Walhuisweg II_Toelichting_Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r.pdf
Tekst van het document
Rapportage
Betreft
MER-toetsing locatie kerk Walhuisweg Kootwijkerbroek
Van:
M. Keegstra
Datum:
25-11-2021
1. Aanleiding In deze notitie is de toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit (in dit geval het bestemmingsplan) een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. 1.1 Toetsingskader Uit de eerste toetsing is gebleken dat sprake is van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (zie hoofdstuk 2). Het bevoegd gezag dient te besluiten of het mogelijk maken van een kerk aan de Walhuisweg te Kootwijkerbroek- al dan niet leidt tot belangrijke negatieve milieueffecten die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage). Onderhavige rapportage betreft de aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten.
1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in de eerste plaats in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt beoogde plan, de activiteit, getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling.
2
MER-plicht
2.1 Wet- en regelgeving Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. De m.e.r.procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r..
Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.-toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets.
1
Rapportage Figuur 1 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van:
➢ een directe m.e.r.-plicht of ➢ een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of ➢ een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht
Figuur 1 schema m.e.r.-toets en drempelwaarden
2.1.1
De directe m.e.r.-plicht: milieueffectrapportage
De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de C-lijst wordt overschreden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapportage worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten.
2
Rapportage 2.1.2
De m.e.r.-beoordelingplicht: de (formele) m.e.r.-beoordeling
De wetgever heeft activiteiten aangewezen waarvan de gevolgen van de activiteit op het milieu niet bij voorbaat bekend is. Deze activiteiten zijn opgenomen op de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de Dlijst wordt overschreden, geldt de (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. In de (formele) m.e.r.beoordeling wordt middels het opstellen van een aanmeldingsnotitie beoordeeld of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: ➢ Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden; er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden. ➢ Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op; er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Bij een m.e.r.-beoordeling is het vaak niet noodzakelijk om een diepgaand (en kostbaar) onderzoek uit te voeren om goede uitspraken te kunnen doen of de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Een m.e.r.-beoordeling geldt uitsluitend voor besluiten (kolom 4). Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan (kolom 3), dan geldt altijd en direct de m.e.r.-plicht. De m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria.
Deze criteria zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast dient een formele procedure te worden gevolgd.
2.1.3
De m.e.r.-beoordelingplicht: de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling
De Nederlandse wetgever had (kleine) projecten die de drempelwaarden van de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschrijden, als gevolg van de beperkte invloed op de omgeving, oorspronkelijk vrijgesteld van de m.e.r.-plicht. Het Besluit m.e.r. is echter door - hoofdzakelijk twee Europese uitspraken gewijzigd. Als gevolg van de eerste uitspraak is in 2011 ook voor ‘kleine’ activiteiten de ‘vormvrije m.e.r.- beoordeling’ geïntroduceerd. De inhoud en procedure van deze ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ waren daadwerkelijk vormvrij. Als gevolg van de tweede uitspraak is het Besluit m.e.r. in 2017 nogmaals aangepast en is de procedure en inhoud van de ‘vormvrije’ versie nagenoeg gelijk getrokken aan de m.e.r.beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het doorlopen van een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage) al dan niet noodzakelijk is.
3
Rapportage Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese MER richtlijn’. In feite bestaat er nu slechts één m.e.r.beoordeling en is het verschil tussen de ‘vormvrije’ en de ‘formele’ variant verdwenen.
2.2 Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen 2.2.1
Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht?
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaats vinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Dit zijn projecten met een dusdanige impact op de omgeving waarvan duidelijk is dat nadelige gevolgen voor het milieu niet bij voorbaat uitgesloten kunnen worden. Als er sprake is van m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage te worden opgesteld en gelden de bijbehorende procedurele vereisten (kennisgeving doen met zienswijzetermijn, milieueffectrapportage ter visie leggen en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.). Er kunnen drie oorzaken zijn, van waaruit direct een m.e.r.-plicht ontstaat. Voorwaarde 1: C-lijst Besluit m.e.r.
De bijlage van het Besluit m.e.r. bevat twee lijsten (bijlagen C en D) waarin categorieën van activiteiten zijn opgenomen (kolom 1). Daarnaast wordt in de lijst de omvang beschreven in de vorm van de zgn. drempelwaarden (kolom 2). Kom je boven de drempelwaarde van de C-lijst, dan dient gelijk een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage) doorlopen te worden. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst. Op basis van de bijlage is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk.
Voorwaarde 2: Passende Beoordeling Natuurbeschermingswet
Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Uit de ecologische onderzoeken, met name de stikstofdepositieberekeningen is gebleken dat voor het onderhavige plan het opstellen van een Passende Beoordeling niet nodig is. Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht.
Voorwaarde 3: Provinciale milieuverordening Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De provincie Gelderland heeft een dergelijke aanvulling niet ingevuld. Het provinciaal beleid leidt niet tot m.e.r.-plicht.
4
Rapportage 2.2.2
Er is sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht?
Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van (formele) m.e.r.beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader. Het onderhavige plan komt voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (zie tabel 1.1). De drempelwaarden in kolom 2 worden echter niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht.
Tabel 1: D-lijst, bijlage, Besluit Milieueffectrapportage
2.2.3
Er is sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht?
Omdat het onderhavige plan als activiteit voorkomt op de D-lijst, als plan en als besluit voorkomt in respectievelijk kolom 3 en 4 van de D-lijst, maar de drempelwaarden zoals opgenomen in de tweede kolom niet worden overschreden is het noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling op te stellen. 2.3 Procedure en betrokken partijen Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. De initatiefnemer is de Gereformeerde Gemeente in Nederland, gevestigd Vellerselaan 1 in Barneveld. Het bevoegde gezag is de gemeente Barneveld. De gemeente moet een bestemmingsplan vaststellen om dit plan mogelijk te maken.
5
Rapportage Procedure De initiatiefnemer deelt aan het bevoegd gezag mede dat zij voornemens is een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit te realiseren. Dit doet de initiatiefnemer in deze aanmeldingsnotitie waarin zij de benodigde informatie opneemt op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen over de noodzakelijkheid tot het doorlopen van een m.e.r.procedure (opstellen milieueffectrapportage). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al of niet een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Het (vormvrije) m.e.r.- beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: het ontwerp en vast te stellen bestemmingsplan. Er staat bij een m.e.r.beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het te nemen besluit.
3
De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling
In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' staan drie hoofdcriteria centraal: ➢ de kenmerken van het project; ➢ de plaats van het project; ➢ de kenmerken van de potentiële effecten.
3.1 De kenmerken van de activiteit Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
6
Rapportage Ad a. De omvang van het project De Gereformeerde Gemeente in Nederland is een groeiende gemeenschap en wenst op het perceel kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie G, perceel 1549 aan de Walhuisweg (ten noordoosten van Walhuisweg 4) in Kootwijkerbroek een kerkgebouw te realiseren. De kerkelijke leden uit Kootwijkerbroek kerken thans in Barneveld bij De Hoeksteen. Deze kerk is echter berekend op een bezoekersaantal van ongeveer 2550 personen en er zijn gemiddeld tussen de 2700 en 2800 bezoekers van de kerkdienst. Vanwege de groeiende gemeenschap is het noodzakelijk dat er keuzen worden gemaakt, hetzij uitbreiden hetzij een extra locatie. Aangezien een groot aantal leden uit Kootwijkerbroek komt, is het de wens om een extra kerkgebouw te realiseren in dit dorp. In de toekomst kan het zijn dat het wenselijk is om een pastorie bij de kerk te bouwen. Dit is vooreerst nog niet de bedoeling.
De aard en omvang van het kerkgebouw is niet van dien aard dat dit direct leidt tot de conclusie dat hiermee belangrijke milieugevolgen gepaard gaan die het uitvoeren van een milieueffectrapportage nodig maken. Ad b. De cumulatie met andere projecten De ontwikkeling van de kerk is een op zichzelf staand project. De gemeente heeft plannen om op het perceel tegenover de kerk te zijner tijd een woonwijk te ontwikkelen. De procedure voor deze woninguitbreiding doorloopt een ander tijdpad dan de procedure voor de kerk. Bij de invulling van het perceel voor de kerk is rekening gehouden met mogelijk gewenste openbare voorzieningen ten behoeve van de te realiseren woonwijk. Ad c. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. De kerk wordt nagenoeg energieneutraal gerealiseerd. Zo wordt bijvoorbeeld het gebouw niet aangesloten op aardgas (fossiele brandstof) en zijn de ventilatie en verwarming energiezuinig. Op het platte dak liggen zonnepanelen. Er wordt hoogwaardige isolatie gebruikt en er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen zodat er sprake is van zeer beperkt onderhoud.
De bestaande groene randen om het perceel worden behouden en aan de zuidzijde wordt een nieuwe groene afscheiding aangebracht. De sloot langs de Walhuisweg blijft bestaan en krijgt een functie als wadi. Het regenwater wordt daarmee niet afgevoerd via een rioolstelsel maar blijft op het eigen terrein, hetzij via de wadi hetzij doordat het direct in de aarde kan trekken. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van de realisatie van de kerk geven geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage dient te worden opgesteld.
7
Rapportage Ad d. De productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van het bouwplan en de toekomstige “huishoudelijke” afvalstoffen tijdens het gebruik van de kerk. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad e. Verontreiniging en hinder Volgens de vragenboom behorende bij het Activiteitenbesluit blijkt dat er geen melding of omgevingsvergunning milieu benodigd is. De kerk is een type A-inrichting en er zijn diverse algemene regels uit het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn waaraan gehouden moet worden. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van de kerk is niet aan de orde. Ad f. Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. Ten noorden van de beoogde locatie is op een afstand van 735 m1 hemelsbreed gemeten is een LPG-station gevestigd. Op Meentweg 25, ten zuidoosten van de beoogde locatie en op een afstand van ongeveer 930 m1 hemelsbreed gemeten, is pluimveefokkerij gevestigd. Beide liggen op een dermate afstand dat er geen sprake is van problemen met externe veiligheid. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a.
meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Op het terrein functioneert de aanwezige sloot als wadi. Daarnaast zal de verharding in een soort van open structuur worden aangelegd, zodat het water direct in de grond kan trekken. Een en ander impliceert dat de wadi-functionaliteit slecht bij zeer extreme regenval in gebruik zal zijn. Ad g. Risico’s voor de menselijke gezondheid De realisatie en gebruik van de kerk zorgt niet voor een relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.
8
Rapportage 3.2 De plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik, b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied, c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: -
wetlands, oeverformaties, riviermondingen
-
kustgebieden
-
berg- en bosgebieden
-
natuurreservaten en -parken
-
gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG;
-
gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen
-
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
-
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
De beoogde locatie voor de kerk is op dit moment nog weiland. Er liggen in de directe nabijheid geen beschermde zones. Verder ligt de locatie in de reconstructiewetzone – verwevingsgebied Gelderse Vallei. In deze zone mogen in principe geen nieuwe gebouwen voor het huisvesten van dieren in de intensieve veehouderij worden opgericht. Aan de noord en oostzijde van het perceel ligt een groenstrook. Aan westzijde loopt de Walhuisweg. Direct aansluitend aan noord- en noordoostzijde bevindt zich het bedrijventerrein. Nabij het beoogde perceel aan de zuidoostzijde bevindt zich een intensieve veehouderij. De grens van het bouwblok van de intensieve veehouder ligt ongeveer 50 m1 van de grens van de beoogde locatie. De afstand van het agrarisch bouwblok tot aan het bouwblok waarop de kerk gedacht is, is ruim 100 m1. Verder staan er ten zuidwesten een drietal woningen. Het bouwblok waarbinnen het kerkgebouw gerealiseerd gaat worden is dusdanig gepositioneerd dat alle milieucirkels van bedrijven en woningen zijn gerespecteerd. De locatie ligt binnen de cirkel van de molenbiotoop van de Puurveense molen. Bij het ontwerp is rekening gehouden met de wensen omtrent de molenbiotoop.
9
Rapportage
Op onderstaande kaart van Kootwijkerbroek is de locatie met een rode ster aangeduid.
Figuur 2 Locatie-aanduiding met rode ster
3.3 Kermerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 (de kenmerken van het project en de plaats van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) b. de aard van het effect c. het grensoverschrijdend karakter van het effect d. de intensiteit en de complexiteit van het effect e. de waarschijnlijkheid van het effect f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen
10
Rapportage Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Het betreft de realisatie van een kerkgebouw dat gebruikt zal worden door veel inwoners van het dorp. Het buitenterrein wordt zo ingericht dat er op eigen terrein geparkeerd kan worden, er komt dus ruimte voor auto’s, fietsen en bromfietsen. In overleg met het bevoegde gezag wordt de routing afgestemd waardoor er geen overlast voor de omgeving ontstaat. Daarnaast zal er te zijner tijd als de gemeente de woonwijk die gepland is tegenover de te realiseren kerk ontwikkeld, mogelijk een wegaanpassing volgen. Deze is dan primair ten behoeve van de woonwijk. Het perceel kent al een groene omkadering en aan de zuidzijde zal deze ook worden aangebracht. De beplanting op en om het terrein biedt mogelijkheden voor fauna en flora. Ook het gebouw wordt duurzaam ontwikkeld, de uitvoering biedt ook mogelijkheden voor vogels e.d. om zich te vestigen. Er is geen sprake van geluidoverlast of risico’s in het kader van externe veiligheid. Met de Stichting Puurveense molen is nauw overleg over het plan geweest. Alle milieucirkels van omliggende bedrijvigheid en woningen zijn gerespecteerd.
4
Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling
De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Barneveld op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
11