CConstaterende datBeek
Koppel je AI →
Document · PDF

1.2 Kadernota Begroting BsGW 2027 MJR 2028-2031 BIJLAGEN

Raadsvergadering 11 juni 2026, gemeente BeekBij agendapunt: Hamerstuk: BsGW; jaarrekening 2025, begroting 2027 incl. meerjarenbegroting 2028-2031.4.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kadernota begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031 BIJLAGEN

Versie 0.4 Oktober 2025

3

Inhoudsopgave

Bijlage 1. Planning begroting ......................................................................................................5 Bijlage 2. Heffingen per deelnemer ..............................................................................................6 Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen ............................................................................................7 Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) ...................................................................... 14 Bijlage 5. Weerstandsvermogen ................................................................................................ 16

4

Bijlage 1. Planning begroting Planning begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031 1.

Behandeling kadernota 2027 in DB

13 november 2025

2.

Ambtelijk voorbereidingsoverleg AB

27 november 2025

3.

Besluitvorming kadernota 2027 in AB

11 december 2025

4.

Behandeling ontwerpbegroting 2027 en ontwerpmeerjarenraming 2028-2031 door DB

26 februari 2026

5.

Toezenden ontwerpbegroting 2027, ontwerpmeerjarenraming 2028-2031 en kadernota 2027 aan de deelnemers

27 februari 2026

6.

Einde zienswijzetermijn deelnemers

30 mei 2026

7.

Behandeling zienswijzen door DB

4 juni 2026

8.

Toezenden reactie DB op zienswijze aan de deelnemers

Vóór 25 juni 2026

9.

Besluitvorming begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031 door AB

25 juni 2026

10.

Toezenden begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031 aan de deelnemers

Binnen 7 werkdagen na vaststelling

11.

Toezenden begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031 aan Gedeputeerde Staten

Binnen 2 weken na vaststelling: vóór 9 juli 2026

5

Bijlage 2. Heffingen per deelnemer

v v v v

v

v

v v

v

v v v

v v v

v v v

v

v v

v

v

v

v v v

v

v v

v v

v

v

v

v v v v v

v v

v

v

v v v v

v v v

v

v

v v

v

v

v

v

v

v v v v

v

v

v

v

v

v

v

v

v v v

v v v

v

v

v

v

v

v

v

v

v v v

v v

v v v

v v

v v

v v

v v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v

v v

v v v

v

v

v v v

v

v v

v

v

v

v

v

v

v v

v

v

v

v

v

v

v v

v

v

v v v v v v v v

v

v

v v v

v v v v

v

v

v

v v

Totaal

v

Waterschap Limburg

v

Weert

v v v

v

Voerendaal

v v

v v v

v

v

Venlo

v

v v v

Valkenburg a/d Geul

v

Vaals

v

Stein

Landgraaf

v

Sittard-Geleen

Kerkrade

v

Simpelveld

Heerlen

v

Roermond

Gulpen-Wittem

v

Roerdalen

Gennep

v

Peel en Maas

Eijsden-Margraten

v

Nederweert

Echt-Susteren

v

Mook en Middelaar

Brunssum

v

Meerssen

Bergen

v

Maastricht

Beesel

Afvalstoffenheffing Baatbelasting BIZ-bijdrage Forensenbelasting Hondenbelasting Onroerende-zaakbelasting Parkeerbelasting Precariobelasting Reclamebelasting Reinigingsrechten Rioolheffing Roerende-zaakbelasting Toeristen/verblijfsbelasting Verontreinigingsheffing Watersysteemheffing Eigenaar Watersysteemheffing Gebruiker Watertoeristen/waterverblijfsbelasting Zuiveringsheffing

Maasgouw

Beekdaelen

v

Heffingen per deelnemer 2025

Leudal

Beek

Onderstaande tabel geeft inzicht welke heffingssoorten per deelnemer worden uitgevoerd. Dit is de situatie per 1-1-2025. *)

29 1 9 10 17 29 8 8 8 12 29 1 29 1 1 1 5 1

*) Het overzicht met de situatiedatum 1-1-2026 kan pas na de AB-vergadering van Waterschap Limburg / gemeenteraadsvergaderingen van december 2025 worden opgesteld.

6

Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen Indexeringen Het uitgangspunt voor de indexatie van de salariskosten en materiële lasten is de septembercirculaire van het Centraal Planbureau (CPB). Voor de verwachte materiële lasten en inhuur betreft dit de ‘nationale consumentenprijsindex’. Voor de verwachte salariskosten betreft dit de ‘loonvoet sector overheid’. Macro Economische Verkenning 2024 dd september 2023

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Inflatie, nationale consumentenprijsindex (c

2,7

10,0

3,9

3,8

2,6

2,5

2,4

2,1

Loonvoet sector overheid (b)

-0,1

6,7

5,0

6,5

5,3

4,7

4,8

4,2

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Macro Economische Verkenning 2025 dd september 2024

Inflatie, nationale consumentenprijsindex (c

2,7

10,0

3,8

3,6

3,2

3,0

2,4

2,3

Loonvoet sector overheid (b)

0,5

6,7

5,9

8,4

4,7

2,1

4,9

4,3

2021

Macro Economische Verkenning 2026 dd september 2025

2022

2023

2024

2025

Inflatie, nationale consumentenprijsindex (c

2,7

10,0

3,8

3,3

3,2

2026 *2027 *2028 2,3

2,3

2,2

Loonvoet sector overheid (b)

0,5

6,7

5,9

7,4

5,3

2,9

5,1

4,2

Normaliter worden in de septembercirculaire vijf toekomstige jaren opgenomen. De doorkijk van de CPB-indexcijfers van september 2025 reikte -in afwijking van voorgaande jaren- niet verder dan 2026. Voor begrotingsjaar 2027 zijn daarom de meest actuele indexeringen van opgenomen uit het Centraal Economisch Plan (CEP) 2025 dd februari 2025.

Uit de meest recente cijfers, blijkt dat de verwachte indexeringen die CPB in een bepaald jaar (t) afgeeft voor het begrotingsjaar (t+2) een significant afwijkend beeld geven van de uiteindelijke daadwerkelijke indexcijfers. Voor de Kadernota en Begroting gebruikt BsGW de indexeringen, die de toekomstige trend het beste weergeeft. Zelfs het lopende jaar is niet met grote zekerheid juist te voorspellen, zoals de indexeringen in bovenstaande tabel laten zien. Omdat BsGW anderhalf jaar voor aanvang van het begrotingsjaar de indexeringen dient op te nemen in de Kadernota en de Begroting, geeft de gemiddelde indexering van een aantal jaren waarschijnlijk een betere voorspelling dan de verwachte indexering voor –in dit geval– 2027 van het CPB. Macro Economische Verkenning 2026

gemiddelde 202x-2027

dd september 2025

5 jaar Inflatie, nationale consumentenprijsindex (c 3,0 Loonvoet sector overheid (b)

5,3

4 jaar 2,8

3 jaar 2,6

2 jaar 2,3

2027 2,3

5,2

4,4

4,0

5,1

Indexering materiele lasten en inhuur Het gemiddelde percentage van nationale consumentenprijsindex over de jaren 2023-2027 bedraagt tussen de 2,3% en 3,0%. Gekozen is om het drie jaargemiddelde 2025-2027 van 2,6% aan te houden.

7

Indexering salarissen Het gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector over de jaren 2023-2027 bedraagt tussen de 4,0% en 5,3%. Gekozen is om ook hier het drie jaargemiddelde 2023-2025 aan te houden van 4,4%. Indexeringen Kadernota 2027 BsGW hanteert daarom voor de Kadernota 2027 het drie-jaars gemiddelde van het nog lopende jaar 2025 en toekomstige jaren 2026 en 2027. Indexering materiele lasten en inhuur = 2,6% Indexering salarissen = 4,4% Mocht de septembercirculaire 2026 van het CPB daartoe aanleiding geven, dan zal dienovereenkomstig een correctie plaatsvinden via de bestuurlijk vastgestelde P&C-cyclus van BsGW. Wet toekomst pensioenen Op 1 juli 2023 trad de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking. Het doel van deze wet is om het pensioenstelsel te moderniseren en aan te passen aan veranderende en economische omstandigheden. In de overheids- en onderwijssector hebben sociale partners (werkgeversorganisaties en vakbonden) het hoofdlijnenresultaat van de wet uitgewerkt in een ABP-transitieplan. Het transitieplan heeft als doel de overgang van de huidige pensioenregeling naar de nieuwe pensioenregeling gestructureerd en gecontroleerd te laten verlopen. In het plan hebben sociale partners gekozen voor een solidaire premieregeling (SPR). De SPR komt in de plaats van de huidige uitkeringsovereenkomst.

Het wettelijk verplicht plan omvat ook een regeling voor de overgang van opgebouwde pensioenaanspraken naar het nieuwe stelsel (invaren) en een compensatieregeling voor groepen, die nadelige gevolgen ondervinden van de overgang van een doorsneesystematiek naar een vlakke leeftijdsonafhankelijke premiesystematiek. Werkgevers en vakbonden uit de overheids- en onderwijssectoren zijn medio 2024 akkoord gegaan met de afspraken voor de nieuwe ABP-pensioenregeling per 2027 en de manier waarop de huidige pensioenregeling wordt omgezet naar de nieuwe regeling. Het transitieplan met alle afspraken is aan het ABP gestuurd met het verzoek om de opdracht te aanvaarden en de nieuwe pensioenregeling vanaf 2027 uit te voeren. Het ABP doorloopt momenteel een even uitgebreid als zorgvuldig proces, waarin alle belanghebbenden (o.a. vakbonden, werkgeversorganisaties, het verantwoordingsorgaan en toezichthouders) worden geïnformeerd en meegenomen. Een belangrijke stap in dit proces is het advies van het verantwoordingsorgaan over het omzetten van de pensioenen naar de nieuwe regels voor pensioen, waarin de vernieuwde pensioenregeling in de volle breedte wordt beoordeeld. Vanaf het moment dat dit bestuurlijke traject volledig is afgerond, start de inhoudelijke communicatie over de transitie naar werkgevers en deelnemers.

De pensioenfondsen moeten uiterlijk op 1 januari 2028 overgestapt zijn naar de nieuwe regels voor pensioen. ABP gaat al met ingang van 1 januari 2027 volgens de nieuwe regels werken. Onvoorziene omstandigheden daargelaten heeft de Wet toekomst pensioenen geen financiële gevolgen voor de begroting 2027 (en verdere jaren).

8

Maatschappelijk verantwoord invorderen In de Miljoenennota’s van de afgelopen jaren zijn verschillende – nog nader uit te werken maatregelen opgenomen om de toenemende armoede tegen te gaan en de koopkracht van de laagste inkomens te verbeteren, de zogenaamde bestaanszekerheid. Daarnaast neemt de overheid ook maatregelen om gezinnen te helpen, die hun rekeningen niet kunnen betalen. Grip op de invorderingspraktijk van overheden is politiek actueel, zeker na de toeslagenaffaire. Eerder is ook al door de Ombudsman vastgesteld dat veel mensen met betalingsproblemen er verder door in het nauw worden gebracht. De opdracht die de Ombudsman reeds aan alle overheden heeft meegegeven, is om maatschappelijk verantwoord in te vorderen. Hiermee wordt bedoeld dat bij invordering rekening wordt gehouden met de positie en het belang van de burger. Om mensen met schulden beter te helpen, zijn diverse wetswijzingen doorgevoerd. In de praktijk betekent dit dat er een verschuiving plaats zal vinden van massale invorderingsacties naar maatwerkgerichte oplossingen. BsGW zal dus op dit vlak (nog) meer moeten samenwerken met onder andere sociale diensten en schuldhulpinstanties om mensen wegwijs te maken in de wetgeving en de mogelijkheden van kwijtschelding.

Een achterliggende ambitie is ook eerder en meer contact (de zogenaamde vroegsignalering, zie ook volgende subparagraaf), wat er uiteindelijk aan gaat bijdragen dat bijvoorbeeld stapeling van schulden wordt voorkomen. In verschillende rapporten wordt aangegeven dat de kosten die hieruit voortvloeien, zoals een tarief per berekening, uitwisseling van gegevens en realiseren van real-time koppelingen, niet zondermeer aan de schuldenaar doorberekend mogen worden. Bij maatschappelijk verantwoord invorderen gaan de kosten, zoals de te investeren tijd in maatwerk, voor de baten uit. Bovendien zal een deel van de (financiële) voordelen niet bij BsGW belanden maar bij de deelnemers, omdat hier bijvoorbeeld schuldhulpverleningstrajecten mee worden voorkomen. In dit soort situaties fungeert BsGW meer als ketenpartner dan als uitvoeringsorganisatie. Vroegsignalering De gewijzigde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening biedt de gemeente de mogelijkheid om de niet kunners in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen, zodat passende hulp geboden kan worden. In de hiervoor genoemde wet is de achterstand bij lokale belastingen niet als signaal opgenomen.

Om aan te tonen dat lokale belastingen een belangrijke bijdrage kunnen leveren in de vroegsignalering van schulden, is de landelijke pilot gemeentebelastingen als signaalpartner bij vroegsignalering uitgevoerd, waaraan ook BsGW heeft deelgenomen. Eind januari 2025 is de evaluatie van de pilot door de VNG gepubliceerd. In het proces van sociaal incasseren bij gemeentebelastingen kunnen gemeenten en samenwerkingsverbanden verbeteringen doorvoeren op de navolgende punten: 1. Verbeteren van het sociaal incasseren van gemeentebelastingen; 2. Verbeteren van de positionering en inzet van vroegsignalering; 3. Verbeteren van de samenwerking tussen gemeentebelastingen en team vroegsignalering; 4. Oplossen van praktische knelpunten. BsGW onderzoekt op dit moment, samen met de gemeenten, hoe invulling aan de aanbevelingen gegeven kan worden.

9

Wijziging beroepsprocedure kwijtschelding De wijziging beroepsprocedure kwijtschelding houdt in dat op een uitspraak van een kwijtscheldingsverzoek in plaats van een administratief beroep, een bezwaar kan worden ingediend. Met deze mogelijkheid wordt de Invorderingswet gelijk getrokken met de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bij een ongegrond verklaring van een bezwaarschrift, krijgt de belanghebbende de mogelijkheid van een rechtsgang naar beroep, hoger beroep en beroep in cassatie. Deze wijziging brengt naast een wettelijke behandeltermijn van zes weken, mogelijk extra kosten met zich mee. Hierbij kan worden gedacht aan: dwangsommen voor het niet na kunnen leven van de behandeltermijn; kosten voor beroepsprocedures; griffierechten betalen voor kwetsbare doelgroepen; behandelkosten voor bezwaren tegen afgewezen kwijtscheldingsverzoeken door onder andere ncnp-bedrijven, die zich ook op deze markt zullen richten. De verwachting is dat hiermee een nieuwe doelgroep voor ncnp-bedrijven gaat ontstaan. In de huidige begroting van BsGW zijn vanwege de (vooralsnog) moeilijk in te schatten financiële effecten geen proceskostenvergoedingen als gevolg van eventuele geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding opgenomen. Deze wijziging valt onder de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017: Wet Stroomlijnen onderdeel rechtsbescherming bij belastingschulden.

De wet treedt voor de rijksbelastingen in werking per 1 januari 2027 en in een latere –nog nader te bepalen– fase voor de lokale heffingen. Hierbij is de toezegging gedaan om een evaluatiebepaling op te nemen. Op grond van deze evaluatie moet binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de wijziging onderzocht worden of het alsnog uitvoerbaar is om de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding ook voor decentrale belastingen te wijzigen. De staatssecretaris kiest voor een beheersbare opschaling voordat de verbetering en modernisering van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding een feit wordt. Gemeenten en waterschappen kunnen zo eerst leren van de ervaringen die dan zijn opgedaan met de gewijzigde rechtsbescherming voor rijksbelastingen. Bovendien leidt een brede inwerkingtreding naar alle waarschijnlijkheid tot een onevenredige extra druk op de werklast van de rechtspraak. Wet proactieve dienstverlening SZW Het wetsvoorstel Wet proactieve dienstverlening SZW maakt het mogelijk dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de gemeenten gericht in contact kunnen treden met mensen die mogelijk recht hebben op een uitkering of een andere vorm van inkomensondersteuning, maar hier geen gebruik van maken.

Voor deze proactieve dienstverlening mogen zij de (persoons)gegevens in hun eigen administraties gebruiken en, als dit bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is geregeld, ook de (persoons)gegevens in elkaars administraties en die van derden. Het doel van dit voorstel is verminderen van het niet-gebruik van uitkeringen en andere voorzieningen in de sociale zekerheid. Waar nodig kan ook ondersteuning geboden worden bij de aanvraag voor deze uitkeringen en andere voorzieningen. Wet stroomlijning keten derdenbeslag Met het wetsvoorstel stroomlijning keten voor derdenbeslag wordt een volgende stap gezet in de betere borging van het bestaansminimum van mensen met schulden en het zoveel mogelijk voorkomen van ophoging van schulden met onnodige kosten. Met het wetsvoorstel creëert het kabinet

10

een wettelijke grondslag voor de verbeterde uitwisseling van gegevens tussen beslagleggende partijen bij samenloop van beslagen en verrekeningen. BsGW voert deze taken uit namens de deelnemers. De inwerkingtreding van deze wet is op het moment van uitbrengen van deze kadernota nog onbekend. Wet open overheid (Woo) De Wet open overheid (Woo), in werking getreden op 1 mei 2022, verplicht BsGW onder andere om in de jaarlijkse begroting aandacht te besteden aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Woo. Vervolgens verplicht de wet om in de jaarlijkse verantwoording verslag te doen van de uitvoering van de Woo in samenhang met die beoogde beleidsvoornemens. De Woo moet ervoor zorgen dat overheidsinformatie beter vindbaar, uitwisselbaar en eenvoudig te ontsluiten is. Openheid en transparantie van bestuur dragen bij aan maatschappelijk draagvlak voor beleid, vertrouwen in de overheid en de goede werking van de lokale democratie. Voor de implementatie ervan hebben bestuursorganen acht jaar de tijd. De Woo bevat de volgende belangrijke verplichtingen: 1. Woo-contactfunctionaris; 2. passieve openbaarmaking middels Woo-verzoeken; 3. actieve openbaarmaking van bij wet genoemde informatiecategorieën; 4. (digitale) informatiehuishouding op orde hebben en houden.

Woo-contactfunctionaris Een Woo-contactfunctionaris beantwoordt vragen over de beschikbaarheid van publieke informatie en leidt de steller (zijnde mensen van buiten de organisatie) naar de juiste plek of persoon. Het betreft hier informatievragen niet zijnde Woo-verzoeken. Bij BsGW is deze rol uit oogpunt van continuïteit toegewezen aan meerdere functionarissen. Passieve openbaarmaking Voor passieve openbaarmaking (openbaarmaking op verzoek) is er wettelijk vrijwel niets veranderd. Voor een zorgvuldige en tijdige afhandeling van deze verzoeken is het van belang dat de informatiehuishouding en onderliggende werkprocessen op orde zijn (zie: Informatiehuishouding op orde). De Woo-verzoeken behoren tot één van de actief openbaar te maken informatiecategorieën (zie: Actieve openbaarmaking). Actieve openbaarmaking BsGW zet in op ambitieniveau Basis. Dit betekent dat voor elke fase de informatie en documenten uit de betreffende categorie vanaf de wettelijk verplichte datum actief openbaar worden gemaakt. Daarmee voldoet BsGW aan de wettelijke verplichtingen en volgt BsGW de planning van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De informatiecategorieën uit de eerste tranche zijn per 1 november 2024 inwerking getreden; hieraan heeft BsGW invulling gegeven. BsGW draagt er fasegewijs zorg voor dat de verplichte informatiecategorieën actief worden gepubliceerd.

Via de Woo-index –als deelregister van het Register van Overheidsorganisaties– worden deze verplichte informatiecategorieën ook ontsloten. Informatiehuishouding op orde De Woo verplicht dat de digitale informatiehuishouding binnen acht jaar op orde wordt gebracht. Op basis van een op te stellen meerjarenplan moeten maatregelen worden genomen om informatiebestanden duurzaam toegankelijk te maken en te houden. BsGW geeft hier verder uitvoering aan via bijvoorbeeld de realisatie van het Informatiebeleidsplan 2022-2025, het vernieuwde Informatiebeleidsplan BsGW 2024-2027 en het Verbetertraject Informatiehuishouding BsGW.

11

BsGW beschikt over zowel een (intern en extern) fysiek archief als een digitaal archief. De in 2023 opgestarte opschoning van het fysieke archief en de controle op het digitale archief is een continu proces. Dit gebeurt conform de Archiefwet 1995. Zowel de archiefinspecteur en de Provincie Limburg (ambtelijk) hebben medio 2025 geconstateerd dat BsGW haar taken voor informatie en archiefbeheer in voldoende mate behartigt. Er is sprake van een zichtbare voortgang in de verbeterpunten t.o.v. vorige toezichtronde. BsGW zet deze koers voort. Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer De Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) geeft de burger en ondernemer het recht om officiële berichten digitaal te verzenden aan overheidsorganisaties en verplicht de overheid om een kanaal aan te wijzen waar burgers en bedrijven elektronisch een aanvraag, een bezwaarschrift, een klacht of een ander wettelijk verplicht bericht kan inzenden. Let wel, het betreft hier een recht en geen verplichting. Burgers en ondernemers hebben in beginsel dus de keuzemogelijkheid tussen elektronische of papieren communicatie. In beginsel, omdat mogelijk in andere wetten wordt voorgeschreven dat de elektronische weg verplicht is. De Wmebv treedt per 1 januari 2026 in werking en voor een aantal uitzonderingen -zoals notificatiesper 1 januari 2027.

BsGW is gestart met het voorbereiden en implementeren van deze maatregelen. Informatieverwerving Door veranderde wetgeving de afgelopen jaren –denk aan de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)- wordt er steeds meer vergunningsvrij gebouwd. Om het WOZ-bestand actueel te houden is het van belang om mutaties, die van belang zijn voor de WOZ, periodiek aangeleverd te krijgen vanuit de gemeenten, bijvoorbeeld door mutatiedetectie en meldingen vanuit de BAG. Het samenwerkingsportaal is hierbij een hulpmiddel om de gegevens gestructureerd uit te wisselen, verschillen geautomatiseerd te detecteren en objecten in samenhang te tonen. Leegstandheffing Op 23 september 2025 is het amendement, voor het invoeren van een leegstandverordening in te voeren, door de Tweede Kamer aangenomen. Hiermee krijgen de gemeenten de bevoegdheid om een leegstandheffing op te leggen. Onder de heffing vallen gebouwde onroerende zaken, of delen daarvan die als zelfstandige woonruimte zijn te kwalificeren, mits deze langer dan twaalf maanden onafgebroken leegstaan. De gemeente kan zelf kiezen of zij een leegstandverordening wil invoeren, wanneer de belasting ingaat, hoe hoog deze is en of het een vast bedrag betreft of een heffing gebaseerd om de WOZ-waarde van het leegstaande object.

Let wel, de Eerste Kamer moet nog instemmen met de Fiscale Verzamelwet 2026 waar dit amendement onderdeel van uitmaakt. Onderzoek tweejaarlijkse WOZ-waardering Bij de Algemene Ledenvergadering van de VNG in juni 2024 is een motie aangenomen om op korte termijn een onderzoek te starten naar de mogelijkheden van een tweejaarlijkse herwaardering in plaats van de nu geldende jaarlijkse herwaardering. Het onderzoek heeft uitgewezen dat een meerderheid van de uitvoerders van de Wet WOZ (gemeenten en samenwerkingsverbanden) tegen verruiming van het WOZ-tijdvak is. De verwachte voordelen, zoals vermindering van werkdruk, blijken beperkt terwijl er ook nadelen zijn. Zo kan een tweejarig WOZ-tijdvak leiden tot grotere waardeverschillen tussen tijdvakken. De argumentatie van de wetgever voor invoering van een jaarlijkse waardering gelden grotendeels nog steeds. Een actuele WOZ-waarde vergroot de acceptatie ervan, dempt schoksgewijze aanpassingen

12

tussen tijdvakken, leidt mogelijk tot minder bezwaar- en beroepsprocedures en maakt breder (maatschappelijk) gebruik mogelijk. Bovendien zorgt het voor continuïteit in het uitvoeringsproces en lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten. Gelet op de conclusies van het onderzoek wordt door de VNG niet ingezet op invoering van een tweejaarlijkse WOZ-waardering. BsGW volgt de ontwikkelingen.

13

Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) Na de oprichting in 2011 groeide BsGW in slechts vier jaar tijd uit tot het huidige samenwerkingsverband, waarin 29 van de 31 Limburgse gemeenten en het Waterschap Limburg deelnemen. De consolidatie van het aantal deelnemers heeft om een herijking van de organisatie gevraagd. Hiertoe heeft BsGW een separaat ontwikkeltraject uitgevoerd, zijnde het Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP). Het OOP kon (in financieel opzicht) initieel in drie fases worden onderverdeeld: Fase 1 2018 tot 2021 Projectfase Fase 2 2021 tot 2028 Terugbetalen projectkosten Fase 3 vanaf 2028 Structureel voordeel deelnemers Projectfase Tijdens de Projectfase is het OOP zowel inhoudelijk als financieel verantwoord via de P&C-cyclus en getoetst door de accountant. Terugbetalen projectkosten De financieringswijze van het OOP is op 14 december 2017 door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Er is destijds een investerings- en ontwikkelbudget vrijgegeven van € 4 miljoen. Door een andere visie van de nieuwe accountant inzake de verwerkingswijze van het project OOP zijn de lasten boekhoudkundig ten laste van het resultaat 2023 gebracht. Het effect hiervan is dat de taakstellende, structurele kostenreductie met ingang van 2024 tot uitdrukking komt in lagere nettokosten voor de deelnemers oplopend tot € 1,3 miljoen vanaf 2028.

Structureel voordeel deelnemers Het OOP moet -conform besluitvorming door het Algemeen Bestuur d.d. 14 december 2017- met ingang van 2028 leiden tot een structurele reductie van de netto-kosten van € 1,3 miljoen. Het is daarmee primair een financiële exercitie, die in belangrijke mate gerealiseerd dient te worden middels een formatiereductie. De gewijzigde visie van de nieuwe accountant inzake de verwerkingswijze van het project OOP leidt ertoe dat er met ingang van 2024 al sprake is van een daling van de lagere netto-kosten voor de deelnemers: Jaar

2024 2025 2026 2027 2028 e.v.

Bedrag in € 600.000 800.000 1.000.000 1.200.000 1.300.000

Vorm

Restitutie aan de deelnemers Benedenwaartse bijstelling begroting 2025 Benedenwaartse bijstelling begroting 2026 Benedenwaartse bijstelling begroting 2027 Benedenwaartse bijstelling begroting 2028 e.v.

De OOP-taakstelling wordt financieel-technisch aan het begin van het boekjaar gerealiseerd. Sterker! BsGW houdt aan het begin van het boekjaar al rekening met de volgende stap, waarmee BsGW in feite anticipeert op het volgende boekjaar. Bezuinigingen De taakstellende bezuiniging is regelmatig onderwerp van gesprek binnen het Algemeen Bestuur. Telkenmale wordt benadrukt dat de taakstelling in belangrijke mate middels een formatiereductie gerealiseerd wordt. Het realiseren van de structurele netto-taakstelling van € 1,3 miljoen is een verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur en de ambtelijke organisatie. Het Dagelijks Bestuur werkt op basis van een door het Algemeen Bestuur vastgestelde begroting (lees: kader). Het Dagelijks

14

Bestuur is bestuurlijk verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering (lees: de uitvoering binnen de gestelde kaders). Wanneer de begroting in het algemeen en de OOP-taakstelling in het bijzonder niet gerealiseerd wordt, komt het Algemeen Bestuur in positie. Dit is in lijn met de governance.

15

Bijlage 5. Weerstandsvermogen Bestuurlijk is de voorkeur uitgesproken het weerstandsvermogen van BsGW zo bescheiden mogelijk, doch wel realistisch, te laten zijn. Operationele risico’s moeten door BsGW zelf kunnen worden opgevangen, zonder terug te hoeven vallen op de deelnemers. Deze benadering wordt gedeeld door de accountant van BsGW en de toezichthouder (provincie Limburg). Het benodigde weerstandsvermogen is gebaseerd op de risicoanalyse. Deze risicoanalyse wordt jaarlijks uitgevoerd, zodat bepaald kan worden of het berekende weerstandsvermogen toereikend is. Voor de begroting 2027 wordt eind 2025 de risicoanalyse uitgevoerd. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de begroting. Het weerstandsvermogen geeft aan in hoeverre BsGW in staat is om bij onverwachte gebeurtenissen met een financieel gevolg deze tegenvaller te nemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de door het bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen in de begroting. Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de benodigde weerstandscapaciteit, die uit de risicoanalyse voortvloeit, af te zetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit.

De beschikbare weerstandscapaciteit bij BsGW bestaat uit de algemene reserve. Voor het bepalen van de omvang van deze algemene reserve is het zoeken naar een goede balans. Een balans tussen enerzijds voldoende omvang om impact zelf te kunnen opvangen en anderzijds te voorkomen dat algemene middelen van deelnemers ‘opgepot’ raken. Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen dient te worden vastgesteld welke ratio BsGW nastreeft. Hiervoor is gebruik gemaakt van de volgende waarderingstabel. Waarderingscijfer A B C D E F

Ratio weerstandsvermogen > 2,0 ≥ 1,4 - ≤ 2,0 ≥ 1,0 - < 1,4 ≥ 0,8 - < 1,0 ≥ 0,6 - < 0,8 < 0,6

Betekenis

Actie

Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende

Voorstel aan AB om terug te storten Geen actie Geen actie Voorstel aan AB om bij te storten

In de basis moet de beschikbare weerstandscapaciteit even groot zijn als de benodigde weerstandscapaciteit. Daarmee wordt de ratio weerstandsvermogen bepaald op een streven van minimaal 1,0. Zie hiervoor ook het besluit in het AB van 24 maart 2022, Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen BsGW. Bij de totstandkoming van de begroting 2026 is -met name in het kader van het Ravijnjaar- met een extra kritische blik de risico-analyse uitgevoerd. Genoemde exercitie heeft onder andere geleid tot een benedenwaartse bijstelling van het weerstandsvermogen, waarbij het surplus € 572 duizend is teruggestort naar de deelnemers. De ratio weerstandsvermogen komt hiermee op 1,0.

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beek&id=8ccfc3b8-6692-4e36-82e9-33a5ba93a13c