CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Walhuisweg II_Toelichting_Bijlage 3 Aanvullend onderzoek steenuil en vleermuizen.pdf

Gemeenteraad 5 juli 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Walhuisweg II (Kootwijkerbroek)3.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AANVULLEND ONDERZOEK STEENUIL EN VLEERMUIS WALHUISWEG TE KOOTWIJKERBROEK

Rapportage aanvullend onderzoek steenuil en vleermuis Walhuisweg te Kootwijkerbroek Opdrachtgever

Gereformeerde Gemeente in Nederland te Barneveld Vellerselaan 1 3772PP Barneveld

Rapportnummer Versienummer

17607.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

31 augustus 2022

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

De heer T.J.J. Versluis, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw A.E. Wolma, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2 2.3

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ................................................................ 3 Te verwachten werkzaamheden en ingrepen .................................................................. 3

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 4

4

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

5

ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 7 5.1 5.2

Steenuil ............................................................................................................................. 7 Vleermuizen ...................................................................................................................... 8

6

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ............................................................................. 9

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 11

17607.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gereformeerde Gemeente in Nederland te Barneveld opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Walhuisweg te Kootwijkerbroek. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging (enkelbestemming agrarisch -> enkelbestemming maatschappelijk) en de ontwikkeling van een kerk. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming die Otte Groen Advies in februari 2021 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 20.174). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 1 van 11

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 0,95 hectare) ligt aan de Walhuisweg, te Kootwijkerbroek. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een onbebouwd agrarisch perceel met Engels raaigras. Het weiland wordt ten noorden en noordoosten begrensd door een bomenrij en ten zuiden een paardenweide. Aan de westrand loopt de Walhuisweg. Het geheel bevindt zich aan de zuidelijke rand van de Kootwijkerbroek en het buitengebied (figuur 2 en 3).

Figuur 2. Perceel grasakker op de onderzoekslocatie.

Rapport 17607.001 versie D1

Figuur 3. Bomenrij van hoge populieren aan de noord- en noordoostkant van de onderzoekslocatie.

Pagina 2 van 11

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie

Initiatiefnemer is voornemens om op het agrarische perceel een kerk met parkeerplaatsen te realiseren. 2.3

Te verwachten werkzaamheden en ingrepen

Ten behoeve van de ingreep wordt het agrarisch perceel verhard en wordt een kerkgebouw gebouwd, bestrating en een parkeerplaats aangelegd. Daarnaast wordt een wadi gegraven en worden bomen en struiken aangeplant. De bomenrij aan de noord- en noordoostkant en de solitaire bomen aan de zuid- en westkant blijven behouden (figuur 4). De verlichting bestaat uit lantaarns tegen het kerkgebouw en enkele vrijstaande lantaarnpalen. De vrijstaande verlichting bestaat uit ledverlichting met en lantaarnkap. Deze verlichting wordt enkel toegepast tijdens activiteiten en staat ’s nachts uit. Aan de straatkant (west) langs de toegangsweg staat de verlichting langer aan.

Figuur 4. Landschappelijk inpassingsplan van de beoogde ontwikkeling, met het kerkgebouw (lichtgrijs), asfalt (donkergrijs), gazon (groen) en de wadi (blauw) (bron: Van den Brink Bouwkunde, 2022).

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 3 van 11

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK

Uit de quickscan van Otten Groen Advies blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er op sommige punten meer informatie is benodigd: Vleermuizen - foerageergebied/vliegroute: Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van essentiële foerageergebieden en vliegroutes uit te sluiten. Nader onderzoek bestaat uit twee onderzoeksmomenten en dient uitgevoerd te worden in de periode 15 april – 1 oktober waarvan minimaal een bezoek in de kraamperiode (15 mei-15 juli) en minimaal een bezoek in de periode 1 augustus – 1 oktober; Steenuil: Om te bepalen of met de voorgenomen werkzaamheden en nieuwe inrichting een effect optreedt op de essentiële functionele leefomgeving dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Het bepalen van effecten is maatwerk, dit moet worden uitgevoerd door een inzake deskundige in samenwerking met de uilenwerkgroep in de desbetreffende omgeving. De aanwezigheid van de steenuil kan het hele jaar worden aangetoond. De meest optimale periode is van 15 februari tot en met 15 april (BIJ12, 2017).

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 4 van 11

4

ONDERZOEKSMETHODIEK

Voor het onderzoek naar de steenuil werden in de periode half februari tot half april een drietal avondbezoeken uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van geluidsnabootsing en een warmtebeeldcamera (FLIR VUE PRO). De inventarisatiemethode is overeenkomstig met de methode die opgesteld is door Steenuilenoverleg Nederland (STONE) en conform het kennisdocument Steenuil van BIJ12 (2017. Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn in de periode half april tot oktober in totaal twee veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie januari 2021), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies vliegroute en/of foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en Myotis-soorten. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken, is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functies noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming.

Het totaal aantal voorgestelde veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van één waarnemer per veldronde. Verwacht wordt dat met twee bezoeken omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van professionele batlogger met opnamemogelijkheid (Elekon Batlogger M). Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soorten) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Overzicht veldbezoeken Het onderzoek bestond uit diverse veldbezoeken. Onderstaande tabel bevat een globale planning van de uit te voeren veldbezoeken. Het onderzoek naar de verschillende soortgroepen werd zoveel mogelijk gecombineerd uitgevoerd.

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 5 van 11

Tabel I.

Onderzoeksinspanning per soortgroep februari

steenuil

tijdstip

-

maart

april

3 x avond

datum

08 februari, 28 februari en 28 maart 2022

functie

territorium

vleermuizen tijdstip

-

mei

juni

juli

augustus

september

-

1 x avond

-

1 x avond

datum

17 mei 2022

02 augustus 2022

functie

foerageergebied/ vliegroute

foerageergebied/ vliegroute

Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van steenuilen en vleermuizen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken voor vleermuizen was de temperatuur lager dan 20 ºC en er was weinig wind. De veldbezoeken voor de steenuil in het vroege voorjaar zijn uitgevoerd bij droog, fris weer met windsnelheden lager dan 4 Bft. Er was geen sprake van neerslag. Tabel II.

Omstandigheden aanvullende onderzoeken vleermuizen

Datum

Tijd

Temperatuur

Weersomstandigheden

08-02-22

18:00 - 20:30

9 oC

Wind 3 Bft. Bewolkt, droog

28-02-22

18:15 - 20:45

6 oC

Wind 2 Bft. Zonnig en droog

28-03-22

19:45 - 22:45

10 oC

Wind 2 Bft, Half bewolkt droog

17-05-22

21:20 - 00:00

20 oC

Wind 2 Bft. Half bewolkt, droog

02-08-22

21:20 - 00:00

22 oC

Wind 1 Bft. Helder, droog

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 6 van 11

5 5.1

ONDERZOEKSRESULTATEN Steenuil

In het plangebied (figuur 5, rode stippellijn) zijn tijdens de onderzoeksperiode van februari-april 2022 geen territoria van steenuilen aangetroffen. Wel zijn er in het onderzoeksgebied (witte stippellijn) in de directe omgeving enkele waarnemingen gedaan. Zo werden ten oosten van het plangebied drie roepende steenuilen gehoord op erven aan de Laageinderweg (blauwe stippen, figuur 5) en werd één onbezette kast aangetroffen. Meer ten zuiden aan de Walhuisweg werd een roepend paartje gehoord. Verder bevonden zich ten westen van het plangebied twee door steenuilen bezette kasten aan de Puurveenseweg. Uit deze richting werden ook meermaals contactroepjes gehoord. Ook werden in de ronde met de uilenwerkgroep drie onbezette kasten aangetroffen (gele stip, figuur 5). De dichtstbijzijnde bezette kasten en contactroepjes bevonden zich op 350 meter afstand van het plangebied. In augustus werd één foeragerend individu in het plangebied waargenomen op de weilanden ten zuidoosten van het plangebied. Dit betrof redelijkerwijs een individu van een oostelijk gelegen nestlocatie.

Figuur 5. Verspreiding van de steenuil op basis van inventarisatie in het seizoen 2022.

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 7 van 11

5.2

Vleermuizen

Voor het onderzoek naar een mogelijke vliegroute en/of essentieel foerageergebied op de onderzoekslocatie zijn twee veldbezoeken onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd op 17 mei en 2 augustus 2022. 17 mei 2022 Tijdens het eerste veldbezoek werd rond 22:15 de eerste gewone dwergvleermuis foeragerend waargenomen. Vervolgens foerageerden nog twee individuen rond 22:30, daarna werd het rustiger. Langs de bomenlaan waren tot middernacht 1 á 2 foeragerende gewone dwergvleermuizen te zien. De luwtes bij de boomkronen van beide zijdes van de bomenrij (oost-west) werden gebruikt om te foerageren. De centrale ruimte van perceel grasland werd niet benut door vleermuizen. Verder was er sprake van foerageeractiviteit van gewone dwergvleermuis ten westen en zuiden buiten onderzoekslocatie (figuur 6). Voor wat betreft overige vleermuissoorten werd rond 23 uur een overvliegende laatvlieger waargenomen. In totaal werden 1-3 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, voornamelijk langs de bomenrij. Door het constante gebruik van slechts enkele gewone dwergvleermuizen, zonder piek met grote aantallen rond het uitvliegmoment, zijn er geen aanwijzingen voor een gebruik van het plangebied als vliegroute. 2 augustus 2022 Rond 21:55 werden de eerste gewone dwergvleermuizen waargenomen. Het betroffen twee foeragerende dieren langs de bomenrij.

Vanaf 22:15 was er meer foerageeractiviteit te zien, tot uiteindelijk 6 foeragerende gewone dwergvleermuizen hoog in de boomkronen (15m). Deze activiteit nam iets af rond 23 uur met 4 foeragerende gewone dwergvleermuizen. Rond 22:30 werd één overvliegende laatvlieger zonder affiniteit met de bomenrij boven het plangebied waargenomen. Wederom was er geen sprake van een functie als vliegroute, met slechts enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen vanaf het uitvliegmoment. In het gebied rondom het plangebied werden ook foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis waargenomen, zij het in lagere aantallen va 1-2 gewone dwergvleermuizen (figuur 6).

Figuur 6. Verspreiding van foerageeractiviteit van de gewone dwergvleermuis op en rondom de onderzoekslocatie tijdens de inventarisaties in 2022.

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 8 van 11

6

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING

6.1 Steenuil De steenuil valt onder het beschermingsregime van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden de voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en de nesten mogen niet worden weggenomen. De steenuil heeft slechts een klein territorium waarbinnen wordt gefoerageerd. Daarom is essentieel foerageergebied ook als zodanig beschermd in situaties waarbij verlies of afname van dit gebied leidt tot het verlaten van een nest door de soort. In deze situatie is artikel 3.1 lid 2 van toepassing. Artikel 3.1 lid 4 en 5 betreft het opzettelijk storen van vogels. Bij de voorgenomen ontwikkeling op het plangebied is gezien de afstand tot de meest dichtstbijzijnde nestlocatie geen sprake. Overtreding van artikel 3.1 lid 4 en 5 is daarom niet aan de orde. Het territorium van de steenuil betreft 5 - 30 hectare leefgebied rondom de nestlocatie, waar binnen wordt gefoerageerd vanaf zitposten zoals weidepaaltjes, knotbomen en schuurtjes. De grootte van het territorium hangt af van de populatiegrootte, de kwaliteit van het leefgebied en het seizoen. In geschikt gebieden waar veel steenuilen aanwezig zijn, kan een territorium zich beperken tot enkele hectares. Paardenweides en andere kleinschalige graslanden worden gebruikt om te jagen op ongewervelden zoals kevers en regenwormen en op grotere dieren zoals muizen en kikkers.

Maïsakkers, zoals aanwezig op en in de omgeving van het plangebied, zijn ongeschikt als jachtgebied en bieden geen geschikt leefgebied voor de soort. Het grasperceel op het plangebied is vanwege de monocultuur zonder structuur en variatie matig geschikt leefgebied voor de steenuil. Opgemerkt kan worden dat de paardenweides en de weilanden ten zuiden en oosten meer geschikt zijn. De meest nabijgelegen bezette territoria bevinden zich aan de Laageinderweg en Puurveenseweg (350 meter afstand). In de directe omgeving van het plangebied is voor de twee bezette steenuilennesten en potentiële nestlocaties waarvan contactroepjes werden gehoord een habitatanalyse gemaakt. Hierbij is uitgegaan van homeranges met een straal van 150 meter (figuur 7).

Figuur 7. Overzicht van de territoria van de twee bezette nestkasten (rood), en territoria in de omgeving op basis van contactroepjes (blauw) en NDFF waarnemingen (wit).

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 9 van 11

Er zijn geen ecologische redenen om het plangebied als essentieel foerageergebied voor de steenuil aan te merken. Het grasperceel valt buiten de homerange (150 meter) van de meest dichtstbijzijnde steenuilen (350 meter afstand). Er blijft bij de ontwikkeling op het plangebied voldoende foerageergebied voor steenuilen over in de omgeving. Omdat het plangebied geen beschermde functie heeft voor de steenuil is er geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort als gevolg van de werkzaamheden. Verdere maatregelen ten aanzien van de steenuil worden niet noodzakelijk geacht. 6.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten vallen onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn en de conventie van Bonn, in de Wet natuurbescherming ondergebracht in artikel 3.5. De verboden handelingen die van toepassing zijn op de vleermuizen betreffen het opzettelijk verstoren, doden of vangen van de dieren en het beschadigen of vernielen van de rust- en voortplantingsplaatsen. Het plangebied werd gebruikt door maximaal 6 foeragerende gewone dwergvleermuizen tegelijk, met lagere aantallen vleermuizen rond middernacht. Foerageeractiviteit vond uitsluitend plaats op vrij grote hoogte (±15 meter hoog) in de boomkronen aan beide zijdes van de bomenrij. Dit is gunstig omdat de bomenrij zelf behouden blijft en de oostkant van de bomenrij door de ingreep niet wordt verlicht.

Gezien het feit dat de kerk en omgeving slechts een deel van de nacht, spaarzaam wordt verlicht, is er geen sprake van het verlies van de bomenrij als foerageergebied. De beperkte mate van verstoring in combinatie met het feit dat er voldoende foerageergebied in het buitengebied van Kootwijkerbroek aanwezig is, maakt dat er van het verdwijnen van essentieel foerageergebied geen sprake is. Het is uitgesloten dat door het aanbrengen van verharding en verlichting op de onderzoekslocatie nabijgelegen verblijfplaatsen van vleermuizen ongeschikt worden of worden verlaten. Uit het verrichte veldonderzoek naar vleermuizen bleek dat er geen beschermde functies op de planlocatie aanwezig zijn. De voorgenomen werkzaamheden zullen daarom niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk gedurende de werkzaamheden ten aanzien van vleermuizen.

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 10 van 11

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Econsultancy heeft in opdracht van Gereformeerde Gemeente in Nederland te Barneveld een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Walhuisweg te Kootwijkerbroek. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging (enkelbestemming agrarisch -> enkelbestemming maatschappelijk) en de ontwikkeling van een kerk. Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens om op het agrarische perceel een kerk met parkeerplaatsen te realiseren. Functie onderzoekslocatie voor beschermde soorten Tijdens de veldbezoeken zijn binnen het plangebied geen steenuilen en/of nestlocaties aangetroffen. Het potentiële leefgebied binnen het plangebied valt buiten de homeranges (150 meter) van de in de buurt aanwezige steenuilen. De dichtstbijzijnde nestlocaties bevinden zich op 350 meter afstand van het plangebied. Er is bij de voorgenomen ingreep dan ook geen sprake van verlies van essentieel leefgebied of het verlies van een nestlocatie van de steenuil. De voorgenomen ingreep zal dan ook niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenuil. Uit het verrichte veldonderzoek naar vleermuizen bleek dat er binnen het plangebied geen essentieel foerageergebied en geen vliegroute aanwezig zijn. De voorgenomen ingreep zal dan ook niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen.

Conclusie Aanvullende maatregelen ten aanzien van vleermuizen of steenuilen worden niet noodzakelijk geacht.

Econsultancy Doetinchem, 31 augustus 2022

Rapport 17607.001 versie D1

Pagina 11 van 11

Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden.

Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.

Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.

Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen.

Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen.

Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=d85f509e-6e38-42ce-8ceb-b00abf707e48