Annotatie bij RUD ontwerpbegroting 2023
Tekst van het document
Annotatie ten behoeve van behandeling Begroting in de gemeenteraden en provinciale staten Zowel bestuurlijk als ambtelijk hebben wij vernomen dat er in diverse gemeenten een zienswijze zal worden voorgelegd aan de betreffende gemeenteraden omtrent de RUD-begroting. De thema’s die hierin benoemd gaan worden betreffen de structurele formatie plaatsen van onze juristen en de omzetting van inrichtingen naar Milieu Belastende Activiteiten (MBA’s) die benodigd zal zijn in het kader van de Omgevingswet. Wij hebben gemeend ons bestuur te voorzien van een annotatie t.b.v. de behandeling begroting RUD binnen uw eigen gemeenteraad. Deze annotatie vat nogmaals samen hetgeen in de begroting vermeld staat. De behoefte aan extra juridische capaciteit, te verankeren in de begroting: Met betrekking tot de juristen geldt dat al geruime tijd blijkt dat de juridische capaciteit in de begrotingsformatie niet voldoende blijkt om aan de vraag naar juridische expertise te voldoen. Dit komt omdat er juridisch ingewikkelde dossiers zijn, die zeer veel inzet vragen. Om aan deze vraag te voldoen is extra juridische capaciteit door de RUD Zuid-Limburg ingehuurd. De extra vraag naar capaciteit, die de kengetallen uit het werkprogramma (met meer dan 100%) overstijgen, wordt afzonderlijk in rekening gebracht bij de desbetreffende opdrachtgever.
Voorbeelden van juridische, tijdverslindende dossiers zijn genoemd in de jaarrekening 2021. U treft deze aan in paragraaf 2.4.1.2 onder het kopje bestuurlijke handhaving. De hier opgesomde voorbeelden tellen op tot 8.730 uur ofwel 6,5 fte. 2021 is geen uitzondering. Elk jaar zijn er voorbeelden van dergelijke dossiers. De voorbeelden betreffen alleen de juridische dossiers met uitzonderlijk hoge ureninzet. Daarnaast is er de “normale”, aanvankelijk verwachte, juridische inzet waarin de huidige formatie voorziet en waar bij de oprichting van de organisatie nog van werd uitgegaan. Er zijn meerdere redenen om de juridische capaciteit in lijn te brengen met de vraag: 1. Er is sprake van structurele vraag. De vraag naar extra inzet van juristen is niet incidenteel, maar structureel. Structurele vraag vraagt om structurele invulling. 2. Doorlopende dossiers. Het betreft dikwijls langlopende dossiers, voor langlopende dossiers zijn vaste medewerkers meer geschikt. 3. Binden van kennis aan de organisatie. In de gespannen arbeidsmarkt is het moeilijk om de juristen met de juiste kwalificaties te vinden. Het betreft bovendien specialistisch werk. Generieke juridische kennis is niet toereikend. Zijn ze eenmaal gevonden dan is het van belang om de opgebouwde kennis te binden aan de organisatie. Inhuurkrachten hebben een andere werkgever dan wel zijn zelfstandige. 4.
Inhuurkrachten zijn duur(der). De hoge vraag ten opzichte van het aanbod maakt inhuurkrachten duur. De markt bepaalt de prijs. Bovendien betekenen de opslagen van de uitzendbureaus extra kosten voor de organisatie. Door middel van tijdschrijven worden de uren die door juristen worden besteed aan bepaalde dossiers, doorbelast aan de desbetreffende opdrachtgevers c.q. bevoegde gezagen. Zoals ook in de jaarrekening duidelijk is gemaakt is precies in beeld op welke dossiers en voor welke opdrachtgever de uren besteed zijn. In 2022 wordt een nieuwe productcatalogus ontwikkeld, geënt op de Omgevingswet en deze wordt leidend voor de eind 2022 op te stellen werkprogramma’s. Het juridische product wordt hierin apart uitgelicht. Op basis van ervaringscijfers worden de kosten van juristen in de werkprogramma’s van de deelnemers opgenomen en in de voorschotnota’s 2023 meegenomen. Eind 2023 vindt dan de
1
afrekening plaats op basis van de feitelijk afgenomen uren van juristen. Zoals dit nu ook al jaarlijks het geval is. Inrichtingen naar milieubelastende activiteiten (MBA’s) De omzetting van inrichtingen naar milieubelastende activiteiten (hierna: MBA’s). Het begrip “inrichting”, leidend onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zal dat onder de Omgevingswet niet langer zijn (m.u.v. Seveso-inrichtingen). Onder de Omgevingswet is het begrip MBA leidend. Landelijk hebben de omgevingsdiensten normen ontwikkeld voor omzetting. Dat deze omzetting moet plaatsvinden is al in de begroting van 2022 opgenomen maar was destijds nog niet gekwantificeerd omdat er nog geen normen beschikbaar waren. Deze zijn er nu wel. Deze normen variëren van 8 uur voor een zeer complexe inrichting tot 2 uur voor een relatief minder complexe inrichting, die nu meldingsplichtig is. Deze normen zijn toegepast op het totale volume aan inrichtingen in de bestanden van de RUD Zuid-Limburg. Een uitgebreide uiteenzetting is te vinden in paragraaf 6.4 op blz. 53 van de ontwerpbegroting 2023. Op basis van deze berekening is bepaald dat er € 1.056.000 gemoeid is met deze omzetting en is tevens de verdeling over de partners in de RUD Zuid-Limburg becijferd. Het totaal aantal inrichtingen betreft 3778, de gemiddelde prijs per omzetting betreft € 279,51.
Hierbij moeten de deelnemers die meer inrichtingen hebben ingebracht meer bijdragen aan de RUD Zuid-Limburg. Daar staat tegenover dat de andere deelnemers de inrichtingen die zij niet hebben ingebracht zelf moeten omzetten naar MBA’s om hun eigen VTH-dienstverlening te matchen aan het nieuwe aangrijpingspunt onder de Omgevingswet. De formatie van de RUD Zuid-Limburg is, zoals ook uit de recent uitgevoerde benchmark – zie blz.6 van de voorlopige jaarrekening 2021 - gebleken, zeer efficiënt georganiseerd en toegesneden op de normale taakuitvoering. Omvangrijke en incidentele acties, bijvoorbeeld als gevolg van de komende inwerkingtreding van de Omgevingswet, vallen daar niet onder. Er is geen financiële ruimte om de omzetting naar het nieuwe wettelijk kader te realiseren. Uitgangspunt van de Omgevingswet is een beleidsneutrale overgang, echter is inmiddels wel gebleken dat dit soms niet het geval is. Landelijk is bekend dat er een verschuiving plaats kan vinden in bevoegd gezag, in vergunningplicht en in algemene regels voor bepaalde type “inrichtingen”. Bij de RUD Zuid- Limburg zijn uit eerste inventarisatie bij deelnemers ook al verschuivingen gebleken.
Er is geen wettelijke bepaling die verplicht tot het omzetten van inrichtingen naar mba’s binnen een bij wet bepaalde termijn, echter is het wel zaak op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet (of in ieder geval op zo kort mogelijke termijn ná de inwerkingtreding) inzichtelijk te hebben over welke en hoeveel mba’s het gaat per gemeente. Het inzichtelijk hebben van mba’s op korte termijn zal als voordeel hebben dat voor de gemeente inzichtelijk is hoeveel mba’s er binnen de gemeente zijn, voor welke zij bevoegd is en welke milieuregels gelden. Indien te lang gewacht wordt met de omzetting is voor een deel van de bedrijven gedurende die periode onduidelijk welke regels gelden, waarvoor een gemeente aan de lat staat maar wordt ook het vaststellen van de werkprogramma’s bemoeilijkt. Immers is voor het vaststellen van de werkprogramma’s (en begroting?) van belang dat inzichtelijk is om hoeveel mba’s het per gemeente gaat. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er verschuiving in bevoegd gezag plaatsheeft. Het is bovendien efficiënt om de omzetting van de inrichtingen per bedrijfstak aan te pakken en het is inefficiënt om op het moment dat een melding binnenkomt per geval de omzetting ter hand te nemen. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de omzetting van alle inrichtingen met betrekking tot de metaalbranche achter elkaar.
Wil de opdrachtgever dat de RUD professioneel en efficiënt werkt dan kan dat alleen vanuit een kader en gegevenshuis dat is toegesneden op de geldende wetgeving.
2