Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting (2)
Tekst van het document
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
24
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Wel maakt het bestemmingsplan een bedrijf mogelijk dat een bron van geluid kan zijn richting bestaande geluidgevoelige objecten. De vestiging van een solitair bedrijf valt niet onder een gezoneerd bedrijventerrein zoals bedoeld in de Wet Geluidhinder. Voor een goede ruimtelijke ordening dient echter wel gekeken te worden naar mogelijke geluidhinder richting omliggende woningen. Gezien afstand richting omliggende woningen en de aard en omvang van de werkzaamheden zal er geen sprake zijn van onevenredige geluidhinder, zie hiervoor ook paragraaf 5.11 Milieuzonering. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor "Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
25
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012 permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Om te beoordelen of veehouderijen in de omgeving niet onevenredig is hun belangen worden geschaad moet rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Dit betekent dat voor geur getoetst moet worden vanaf de rand van het bouwvlak. In dit geval ligt het plangebied buiten de bebouwde kom. Volgens de geurverordening geldt een voorgrondnorm van 20,0 ouE/m3. Het te realiseren bedrijfsgebouw is een geurgevoelig object, er kunnen gedurende langere tijd mensen verblijven. Vaste afstanden Volgens artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij dient bij nieuwe geurgevoelige objecten die opgericht worden in het kader van de ruimte-voor ruimte regeling (i.c.m. beëindigen veehouderij) een afstand van 50 te worden aangehouden ten opzichte van veehouderijen. Om rekening te houden met eventuele ontwikkelingsmogelijkheden moet daarom 50 meter afstand aangehouden worden tussen de rand van het bouwvlak van het geurgevoelige object en de veehouderij. Daarnaast dient altijd 25 meter afstand aangehouden te worden tussen de gevel van de dichtstbijzijnde stal en de gevel van de woning. De rand van het bouwvlak van de veehouderij op de Wencopperweg 79A ligt op 78 meter afstand van het beoogde bedrijfsgebouw.
Andere veehouderijen liggen op grotere afstand. Het geurgevoelige object ligt op voldoende afstand van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij. Geurbelasting (voorgrondbelasting) Voor het te realiseren bedrijfsgebouw geldt volgens de Wgv alleen vaste afstanden tot aan stallen van veehouderijen. Daarom hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 300 m2 door middel van functieverandering valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie 26
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012 De aspecten leidingen en laagvliegroutes vormen geen belemmering voor dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: •
40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie;
• 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijnstof uitstoot van de omliggende veehouderijen. Resultaten & beoordeling In de omgeving ligt binnen een straal van 500 meter één veehouderij met een relevante fijnstof emissie (>500 kg per jaar), Wencopperweg 79. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijn stof ter plaatse van de woning. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel.
Conclusie Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader "Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.
Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan / de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming).
Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie: Voor dit plan is geen m.e.r. procedure noodzakelijk.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat (toekomstige) woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Voorliggend bedrijf wordt op basis van de 'Bedrijven en Milieuzonering' aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf - constructiewerkplaats, gesloten gebouw. p.o. < 200 m2' en valt daarmee in milieucategorie 3.1. 28
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012 Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. In voorliggend plan wordt echter ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin staat dat in de bedrijfsbebouwing uitsluitend bedrijfsactiviteiten mogen worden uitgeoefend die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 2. Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Gezien de aard en omvang van de werkzaamheden kan aangenomen worden dat de beoogde bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd binnen de normen die gelden voor milieucategorie 2. Voor aanvang van de werkzaamheden dient een melding activiteitenbesluit ingediend te worden bij het bevoegd gezag. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele woningen en agrarische bedrijfswoningen. De afstand van de rand van de nieuwe bedrijfsbestemming naar omliggende bouwvlakken bedraagt overal minimaal 50 meter. Aan de richtafstanden wordt voldaan. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter).
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 11 december 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Voorliggend plan voorziet in een afname van de hoeveelheid bebouwing en verharding. De houtopstanden in het plangebied blijven behouden. Er wordt daarnaast extra landschappelijke inpassing gerealiseerd in de vorm van een haag en een houtwal, zoals aangegeven op het inpassingsplan in Bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan. Conclusie: Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor dit plan.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: uitsnede OO-belastingkaart De locatie is onverdacht voor Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzoek naar explosieven is niet nodig. Conclusie Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
30
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
5.15
Verkeer
In voorliggend plan wordt de uitrit enkele meters opgeschoven. Dit heeft geen gevolgen voor de verkeersveiligheid van de Wencopperweg. De uitrit is 4 meter breed en wordt uitgevoerd in klinkerverharding. Dat voldoet aan de eisen. De bermverharding moet in stand worden gehouden. Er zijn vijf parkeerplaatsen ingetekend. In het KVK-uittreksel is te zien dat er twee mensen bij het bedrijf werkzaam zijn. Daarmee valt het bedrijf in de categorie 'bedrijf arbeidsextensief'. De parkeereis is 4,46, dus afgerond vijf parkeerplaatsen. Het aantal parkeerplaatsen voldoet. Conclusie: Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
5.16
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid 4.4.1
BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid: Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem: Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren: Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie: Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie: Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. "Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012 De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie Het perceel Wencopperweg 96 te Kootwijkerbroek betreft een agrarische bestemming. Op het perceel staat een woning met enkele bijgebouwen en bedrijfsbebouwing. Het perceel is aangesloten op drukriolering en is gelegen langs enkele C-watergangen. Toekomstige situatie in de toekomstige situatie wordt bijna alle bebouwing gesloopt op de woning en een deel van het bijgebouw aan het woonhuis na. Daarnaast wordt er een nieuwe schuur gerealiseerd inclusief verhard oppervlak. In totaal gaat het om een toename van 1500 vierkante meter verharding. Voor de toename in verharding wordt compenserende waterberging gerealiseerd met een capaciteit van 30mm op het terrein. De overstort zal naar de C-watergang gaan langs de Wencopperweg. Hemelwater mag niet worden aangesloten op de persleiding. Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruiken. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap. Conclusie: Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.
32
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie herzien in die zin dat het agrarische bouwvlak en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' zijn komen te vervallen en een nieuw bestemmingsvlak 'Bedrijf - Niet agrarisch' is toegevoegd inclusief bouwvlak en functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - constructiewerkplaats, gesloten gebouw. p.o. < 200 m2'. Tot slot zijn er ook gebiedsaanduidingen met betrekking tot voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn herzien. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. "Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
6.4.1
Schakelbepaling
In Artikel 4 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er in de regels en op de verbeelding verandert. Dit is ook in dit hoofdstuk van de toelichting van dit plan toegelicht. 6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soort gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij herzieningen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen worden in het bestemmingsplan voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening zijn de volgende voorwaardelijke verplichting opgenomen: In artikel 6.2.1 van de regels van deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het realiseren van de landschappelijke inpassing. In artikel 6.2.2 van de regels van deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de sloop van de voormalige agrarische bebouwing. In artikel 6.2.3 van de regels van deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat alleen bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 2.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van 34
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012 sancties als bestuursdwang en dwangsom. In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
36
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 12 oktober 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Dat is in dit geval wel van toepassing. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat er overleg is geweest met de omwonenden.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van "Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012 de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. In voorliggend plan is dit niet het geval. Derhalve heeft er geen inspraak plaatsgevonden.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
38
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlagen bij de toelichting
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 1 Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.1056-0004), welk bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2013 (en onherroepelijk geworden op 16 september 2015), is inmiddels gewijzigd door het college, herzien door de raad en gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. In eerste instantie is een tweetal uitspraken verwerkt: de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 29 april 2015, zaaknummer 201307247/1/R2, 201305071/1/R2, 201305215/1/R2 en 201402967/1/R2; de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 16 september 2015, zaaknummer 201307247/5/R2. Daarnaast is het intrekkingsbesluit "Wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" door het intrekken van enkele onderdelen" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.IB1056-0001), vastgesteld op 11 november 2014, verwerkt, waardoor enkele onderdelen (diverse locaties) van het moederplan "Buitengebied 2012" zijn ingetrokken. Daarnaast is het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" inmiddels vervangen door een aantal bestemmingsplannen (met op zichzelf staande bestemmingsplanregelingen, de zogenaamde postzegelplannen) en tevens een provinciaal inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" (met IMRO-idn. NL.IMRO.9925.IPN303Voorthuizen-VST1).
Deze plannen zijn niet relevant, in die zin dat ze geen planologische gevolgen hebben, voor voorliggend plan. Verder is een aantal uiteenlopende wijzigingsplannen door het college - met toepassing van de binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen wijzigingsbevoegdheden - en partiële herzieningen door de raad vastgesteld en verwerkt. De wijzigingsplannen en een deel van de partiële herzieningen zijn op perceelsniveau doorgevoerd en hebben geen directe invloed op (op het gehele grondgebied van) voorliggend plan. De volgende partiële herzieningen zijn doorgevoerd, waarbij ook de regels van het moederplan c.q. het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn gewijzigd en daarmee wel van invloed zijn op voorliggend plan: Naam partiële herziening
IMRO-identificatienummer
Datum vastgesteld
4e partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1268-0002
13-4-2016
Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1637-0002
20-4-2022
Apeldoornsestraat-Kieftveen, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1368-0002
14-12-2016
Bosbergerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1580-0002
3-2-2021
Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1611-0002
26-5-2021
Elzenkamperweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1467-0002
4-7-2018
Essenerweg XVII, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1459-0002
8-2-2023
Esvelderweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1397-0002
30-1-2019
Esvelderweg-Vinkekampweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1484-0002
22-5-2019
Garderbroekerweg XXVII, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1726-0002
26-4-2023
Garderbroekerweg-Harskamperweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1371-0002
24-5-2017
Garderbroekerweg-Kapweg, partiële herziening Buitengebied NL.IMRO.0203.1692-0002 2012
8-2-2023
Grote Muntweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1414-0002
31-1-2018
Harremaatweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1366-0002
1-2-2017
Kapweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1623-0002
6-10-2021
40
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Kerkendelweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1440-0002
25-4-2018
Kerkweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1510-0002
9-10-2019
Lange Zuiderweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1475-0002
14-11-2018
Meentweg-Valkseweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1439-0002
7-3-2018
Overhorsterweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1485-0002
10-7-2019
Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie
NL.IMRO.0203.1515-0002
22-3-2023
Parapluherziening De Puurveense Molen
NL.IMRO.0203.1248-0002
30-9-2014
Parapluherziening Molenbiotopen
NL.IMRO.0203.1598-0002
21-4-2021
Parapluherziening functieveranderingsbeleid 2016 en woninginhoud
NL.IMRO.0203.1391-0002
5-7-2017
partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1241-0001
25-2-2014
Plaggenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1370-0002
1-2-2017
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1667-0002
31-5-2023
Sleedoornweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1626-0002
6-10-2021
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1596-0002
18-3-2021
Tweede partiele herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1253-0003
8-7-2014
Vergroten inhoud woningen, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1376-0002
1-2-2017
Verzamelherziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1349-0002
8-11-2017
Vinkelaar II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1421-0002
7-3-2018
Vrouwenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1501-0002
10-7-2019
Welgelegenweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1503-0002
10-7-2019
Zeumerseweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1529-0002
11-12-2019
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek
42
"Wencopperweg VIII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Wencopperweg 96 te Kootwijkerbroek
Opdrachtgever
Dhr. Th. van Ravenhorst Aardhuisweg 60 3888 MG Uddel
Contactpersoon
Dhr. Th. van Ravenhorst
Projectnummer Projectleider
P2022-1384 Dhr. R.J. van Hunnik
Ede, 9 november 2022
Projectnummer P2022-1384
Type onderzoek Locatie Projectnummer Versie Versiedatum
Verkennend bodem- en asbestonderzoek Wencopperweg 96 te Kootwijkerbroek P2022-1384 1 9 november 2022
Opgesteld door
Gecontroleerd door
Mw. M.M. Christiaansen Projectleider bodem
Dhr. R.J. van Hunnik Projectleider bodem
Projectnummer P2022-1384
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
INLEIDING ............................................................................................................................................................................ 4 1.1
Opdracht ...................................................................................................................................................................... 4
1.2
Aanleiding en doel ................................................................................................................................................. 4
1.3
Kwalibo ......................................................................................................................................................................... 4
VOORONDERZOEK .......................................................................................................................................................... 5 2.1
Algemeen .................................................................................................................................................................... 5
2.2
Locatiegegevens en gebruik .............................................................................................................................. 5
2.3
Beschikbare bodemkwaliteitsgegevens ......................................................................................................... 6
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................................. 7
2.5
Onderzoek NGE ........................................................................................................................................................ 8
2.6
Asbestverdachtheid ................................................................................................................................................ 8
2.7
Terreinverkenning .................................................................................................................................................... 8
2.8
Conclusie vooronderzoek .................................................................................................................................... 8
ONDERZOEKSOPZET ...................................................................................................................................................... 9 3.1
Onderzoekshypothese ........................................................................................................................................... 9
3.2
Onderzoeksstrategie .............................................................................................................................................. 9
3.3
Analysepakketten ................................................................................................................................................... 10
VELDWERK ......................................................................................................................................................................... 11 4.1
Veldwerkzaamheden ............................................................................................................................................ 11
4.2
Zintuiglijke waarnemingen ................................................................................................................................ 12
4.3
Meetgegevens grondwater ............................................................................................................................... 12
4.4
Monstersamenstelling ......................................................................................................................................... 13
4.5
Monstersamenstelling asbest .......................................................................................................................... 13
TOETSING EN INTERPRETATIE ............................................................................................................................... 14 5.1
Toetsingskader ........................................................................................................................................................ 14
5.2
Grond .......................................................................................................................................................................... 15
5.3
Grondwater ............................................................................................................................................................... 15
5.4
Asbest ......................................................................................................................................................................... 16
5.5
Toetsing hypothese .............................................................................................................................................. 17
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................................................... 18
BIJLAGEN 1. REGIONALE LIGGING 2. SITUATIETEKENING 3. FOTO'S 4. BOORPROFIELBESCHRIJVINGEN 5. TOETSINGSTABELLEN GROND 6. TOETSINGSTABELLEN GRONDWATER 7. ANALYSECERTIFICATEN GROND 8. ANALYSECERTIFICATEN GRONDWATER
Projectnummer P2022-1384
1
INLEIDING
1.1
Opdracht In opdracht van de heer van Ravenhorst heeft Certicon Kwaliteitskeuringen B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Wencopperweg 96 te Kootwijkerbroek. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740:2009/A1:2016. Het asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2:2017 en daaraan gelieerde normen.
1.2
Aanleiding en doel De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Wencopperweg 96 te Kootwijkerbroek en betreft een woonhuis met erf en een aantal schuren. Het bebouwde gedeelte inclusief erf heeft een oppervlak van circa 5.000 m2. De rest van het perceel bestaat uit cultuurgrond (grasland). Als dakbedekking op de schuren is asbesthoudend materiaal gebruikt, dit maakt de drupzone asbestverdacht. Echter is bij een aantal schuren een dakgoot aanwezig en is het maaiveld plaatselijk verhard met klinkers. Deze drupzones hoeven derhalve niet onderzocht te worden. U heeft aangegeven dat u voornemens bent de onderzoekslocatie aan te kopen en nieuwbouw te realiseren. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het asbestonderzoek is het vaststellen of de bodem onder de drupzone asbest bevat en het doen van een uitspraak over het asbestgehalte. Bij verkennend onderzoek is het asbestgehalte altijd indicatief van aard. Dit onderzoek richt zich op de verdachte bovengrond tot 0,2 m-mv.
1.3
Kwalibo Certicon is gecertificeerd voor het uitvoeren van de werkzaamheden conform de BRL SIKB 2000. De veldwerkzaamheden ten behoeve van dit onderzoek zijn uitgevoerd door erkende en geregistreerde medewerkers voor de daarbij behorende en relevante protocollen. Tussen Certicon en de opdrachtgever bestaat geen relatie die de onafhankelijkheid en integriteit van Certicon en/of haar werkzaamheden zou kunnen beïnvloeden of belemmeren.
Pagina 4 van 19
Projectnummer P2022-1384
2
VOORONDERZOEK
2.1
Algemeen De aanleiding tot het uitvoeren van een vooronderzoek is het voornemen tot het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek. Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725:2017 en heeft als doel het verzamelen van relevante informatie over de te onderzoeken locatie, met name over de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen.
2.2
Locatiegegevens en gebruik De gegevens in deze paragraaf zijn afkomstig van de opdrachtgever en het kadaster. Adres: Gemeente: Kadastrale gegevens: Gebruik: Oppervlakte:
Wencopperweg 96 te Kootwijkerbroek Barneveld Kadastrale gemeente Garderen, sectie G, perceelnr. 3614 Wonen ca. 7.500 m2
De onderzoekslocatie bevindt zich in het westen en deels in het zuiden aan de Wencopperweg te Kootwijkerbroek, ten noorden bevindt zich de Esvelderbeek. De omgeving rondom de onderzoekslocatie bestaat hoofzakelijk uit weilanden met enkele woonhuizen en schuren.
Figuur 1: onderzoekslocatie
Huidig gebruik Op de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met erf en een aantal schuren. Het bebouwde gedeelte inclusief erf heeft een oppervlak van circa 5.000 m2. De rest van het
Pagina 5 van 19
Projectnummer P2022-1384
perceel bestaat uit cultuurgrond (grasland). Op de locatie worden een aantal schuren gesloopt en wordt nieuwbouw gerealiseerd. Het bouwblok heeft een oppervlakte van circa 7.500 m2. Voormalig gebruik In het verleden was de onderzoekslocatie in gebruik als agrarisch bedrijf. Destijds was ook een ondergrondse olietank aanwezig, die is inmiddels al verwijderd. Uit kaartmateriaal van topotijdreis.nl valt op te maken dat tot circa 1973 de onderzoekslocatie een agrarische bestemming (weiland) bedroeg. In 1974 is de bebouwing op de locatie gerealiseerd. In 1850 is een weg aangelegd op de onderzoekslocatie. In 1931 is door de onderzoekslocatie nog een weg aangelegd. In 1953 zijn de wegen verwijderd en is er een weg naast de onderzoekslocatie gerealiseerd, deze heet tot op heden de Wencopperweg. In 1986 zijn nog drie gebouwen geplaatst. Na die periode hebben er geen wijzigingen meer plaatsgevonden op de onderzoekslocatie. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 2 is een situatietekening opgenomen. In bijlage 3 zijn enkele foto’s bijgevoegd.
2.3
Beschikbare bodemkwaliteitsgegevens De beschikbare bodemkwaliteitsgegevens in deze paragraaf zijn afkomstig van de opdrachtgever, het Bodemloket, gemeente/omgevingsdienst en provincie Gelderland. Eerder uitgevoerde onderzoeken Er zijn geen reeds uitgevoerde onderzoeken bekend van de onderzoekslocatie. Geval van ernstige verontreiniging Voor zover bekend is op de locatie geen geval van ernstige verontreiniging aanwezig (Bodemloket.nl). Gebiedspecifiek beleid Bodemnota/BKK: Bodemkwaliteitskaart Regio de Vallei (d.d. 29 mei 2020) Zonering locatie: Landbouw/natuur Functieklasse: Landbouw/natuur Ontgravingsklasse bovengrond (0,0-0,5 m-mv): Landbouw/natuur Ontgravingsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/natuur Toepassingsklasse bovengrond (0,0-0,5 m-mv): Landbouw/natuur Toepassingsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/natuur Achtergrondgehalten Bekend is dat binnen de gemeente Barneveld regelmatig verhoogde gehalten aan metalen in het grondwater worden aangetoond. In een eerder stadium is hierover door de gemeente het volgende aangegeven: De aanwezigheid van verhoogde concentraties (zelfs forse overschrijdingen van de interventiewaarde) aan zware metalen zoals zink, nikkel, koper en ook arseen in het grondwater is een kenmerkend verschijnsel voor de regio. Deze verhoogde concentraties kunnen zijn veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden en diverse bodemprocessen.