Walhuisweg II_Toelichting_Bijlage 14 Quick scan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora- en fauna Walhuisweg, Kootwijkerbroek
Nijverdal, 3 februari 2021 Projectnummer 20.174
Colofon Titel
Quickscan flora- fauna Walhuisweg te Kootwijkerbroek
Uitvoering
Otte Groenadvies
Veldinventarisatie
T.M. Stam – Propedeuse Hoger Beroepsonderwijs Bos en Natuurbeheer 2020
Gecontroleerd
Ing. P. Otte
Opdrachtgever
Projectnummer
Kubiek t.a.v. dhr. R. de Jong Kerkewijk 117 3904 JB Veenendaal 06 51 55 81 05 rolf@kubiek.nu 20.174
Datum
3 februari 2021
Status
Definitief
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.
Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................................................................4
1.1. Aanleiding en doelstelling ...................................................................................................... 4 1.2. Methodiek .............................................................................................................................. 4 2. Wetgeving ....................................................................................................................................................6 3. Gebiedsomschrijving.....................................................................................................................................7
3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving................................................................................. 7 3.2. Projectvoornemen.................................................................................................................. 8 3.3. Foto impressie planlocatie ..................................................................................................... 8 4. Gebiedsbescherming.....................................................................................................................................9
4.1. Natura 2000............................................................................................................................ 9 4.2. Gelders Netwerk Nederland (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO).............................. 10 4.3. Weidevogelgebied................................................................................................................ 10 5. Beschermde flora en fauna .........................................................................................................................11
5.1. Flora ..................................................................................................................................... 11 5.2. Zoogdieren ........................................................................................................................... 11 5.3. Vleermuizen ......................................................................................................................... 12 5.4. Vogels ................................................................................................................................... 13 5.5. Overige soorten .................................................................................................................... 14 6. Conclusies ...................................................................................................................................................15
6.1. Overzicht van de bevindingen .............................................................................................. 15 6.2. Aanbevelingen...................................................................................................................... 16 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid .................................................................................................................18 8. Bibliografie .................................................................................................................................................19 Bijlage.............................................................................................................................................................21
BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 21
3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, realisatie van een kerkgebouw, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Walhuisweg te Kootwijkerbroek. 1.1.1 Uitgangspunten Uitgangspunt voor deze rapportage is de inkomende e-mail van de heer R. de Jong op 27 oktober 2020. Met als onderwerp Quick Scan Kootwijkerbroek. Op 27 oktober 2020 is door Otte Groenadvies een offerte met nr. 20.149 per mail verstuurd. Op 7 december 2020 is de offerte per mail door de heer R. de Jong geaccordeerd. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft Kubiek besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wnb. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied.
Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wnb. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie.
Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
4
1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 14 december 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker en fotocamera. De weersomstandigheden waren bewolkt, droog, 8°C (KNMI, z.d.). Tijdens het onderzoek waaruit dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.
5
2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren en de bescherming van gebieden. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de WnB. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De WnB kent drie verschillende beschermingsregimes: • Vogelrichtlijnsoorten; • Habitatrichtlijnsoorten; • Andere soorten. De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders. De zorgplicht is wel van toepassing.
Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: • Er geen bevredigend alternatief is; • Er sprake is van een wettelijk belang; • Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten (Overheid, 2015).
6
3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie ligt in het buitengebied van Kootwijkerbroek, in een Broek- en heideontginningslandschap (Gemeente Barneveld, 2014). In dit landschap zijn de voormalige heidevelden en elzenbroekbossen geheel ontgonnen tot grasland en akker. Broekgebieden zijn landen die bij een hoge waterstand onderloopt en liggen vooral in lagergelegen vlakten die onder invloed hebben gestaan van rivieren en beken. Herkenbaar aan dit landschap zijn de rechtlijnige verkavelingen en de rechte wegen. Straatnamen als Heideweg en gebiedsnamen als Kootwijkerbroek wijzen nog op het historische grondgebruik en de natte omstandigheden (Gemeente Barneveld, z.d.). Het plangebied wordt omgeven door agrarische percelen met verspreid staande boerderijen. Het agrarische gebied heeft een vrij open karakter met relatief weinig opgaand groen zoals bomenrijen en houtwallen. Ten noorden ligt het dorpskern en de bebouwing van Kootwijkerbroek. Het perceel wordt aan de westzijde begrensd door de Walhuisweg. Het onderzoekgebied betreft een agrarisch grasperceel met aan de noord- en oostkant een houtwal met bomen en enkele struiken. Er is geen bebouwing of verharding aanwezig.
Afbeelding 1&2. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.)
7
3.2. Projectvoornemen Initiatiefnemer is voornemens om op het agrarische perceel een kerk met parkeerplaatsen te realiseren. Na realisatie wordt het terrein landschappelijk ingericht. 3.3. Foto impressie planlocatie
8
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 Onderstaande informatie in paragraaf 4.1 is gebaseerd op de volgende informatiebronnen: (Rijksoverheid, 2019), (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.) & (Kadviewer, z.d.). De Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden wordt de flora en fauna in combinatie met hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit in stand te houden of te verbeteren. Om te voorkomen dat de natuur in Europa zijn biodiversiteit verliest zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgericht. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen, namelijk de soorten- en gebiedsbescherming Een project mag pas worden uitgevoerd als: • De natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast; • In geval van een negatieve impact een alternatief of milderende maatregelen worden voorzien die de negatieve impact tenietdoen; • Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. In de omgeving van de planlocatie ligt een Natura-2000 gebied namelijk; - Veluwe, gebiedsnummer 57, op circa vier kilometer ten oosten van de planlocatie. Wijziging beleidsvoering: Door het veranderen van de beleidsvoering m.b.t.
tot het landelijk stikstof probleem wordt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gebruikt gemaakt van de beslisboom. Voor alle ”nieuwe” ontwikkelingen moet een AERIUSberekening worden uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan nul Mol/ha/jaar is kan een vergunning worden verleend. Als de stikstof uitstoot toeneemt moet deze berekening worden voorgelegd aan bevoegd gezag (provincie). Deze zal besluiten of er een vergunning voor de voorgenomen werkzaamheden benodigd is. U dient de gemeente te raadplegen of een AERIUS-berekening uitgevoerd dient te worden.
9
Afbeelding 3. Locatie plangebied (rood) N2000 (groen) 4.2. Gelders Netwerk Nederland (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) Het Gelders Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker (Rijksoverheid, z.d.). De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten is met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook terrein voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen, bedrijven en weidevogelgebieden. Met de GO wil de provincie de ontwikkeling van functiecombinaties van natuur met andere functies mogelijk maken wanneer deze substantieel bijdragen aan versterking van de ecologische samenhang (Provincie Gelderland, z.d.). De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van de GNN en de GO. De GNN bevindt zich op circa 2 kilometer ten noordwesten en de GO bevindt zich op 2,5 kilometer ten noorden van de planlocatie.
De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig (Provincie Gelderland, z.d.). 4.3. Weidevogelgebied Met betrekking tot het weidevogelgebied en beschermde landschapselementen geldt dat de planlocatie niet ligt binnen het beschermde gebied. Negatieve effecten zijn niet te verwachten naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling (Provincie Gelderland, z.d.).
10
5. Beschermde flora en fauna 5.1. Flora Het onderzoek heeft plaatsgevonden in een voor flora minder geschikte periode, waardoor een deel van de kruidlaag niet herkenbaar meer aanwezig is. Het perceel bestaat uit een agrarisch grasperceel. Langs de noord- en westkant is een houtwal met in de boomlaag soorten als zwarte els, populier en zomereik aanwezig. In de struiklaag is de gewone braam dominant aanwezig, in de kruidlaag staan restanten van Canadese fijnstraal, bijvoet en grote brandnetel. APV Gemeente Barneveld heeft een Algemene Plaatselijke Verordening (APV) waarop het bewaren van houtopstanden staan vernoemd (Gemeente Barneveld, 2016). Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving, het agrarische gebruik en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. 5.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen.
Beschermde soorten Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) De bunzing en hermelijn komen voor in allerlei verschillende landschapstypen, de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komen deze soorten voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen (Zoogdiervereniging, z.d.) (Zoogdiervereniging, z.d.). Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren.
Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt (Zoogdiervereniging, z.d.) Op de planlocatie is aan de noord- en oostzijde een houtwal met een dicht begroeide struiklaag aanwezig dat een potentie een geschikt habitat bied voor kleine marterachtigen. De houtwal blijft tijdens- en na de ruimtelijke inrichting behouden.
11
Algemene soorten Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis, haas, ree en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied voor. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling Beschermde soorten Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) De houtwal ten noorden en oosten van de planlocatie blijft tijdens de ruimtelijke ontwikkeling behouden. Om negatieve effecten te voorkomen dient er buiten de kwetsbare periode van deze soorten gewerkt te worden, deze loopt van 15 maart tot 1 september. Algemene soorten Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde. 5.3.
Vleermuizen Tijdens de veldinventarisatie is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2017, 2021) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Netwerk Groene Bureaus, 2020) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011). Verblijfplaatsen Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig die worden gekapt. De ruimtelijke ontwikkeling heeft geen negatief effect op mogelijke verblijfplaatsen van deze soort. Foerageergebied en vliegroute Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen, de houtwal ten noorden en oosten van de planlocatie vormen een lijnelement die mogelijk wordt gebruikt als vliegroute van vleermuizen.
Met de nieuwe inrichting, de bouw van een kerk met parkeergelegenheden, is er sprake is van een toename van kunsten strooilicht. Kunst en strooilicht kunnen een negatief effect hebben op mogelijk aanwezige foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Om te bepalen of negatieve effecten optreden dient nader onderzoek te worden uitgevoerd.
12
Migratieroute Mitigatie routes zijn veel rechtlijnige grote elementen als bosranden, (water)wegen en dijklichamen bij voorkeur in open gebied. Het betreffen grote, rechtlijnige elementen waar vleermuizen in een rechtlijnige vlucht snel kunnen verplaatsen van bv. zomer- en winterverblijfplaats. Op de planlocatie ontbreken grote rechtlijnige elementen waardoor een mitigatieroute ontbreekt op de planlocatie, negatieve effecten zijn uitgesloten. Effectenbeoordeling Foerageergebied en vliegroute Om te bepalen of met de voorgenomen werkzaamheden en nieuwe inrichting een effect optreedt op het foerageergebied en vliegroute van vleermuizen, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd, mogelijk met ontheffingsaanvraag als gevolg. 5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Steenuil De steenuil leeft gebruikelijk op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden. Het ideale leefgebied van de steenuil voorziet het hele jaar in voedsel, geschikte nestplek en in voldoende veiligheid. Dit uit zich o.a. in een gevarieerd aanbod van prooien, voldoende nestplaatsen in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, voldoende zit- en uitkijkposten open en erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met (hobby)vee (BIJ12, 2017).
Steenuilen zijn uitgesproken standvogels, ze verblijven het hele jaar in hun relatief kleine territorium. Wanneer het plangebied onderdeel uitmaakt van het territorium van de steenuil behoort dit tot het essentiële leefgebied voor deze soort. Kerkuil De kerkuil komt voor in een cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerlanden, heggen of bosjes. De functionele leefomgeving moet voldoen aan een onbeperkt voedselaanbod. Er moeten voldoende oriëntatiemogelijkheden, schuilplekken en zit- en uitkijkposten zijn. Er mag geen verstoring en versnippering plaatsvinden door grotere wegen en geen heldere lichtbronnen op de broedplek gericht zijn (Vogelbescherming, z.d.). Het foerageergebied van de kerkuil wordt vaak gedeeld met andere kerkuilen, slechts in de buurt van de nestplek is de kerkuil fel territoriaal. Gezien het feit dat er geen nestplek in directe omgeving aanwezig is, zal de planlocatie geen essentiële functie voor de kerkuil vervullen. Negatieve effecten op de kerkuil zijn uitgesloten. Overige vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestlocaties.
Tijdens de inventarisatie n de aangrenzende houtwal geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten aangetroffen.
13
Effectenbeoordeling Steenuil Om te bepalen of met de voorgenomen werkzaamheden en nieuwe inrichting een effect optreedt op het foerageergebied en bijbehorende essentiële functionele leefomgeving, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd, mogelijk met ontheffingsaanvraag als gevolg. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wnb een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wnb wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 5.5. Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemene soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland.
Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
14
6. Conclusies 6.1. Overzicht van de bevindingen Gebiedsbescherming
Aanwezigheid
Effecten
Natura 2000 - zuurgevoeligheid
habitat/soorten mogelijk
Aanbeveling AERIUS-berekening Overleg bevoegd gezag
Overige onderdelen GNN & GO
n.v.t.
Soortgroepen
Aanwezigheid
Effecten
Aanbevelingen
Flora – beschermde soorten
niet
geen
geen
Beschermde- en monumentale bomen
niet
geen
geen
Zoogdieren – beschermde soorten
niet
geen
geen
Zoogdieren – vrijgestelde soorten
mogelijk
mogelijk
zorgplicht
Vleermuizen – verblijfplaatsen
niet
geen
geen
Vleermuizen – vlieg/foerageerroute
mogelijk
mogelijk
nader onderzoek
Vogels – jaarrond beschermde nesten
mogelijk
mogelijk
nader onderzoek
Vogels – algemene broedvogels
mogelijk
beperkt
zorgplicht
Amfibieën/vissen – beschermde soorten
niet
geen
geen
Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten
mogelijk
beperkt
zorgplicht
Reptielen/ongewervelden – besch. soort
niet
geen
geen
beperkt
zorgplicht
Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort mogelijk
15
6.2. Aanbevelingen Gebiedsbescherming • N2000: Wijziging beleidsvoering: Voer een AERIUS-berekening uit om aan te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op N2000 gebied plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan nul mol/ha/jaar is kan een vergunning worden verleend. Als de stikstof uitstoot toeneemt moet deze berekening worden voorgelegd aan bevoegd gezag (provincie Gelderland). Deze zal besluiten of er een vergunning voor de voorgenomen werkzaamheden benodigd is. Fauna •
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel): Werk buiten de kwetsbare periode van de kleine marterachtigen, deze loopt van 15 maart tot 1 september.
•
Vleermuizen - foerageergebied/vliegroute: Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van essentiële foerageergebieden en vliegroutes uit te sluiten. Nader onderzoek bestaat uit twee onderzoeksmomenten en dient uitgevoerd te worden in de periode 15 april – 1 oktober waarvan minimaal een bezoek in de kraamperiode (15 mei-15 juli) en minimaal een bezoek in de periode 1 augustus – 1 oktober
•
Steenuil: Om te bepalen of met de voorgenomen werkzaamheden en nieuwe inrichting een effect optreedt op de essentiële functionele leefomgeving dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Het bepalen van effecten is maatwerk, dit moet worden uitgevoerd door een inzake deskundige in samenwerking met de uilenwerkgroep in de desbetreffende omgeving. De aanwezigheid van de steenuil kan het hele jaar worden aangetoond. De meest optimale periode is van 15 februari tot en met 15 april (BIJ12, 2017);
•
Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen;
•
Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;
Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan;
16
•
Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Flora- en faunawet. De gedragscode is recent aangepast, status in ontwerp goedgekeurd. Wanneer de nieuwe gedragscode is goedgekeurd kan deze worden gebruikt (Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland, 2014); o In ontwerp goedgekeurde gedragscodes Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland heeft een vernieuwde gedragscode opgesteld voor de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en bestendig beheer of onderhoud. De gedragscode kan worden toegepast tijdens de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden op locaties met wettelijk beschermde soorten. De gedragscode geeft invulling aan aantoonbaar zorgvuldig handelen. Behoud en herstel van biodiversiteit staat hierin centraal (Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland, 2020).
17
7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
18
8. Bibliografie Gemeente Barneveld. (2014, Maart). Een mooier buitengebied maken we samen! Opgeroepen op 16 December 2020, van https://landschapsbeheergelderland.nl/wp-content/uploads/Brochure-erfbeplantingBarneveld.pdf Gemeente Barneveld. (2016). Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Barneveld/372624/372624_4.h tml Gemeente Barneveld. (z.d.). Broek- en heideontginningslandschap. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://landschapsbeheergelderland.nl/wp-content/uploads/Inlegvel-erfbeplantingOntginningslandschap.pdf Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Kadviewer. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://kadviewer.map5.nl KNMI. (z.d.). Opgeroepen op 13 December 12, 2020, van https://www.knmi.nl/nederlandnu/weer/waarnemingen Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. (2014, Oktober 22). Gedragsvode Flora- en faunawet bestendig beheer en onderhoud groenvoorzieningen. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/06/Gedragscode%20Flora%20en%20faunawet%20Stadswerk.pdf Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. (2020, Juli 7). Gedragscode Soortenbescherming voor gemeenten.
Opgeroepen op 16 December 2020, van https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/08/Gedragscode%20SW%20EIndconcept%2020200709% 20v1.0.pdf Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Natura 2000 gebieden. Opgeroepen op 16 December 10, 2020, van https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Netwerk Groene Bureaus. (2020, Oktober 28). Vleermuisprotocol 2021. Opgeroepen op 16 December 5, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op 16 December 13, 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://www.pdok.nl/viewer/ Provincie Gelderland. (z.d.). Omgevingsverodening. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://gldanders.planoview.nl/planoview/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningvst1?s=SAAXIYAKQgF7vzJFhERCBAN4P4P_______wP38wJiAMdOCzhy3qgpM4ZOGbcCBA Rijksoverheid. (2019, Oktober 19). Beslisboom: Toestemmingsverlening stikstofdepostitie bij nieuwe activiteiten. Opgeroepen op 16 December 10, 2020, van
19
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/10/12/beslisboomtoestemmingverlening-stikstofdepositie-bij-nieuwe-activiteiten Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland. Opgeroepen op 16 December 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit Zoogdiervereniging. (z.d.). Bunzing. Opgeroepen op April 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bunzing Zoogdiervereniging. (z.d.). Hermelijn. Opgeroepen op April 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/hermelijn Zoogdiervereniging. (z.d.). Wezel. Opgeroepen op April 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel
20
Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing (Overheid, 2015). Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.
Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.
3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt
21
niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).
Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er
22
geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2.
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of
23
13. in het algemeen belang. Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvgb) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd (Overheid, 2015).
24