanwege de toenemende druk op bedrijven om CO2-neutraal te opereren en in het kader van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) te voldoen aan de minimalisatieverplichting. De unieke deskundigheid van onze dienst op het gebied van ZZS zal worden verdiept, waar mogelijk in samenwerking met andere omgevingsdiensten. In dit kader wordt onderzocht of een landelijk netwerk van regionale meetdiensten toegevoegde waarde heeft. Hiertoe vinden verkennende gesprekken en onderzoeken plaats.

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

De inzet van geavanceerde meettechnieken zoals camera’s en drones worden steeds belangrijker om sneller en specifieker te monitoren en te reageren op eventuele overtredingen. Dit biedt mogelijkheden om proactief beleid te maken. Specialistische kennis en toezicht van de omgevingsdienst is cruciaal bij het monitoren van metingen door externe partijen. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van nieuwe technieken, modellering en visualisering van data. We zien een toenemende vraag vanuit de politiek en de maatschappij naar analyse en monitoring van ZZS (voor toelichting zie “Ontwikkelingen Vergunningverlening”), ultrafijnstof en andere stoffen die schadelijk zijn voor mensen en/of flora en fauna. Geur Geur is een thema dat de laatste tijd flink in de belangstelling staat. Niet verwonderlijk aangezien een groot deel van de hindermeldingen (tot wel de helft) te maken heeft met geurhinder. Er wordt standaard gebruik gemaakt van geurmodellen voor het in kaart brengen van geurhinder. We blijven investeren in kennis en technieken om geuroverlast effectief te monitoren. De provincie Limburg heeft geen eigen geurbeleid. In alle gevallen heeft bij het vaststellen van een aanvaardbaar hinderniveau de “belevingswaarde” van de geur - de zogenaamde “hedonische waarde” - altijd een belangrijke rol gespeeld.

Vrij recent is echter de betrouwbaarheid van deze hedonische waarde onder vuur komen te liggen. Dit betekent dat er thans sprake is van een hiaat waar het gaat om de informatie die wordt gebruikt om een aanvaardbaar hinderniveau op te stellen. Dit is een landelijk probleem. Samen met de provincie worden de landelijke ontwikkelingen gevolgd en wordt gestreefd naar handvatten om hinder te voorkomen en waar nodig aan te kunnen pakken. Hierin spelen we een actieve rol.

Circulaire economie De omgevingsdienst en de provincie Limburg starten een circulair in-company programma waarin kennis en ervaringen worden besproken op basis van casussen. De provincie verzorgt hiervoor de facilitering. Afhankelijk van het onderwerp worden gastsprekers uitgenodigd. Het streven is dat de provincie beleid formuleert waar de omgevingsdienst uitvoering aan kan geven. Aan de hand van vast te stellen provinciaal beleid kunnen we mogelijk een actieve rol spelen in het versnellen van de circulaire economie door toezicht en handhaving gericht in te zetten en bedrijven te ondersteunen bij circulaire transities. Aan de hand van een concrete niche markt kunnen wij een voorstel uitwerken waarin wordt aangegeven wat dit betekent voor in te zetten mensen en middelen. Bij een vervolg dient naast samenwerking met de provincie de samenwerking te worden gezocht met gemeenten, branche- en ondernemersverenigingen en onderwijsinstellingen waarbij de focus uitgaat naar expertise, educatie, bewustwording en facilitering. Leidend is het bieden van toegevoegde waarde en onderscheidend vermogen.

25

26

3.

Financieel

27

Begroting 2026

3.1

Ravijnjaar 2026

In het licht van het financiële ‘ravijnjaar’ 2026 voor onze deelnemers is in het algemeen bestuur van 4 juli 2024 toegezegd om de bezuinigingsmogelijkheden bij de Omgevingsdienst Zuid-Limburg nader te onderzoeken. Door enkele deelnemers is een besparingsopgave van 5%-10% voorgesteld, wat neerkomt op ongeveer € 1 miljoen tot € 2 miljoen. De begroting 2025 voldoet aan de minimumnorm om per 1 april 2026 robuust te zijn. In het gesprek met het ministerie over de beoordeling van ons plan van aanpak robuustheid, werd duidelijk dat de robuustheidscriteria niet zullen worden aangepast. Er is bovendien specifieke aandacht voor de robuustheid van de Seveso-omgevingsdiensten. In 2024 ontvingen we bericht van het ministerie dat onze dienst bij de beoordeling van de robuustheid op “oranje” is gezet. De minimale ondergrens bedraagt € 16,5 miljoen voor basistaken, en we halen dat bedrag net als we de plannen voor robuustheid volgens planning uitvoeren. Er is dus geen financiële ruimte binnen de robuustheidscriteria. Analyse van de positieve resultaten van de afgelopen jaren toont ook aan dat er geen blijvende ruimte in de begroting is. Structurele verlaging van de begroting is dus niet

28

mogelijk zonder onze verplichte taken in gevaar te brengen. We blijven echter dagelijks onze werkprocessen optimaliseren om met dezelfde middelen een hogere kwaliteit (milieuwinst) te realiseren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de inzet van ICT-tools/AI en het elimineren van overbodige processtappen. Daarnaast blijven we via ODNL en de VNG in gesprek met het Rijk over de benodigde extra budgetten. De realisatiecijfers over 2024 bieden wel de mogelijkheid tot een incidentele uitkering aan de deelnemers van naar verwachting in totaal € 3 miljoen. Door onderuitputting van kosten c.q. extra subsidiebaten is de laatste voorschotnota 2024 al met € 1 miljoen verlaagd. Bij de resultaatuitkering in de jaarrekening 2024 volgt naar verwachting additioneel € 2 miljoen door (vervroegde) vrijval van SPUK-subsidies en vrijval van bestemmingsreserves. Dit bedrag is onder voorbehoud van een goedkeurende accountantsverklaring en de vaststelling van de jaarstukken door het algemeen bestuur. Het totale bedrag van € 3 miljoen komt overeen met een besparing van 5% per jaar, gedurende 3 jaar. Dit bedrag kunnen de deelnemers opzij zetten in een door henzelf te vormen reserve ravijnjaar.

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

3.2

Financiële uitgangspunten

Voor de gemeenschappelijke regeling is het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van toepassing. Conform het BBV zijn wij verplicht de baten en lasten uit te splitsen in taakvelden. Aangezien wij voor zowel de provincie Limburg als voor de ZuidLimburgse gemeenten werken, moeten wij hierbij

onze baten en lasten splitsen volgens de gemeentelijke indeling. Volgens deze gemeentelijke indeling werken wij voor onze primaire taakuitvoering uitsluitend in één taakveld, namelijk het taakveld “Milieubeheer”. Het taakveld “Overhead” is opgenomen in paragraaf 3.5.

Indien aan de orde worden t.z.t. met een begrotingswijziging 2026 verwerkt: - In hoofdstuk 2 zijn diverse ontwikkelingen geschetst, die ten tijde van het opstellen van de begroting nog moeilijk kunnen worden geduid in budgettaire consequenties voor 2026. - Recentelijk heeft de provincie Limburg een uitvraag gedaan naar extra werkzaamheden. Dit betreft jaarlijks een bedrag van ca. € 3 miljoen. Dit is niet in deze begroting verwerkt, omdat besluitvorming hierover in Provinciale Staten niet eerder dan in voorjaar 2025 is gepland.

29

Begroting 2026

3.3

Begrotingsmutaties

a) Loonindex salarissen/inhuur

€ 831.585

(structureel)

b) 2x 0,5 fte ingroei Bedrijfsvoering Robuustheid

€ 125.967

(structureel)

c) 3,0 fte Maatwerk CO2 (gedekt via subsidie)

€ 362.155

(tijdelijk)

Salarissen en inhuur personeel

€ 1.319.707

d) Inhuur omzetting MBA

€ -352.000

(structureel)

e) Innovatie- en ontwikkelbudget

€ 220.000

(structureel)

f) Overige mutaties

€ 157.241

(structureel)

Overige posten

€ 25.241

Totaal

Toelichting: a. In de begroting 2025 is de cao-tabel van 1-1-2024 gehanteerd. Per 1-10-2024 is een cao-indexatie van gemiddeld 1,25% geweest. Hierbij leiden (afrondings)verschillen per loonschaal tot een marginaal verschil. Voor 2026 is de prijsindex gebruikt van de Septembercirculaire 2024 van het Gemeentefonds voor overheidssalarissen ad 3,8%. In totaal komt de gehanteerde loonindexatie uit op ca. 5,05%. b. In de meerjarenraming van de begroting 2025 is rekening gehouden met een ingroeimodel om aan de robuustheidscriteria per 1 april 2026 te voldoen. De kosten van de projectleider innovatie en HR-adviseur zijn begroot vanaf medio 2025, zodat deze kosten vanaf 2026 voor het volledige jaar in de begroting staan. c. De tijdelijke uitbreiding met 3,0 fte betreft subsidie voor Maatwerk CO2 Chemelot. Deze subsidie is gegarandeerd voor 2026 en wordt naar stellige verwachting verlengd t/m 2030. 30

€ 1.344.948

d.

e.

f.

De tijdelijke kosten voor inhuur omzetting van inrichtingen naar MBA’s is niet meer van toepassing in 2026. Het budget voor innovatie- en ontwikkeling ad 1% van de begroting is structureel toegevoegd. Dit is een verplichte post uit het IBP VTH. De invulling zal nader worden geconcretiseerd. Een uitgave die hier in ieder geval onderdeel van zal uitmaken, is de uitbreiding van de koppeling van RxMission met het Register Externe Veiligheid (REV). De begrote bedragen voor 2026 van de overige posten zijn op basis van een reële inschatting. Er is daarbij rekening gehouden met de jaarlijkse kosten voor verbetering van de informatievoorziening en rapportage ad € 78.000 (besluit DB, 14 november 2024).

De toename van de overige posten (d+e+f) bedraagt per saldo 0,6%. Dit is lager dan de indexatie van 2,2%, die in de Septembercirculaire 2024 van het Gemeentefonds voor materiële overheidsconsumptie voor 2026 is vermeld.

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

3.4

Begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 Realisatie 2024

Begroting 2025

Begroting 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

€ 13.606.147

€ 16.485.296

€ 17.805.003

€ 18.117.863

€ 18.806.342

€ 19.520.983

(2) OVERIGE PERSONELE KOSTEN

€ 499.506

€ 930.600

€ 924.150

€ 942.116

€ 971.539

€ 1.001.940

(3) PERSONELE DIENSTEN DERDEN

€ 1.137.233

€ 1.150.269

€ 1.160.000

€ 1.185.520

€ 1.211.601

€ 1.238.257

(4) KAPITAALLASTEN

€ 121.418

€ 164.043

€ 165.000

€ 168.630

€ 172.340

€ 176.131

(5) VERBRUIKSKOSTEN EN ONDERHOUDSKOSTEN MATERIEEL

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beek&id=1be4f46f-8522-487a-bb6f-2a6ba308bcf1