CConstaterende datBeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording feitelijke vragen begroting 2026 definitief

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente BeekBij agendapunt: Bespreekstuk: Vaststellen Programmabegroting 2026-2029.17.614 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Feitelijke vragen Begroting 2026-2029

Belang van Beek

Algemeen financieel beeld 1. In hoeverre is bij de huidige investeringsplanning rekening gehouden met indexatie van bouwkosten en rentestanden? (Zie p. 13–14 “Investeringsplanning 2026–2029”) Antwoord: In principe wordt hier rekening mee gehouden. Het blijven echter ramingen. Naarmate de voorbereiding vordert, wordt er nauwkeuriger geraamd. Ondanks de ramingen kan het resultaat van de aanbesteding ook nog altijd afwijken. Beslispunt 1 – Vaststellen Programmabegroting 2026 2. Klopt het dat in 2028 reeds een verkoopopbrengst van € 1,046 mln uit de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré is opgenomen? (Zie p. 40 Programma 3 – punt C “Onderwijsvoorzieningen”) Antwoord: In 2028 is een verwachte boekwinst geraamd van € 1.046.000 van de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré, met een bijbehorende geraamde storting in de algemene reserve (budgettair neutraal). 3. Wanneer verwacht het college dat de bouw van het nieuwe Kindcentrum wordt afgerond en de verkoop van de huidige schoollocaties kan plaatsvinden? (Zie p. 39–40 toelichting Kindcentrum Beek) Antwoord: Gekoerst wordt op oplevering van het kindcentrum voor 1 juli 2027. Na de verhuizing kunnen de huidige schoollocaties worden geleverd. In de voorliggende meerjarenbegroting is de levering geraamd in 2028. 4.

Wat is het effect op het begrotingssaldo als de verkoop pas na 2028 plaatsvindt of de opbrengst lager uitvalt? (Zie p. 40, p. 11 meerjarenraming) Antwoord: Er is geen effect op het begrotingssaldo als de verkoop van de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré pas na 2028 plaatsvind omdat de verwachte boekwinst van € 1.046.000 volledig wordt gestort in de algemene reserve (budgettair neutraal). 5. Wordt er een risicoreservering aangehouden voor deze mogelijke afwijking? (Zie p. 20–21 “Risicoparagraaf”) Antwoord: Er is geen risico opgenomen voor het geval de verkoop van de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré pas na 2028 plaatsvind omdat de verwachte boekwinst van € 1.046.000 niet van invloed is op het begrotingssaldo omdat dit volledig wordt gestort in de algemene reserve (budgettair neutraal). Beslispunt 2 – Kennisnemen meerjarenbegroting 2027–2029 6. Welke aannames liggen ten grondslag aan de raming van het Gemeentefonds in 2028–2029? (Zie p. 9–10 “Ontwikkelingen gemeentefonds (ravijnjaren)”)

-2-

Antwoord: De gemeente Beek maakt, net als nagenoeg alle gemeentes in Nederland, gebruik van het programma Lias Pauw voor de berekening van de Algemene Uitkering / het gemeentefonds. Na iedere circulaire wordt deze doorgerekend. De raming van het Gemeentefonds is dus gebaseerd op deze circulaires. Vanaf 2028 daalt de omvang van het gemeentefonds en daarmee de te ontvangen middelen voor onze gemeente. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat het Rijk verwacht dat de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd dan het beoogde effect zullen hebben en doordat het Rijk het besparingspotentieel van de hervormingsagenda met € 0,5 miljard heeft verhoogd. Daarnaast vind er vanaf 2028 een uitname uit het gemeentefonds plaats in verband met de invoering van een eigen bijdrage jeugdzorg en het sturen op de trajectduur jeugdzorg. 7. Zijn de stijgende kapitaallasten (rente en afschrijving) volledig verwerkt in de meerjarenraming? (Zie p. 12–13 “Kapitaallastenontwikkeling”) Antwoord: De in de meerjarenraming verwerkte kapitaallasten van nog te voteren investeringen zijn weergegeven in paragraaf 8 in de tabel Taakstellingen en stelposten. In deze paragraaf zijn per programma de betreffende stelposten afschrijving toegelicht en de stelpost rente lang vreemd vermogen (programma 6 punt F).

De afschrijvingslasten van reeds gevoteerde investeringen zijn op vast actief niveau opgenomen in bijlage 2 Overzicht geactiveerde kapitaaluitgaven. In het projectenboek is per investeringsproject de verwerkte dekking inzichtelijk. 8. In hoeverre worden reserves structureel aangesproken om de begroting sluitend te houden, en wat betekent dit voor de toekomstige weerstandsratio? (Zie p. 18 “Weerstandsvermogen en reserves”) Antwoord: In de meerjarenbegroting 2025-2028 is de volgende meerjarige onttrekking uit de algemene reserve opgenomen:

Inzet 10% Algemene Reserve

2025

2026

2027

1.196.700

1.335.600

1.202.100

2028 1.081.900

In de nu voorliggende meerjarenbegroting 2026-2029 wordt deze onttrekking voor de jaren 2028 en 2029 teruggedraaid: 2026

2027

Terugdraaien 10% onttrekking Algemene Reserve

2028

2029

-1.081.900

-973.700

De weerstandsratio wordt bepaald door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de benodigde weerstandscapaciteit. Ervan uitgaande dat de benodigde weerstandscapaciteit gelijk blijft, ziet deze er meerjarig als volgt uit:

Beschikbare weerstandscapaciteit

2026

2027

2028

2029

17.966.482

11.447.956

10.245.883

11.323.291

-3-

Benodigde weerstandscapaciteit Weerstandsratio

2026

2027

2028

2029

2.875.831

2.875.831

2.875.831

2.875.831

6,25

3,98

3,56

3,94

De weerstandsratio blijft daarmee de kwalificatie meer dan uitstekend behouden, zoals toegelicht in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing. Beslispunt 3 – Reserve Degeneratievergoedingen 9. Wat is de gemiddelde jaarlijkse ontvangst aan degeneratievergoedingen van nutsbedrijven (laatste 5 jaar)? (Zie p. 53 Programma 5 – punt D) Antwoord: De gemiddelde opbrengst degeneratievergoedingen van nutsbedrijven van de laatste 5 jaar is € 119.100. Dit is als volgt te specificeren: 2024 € 374.100 2023 € 172.400 2022 € 18.800 2021 € 9.600 2020 € 20.600 Bovenstaande cijfers laten zien dat de hausse aan werkzaamheden van nutsbedrijven gestart is in 2023. 10. Op basis waarvan is de omvang van de nieuwe reserve bepaald, en welk jaarlijks uitgavenpatroon aan onderhoud wordt voorzien? (Zie p. 53 toelichting “Nieuwe reserve degeneratievergoedingen”) Antwoord: De omvang van de nieuwe reserve degeneratievergoedingen is bepaald op basis van een inspectie van het areaal. Het jaarlijks uitgavenpatroon dat wordt voorzien is toegelicht onder programma 5 punt D: € 691.800 in 2026, € 922.600 in 2028 en € 350.000 in 2029 en volgende jaren. 11. Hoe wordt bewaakt dat de reserve niet structureel te groot of te klein wordt? (Zie p. 54 toelichting beheer reserves) Antwoord: Op basis van de jaarlijks inspectie van het areaal wordt de benodigde omvang van de reserve degeneratievergoedingen herijkt.

Beslispunt 4 – Opheffen reserve Fonds Werk & Inkomen (FW&I) 12. Waarom wordt de reserve FW&I opgeheven in plaats van aangehouden als buffer bij schommelingen in bijstandsuitgaven? (Zie p. 48 Programma 4 – sociaal domein) Antwoord: De lijn in het verleden was altijd dat er gestort of onttrokken werd aan de reserve op realisatiebasis, dus bij de jaarrekening. Omdat dit niet gebeurde op begrotingsbasis, werd ervoor gekozen om het risico op hogere bijstandsuitgaven mee te nemen in het weerstandsvermogen. Nu wordt voorgesteld om te reserve te laten vervallen om een consistente werkwijze te kiezen, dus niet op begrotingsbasis en ook niet op realisatiebasis. Tevens speelt mee dat de reserve per aanvang 2025 nihil bedraagt en het opheffen van de reserve in de lijn ligt met het streven naar meer vrij aanwendbare middelen, ondanks dat de T-2 systematiek voor schommelingen zorgt.

-4-

13. Hoe worden toekomstige meeruitgaven op werk & inkomen nu opgevangen binnen het weerstandsvermogen? (Zie p. 21 “Risicoparagraaf – sociaal domein”) Antwoord: In het weerstandsvermogen is nog steeds rekening gehouden met een risico dat de uitkeringslasten meer stijgen dan waarmee rekening is gehouden in de begroting. Mocht dit risico zich dus daadwerkelijk voordoen, is het weerstandsvermogen voldoende om deze meerkosten op te vangen. 14. Wat is het effect hiervan op de weerstandsratio en resterende risicoruimte? (Zie p. 18–19 tabel weerstandsvermogen) Antwoord: Het risico op hogere uitkeringslasten dan waar de BUIG inkomsten vanuit gaan, was altijd al opgenomen als mogelijk risico. De weerstandsratio is dus niet gewijzigd. Beslispunt 5 – Mutaties algemene reserve 15. De mutaties leiden tot verschuiving van ca. € 5,3 mln naar specifieke reserves. Hoe verhoudt dit zich tot het streven naar voldoende vrij aanwendbare middelen? (Zie p. 17–18 overzicht reserves) Antwoord: De circa € 5,3 mln onttrekking uit de algemene reserve wordt conform het voorliggende raadsbesluit gestort in de reserve dekking kapitaallasten en betreft € 2,9 mln dekking van afschrijvingslasten van reeds geactiveerde investeringen, € 1,3 mln duurzaamheid gebouwen en € 1,0 mln toekomst ICT. . De vrij aanwendbare middelen zijn opgenomen in de algemene reserve.

Of deze reserve voldoende is wordt berekend aan de hand van de weerstandsratio, die in Beek de kwalificatie meer dan uitstekend heeft en ook houdt in de komende jaren. 16. Betekent de storting van € 2,93 mln voor dekking van afschrijvingslasten dat incidentele middelen structureel worden ingezet? Hoe lang is dit houdbaar? (Zie p. 61 Programma 6 – punt S) Antwoord: Ja dat klopt. Incidentele dekkingsmiddelen zoals beschikbaar in de algemene reserve worden gestort in de reserve dekking kapitaallasten om structurele afschrijvingslasten te dekken. Zolang de ratio weerstandsvermogen voldoende (ratio 1) is, is dit mogelijk. 17. Zijn de investeringen in ICT-transformatie (€ 1 mln) en verduurzaming gemeentelijke gebouwen (€ 1,3 mln) volledig incidenteel, of brengen zij ook structurele lasten met zich mee? (Zie p. 58–59 Programma 6 – punten G en H) Antwoord: De investeringen van ICT (€ 1 miljoen) en verduurzaming gemeentelijke gebouwen (€ 1,3 miljoen) zijn incidenteel. De structurele afschrijvingslasten worden gedekt uit de reserve dekking kapitaalasten, aangezien de dekking voor deze investeringen volledig is onttrokken aan de algemene reserve. 18. Voor de ICT-transformatie: is het bedrag gebaseerd op een uitgewerkt plan of een voorlopige raming? (Zie p.

58 Programma 6 – ICT-transformatie) Antwoord: De investering voor de ICT-transformatie is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd door een externe partij. Op basis van dit onderzoek zijn de globale kosten voor de transitie in kaart gebracht en verwerkt in de begroting. Het uitgewerkte plan is pas op een later moment te realiseren. 19. Voor de verduurzaming van gebouwen: is er cofinanciering voorzien (Rijk/provincie)? (Zie p. 59 Programma 6 – verduurzaming)

-5-

Antwoord: In de begroting is uitgegaan van geheel eigen financiering. Wel worden op dit moment voor de verduurzaming van gebouwen subsidiemogelijkheden onderzocht. 20. Wat is de verwachte energiebesparing of CO₂-reductie door deze investering? (Zie p. 59–60 toelichting verduurzaming) Antwoord: Een extern bureau heeft verschillende varianten doorgerekend. Afhankelijk van de gekozen variant kan voor de gemeentelijke gebouwen een CO₂-reductie worden gerealiseerd van minimaal 32% tot maximaal 53%. Concrete uitwerking vind op dit moment nog plaats.

Overkoepelend – Transparantie en risico’s 21. Kan het college een overzicht van de tien grootste investeringsprojecten met looptijd, financieringsbron en risicoscore aan de raad verstrekken? (Zie p. 13–14 “Investeringsplanning 2026–2029”) Antwoord: In onderstaande tabel zijn de tien investeringsprojecten opgenomen met het hoogste investeringsvolume opgenomen voorzien van de verwachte looptijd. Investeringsproject

bedrag

Looptijd

01. Realisatie Kindcentrum Beek

22.464.517

2021-2027

02. Herinrichting Centrum: herinrichting Markt

11.200.000

2021-2029

03. Ontkluizing Keutelbeek fase 2

9.349.060

2022-2027

04. Reconstructie Stationsstraat

7.225.177

2023-2027

05. Reconstructie DokuSoza

6.150.000

2023-2028

06. Herinrichting Schimmerterweg

4.605.000

2012-2026

07. Upgrading Carmelwijk

4.267.000

2023-2028

08. Water in Balans

3.000.000

2025-2030

09. Herinrichting Centrum: Heirstraat

2.523.000

2023-2026

10. Vliegveldweg, omgeving entree MAA

2.000.000

2024-2028

Totaal

72.783.754

Bovenstaande projecten zullen naar verwachting volledig met een nog aan trekken lening worden gefinancierd. De bijbehorende verwachte rentelasten zijn in de voorliggende begroting 2026-2029 geraamd als stelpost rentelasten financieringsbehoefte, zoals toegelicht onder programma 6 punt B en voor wat betreft de riooldelen onder programma 5 punt O. Voor een specificatie van hoe deze investeringen gedekt zijn wordt kortheidshalve verwezen naar de betreffende projectlijsten. Voor deze projecten is geen risicoscore als zodanig gedefinieerd. Binnen elk investeringsproject is in de kredietraming standaard een post onvoorzien beschikbaar. Indien

-6-

er een project specifiek risico is, zal dit opgenomen worden in het risicomanagementsysteem. 22. Op welke wijze worden kostenoverschrijdingen bij grote projecten bewaakt en gerapporteerd? (Zie p. 22 “Financieel toezicht en sturing”) Antwoord: Budgetbewaking is een van de taken van de projectleider. Indien nodig worden overschrijdingen gerapporteerd en/of voorgelegd aan college en raad. Kostenoverschrijdingen groter dan € 25.000 dienen gevoteerd te worden door de raad. 23. Wordt bij grote investeringen een go/no-go-moment ingebouwd voordat het volledige krediet wordt benut? (Zie p. 13 toelichting investeringsplanning) Antwoord: Nee, zolang de investering conform planning verloopt en de investeringsuitgaven passen binnen het gevoteerde krediet wordt er geen go/no-go moment ingebouwd. Afhankelijk van de projectfase en de eventuele aanvullende kredietbehoefte, wordt dit voorgelegd aan college en/of raad. 24. Hoe wordt geborgd dat de organisatie, gezien de beperkte capaciteit, de geplande investeringsomvang ook uitvoerbaar kan realiseren? (Zie p. 24–25 “Organisatie en uitvoering) Antwoord: Kosten voor inzet personeel op projecten, vallen binnen de projectbudgetten. De vaste bezetting is vanwege de benodigde projectcapaciteit uitgebreid. Daarnaast biedt dit de mogelijkheid om extra tijdelijke personeel aan te trekken om de benodigde capaciteit te kunnen leveren.

vragen – volledigheid en risico’s 25. In hoeverre zijn duurzaamheidsprojecten afhankelijk van subsidies of externe bijdragen, en is rekening gehouden met het risico dat deze middelen niet worden toegekend? (Zie p. 59–60 Programma 6) Antwoord: In de begroting is uitgegaan van geheel eigen financiering. Wel worden op dit moment subsidiemogelijkheden onderzocht. Mochten er aan Beek subsidies worden toegekend, dan leidt dit dus tot een financiële meevaller. 26. Zijn de structurele besparingen door verduurzaming (zoals lagere energielasten) al verwerkt in het meerjarenperspectief? (Zie p. 59) Antwoord: Ja, in de begroting zijn de structurele jaarlijkse besparingen, zoals lagere energielasten als stelpost van € 218.000 verwerkt. 27. Welke bandbreedte in volumeontwikkeling (bijv. aantal cliënten Wmo/Jeugd) is gehanteerd in de raming van de zorguitgaven? (Zie p. 47–49 Programma 4) Antwoord: Bij de raming van de zorguitgaven wordt uitgegaan van realistisch budgetteren, waarbij jaarlijks meerdere keren een doorrekening wordt gemaakt van de te verwachte kosten. Daarbij wordt gekeken naar de stijging (of daling) van de kosten, als gevolg van toename/afname van cliënten. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de stijging van de (reële) tarieven. Op basis daarvan wordt per post bekeken of de begroting bijgesteld moet worden.

-7-

28. Is in het risicoprofiel rekening gehouden met mogelijke tekorten op jeugdzorg of Wmo als gevolg van landelijke herverdeeleffecten? (Zie p. 20–21) Antwoord: Ja, als mogelijke risicogebeurtenissen zijn de volgende risico’s meegenomen: - Stijgende kosten voor verstrekking individuele voorziening inzake de Wmo - Tekorten op budgetten jeugdzorg 29. Hoeveel fte is beschikbaar voor projectleiding en aanbesteding van de geplande investeringen, en hoe verhoudt dit zich tot de totale investeringsomvang? (Zie p. 24–25 “Organisatie en uitvoering”) Antwoord: De beschikbare hoeveelheid fte voor projectwerkzaamheden is flexibel, zoals beschreven in het antwoord op vraag 24. 30. Zijn interne uren (projectmanagement, toezicht, administratie) volledig meegenomen in de investeringsramingen of worden die elders opgevangen?? (Zie p. 13–14 toelichting investeringsplanning) Antwoord: Kortheidshalve wordt verwezen naar het antwoord op vraag 24 en 29. 31. Bevat de begroting nog andere geraamde grondverkopen of vastgoedtransacties (naast de schoollocaties), en zo ja: welke bedragen zijn daarvoor opgenomen? (Zie p. 41–42 Programma 3) Antwoord: Nee, er zijn naast de verwachte verkopen van de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré in 2028 geen andere geraamde grondverkopen of vastgoedtransacties in de begroting opgenomen. 32.

Zijn de grondprijzen gebaseerd op huidige marktwaarden of historische boekwaarden? (Zie p. 17–18) Antwoord: Zoals toegelicht onder programma 3 punt C is de ingeschatte boekwinst van de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré bepaald aan de hand van de verwachte residuele verkoopwaarde, afgezet tegen de boekwaarde per ultimo 2028. De residuele verkoopwaarde is het bedrag dat overblijft nadat alle kosten voor de ontwikkeling, zoals bouwkosten, architectkosten en winstmarge voor de projectontwikkelaar van de verwachte opbrengsten zijn afgetrokken. 33. Wat is de verwachte ontwikkeling van de weerstandsratio als de verkoopopbrengst van de scholen niet wordt gerealiseerd of investeringen duurder uitvallen? (Zie p. 18– 19) Antwoord: Indien de verwachte boekwinst van de basisschoollocaties St. Martinus en Catharina Labouré ad € 1.046.000 in 2028 niet wordt gerealiseerd, zal in 2028 de bijbehorende storting in de algemene reserve niet gerealiseerd worden. Hierdoor zal de weerstandratio ultimo 2028 lager zijn dan in de begroting 2026 voorzien. Indien investeringen duurder uitvallen zal er een aanvullende structurele afschrijvingslast ontstaan per het jaar na gereedkomen van de investering, die opgevangen moet worden binnen de meerjarenbegroting. Mocht ervoor gekozen worden om aanvullende afschrijvingslasten te dekken middels een onttrekking uit de algemene reserve,

-8-

die gestort wordt in de reserve dekking kapitaallasten, dan heeft dit een nadelig effect op de weerstandsratio. 34. Kan inzicht gegeven worden in de top 10 risico’s met bijbehorende kans en impact, en aangeven hoe deze zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld? (Zie p. 20–21) Antwoord: Zie bijlage “PB26 Ontwikkeling top 10 risico’s 2024-2026”. 35. Wat is het verwachte EMU-saldo over 2026–2029 en hoe verhoudt dit zich tot de VNGnorm? (Zie p. 16 “Financiering en kasstromen”) Antwoord: In de septembercirculaire 2025 wordt alleen de norm van 2026 benoemd. De norm voor 2027 en verder is nog niet bekend. X € 1.000

2026

2027

2028

2029

Berekend EMU-saldo

-4.548

-35.137

-53.166

-56.569

Norm EMU-saldo

-2.832

n.n.b.

n.n.b.

n.n.b.

Door het Rijk wordt het EMU-saldo niet per gemeente beoordeeld, alleen op nationaal niveau. 36. Is er inzicht in de schuldratio per inwoner (schuldquote) en hoe ontwikkelt die zich richting 2029? (Zie p. 17) Antwoord: Het aantal inwoners steeg de afgelopen jaren met gemiddeld 0,5% per jaar. Wanneer we dit percentage toepassen op de komende jaren en de vaste schulden uit de begroting overnemen, leidt dit tot de volgende schuldquote (vaste schuld per inwoner): 2026

2027

2028

2029

Vaste schuld x € 1.000

39.971

71.559

86.467

87.803

Aantal inwoners

16.332

16.414

16.496

16.578

2,4

4,4

5,2

5,3

Schuldquote

37. Kan een overzicht van incidentele versus structurele baten en lasten worden aangeleverd, zodat de raad beter zicht krijgt op de structurele financiële positie? (Zie p. 11– 13) Antwoord: Een detailoverzicht van alle incidentele baten en lasten is opgenomen in bijlage 6 ‘Recapitulatie begrotingsevenwicht’. Alles wat hier niet in is meegenomen, definieert zich onder de structurele baten en lasten. De structurele financiële positie (structureel begrotingssaldo) is vervolgens af te lezen uit de samenvattende tabel in deze bijlage. 38. Kan het college toelichten op welke wijze de prioritering van projecten binnen het investeringsprogramma 2026–2029 tot stand is gekomen? (Zie p. 13–14, “Investeringsplanning 2026–2029”) Antwoord: De prioritering binnen de civiele projecten is gemaakt op basis van technische noodzaak en/of beleidsmatige noodzaak. Met name de staat van de riolering heeft grote invloed op de prioritering. Daarnaast worden ook zaken als staat van de verharding, verkeersveiligheid en wateroverlast meegewogen.

-9-

Er zijn geen investeringsprojecten geschrapt. Het is aan de nieuwe raad en college om een herprioritering te doen conform de afspraak in de raadsessie van juli jl., mede in relatie tot de ravijnjaren 2028 e.v. 39. Is er binnen het projectenboek een onderscheid gemaakt tussen wettelijke verplichtingen, beleidsmatige ambities en wensprojecten? Zo ja, hoe zijn die categorieën gedefinieerd? (Zie p. 13) Antwoord: Nee. Het projectenboek is ingedeeld naar de categorieën: - Gevoteerde investeringsprojecten - Deels gevoteerde investeringsprojecten - Niet gevoteerde investeringsprojecten - Overige projecten 40. Op basis van welke criteria wordt bepaald of een project in het investeringsplan wordt opgenomen of doorgeschoven naar latere jaren? (Zie p. 13–14) Antwoord: Zie het antwoord op vraag 38. 41. Wordt de raad tussentijds geïnformeerd wanneer projecten verschuiven of budgetoverschrijdingen optreden binnen het projectenboek? (Zie p. 22, “Financieel toezicht en sturing”) Antwoord: Verantwoording naar de raad gebeurt onder andere via het projectenboek. Waar nodig worden budgetoverschrijdingen voorgelegd aan de raad voor besluitvorming. 42. Wanneer zijn de meeste kostencalculaties in het projectenboek voor het laatst geactualiseerd, en is daarin rekening gehouden met prijsstijgingen in de bouwsector? (Zie p.

13–15) Antwoord: Voor projecten die nog niet in uitvoering zijn, wordt jaarlijks bekeken of de kostenramingen geactualiseerd moeten worden. 43. Hoe is de raming voor het Kindcentrum opgebouwd (grond, bouw, inrichting, btw, onvoorzien), en op welk prijspeil is deze gebaseerd? (Zie p. 39–40 en p. 57 “investeringsoverzicht”) Antwoord: De opbouw van de raming is gespecificeerd in de projectlijst ‘Realisatie Kindcentrum Beek’ en is zoals daarin aangegeven gebaseerd op prijspeil 2027. 44. Voor het project Keutelbeek: is de begroting gebaseerd op de variant door Neerbeek heen of om Neerbeek heen, en wat is het kostenverschil tussen deze opties? (Zie p. 60, Programma 6 –project“ Herinrichting en beekherstel”) Antwoord: Zie bijgevoegd raadsvoorstel 18vra00087. In de raadsvergadering van 4 oktober 2018 heeft de gemeenteraad besloten om, gelet op de doelstellingen van het project en de overwegingen zoals opgenomen in het raadsvoorstel, de tracékeuze door Neerbeek als uitgangspunt te nemen voor de planuitwerking. Daarnaast heeft de raad eerder unaniem een motie aangenomen, om voor de Keutelbeek in Neerbeek met de hoogste prioriteit het traject door de dorpskern c.q. die straten van Neerbeek die wateroverlast gevoelig zijn te ontwikkelen. Er is dus geen begroting van een variant om Neerbeek heen.

- 10 -

45. Hoe wordt geborgd dat projecten die deels door derden worden gefinancierd (zoals subsidies) pas doorgaan als deze middelen daadwerkelijk zijn toegekend? (Zie p. 14– 15, “Financiering investeringen”) Antwoord: Projecten die afhankelijk zijn van externe financiering worden pas gestart als de overeenkomsten getekend zijn. Daarnaast zijn er projecten die om technische redenen doorgang moeten vinden. Hiervoor wordt ook gekeken naar subsidiemogelijkheden, maar deze zijn niet bepalend voor uitvoering. 46. Hoeveel projecten worden gelijktijdig uitgevoerd in 2026–2027, en hoe verhoudt dit zich tot de beschikbare projectcapaciteit (fte) binnen de organisatie? (Zie p. 24–25) Antwoord: De projectcapaciteit is flexibel. Het aantal gelijktijdige projecten is niet alleen afhankelijk van de beschikbare capaciteit. Ook de impact van projecten op de omgeving bepaald mede welke projecten gelijktijdig kunnen of achtereenvolgend moeten plaatsvinden. Zie tevens het antwoord op vraag 24. 47. Wordt binnen het projectenboek gebruikgemaakt van een projectbeheersysteem of dashboard om voortgang, risico’s en budgetten te volgen? (Zie p. 22, “Monitoring investeringen”) Antwoord: Binnen projecten worden de reguliere financiële systemen van de gemeente gebruikt. 48.

Hoe wordt binnen het projectenboek geborgd dat beheer- en exploitatiekosten van nieuwe investeringen (zoals gebouwen of infrastructuur) ook structureel zijn meegenomen in de begroting? (Zie p. 12–13, “Kapitaallastenontwikkeling”) Antwoord: Projecten leiden tot wijzigingen in het te beheren areaal. De wijzigingen in het areaal worden verwerkt in de onderhoudskosten. 49. Welke projecten worden volledig met vreemd vermogen gefinancierd, en hoeveel rentegevoeligheid brengt dat met zich mee? (Zie p. 16–17) Antwoord: Zoals toegelicht in programma 6 punt B, is in de voorliggende meerjarenbegroting een stelpost rentelasten opgenomen op basis van de verwachte financieringsbehoefte uit hoofde van het meerjarig investeringsprogramma en een actuele lange marktrente van 3%. De betreft een oplopende stelpost van € 318.000 in 2026, € 846.000 in 2027, € 1.292.000 in 2028 tot € 1.479.000 in 2029. Deze stelpost beziet niet op het verwachte rioolinvesteringsvolume. Zoals toegelicht in programma 5 punt O, is in de voorliggende meerjarenbegroting een stelpost rentelasten rioolinvesteringen opgenomen op basis van de verwachte financieringsbehoefte uit hoofde van het meerjarig rioolinvesteringsprogramma en een actuele lange marktrente van 3%. De betreft een oplopende stelpost van € 196.000 in 2027, € 502.000 in 2028 tot € 639.800 in 2029.

Aangezien voor rioolinvesteringen in 2024 reeds een projectfinanciering is aangetrokken van € 10 mln waarvan de rentelasten reeds zijn verwerkt, start de in de meerjarenbegroting 2026 verwerkte stelpost rente rioolinvesteringen per 2027. Het totaaloverzicht van de in 2026-2029 verwachte investeringsprojecten is opgenomen in de Inleiding van de Begroting. De actuele kredietruimte van deze investeringen

- 11 -

is opgenomen in de betreffende projectlijsten. De verwachte kredietuitgaven in 20262029 zullen naar verwachting volledig met vreemd vermogen worden gefinancierd. 50. Zijn er projecten waarvoor de kostendekkendheid of terugverdientijd nog niet volledig inzichtelijk is (zoals duurzaamheidsprojecten of vastgoedontwikkelingen)? (Zie p. 59– 60) Antwoord: Een extern bureau heeft een grondige analyse gemaakt van kostenbesparing, CO2reductie en terugverdientijd van de verduurzaming van alle gemeentelijke gebouwen, waarbij verschillende varianten zijn onderzocht. Momenteel wordt deze analyse verder uitgewerkt. Zodra de uitkomsten concreet zijn, zal het voorstel aan de raad ter besluitvorming worden voorgelegd. 51. Kan per project worden aangeven welk deel van de investering onvoorwaardelijk is (besluitvorming afgerond) en welk deel nog onder voorbehoud van planuitwerking of subsidieaanvraag staat? (Zie p. 57–62, “Projectenboek – investeringsoverzicht”) Antwoord: In het projectenboek is weergegeven voor welk deel kredietvotering heeft plaatsgevonden. 52. Hoe wordt voorkomen dat incidentele boekwinsten (zoals de verkoop van schoollocaties) structureel worden ingezet ter dekking van investeringslasten? Zie p. 40 en p. 18. Antwoord: Incidentele boekwinsten (zoals de verkoop van schoollocaties) worden in beginsel volledig gestort in de algemene reserve (budgettair neutraal).

Pas na realisatie van de boekwinst en de bijbehorende storting in de algemene reserve zal beoordeeld worden of een storting in de reserve dekking kapitaallasten wenselijk is.

- 12 -

VVD 1. Pag 23: Hoeveel hectare is nu bebouwd (stand per ult 2026) van bedrijventerrein Aviation Valley en hoeveel kan maximaal nog bebouwd worden nà de doelstelling van 10 hectare in 2026. Waarom is voor de doelstelling van 10 hectare gekozen. Antwoord: Van de circa 60 hectare bedrijfsgronden is op dit moment circa 43 hectare bedrijfsgrond vergund voor bebouwing. Hiervan is/wordt circa 22 hectare op (korte termijn) bebouwd. Met de clusters 3, 4-5 en 6d (waarvoor een omgevingsvergunning verleend is) is nog 21 hectare bedrijfsgrond beschikbaar om bebouwd te worden. Daarnaast is op Aviation Valley circa 15 hectare grond in eigendom van de provincie, bestemd voor de strategische doorontwikkeling van MAA. Voor de doorontwikkeling van bedrijventerrein Aviation Valley is ambtelijk en bestuurlijk gekozen voor een gefaseerde aanpak, waarbij minimaal 10 hectare bebouwing is gekozen als concreet en haalbaar doel. 2. Pag 24: Met welke partners overlegd de gemeente over werkzoekenden en wat zijn de resultaten. Antwoord: Voor diegenen die een bijstandsuitkering krijgen is Vidar de organisatie die zorgt voor arbeidsparticipatie en bemiddeling/ begeleiding naar zo passend en regulier mogelijke arbeid.

Mensen met een werkloosheidsuitkering worden begeleid door het UWV, waarmee Vidar in contact staat, zeker wanneer het personen betreft die mogelijk vanuit een werkloosheidsuitkering "doorvallen" naar een bijstandsuitkering. Daarnaast is het Jongerenloket actief voor jongeren die op zoek zijn naar werk en/of nog vooraf moeten voldoen aan een startkwalificatie, waarvoor overigens ook het bureau VSV actief is. De gemeente werkt daarnaast binnen de regionale arbeidsmarktaanpak samen met het beroepsonderwijs Vista college, Zuyd Hogeschool, Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en sociale partners (werkgeversvertegenwoordiging en de bonden). 3. Pag 29 en 32: Aantal geregistreerde mantelzorgers is weergegeven in tabel (pag 32). Is er zicht op niet-geregistreerde mantelzorgers en zo ja hoeveel zijn er dat. Antwoord: Er is geen zicht op niet-geregistreerde mantelzorgers. Mantelzorgers zijn niet verplicht zich te registreren bij de gemeente of andere instanties. Alleen mantelzorgers die zich vrijwillig melden, bijvoorbeeld voor ondersteuning of de mantelzorgwaardering, zijn bij ons in beeld. Het totale aantal mantelzorgers, inclusief degenen die niet geregistreerd zijn, wordt op landelijk niveau geschat op basis van onderzoeken van onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Deze schattingen geven een algemeen beeld, maar geen exacte aantallen per gemeente. Volgens het CBS was in 2023 circa 13 procent van de Nederlanders van 16 jaar of ouder mantelzorger. Het SCP hanteert een bredere definitie en schat dat ongeveer een derde van de volwassen bevolking in meer of mindere mate mantelzorg verleent. Onder meer door middel van voorlichting via het professionele netwerk (zoals thuiszorgorganisaties, huisartsen en fysiotherapeuten), deelname aan informatiebijeenkomsten waar de doelgroep aanwezig is (mantelzorger en/of verzorgde), en via artikelen in lokale en sociale media probeert Steunpunt Mantelzorg Westelijke Mijnstreek zoveel mogelijk mantelzorgers in beeld te krijgen. 4. Pag 67: Er is achterstallig onderhoud vastgesteld van wegen, trottoirs. Zijn er gevallen geweest waarbij de gemeente aansprakelijk is gesteld a.g.v. de slechte staat van weg, trottoir e.d. Zo ja, hoeveel en welke kosten voor de gemeente (via verzekering ?). Antwoord: In de periode 2024 tot heden zijn drie schadegevallen bij de gemeente gemeld.

- 13 -

In twee van de drie gevallen (val met fiets en val over stoeptegel) zijn de schadekosten verhaald op de Beekse verzekering en zijn de kosten voor de gemeente beperkt gebleven tot het eigen risico van € 100. In het derde geval zijn de kosten doorbelast aan de aannemer die de kosten voor zijn rekening heeft genomen.

- 14 -

Beek Lokaal

Vraag-1 Programma 1 / Werk en economie 1.1: In 2026 moet minimaal tien hectare bebouwd zijn van bedrijventerrein Aviation Valley [16] Hoeveel hectare is tot nu toe daadwerkelijk bebouwd en ligt de ontwikkeling op schema om in 2026 minimaal 10 hectare te bereiken? Antwoord: Van de ca. 60 hectare bedrijfsgronden is op dit moment ca. 43 hectare bedrijfsgrond vergund voor bebouwing. Hiervan is/wordt circa 22 hectare (op korte termijn) bebouwd. De ontwikkeling van Aviation Valley ligt daarmee op schema. Met de clusters 3, 4-5 en 6d (waarvoor een omgevingsvergunning verleend is) is nog 21 hectare bedrijfsgrond beschikbaar om bebouwd te worden. Daarnaast is op Aviation Valley circa 15 hectare grond in eigendom van de provincie, bestemd voor de strategische doorontwikkeling van MAA. Zie tevens het antwoord op VVD vraag 1. Welke concrete bouwprojecten zijn momenteel actief of gepland om dit doel te realiseren? Antwoord: Vervoerder DSV opende medio dit jaar een nieuwe bedrijfsloods op cluster 6A. Daarnaast wordt er op dit moment gebouwd aan 4 bedrijfshallen (ca. 10.000m²) op cluster 6D-1. Deze zullen begin 2026 worden opgeleverd.

Vraag-2 Programma 2 / Zorg en inkomen 2.5: Inwoners dienen meer zeggenschap te krijgen in hun eigen omgeving [48] Hoe wordt het verschil bewaakt tussen wijkgericht werken, Burgerkracht en burgerparticipatie in de praktijk? Antwoord: Door het strak hanteren van de onderstaande definities worden de verschillen bewaakt. - Wijkgericht werken is een organisatievorm welke door de gemeente bedacht is om in te spelen op allerlei mogelijke problematieken, met name op sociale problematieken die op zorg zijn gericht. - Burgerkracht is bewoners bij hun eigen initiatieven ondersteunen waarbij de gemeente op afstand staat maar wel, indien nodig, ondersteuning biedt. Initiatiefnemers blijven verantwoordelijk. Insteek is dat alle talenten uit het eigen dorp maximaal worden benut. - Burgerparticipatie is vanuit de gemeente geïnitieerd waarbij aan bewoners wordt gevraagd hierin te participeren. Welke middelen of ondersteuning biedt de gemeente bij Burgerkracht, wijkgericht werken en burgerparticipatie zonder te veel in te grijpen? Antwoord: Zoals wellicht bij u bekend zijn de opbouwwerkers van Partners in Welzijn het eerste aanspreekpunt voor alle burgerkrachtinitiatieven. Zij nemen alle innoverende ontwikkelingen mee in hun gesprekken met buurtbewoners waar de burgerinitiatieven c.q. burgerkrachtprojecten over gaan.

Daarmee wordt verzekerd dat de gemeente niet de initiatieven overneemt, maar wel ondersteunt waar nodig is. Voor burgerkrachtbudget is een structureel budget van € 30.600 beschikbaar. Hoe wordt geëvalueerd of Burgerkracht wijkgericht werken en burgerparticipatie leidt tot daadwerkelijke verbetering van leefomgeving en betrokkenheid van inwoners?

- 15 -

Antwoord: Een feitelijke evaluatie is recent niet geweest. Gezien het feit dat de uitgangspunten van burgerkracht eruit bestaat dat de kennis en kunde uit de eigen gemeenschap gestimuleerd worden, is het onzes inziens geen gemeentelijke taak om te evalueren. Goed voorbeeld is de Dorpsvisie (DOP) Genhout welke in 2022 door het dorp zelf is opgesteld. De daaruit voorvloeiende projecten zijn nagenoeg allen gerealiseerd, d.m.v. een werkgroepenstructuur. Het meest recente mooie voorbeeld is de Dorpsgaard aldaar. De gemeente heeft samen met PIW alleen in de faciliterende rol gezeten en daar waar nodig ondersteund. Het dorp zelf evalueert minstens 2 keer per jaar hun eigen projecten, d.m.v. bewonersavonden, die overigens druk worden bezocht. Vraag-3 Programma 2 / Zorg en inkomen M. Onderuitputting budget Collectieve ziektekostenverzekering [67] De structurele aframing van €15.000 op de VGZ-ziektekostenverzekering is gebaseerd op het feit dat minder mensen gebruikmaken van de regeling dan begroot. Kan inzicht worden gegeven in de oorzaken van dit lagere gebruik? Is het toe te schrijven aan onvoldoende bekendheid, administratieve belemmeringen, of aan de betaalbaarheid van de premie voor de doelgroep? Antwoord: Al enige jaren zien we dat er een lager aantal personen dan begroot gebruik maakt van de VGZ- ziektekostenregeling, dit legitimeert een structurele aanpassing aan het budget.

Enerzijds kan de oorzaak gevonden worden in het kiezen voor het afsluiten van een andere ziektekostenverzekering gebaseerd op de kosten en de dekking, anderzijds zien we dat ondanks diverse investeringen in communicatie en media (o.a. de Geldkrant, berichten op de gemeentelijke website, speciale aandacht hiervoor in de Nuutsbaeker) er weinig nieuwe aanmeldingen komen voor deelname aan het pakket. Vraag-4 R. Meicirculaire 2025 [72] In de Meicirculaire 2025 is aangekondigd dat de invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo wordt uitgesteld tot 1 januari 2027. Kan worden toegelicht hoe het uitstel van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage voor Wmo tot 1 januari 2027 en het tijdelijke budgetvoordeel van €217.000 uit het Gemeentefonds het gemeentebudget in 2026 beïnvloeden? Graag ook aangeven welke effecten structureel zijn en welke eenmalig, en welke risico’s verbonden zijn aan het wegvallen van de geraamde inkomsten van €191.000 Antwoord: Door de invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo wordt de gemeente Beek gekort in de Algemene uitkering. Doordat deze in eerste instantie inging per 1-1-2026 wordt de korting van € 217.000 teruggedraaid, wat een voordeel is voor de gemeente Beek.

In de begroting was reeds rekening gehouden met een ontvangst van € 191.000 aan extra inkomsten als gevolg van de invoering van deze eigen bijdrage. Dit wordt nu ook volledig afgeraamd, wat een nadeel is voor de gemeente. Deze € 191.000 was gebaseerd op de cijfers uit de Meicirculaire 2023. Hierin was vermeld dat de korting € 191.000 zou bedragen. De daadwerkelijk beïnvloeding van onze begroting is (€ 217.000 -/- € 191.000) € 26.000 positief. In de meerjarenbegroting vanaf 2027 is rekening gehouden met een ontvangst aan eigen bijdrage van cliënten van € 184.000. Dit bedrag is gebaseerd op de korting van het rijk in de Algemene uitkering, vermeld in de Meicirculaire 2023.

- 16 -

Door de werkwijze dat het bedrag van de verlaging van de algemene uitkering gelijk is met de ontvangst van eigen bijdrage (dus budgettair neutraal) zijn de risico’s voor de begroting geminimaliseerd. Vraag-5 Programma 3 / Maatschappelijke ontwikkeling 3.4: De komende jaren wil Beek aan meer dan 500 Oekraïense vluchtelingen een tijdelijk thuis bieden [86] Wat zijn de jaarlijkse kosten en welk deel wordt gedekt door rijkssubsidies? Antwoord: In 2024 waren de totale kosten € 9.523.900. De kosten voor 2025 zullen worden meegenomen in de Slotrapportage 2025. In de Regeling Tijdelijke Beschikking (RTB) is expliciet opgenomen dat meerkosten vergoed worden indien het normbedrag (thans €44 per persoon per dag) niet toereikend is. Welke financiële risico’s ontstaan als de rijksbijdragen verder slinken, en zijn er alternatieve financieringsbronnen of noodplannen? Antwoord: Beek gaat ervan uit dat alle kosten worden vergoed door het Rijk. Vooralsnog worden de reële meerkosten vergoed. Voor het risico dat specifieke kosten buiten de regeling vallen, is in het weerstandsvermogen rekening gehouden met het voordoen van dit risico. Ook in de SPUK voor volgend jaar worden de reële meerkosten vergoed, mits goed onderbouwd.

Ondanks deze toezegging zijn afgelopen jaar met alle gecontracteerden partijen die werkzaam zijn op de opvanglocatie gesprekken gevoerd met betrekking tot de contracten 2026/2027. Deze zijn uiteindelijk allemaal naar beneden bijgesteld. Kan er inzicht gegeven worden of de kosten en bijdragen in balans zijn, en hoe wordt de effectiviteit van de opvang gemeten? Antwoord: Het in balans zijn van de kosten en rijksbijdragen is sinds de start van de SPUK ontheemden Oekraïne een aandachtspunt. Tot en met 2024 was er altijd sprake van een hogere bijdrage dan de kosten. Nu het normbedrag naar beneden is bijgesteld naar € 44, zal er sprake zijn van een tekort waarbij de meerkosten gedeclareerd mogen worden, mits goed onderbouwd. De effectiviteit van de Oekraïne opvang kan niet gemeten worden. Hiervoor zijn er geen bruikbare kengetallen voorhanden. De enige maatstaf die we gebruiken is de arbeidsparticitatiegraad (+/- 55%) en de sociale participatiegraad (+/- 50%). Vraag-6: Programma 3 / Maatschappelijke ontwikkeling G.

Bouwkundige aanpassingen en installaties De Haamen [107] Naast De Haamen, zijn er nog andere gemeentelijke gebouwen die in de toekomst aan het Keurmerk Veilig & Schoon en de eisen van de Omgevingswet moeten voldoen? Zo ja, welke gebouwen zijn dat en welke maatregelen en kosten worden hiervoor verwacht? Antwoord: Nee, er zijn er geen andere gemeentelijke gebouwen die in de toekomst aan het Keurmerk Veilig & Schoon moeten voldoen. Het Keurmerk Veilig & Schoon is een kwaliteitskeurmerk alleen voor zwembaden. Vraag-7 Programma 4 / Ruimtelijk ontwikkelen 4.2: We willen dat in 2026 het aantal Beekse daken waarop zonnepanelen liggen is verdubbeld. [112]

- 17 -

Hoe worden Beekse inwoners geïnformeerd over zonnepanelen en duurzaamheidsadvies, nu Het Groene Huis is vervallen en Goede Morgen actief is, en is er zicht op hoeveel inwoners hiervan gebruikmaken? Antwoord: Goede Morgen heeft alle taken van Het Groene Huis overgenomen, dus ook duurzaamheidsadvies en informatie over zonnepanelen. Op dit moment is nog geen zicht hoeveel Beekse inwoners gebruik hebben gemaakt van de diensten van Goede Morgen. In totaal hebben sinds de opening op 1 oktober jl. 1.250 bezoekers Goede Morgen bezocht. Op dit moment wordt binnen Goede Morgen uitgezocht hoe deze registratie in de toekomst per gemeente plaats kan vinden. Welke concrete stappen en instrumenten worden ingezet om in 2026 64% van de Beekse daken van zonnepanelen te voorzien, en hoe wordt dit gemonitord? Antwoord: De afschaffing van de salderingsregeling door de rijksoverheid per 1-1-2027 en de invoering van een terugleververgoeding door veel energieleveranciers zorgen voor een langere terugverdientijd. Volgens diverse onderzoeksbureaus heeft dit landelijk geresulteerd in een afname van het aantal nieuwe zonnestroominstallaties bij huishoudens in heel Nederland. Daarnaast lijkt het erop dat veel huishoudens die zonnepanelen willen, ze al hebben, aldus de onderzoekers. Mede gezien de netcongestie is het nu niet zinvol om instrumenten e.d.

te ontwikkelen om bijvoorbeeld een subsidieregeling op te zetten, wetende dat die zonnepanelen het overbelaste net nog zwaarder gaan belasten. Monitoring loopt via een beschikbaar softwarepakket en de cijfers uit de klimaatmonitor. Welke invloed hebben regionale samenwerking, netcongestie, het stoppen van de salderingsregeling in 2027 en terugleververgoedingen op het behalen van de doelstelling? Antwoord: Met name de netcongestie resulteert in vertraging van de energietransitie, omdat nieuwe duurzame projecten, verduurzaming van bedrijven en (nieuw)bouwprojecten niet of pas veel later kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Het behalen van de doelstelling is grotendeels afhankelijk van de tijd die nodig is om de netcongestie op te lossen, volgens TenneT tot 2034. Uiteraard werkt het stoppen van de salderingsregeling en de invoering van de terugleververgoeding ook niet mee als het gaat om het behalen van de doelstelling, blijkt uit onderzoek van diverse onderzoekers. Het doel voor 2026 is derhalve onhaalbaar, net als bij alle overige gemeenten in de regio en de rest van Nederland. Welke financiële instrumenten of subsidies zijn beschikbaar voor inwoners, en hoe worden mogelijke risico’s dat de doelstelling niet wordt gehaald, gemitigeerd? Antwoord: De Beekse Stimuleringslening voor duurzaamheidsmaatregelen is beschikbaar voor inwoners.

Gemeente Beek beschikt momenteel niet over subsidies voor de aanschaf van zonnepanelen. Zie voorgaande twee antwoorden inzake het behalen van de doelstelling. Vraag-8 Programma 4 / Ruimtelijk ontwikkelen 4.5: In 2026 is het groene hart van Beek beschermd en ons landschap versterkt met een duurzaam toekomstperspectief voor onze agrariërs. [131] Hoe wordt de voortzetting van de samenwerking met IVN Spaubeek en lokale agrariërs geborgd? Antwoord: Tijdens de onlangs gehouden evaluatie met IVN Spaubeek en de deelnemende agrariërs is afgesproken om de uitvoering in 2026 en volgende jaren voort te zetten.

- 18 -

Welke middelen en budgetten zijn beschikbaar om deze samenwerking structureel voort te zetten, en hoe wordt ervoor gezorgd dat de uitvoering binnen de bestaande budgetten van het Groenstructuurplan blijft? Antwoord: De samenwerking wordt structureel voortgezet en gedekt vanuit het bestaand structureel uitvoeringsbudget Natuur- en milieu educatie van € 17.000. Vraag-9 Programma 5 / Openbare ruimte [165 e.v.] A. Onderhoud onverharde wegen B. Wegmarkeringen C. Onderhoud asfalt D. Onderhoud trottoirs Hoe wordt gegarandeerd dat de bijramingen voor achterstallig onderhoud asfalt en trottoirs in 2026–2029 daadwerkelijk kunnen worden gedekt door degeneratievergoedingen, en welke maatregelen worden genomen bij tekorten? Antwoord: Dat niet gegarandeerd worden. De geraamde degeneratievergoedingen van nutsbedrijven zijn slechts reële verwachtingen. Welke afspraken of planning worden gemaakt met nutsbedrijven en andere betrokken partijen om verdere vertraging van onderhoud te voorkomen? Antwoord: De werkzaamheden van nutsbedrijven hebben voorrang op onderhoudswerkzaamheden omdat het de aanleg van primaire voorzieningen betreft (gas, water, netwerkverzwaringen elektriciteit.

In het begin van het jaar vind altijd een afstemmingsoverleg plaats met de nutsbedrijven waarin afstemming plaats vind tussen de door de nutsbedrijven geplande werkzaamheden en de door Beek geplande onderhoudswerkzaamheden. Hoe wordt de veiligheid en bereikbaarheid van weg- en trottoirgebruikers geborgd tijdens het wegwerken van het achterstallig onderhoud? Antwoord: Er worden altijd verkeersplannen gemaakt door de nutsbedrijven en de onze onderhoudsaannemers die door de beleidsmedewerker Verkeer worden getoetst. Voor bewoners is hun woning te allen tijde bereikbaar door middel van verkeersafzettingen, loopvoorzieningen en eventueel verkeersregelaars. Vraag-10 Programma 5 / Openbare ruimte [165 e.v.], J. Bijdrage BsGW [173] Kunt u toelichten hoe de interne kostentoerekening tot stand is gekomen, en welke effecten deze verschuiving heeft op de begrotingsmonitoring per programma? Antwoord: In maart 2025 hebben de deelnemende gemeenten aan BsGW gevraagd om de gemeentelijke bijdragen uit te splitsen naar de betreffende taakvelden. Tot en met 2025 rekende gemeente Beek de BsGW-bijdrage toe aan de taakvelden op basis van de geraamde belasting- en heffingopbrengsten. Per 2026 heeft de BsGW inzichtelijk gemaakt op welke belasting- en heffingopbrengsten de BsGW-kosten daadwerkelijk betrekking hebben.

Omdat het grootste deel van de BsGW-kosten samenhangt met de waardering van onroerende zaken (WOZ-waardebepaling), wordt

- 19 -

per 2026 een groter deel van de BsGW bijdrage toegerekend aan het taakveld OZB. Dit heeft een nadelig effect op de begroting, omdat daardoor minder kosten worden toegerekend aan de budgettair neutrale taakvelden afval en riool. Aanvullend op het effect van de kostentoerekening is eveneens het effect van de actuele BsGW-raming van de Beekse bijdrage 2026 e.v. verwerkt, zijnde € 53.000 structureel voordelig, waardoor het nadelig effect voor de algemene middelen beperkt blijft tot € 141.000. Programma 1 5 5 6 Totaal

BsGW-kostentoerekening -/- € 4.800 Hogere kostentoerekening aan toeristenbelasting + € 80.000 Lagere kostentoerekening aan rioolheffing -/- € 80.000 Budgettair neutraal met voorziening riolen + € 114.000 Lagere kostentoerekening aan afvalstoffenheffing -/- € 114.000 Budgettair neutraal met vast recht afvalstoffenheffing -/- € 184.400 Hogere kostentoerekening aan OZB + € 53.200 Correctie foutief geraamde bijdrage -/- € 141.000 Nadelig effect op Beekse begroting 2026 e.v.

Zijn er risico’s of consequenties voor toekomstige begrotingen door deze herverdeling van kosten, bijvoorbeeld bij een verandering van voorzieningen of BsGW-bijdragen? Antwoord: De herverdeling van de kosten heeft een eenmalige impact en is structureel verwerkt in de begroting. De verschuiving heeft geen invloed op de totale bijdrage die de gemeente Beek aan BsGW betaalt. De totale bijdrage voor 2026 blijft gelijk aan het bedrag dat is opgenomen in de vastgestelde BsGW-begroting 2026. Vraag-11 Programma 6 / Bestuur en organisatie, B. Rentelasten financieringsbehoefte [192] Kunt u toelichten hoe de stelpost rentelasten precies is berekend, en welke scenario’s zijn doorgerekend voor mogelijke afwijkingen in rente of verschuiving van investeringen? Antwoord: Deze 3% rente stelpost is berekend op basis van het totaaloverzicht van de in 2026-2029 verwachte investeringsprojecten dat is opgenomen in de Inleiding van de Begroting. De actuele kredietruimte van deze investeringen is opgenomen in de betreffende projectlijsten. De verwachte kredietuitgaven in 2026-2029 zullen naar verwachting volledig met vreemd vermogen worden gefinancierd. De rentelasten van de riooldelen van deze investeringen maken geen onderdeel uit van deze stelpost, deze is toegelicht onder programma-5 punt O.

Zoals toegelicht is in de berekening van deze stelpost rekening gehouden met een temporisering van 30% van het investeringsvolume. Dit is gebaseerd op de praktijkervaring dat investeringsplanningen deels doorschuiven in de tijd door onvoorziene omstandigheden. Het scenario van 3% rente in combinatie met een temporisering van 30% is doorgerekend omdat dit het meest reëel is.. Wordt de temporisering van 30% jaarlijks geëvalueerd en aangepast indien projecten sneller of trager verlopen dan gepland? Antwoord: Ja, het bijstellen van het startjaar van afschrijven, zijnde het jaar na gereedkomen van het project, wordt in de P&C-cyclus nauw gemonitord.

- 20 -

Vraag-12 Programma 6 / Bestuur en organisatie, F. Nieuwe HR-applicatie [196] Waarom worden er investeringen gedaan in een eigen HR-systeem. Online SaaS-services zoals Workday, ontlasten de organisatie en maken investeringen (CAPEX) overbodig. Uiteraard komen er OPEX-kosten voor terug. Dit zou een kostendaling kunnen opleveren. Antwoord: Bij de leverancier van de huidige HR-applicatie vind een uitfasering van de dienstverlening aan de gemeentelijke sector plaats. Hierdoor wordt de HR-applicatie vervangen door een SAAS-oplossing en worden de diensten aangepast. De capaciteit die door de inzet van deze applicatie vrijkomt, wordt binnen P&O ingezet om de ondersteunende rol richting de organisatie verder te versterken.

- 21 -

CDA

Woon(zorg)eenheden In de bestuurssamenvatting lezen wij dat: “We zetten daarbij in op gelijke kansen voor jongeren, betaalbare en passende woningen voor starters en senioren, en woon(zorg)eenheden voor inwoners met een zorgvraag.” Vraag: Hoeveel extra woon(zorg)eenheden worden (naar verwachting) gerealiseerd? Antwoord: De woningbouwopgave van de gemeente Beek is het toevoegen van 430 woningen tot en met 2032. Binnen deze opgave wordt ingezet op gelijkvloerse, levensloopbestendige woningen, die geschikt zijn voor met name ouderen en starters. Het aantal specifiek als woon(zorg)eenheid te typeren woningen is op dit moment nog niet afzonderlijk bepaald. In de verdere planuitwerking zal dit worden bezien. Vraag: Voor welke doelgroepen (ouderen, mensen met beperking, GGZ, etc.) worden extra woon(zorg)eenheden (naar verwachting) gerealiseerd? Antwoord: De nadruk binnen de woningbouwprogrammering ligt op ouderen die willen doorstromen naar een gelijkvloerse en passende woning, en op starters die moeilijk aan een woning kunnen komen. Verhuur Markt 6B In Programma 1 ‘Werk en economie’ lezen wij het volgende: “De Markt 6B in Beek (het voormalige Groene Huis) is eigendom van de gemeente. Per 1 oktober 2025 is deze locatie verhuurd.

De looptijd is 5 jaar, met mogelijkheid tot verlenging.” Vraag: Aan wat voor soort huurder is dit pand verhuurd? Antwoord: Per oktober 2025 is Markt 6B verhuurd aan Visser Chocolade. Daarnaast lezen we dat in Programma 3 ‘Maatschappelijke ontwikkeling’ onder ‘Onze toekomstplannen’ het volgende: “Met de Toekomstvisie Centrum wordt naast een gevarieerd winkelaanbod tevens het aanbod voor ontmoeting en vertier en daarmee de levendigheid en de gezelligheid van het centrum versterkt.” Vraag: Op welke wijze draagt de verhuur van Markt 6B, en daarbij specifieke keuze voor de verhuur aan een specifieke huurder, bij aan de Toekomstvisie Centrum? Antwoord: Per oktober 2025 is Markt 6B verhuurd aan Visser Chocolade, waarmee het specialistische winkelaanbod in centrum Beek verder wordt uitgebreid en versterkt. Deze nieuwe speciaalzaak draagt bij aan de diversiteit en aantrekkelijkheid van ons centrum, waardoor zowel nieuwe/andere bezoekers kunnen worden aangetrokken als de verblijfsduur van bestaande klanten kan wordt verlengd. Door deze toevoeging blijven we werken aan een vitaal centrum, met een onderneming die perfect aansluit bij de kernwaarden die ons centrum typeert: kwaliteit, ondernemerschap en gastvrijheid.

Revitalisatie bedrijventerreinen In Programma 1 ‘Werk en economie’ lezen wij het volgende: “Met het voorgestelde incidentele budget van € 65.000 in 2026 en € 65.000 in 2027 kan verder gebouwd worden op de Bedrijventerreinenvisie Westelijke Mijnstreek, die in samenspraak met de gemeenten Sittard-Geleen en Stein is opgesteld.” Wij zijn op de hoogte van onder andere Detailhandelsbeleid Westelijke Mijnstreek, Kadernota Economie 2024-2030, Herijkte Strategische Toekomstvisie Beek 2030. Maar de term ‘Bedrijventerreinenvisie Westelijke Mijnstreek’ komt ons niet bekend voor. Vraag: Wat wordt met de ‘Bedrijventerreinenvisie Westelijke Mijnstreek’ bedoeld? Antwoord: De term ‘Bedrijventerreinenvisie Westelijke Mijnstreek’ verwijst naar een verkennend onderzoek dat de ontwikkeling en verbetering van de bedrijventerreinen in de Westelijke Mijnstreek moet ondersteunen en waarvoor ons college ultimo 2024 opdracht heeft verstrekt. De

- 22 -

bedrijventerreinenvisie bouwt voort op eerdere onderzoeken en analyses, uitgevoerd door Ecorys (2021-2022) en STEC Groep (2024), en bevat concrete maatregelen voor intensivering, verduurzaming, verdichting en herontwikkeling. Het strategische document is opgesteld om de regio sterker te positioneren in gesprekken over het creëren van een toekomstbestendige, kwalitatieve en goed ingerichte werk- en bedrijfsomgeving in de Westelijke Mijnstreek. De visie, die in november aan ons college wordt gepresenteerd, biedt een breed strategisch kader voor de bedrijventerreinen in de subregio en dient vervolgens vertaald te worden naar een concrete uitvoeringsagenda op gemeenteniveau voor zowel de korte als de langere termijn. T.z.t. zal er ook een inhoudelijke presentatie voor de raadscommissie geagendeerd worden. Innovatieve vormen ondersteuning In Programma 2 ‘Zorg en Inkomen’ in ‘onze toekomstplannen’ lezen we: “Met het blijven inzetten op Burgerkracht kiest Beek voor meer zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid van haar inwoners, verenigingen en buurten in combinatie met een meer faciliterende rol van de gemeente.” Vraag: Wordt er (ook) gekeken naar innovatieve vormen van ondersteuning, zoals digitale zorg of buurtnetwerken? Antwoord: Zoals wellicht bij u bekend zijn de opbouwwerkers van Partners in Welzijn het eerste aanspreekpunt voor alle burgerkrachtinitiatieven.

Zij nemen alle innoverende ontwikkelingen mee in hun gesprekken met buurtbewoners waar de burgerinitiatieven c.q. burgerkrachtprojecten over gaan. Daarmee wordt verzekerd dat de gemeente niet de initiatieven overneemt, maar wel ondersteunt waar nodig is. Bijstanduitkering In Programma 2 ‘Zorg en Inkomen’ in ‘onze toekomstplannen’ lezen we: “Met het blijven inzetten op Burgerkracht kiest Beek voor meer zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid van haar inwoners, verenigingen en buurten in combinatie met een meer faciliterende rol van de gemeente. Iets dat Beek wil bereiken zonder dat mensen tussen wal en schip (dreigen te) vallen.” En: “Om burgers adequaat te laten participeren in de samenleving moet ook voorzien worden in een goed sociaal financieel vangnet en ondersteuning bij het vinden van passende arbeid. Armoede moet voorkomen worden.” Vraag: Hoe wordt voorkomen dat mensen met een bijstandsuitkering tussen wal en schip vallen (bijvoorbeeld koppeling met UWV/Vidar)? Antwoord: Via Vidar kan voorzien worden in bijstand en, indien van toepassing, bijzondere bijstand. Daarbij ondersteunt Vidar ook bij het aanvragen van toeslagen (via de landelijke regelingen). Via de wet en de structuur rond de Wet Schuldhulpverlening wordt geholpen bij het voorkomen en oplossen van (problematische) schulden.

Daarnaast heeft de gemeente Beek haar eigen Minimabeleid dat erop gericht is dat de Beekse inwoners met een laag inkomen zoveel mogelijk kunnen meedoen aan de samenleving. Ook staan we via onze voorliggende voorzieningen (zoals MIK- PIW) in contact met mensen om hen te ondersteunen bij het aanvragen van deze hulp en ondersteuning. Met dit scala van hulp, ondersteuning en voorzieningen doen we er alles aan om te voorkomen dat mensen met een bijstandsuitkering, tussen wal en schip geraken. Met de ontwikkeling van de integrale toegang als een van de uitvloeisels van de strategische visie sociaal domein wordt ook steeds integraler samengewerkt, passend bij de individuele situatie van een gezin / een burger. Samenwerking huisartsen In Programma 2 ‘Zorg en Inkomen’ in ‘onze toekomstplannen’ lezen we: “De gemeente en haar maatschappelijke organisaties werken samen aan de positieve gezondheid en vitaliteit van de Beekenaren en zetten gezamenlijk in op preventie.” Vraag: Hoe wordt er concreet samengewerkt met huisartsen, welzijnsorganisaties en GGD om preventie sterker in te bedden bij ondersteuning voor inwoners?

- 23 -

Antwoord: Een sterkere samenwerking tussen het sociale en medische domein wordt steeds belangrijker om vroegtijdig signalen op te vangen en ondersteuning op maat te bieden. Actuele voorbeelden hiervan zijn onder andere de ketenaanpak Welzijn op Recept, waarbij de huisarts vroegtijdig doorverwijst naar het sociaal werk bij vermoedens van sociaal-maatschappelijke hulpvragen in plaats van medische, en de aanpak Kansrijke Start. Binnen deze laatste aanpak biedt de jeugdgezondheidszorg van de GGD, naar aanleiding van prenatale huisbezoeken (tijdens de zwangerschap), bewezen effectieve preventieve ondersteuningsprogramma’s aan aanstaande of jonge gezinnen. Zo wordt zwaardere en duurdere zorg op latere leeftijd voorkomen. Met name deze laatste aanpak is een belangrijk voorbeeld van preventief werken: hoe eerder we in het leven ondersteuning bieden, hoe beter we zwaardere problemen en hulpvragen op latere leeftijd kunnen voorkomen. Bij al deze ontwikkelingen werken partners uit zowel het medische als het sociale domein steeds vaker samen om te komen tot integrale en vroegtijdige ondersteuning. Steeds vaker wordt daarbij breed naar de hulpvraag of het signaal gekeken, bijvoorbeeld aan de hand van het gedachtegoed van Positieve Gezondheid.

De kern hiervan is dat gezondheid niet alleen wordt gezien als de afwezigheid van ziekte, maar als het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven om te gaan, en daarbij zoveel mogelijk eigen regie te behouden. Strategische visie sociaal domein In Programma 2 ‘Zorg en Inkomen’ lezen wij het volgende: “Voor de extra investeringen voortkomend uit deze strategische visie zijn meerjarig financiële middelen nodig, zijnde € 300.000. Dit is randvoorwaardelijk om belang om de gestelde doelen te bereiken.” Op 12 november 2024 heeft de gemeenteraad van Beek de strategische visie sociaal domein 2025-2035 vastgesteld. Op pagina 14 merken wij het volgende op: “Om aan de uitvoering van de nieuwe visie op het sociaal domein invulling te geven zijn incidentele middelen nodig om de transitie vorm te geven. Daarbij wordt van de volgende middelen gebruik gemaakt: • Budget versnellingsplan €200.000 (2024-2025) • In 2025 zal een voorstel worden uitgewerkt, bestemd voor de verdere uitwerking van de strategische visie in 2026 e.v. • Eerder door het rijk toegewezen middelen voor GALA/ IZA zijn inmiddels voor deze doelen geduid en ingezet. Echter, de resultaten van deze ontwikkelingen ondersteunen de doelstellingen die voortvloeien uit de strategische visie en zijn daarmee complementair aan dit proces.

• Uit de meicirculaire 2024 zijn additionele middelen beschikbaar gekomen om extra impulsen te geven aan preventie rond schuldhulpverlening. Vanuit de Beekse raad is een motie unaniem aangenomen die om een onderzoek vraagt naar het verder uitbouwen van dienstverlening aan Beekse inwoners met problematische schulden. Deze ontwikkeling past naadloos in de strategische visie, daar waar het om een integrale benadering gaat en de nadruk op preventie. In de planning is voorzien om nog in 2024 met een voorstel voor de uitvoering naar college en raad te gaan.” Vraag: Klopt het dat de extra investeringen benodigd voor de begroting (€ 300.000) voortkomen uit de geplande voorstellen zoals bedoeld in de strategische visie sociaal domein 20252035? Antwoord: Dit klopt, het bedrag van € 300.000 is bedoeld om de uitvoering van de strategische visie te bekostigen. Vraag: Welke concrete voorstellen horen bij deze extra investeringen ad € 300.000? Antwoord: Het genoemde investeringsvolume is noodzakelijk voor o.a. de volgende projecten en activiteiten, zoals opgenomen in het bij de strategische visie behorende eerste uitvoeringsplan. - Continuering in 2026 van de eind 2024 gestarte extra inzet door Partners in Welzijn (o.a. door de inzet van extra opbouwwerk en jongerenwerk) om de sociale basis in alle kernen van Beek te blijven versterken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beek&id=5f164b5e-91b4-4a99-bda5-ac6ccefdacc0