CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Verbindingsweg-Plaggenweg, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlage 4 Onderzoek ecologie locatie Plaggenweg.pdf

Gemeenteraad 25 mei 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan "Verbindingsweg-Plaggenweg, partiële herziening Buitengebied 2012"6.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend natuuronderzoek Plaggenweg 37 in Kootwijkerbroek In opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV

Colofon Aanvullend natuuronderzoek Plaggenweg 37 in Kootwijkerbroek

Opdrachtgever Contactpersoon

De Bunte Vastgoed Oost BV Dhr. E. Prosman

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum:

2289 Ing. R. Top Ing. R. Boerboom 17 mei 2021

Foto voorblad

Huismus in plangebied (foto: R. Top)

Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 7 3.1

Onderzoeksmethode ............................................................................................ 7

3.2

Resultaten .......................................................................................................... 11

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 16 4.1

Huismus ............................................................................................................. 16

4.2

Kerkuil ................................................................................................................ 17

5

Conclusie ................................................................................................................... 18

6

Bijlagen ...................................................................................................................... 19

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek .................................................................................. 20 Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 22

Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat de geplande sloop van de aanwezige opstallen en woningbouw geen negatief effect heeft op nestlocaties of functioneel leefgebied van de huismus, steenuil en kleine marterachtigen. Tijdens een eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets (SA rapportnummer 2202) is vastgesteld dat er geen negatieve effecten op beschermde soorten van overige soortgroepen verwacht worden, indien verstoring van (overige) broedvogels wordt voorkomen. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Tijdens de geplande werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de huismus en (overige) broedvogels. Bij de inrichting van het werkterrein en de aanleg van aanrijdroutes moet rekening worden gehouden met het functioneel leefgebied van de huismus door het behoud van de bedrijfswoning en opgaande groenstructuren en het voorkomen van verstoring door de onderhavige werkzaamheden. Indien de functionaliteit van het leefgebied van de huismus gegarandeerd kan worden is aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk voor de aangetroffen groep huismussen.

Voor overige soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om de bedrijfsgebouwen van een voormalige nertsenfarm aan de Plaggenweg 37 in Kootwijkerbroek te slopen en op de vrijgekomen grond 3 nieuwe woningen te bouwen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV. Het bureau voerde gericht veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Er zijn plannen om de bedrijfsgebouwen van een voormalige nertsenfarm aan de Plaggenweg 37 in Kootwijkerbroek te slopen en op de vrijgekomen grond 3 nieuwe woningen te bouwen. Staring Advies heeft in opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat aanvullend onderzoek naar huismus, kleine marterachtigen en steenuil noodzakelijk is (SSA, rapportnummer 2202). De heer Prosman is namens De Bunte Vastgoed Oost BV betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen, nestlocaties en functioneel leefgebied van genoemde soorten. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, indien verstoring van broedvogels wordt voorkomen. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Plaggenweg 37 Kootwijkerbroek Barneveld Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een rechthoekig perceel en bevindt zich in het buitengebied ten noorden van de woonkern Kootwijkerbroek, in de gemeente Barneveld. Het gebied wordt begrensd door verharde wegen aan de zuidoost- en zuidwestzijde, door landbouwgrond aan de noordwestzijde en door een woonerf aan de noordoostzijde. Op het perceel bevinden zich een bedrijfswoning met tuin en houten kapschuurtje, een open nertsenschuur, een tunnelloods, een dichte stenen schuur, overdekte nertsenhokken en enkele opgaande groenstructuren. Tevens zijn er aan de noord- en zuidzijde braakliggende terreinen met respectievelijk grondopslag en ruigte. De directe omgeving bestaat uit enkele woonhuizen met bijbehorende tuinen, diverse bedrijven, landbouwgrond, opgaande groenstructuren en verharde wegen (zie figuur 2).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op de huismus, steenuil en kleine marterachtigen in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door verspreide woonerven en bedrijfserven, landbouwpercelen, infrastructuur en groenstroken (zie figuur 2).

2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om alle opstallen aan de Plaggenweg 37 te slopen, met uitzondering van de woning. Het plan is om op de vrijgekomen grond 3 woningen terug te bouwen. Het aanwezige groen blijft zo veel mogelijk behouden.

Pagina 5

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).

Figuur 2. Het onderzoeksgebied (gele stippellijn) met daarin in het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).

Pagina 6

3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het onderzoek naar de huismus, steenuil en kleine marterachtigen besproken. Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald.

3.1

Onderzoeksmethode

Steenuil In de grote open schuur binnen het plangebied zijn tijdens de eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets sporen van de steenuil gevonden. Verblijfplaatsen van de steenuil kunnen zich bevinden in de grote open schuur of in de stenen schuur. Indien deze worden gesloopt gaan er mogelijk verblijfplaatsen van deze soort verloren. Gericht onderzoek is dan ook noodzakelijk om te bepalen of er zich territoria van de steenuil bevinden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden en om vervolgens te bepalen in hoeverre het plangebied in gebruik is als functioneel leefgebied door de steenuil. Conform de richtlijnen uit de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), van het Netwerk Groene Bureaus, en het Kennisdocument Steenuil van BIJ12 (versie 1.0, juli 2017) zijn hiervoor 3 avondronden en één dagbezoek (zoeken naar sporen en nestplekken) in de periode 1 februari tot en met 30 april uitgevoerd (zie tabel 1). Onderzoeker

Ronde

Datum

Begintijd Eindtijd Weersomstandigheden

R. Top

avondronde 1

2-2-2021

17:45 uur

19:30 uur

Half bewolkt, droog, 8°C, wind 1-2 Bft

R. Top

avondronde 2

16-2-2021

18:00 uur

19:45 uur

Half bewolkt, droog, 9°C, wind 1-2 Bft

R. Top

avondronde 3

5-3-2021

18:00 uur

20:00 uur

Onbewolkt, droog, 3°C, wind 1-2 Bft

R. Top

dagbezoek

27-4-2021

10.15 uur

12.15 uur

Zonnig, droog, 12°C, wind 2-3 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek steenuil.

Kleine marterachtigen Het plangebied voldoet aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing, hermelijn en wezel. De geplande werkzaamheden in het plangebied leiden mogelijk tot verstoring, beschadiging of vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats van deze soorten. Om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen aan te tonen een inventarisatie uitgevoerd conform de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel, december 2019). De provincie Gelderland heeft nog geen eigen onderzoeksprotocol voor kleine marterachtigen. Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken. De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige

Pagina 7

elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren. Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen zijn gedurende de looptijd van het onderzoek ingezet in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen en bosranden. Om de aanwezigheid vast te stellen is gebruik gemaakt van een combinatie van de volgende methoden: • •

Cameraval met lokmiddel voor specifiek bunzing en mogelijk hermelijn en wezel Marterbox (type ‘Mostela’) voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing

Hierbij zijn de eenheden bestaande uit één cameraval en één marterbox een aantal weken in het gebied geplaatst. Vanwege de gebiedsgrootte zijn de eenheden op verschillende kansrijke plekken geplaatst in de periode maart-april (zie figuur 3 en foto’s 1 en 2). De cameravallen hebben minimaal drie weken in het veld gestaan (zie tabel 2). Na afronding van het onderzoek zijn de eenheden opgehaald en de fotobeelden van de cameravallen en de camera’s in de marterboxen geanalyseerd en de aangetroffen marters en eventueel overige dieren op naam gebracht.

Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

R. Top

Plaatsen cameravallen

05-03-2021

R. Top

Controleren cameravallen

18-03-2021

R. Top

Ophalen cameravallen

8-04-2021

Tabel 2. Veldonderzoek kleine marterachtigen.

Foto’s 1 en 2. Cameraval (links) en marterbox (rechts) in het plangebied (foto’s: R. Top)

Pagina 8

Figuur 3. Locaties cameraval (geel) en marterbox (rood). Het plangebied is in geel aangegeven.

Pagina 9

Huismus Op de woning naast de te slopen bebouwing, zijn waarschijnlijk nestlocaties van de huismus aanwezig. Ook een deel van de te slopen bebouwing in het plangebied is geschikt als nestlocatie voor deze soort. Gericht onderzoek is dan ook noodzakelijk om te bepalen of er zich nesten van de huismus bevinden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden. Om de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen (territoria/broedlocaties) van de huismus aan te tonen zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Huismus (versie 1.0 juli 2017 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus richtinggevend. De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Volgens de richtlijnen van SOVON Vogelonderzoek Nederland zijn hiervoor 2 ochtendbezoeken uitgevoerd in de periode 1 april – 20 juni (zie tabel 2). Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen (zie tabel 3).

Onderzoeker

Ronde

Datum

Begintijd

Eindtijd

Weersomstandigheden

R. Top

1

8-4-2021

11:45

13:30 uur

Half bewolkt, droog, 7°C, wind 2-3 Bft

R. Top

2

27-4-2021

10:15 uur

12:15 uur

Zonnig, droog, 12°C, wind 2-3 Bft

Tabel 3. Veldonderzoek huismus.

Pagina 10

3.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek besproken.

Steenuil Tijdens de veldbezoeken zijn in het plangebied geen steenuilen aangetroffen. Tijdens zowel het eerste als het tweede veldbezoek is kort een roepende steenuil gehoord buiten het plangebied. In beide gevallen kwam het roepen vanaf een locatie op enige afstand ten zuidwesten van het plangebied. Waarschijnlijk bevindt zich op en rond een erf ten zuidwesten van het plangebied een territorium van een steenuil. Aangezien tijdens de avondbezoeken geen steenuilen in of direct om het plangebied zijn aangetroffen en er op het afspelen van geluiden van territoriale steenuilen niet werd gereageerd, mag worden aangenomen dat het plangebied geen deel uitmaakt van het territorium van een steenuil. Tijdens een bezoek bij daglicht is gezocht naar sporen van de steenuil. Ook tijdens de avondronden is met behulp van een zaklamp gezocht naar sporen. Het zoeken naar steenuilensporen richtte zich voornamelijk op de grote open nertsenschuur, aangezien in die schuur tijdens de quickscan natuurtoets enkele oude braakballen en veren van de steenuil waren aangetroffen. Bij het zoeken naar sporen zijn alleen oude braakballen van de steenuil aangetroffen (zie foto’s 3 en 4). Dit betrof braakballen die ook tijdens het veldbezoek van de quickscan natuurtoets op 13 oktober 2020 zijn aangetroffen. Er zijn geen verse braakballen van de steenuil of andere uilensoorten aangetroffen.

Foto’s 3 en 4: Oude, uit elkaar vallende braakballen van de steenuil (foto’s: R. Top).

Kleine marterachtigen Tijdens het onderzoek naar kleine marterachtigen met behulp van een cameraval en een marterbox in het plangebied zijn geen kleine marterachtigen of andere marters vastgelegd. Ook tijdens de overige veldbezoeken zijn ook geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats van deze soorten in het plangebied.

Pagina 11

De camerabeelden laten hoofdzakelijk beelden zien van bosmuizen (zie foto 5 en 7). Daarnaast zijn ook een rosse woelmuis (zie foto 8) en enkele vogels, zoals de heggenmus (zie foto 6) en winterkoning, te zien.

Foto 5: Bosmuis bij de cameraval.

Foto 6: Winterkoning bij de cameraval.

Pagina 12

Foto 7: Twee bosmuizen in de marterbox.

Foto 8: Rosse woelmuis in de marterbox.

Pagina 13

Huismus Tijdens de veldbezoeken is vastgesteld dat in het plangebied een groep mussen het leefgebied heeft. Dit betreft een groep van naar schatting circa 10 individuen. Van deze groep bevinden zich één of meerdere nesten in de dakconstructie van het te behouden woonhuis in het plangebied. De groep mussen gebruikt hoofdzakelijk de tuin rond deze woning en de grote open nertsenschuur als leefgebied. Slaap- en schuilplaatsen bevinden zich in diverse opgaande groenblijvende en/of dichte struiken rond de woning, zoals een klimopbosschage, een laurierkers en een beuk (zie foto’s 9 en 10).

Foto’s 9 en 10: Bosschages die voor de huismus fungeren als slaapplaats of vaste verblijfplaats (foto’s: R. Top).

De grote open nertsenschuur wordt hoofdzakelijk gebruikt als foerageergebied. Hier zijn bij meerdere bezoeken diverse individuen waargenomen, waaronder een zingende man en een paartje dat kennelijk rustte op een spant van de dakconstructie. In of op dit gebouw zijn verder geen huismussen waargenomen die nestindicatief gedrag, zoals binding met een specifieke plaats binnen de constructie, vertoonden.

Foto’s 11 en 12: Huismussen in de grote nertsenschuur (foto’s: R. Top).

In bijlage 1 is een kaart opgenomen waarin de diverse functies van het leefgebied van de huismus binnen het plangebied zijn weergegeven.

Pagina 14

Overige soorten Tijdens de veldbezoeken zijn behalve de reeds genoemde soorten nog diverse (strikt) beschermde diersoorten aangetroffen. Zo bevonden zich op diverse plaatsen in het plangebied bezette vogelnesten van onder andere houtduif, kauw en merel. Deze nesten bevinden zich onder andere in de dakconstructie van de te slopen grote nertsenschuur, maar ook in de lege nertsenkooien in zowel de grote nertsenschuur als de kleinere overkappingen, in het dak van de te behouden woning (spreeuw) en in bosschages. Tijdens enkele veldbezoeken zijn overvliegende exemplaren van de buizerd en de ooievaar aangetroffen. Deze individuen vertoonden echter geen binding met het plangebied en het plangebied biedt ook geen geschikte nestlocaties voor deze soorten. Tijdens het veldbezoek op 8 april 2021 is in de open nertsenschuur een kerkuil aangetroffen. Deze uil verbleef in een nis in de nok van de schuur en werd tijdens het veldbezoek onbedoeld verstoord, waarna de kerkuil naar een andere plaats in de spanten vloog. Uiteindelijk vloog de kerkuil terug naar de verblijfplaats in de nis in de nok (zie foto’s 13 en 14). Deze kerkuil is slechts tijdens één bezoek aangetroffen. Tijdens de overige bezoeken, zoals de avondronden voor de steenuil, zijn geen kerkuilen aangetroffen. Ook zijn geen sporen van de kerkuil, zoals braakballen, gevonden tijdens de veldbezoeken.

Bij vaste verblijfplaatsen van de kerkuil zijn sporen zoals braakballen altijd makkelijk te vinden. Derhalve kan worden aangenomen dat er zich in de nertsenschuur en in de rest van het plangebied geen vaste verblijfplaatsen van de kerkuil bevinden.

Foto’s 13 en 14: Kerk in de grote nertsenschuur (foto’s: R. Top).

Pagina 15

4 Wet natuurbescherming De effecten op aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 2). Binnen de invloedsfeer van de geplande woningbouw zijn de strikt beschermde huismus en kerkuil vastgesteld. De uit de omgeving van het plangebied bekende of waargenomen buizerd, ooievaar, steenuil en kleine marterachtigen zijn niet aangetroffen binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden.

4.1 Huismus Beschermde status De huismus is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. De nesten van de huismus en het daarbij behorend functioneel leefgebied zijn het gehele jaar beschermd. Bij werkzaamheden aan gebouwen is er vaak sprake van dat er voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus worden weggenomen of dat de functionaliteit daarvan niet behouden kan blijven. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 11: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.

4.1.2 Gebruik van het plangebied Er bevinden zich nestlocaties van de huismus in de dakconstructie van de voormalige bedrijfswoning binnen het plangebied. In de tuin rond deze woning bevinden zich belangrijke groenstructuren die door de huismus worden gebruikt als rust- en slaapplaats. Verder bevinden zich in het plangebied verschillende structuren die fungeren als foerageergebied, zoals de diverse bosschages in en buiten de tuin, en in mindere mate ook de nertsenschuur (zie bijlage 1). De voormalige bedrijfswoning blijft behouden, waardoor van fysieke aantasting van de nestlocaties geen sprake is. Indien er werkzaamheden aan de dakconstructie van dit gebouw plaatsvinden, zoals dakrenovatie, is aantasting van de nestlocaties van de huismus onvermijdelijk en is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Ook de groenstructuren binnen het plangebied blijven behouden, waardoor het meest belangrijke foerageergebied ook behouden blijft. Indien de groenstructuren in het zuidwestelijke deel van het plangebied worden verwijderd of aangetast, tast dit ook de functionaliteit van de nestlocaties aan en is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. De grote nertsenschuur wordt wel in beperkte mate door huismussen gebruikt als schuilplaats en foerageergebied,

Pagina 16

maar door de beperkte geschiktheid voor deze functies en de ruime aanwezigheid van kwalitatief betere schuilplaatsen en foerageergebieden in de bosschages in het plangebied, betreft dit geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de huismussen in het plangebied. De schuur zal worden gesloopt, maar dit levert geen aantasting op van de functionaliteit van de in het plangebied aanwezige nestlocaties van de huismus, indien met de sloopwerkzaamheden met het broedseizoen van de soort rekening gehouden wordt. In het plangebied zullen de bedrijfsgebouwen worden gesloopt en drie vrijstaande woningen worden gerealiseerd. Indien bij de geplande werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en het leefgebied van de huismus, bijvoorbeeld door het zuidwestelijke deel van het plangebied zoveel mogelijk te ontzien bij de inrichting van het bouwterrein en bij de aanleg van aanrijdroutes van bouwverkeer, wordt de functionaliteit van de nestlocaties van de huismus niet aangetast en is geen ontheffingsaanvraag noodzakelijk.

4.2 Kerkuil Beschermde status Alle vogelsoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Daarnaast staat de kerkuil ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dit houdt in dat van de kerkuil de vaste rust- en verblijfplaatsen en de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Ook het leefgebied dat van belang is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld essentiële foerageergebieden, schuilgelegenheden, uitkijkposten etc. ook beschermd zijn. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats of het functioneel leefgebied aangetast wordt, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan sprake is van een overtreding van artikel 11 van de Wet natuurbescherming: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.

Gebruik van het plangebied Tijdens het veldonderzoek is eenmalig een kerkuil waargenomen in het plangebied, die verbleef in de grote nertsenschuur. Bij de andere veldbezoeken en bij het uitgebreide sporenonderzoek zijn geen (sporen van) kerkuilen of andere aanwijzingen gevonden dat er binnen het plangebied sprake is van een vaste verblijfplaats, nestlocatie of leefgebied van deze soort. Aangezien het plangebied kennelijk niet behoort tot het functioneel leefgebied van de kerkuil, is er bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden, waaronder de sloop van de grote nertsenschuur, geen sprake van het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen. Een ontheffingsaanvraag ten aanzien van de kerkuil is niet noodzakelijk.

Pagina 17

5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Het aanvragen van een ontheffing ten aanzien van volgens de Wet natuurbescherming beschermde soorten is niet noodzakelijk. Wel moet tijdens de sloop- en nieuwbouwfase rekening worden gehouden met het aangrenzende leefgebied van de huismus en het voorkomen van (overige) broedvogels.

Pagina 18

6 Bijlagen 1 2

Resultaten veldonderzoek Wettelijk kader

Pagina 19

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek Waarnemingen huismus

Plangebied Nestlocaties huismus (bedrijfswoning) Primair leef- en foerageergebied (binnen plangebied) Secundair leef- en foerageergebied (binnen plangebied) Belangrijke verblijf- en slaapplaatsen in opgaande groenstructuren

Pagina 20

Waarnemingen steenuil

Plangebied Indicatie territorium steenuil op basis van roepende individu

Pagina 21

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 22

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 23

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 24

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 25

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 26

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 27

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 28

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •

•

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 29

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=b7a8868d-d665-437a-8afd-90a0b5f46792