CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Vastgesteld [AANGEPAST] Raadsbesluit 2830_Participatieverordening 2023 .pdf

Gemeenteraad 5 juli 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Actualisatie Participatieverordening27.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Besluit van de raad van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Participatieverordening gemeente Barneveld 2023 Nummer 2830 De raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, 2830; gelet op: - de Wet uitvoeren breed offensief (Stb. 2022, 499, 13 december 2022) - de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet; - de artikelen 6, tweede lid, 8, 8a, eerste lid, 8b en 10b van de Participatiewet; besluit: vast te stellen de Participatieverordening gemeente Barneveld 2023

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Definities 1. Deze verordening verstaat onder: a. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; b. belanghebbende: de persoon wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; indien het gehuwden of daarmee gelijkgestelden betreft, wordt onder belanghebbende elk van de partners verstaan; c. bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en/of bijzondere bijstand; d. college: het college van burgemeester en wethouders van Barneveld; e. uitkeringsgerechtigde: de persoon die algemene bijstand ontvangt op grond van de wet; f. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; g. wet: de Participatiewet. 2. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Awb.

HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE Artikel 2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen 1 jaar; c. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; d. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; e. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen 1 jaar; 1

f. g.

h.

i.

persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken en de voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; werknemer: de persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d, eerste of tweede lid, van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan dan wel dit van plan is.

Paragraaf 2.1 Voorzieningen algemeen

Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen 1. 2.

Het college kan een voorziening ambtshalve dan wel op aanvraag toekennen. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet of onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c.

de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet; d. naar het oordeel van het college de voorziening niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 4. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met 2

voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot 5 jaar; b. de noodzaak van het verrichten van mantelzorg. 5. Het college beoordeelt, voor zover aan de orde en relevant, de proportionaliteit van de inzet van een voorziening, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. 6. De inzet van voorzieningen door het college vindt uitsluitend plaats als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 4 Aanvraagprocedure voorzieningen 1. Een aanvraag voor een voorziening kan bij het college worden ingediend door de persoon ten behoeve waarvan de voorziening wordt aangevraagd of door zijn werkgever. 2. Het college stelt aanvraagformulieren op ten behoeve van het aanvragen van voorzieningen. 3. Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte. 4. Het college wint een deskundig oordeel en advies in als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. Het college bepaalt na overleg met de persoon ten behoeve waarvan de voorziening is aangevraagd, en indien van toepassing, met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het beste kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 6.

Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, van de wet of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. 7. Het college legt binnen 15 werkdagen na afronding van het onderzoek de uitkomsten daarvan vast in een onderzoeksverslag. Deze termijn is onderdeel van de beslistermijn als bedoeld in lid 8. 8. Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit en zendt dit besluit samen met het onderzoeksverslag aan de persoon ten behoeve waarvan de voorziening is aangevraagd en, indien van toepassing, aan de werkgever.

Artikel 5 Inhoud beschikking 1. Het college vermeldt in een beschikking tot toekenning van een voorziening in ieder geval: a. welke voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag en onder welke voorwaarden die wordt verstrekt; c. voor zover aan de orde: de ingangsdatum, duur en intensiteit; d. als de toekenning afwijkt van wat is aangevraagd, de reden van afwijking; e. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college vermeldt in een beschikking tot afwijzing van een voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, welke voorziening voorliggend is.

3

Paragraaf 2.2: Voorzieningen

Artikel 6 Werkervaringsplaats 1. Het college kan een persoon met een korte afstand tot de arbeidsmarkt en die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats aanbieden. 2. Het college kan een premie verstrekken aan organisaties die een werkervaringsplaats beschikbaar stellen. 3. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

Artikel 7 Sociale activering gericht op arbeidsinschakeling 1. Het college kan een persoon met een lange afstand tot de arbeidsmarkt en die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

Artikel 8 Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon met een korte afstand tot de arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een organisatie. De detachering wordt zowel vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en inlenende organisatie als via werkafspraken tussen de werknemer en inlenende organisatie.

Artikel 9 Werkstage 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep en die nog niet actief is geweest op of een lange afstand heeft tot de arbeidsmarkt, een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. 2. Het doel van een werkstage is het kennismaken met een specifiek werkveld, het opdoen van eerste werkervaring en het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. In een schriftelijke stageovereenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; b. de duur van de werkstage en urenomvang per week; c. de te verrichten taken; d. de wijze waarop de begeleiding en evaluatie plaatsvinden.

Artikel 10 Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het is gericht op arbeidsinschakeling, of b. het is gericht op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt, of c. het is kortdurend en gericht op snelle arbeidsinschakeling waarbij in alle situaties de meest doelmatige scholingsmogelijkheid moet worden benut. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.

4

4. Het college kan een persoon een taaltraject gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze de Nederlandse taal niet of niet in voldoende mate beheerst. 5. Een taaltraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het is gericht op het verkrijgen van voldoende taalniveau, en b. het taalniveau moet zijn afgestemd zijn op referentieniveau 1F, en c. de meest adequate taaltraining dient te worden benut. 6. Het vierde lid is niet van toepassing op personen die volledig zijn ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de wet.

Artikel 11 Participatievoorziening beschut werk 1. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken verstrekt het college de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. sociale activering als bedoeld in artikel 7 van deze verordening; b. scholing als bedoeld in artikel 10 van deze verordening; c. persoonlijke ondersteuning als bedoel in de artikelen 13, 14 en 15 van deze verordening; d. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 3. In de additionele dienstbetrekkingen wordt voorzien in volgorde van vaststelling dat gegadigden uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Artikel 12 Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 13 Persoonlijke ondersteuning bij werk, algemeen 1. Het college kan ambtshalve of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 3. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 4. De ondersteuning als bedoeld in het eerste lid kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden anders dan in dienstverband, zoals in het kader van een werkstage, proefplaats of werkervaringsplaats.

5

Artikel 14 Persoonlijke ondersteuning bij werk: jobcoaching 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching ambtshalve of op aanvraag in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan. 3. In afwijking van het eerste lid kan het college persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een interne of externe jobcoach ambtshalve of op aanvraag ook in de vorm van een subsidie aan de werkgever verstrekken. 4. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching als bedoeld in het derde lid kan worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is bij de specifieke werk- en persoonlijke omstandigheden en het noodzakelijke begeleidingsregime en de te verwachten duur van de inzet van de coaching op basis daarvan zijn vastgesteld; c.

de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 5. In geval van subsidieverlening op grond van het derde lid hanteert het college voor jobcoaching een maximumtarief per uur dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 6. Het college kan in beleidsregels uitwerken: a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; b. welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; c. hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; d. hoe de evaluatie van de jobcoaching plaatsvindt. 7. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen en voorwaarden zoals vermeld in het Programma van eisen externe jobcoachvoorziening gemeenten arbeidsmarktregio Foodvalley 2023. 8. De ureninzet van een jobcoach vindt plaats conform één van de begeleidingsregimes als genoemd in het Programma van eisen externe jobcoachvoorziening gemeenten arbeidsmarktregio Foodvalley 2023.

Artikel 15 Persoonlijke ondersteuning bij werk: interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college op aanvraag een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.

Artikel 16 Meeneembare voorzieningen 1. Definities:

6

a.

meeneembare voorziening: een op een medewerker met een arbeidsbeperking toegesneden hulpmiddel dat noodzakelijk is om naar behoren de werkzaamheden te kunnen verrichten, niet aard- en nagelvast is, waarover een werkgever normaliter niet beschikt en geen voorziening betreft in het kader van een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; b. belanghebbende in de zin van dit artikel: de medewerker met een arbeidsbeperking die een meeneembare voorziening nodig heeft. 2. Het college kan aan een belanghebbende een meeneembare voorziening dan wel een vergoeding voor de aanschaf daarvan toekennen voor zover aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: a. de meeneembare voorziening is naar verwachting gedurende minimaal 6 maanden noodzakelijk om de belanghebbende zijn of haar werk te kunnen laten uitvoeren; b. er is sprake van een dienstverband voor de duur van tenminste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week; c. er kan voor de meeneembare voorziening geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening; d. de meeneembare voorziening behoort niet tot de standaarduitrusting van de belanghebbende of de werkgever en is evenmin algemeen gebruikelijk binnen de betreffende branche; e.

de kosten van de mee te nemen voorziening dienen naar het oordeel van het college proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk; f. er naar het oordeel van het college geen sprake is van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd. 3. In afwijking van het tweede lid, onder b, kan een meeneembare voorziening ook worden toegekend bij een proefplaatsing met behoud van uitkering. 4. Een meeneembare voorziening die in natura wordt toegekend wordt in beginsel in bruikleen beschikbaar gesteld aan de belanghebbende tenzij sprake is van een individuele maatwerkvoorziening en/of dat bruikleen gezien de aard van de voorziening niet mogelijk of wenselijk is.

Artikel 17 Proefplaats 1. Het college kan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van de wet, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. De duur van de proefplaatsing is 2 maanden. 3. De periode als bedoeld in het tweede lid kan maximaal twee keer met 2 maanden worden verlengd tot een totale maximale duur van de proefplaatsing van 6 maanden, indien: a. in de persoon van de belanghebbende gelegen factoren een langere periode noodzaken; b. de werkgever kan aantonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is. 4. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. belanghebbende, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de proefplaats bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. belanghebbende niet eerder bij de betreffende werkgever of zijn rechtsvoorganger(s) betaald heeft gewerkt, stage heeft gelopen of onbeloonde werkzaamheden heeft verricht in dezelfde of vergelijkbare functie, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden die naar het oordeel van het college een proefplaats rechtvaardigen; d.

de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal 6 maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 7

5. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als: a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor dat werk, of b. als direct na de proefplaats sprake zou zijn van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 6. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt de ziekteperiode voor de toepassing van de maximale periode dat de proefplaatsing mag duren buiten beschouwing gelaten. 7. Voorafgaand aan de proefplaatsing worden in een schriftelijke overeenkomst tussen de gemeente en de werkgever minimaal vastgelegd: a. dat sprake is van een proefplaats in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van de wet; b. het doel van de proefplaatsing; c. de duur en de urenomvang per week van de proefplaatsing; d. de wijze van begeleiding; e. de intentieverklaring dat de werkgever belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaatsing een dienstverband van minimaal 6 maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaatsing is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaatsing blijkt dat het urenaantal in het belang van belanghebbende verlaagd moet worden; f.

dat de werkgever tijdens de proefplaatsing voor de belanghebbende een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart voor alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades; g. dat belanghebbende de werkzaamheden zal verrichten conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen.

Artikel 18 Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening 1. Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een medewerker die naar de mening van het college een afstand tot de arbeidsmarkt heeft en deze subsidie een bijdrage levert aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het college stelt de maximale hoogte van de loonkostensubsidie vast als percentage van de loonkosten. 3. De maximale duur van de loonkostensubsidie is 24 maanden. 4. Minimaal eenmaal per 12 maanden beoordeelt het college of de loonkostensubsidie nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van de medewerker. 5. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt indien: a. de werkgever in de afgelopen 3 jaar voor dezelfde medewerker loonkostensubsidie heeft ontvangen, met uitzondering van de situaties waarin het dienstverband voortijdig is beëindigd en de reden hiervan niet aan de werkgever verwijtbaar is; b. de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer, met uitzondering van mogelijke belastingvoordelen.

Artikel 19 Vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon indien: a. die persoon door een beperking niet zelfstandig naar de werkplek, opleidingslocatie of reintegratievoorziening kan reizen of door die beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer; b. de vervoersvoorziening uitsluitend strekt tot het woon-werkverkeer. 2. De vervoersvoorziening als bedoeld in het eerste lid kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.

8

3. De hoogte van de vergoeding in geld als bedoeld in het tweede lid is afhankelijk van het aantal keren dat daadwerkelijk wordt gereisd en bedraagt: a. in beginsel het OV-tarief, 2e klasse voor de kortste route van het woonadres naar de betreffende locatie; b. in geval van gebruikmaking van een privéauto, de fiscaal vrijgelaten vergoeding per kilometer voor het aantal kilometers via de kortste route van het woonadres naar de betreffende locatie op basis van de ANWB-routeplanner; of c. in geval van een noodzakelijke, op de specifieke situatie aangepaste vervoersvoorziening, het in de markt reguliere tarief voor die specifieke vervoersvoorziening. 4. Het college brengt eventueel door de belanghebbende (te) ontvangen andere vergoedingen en/of belastingteruggaven inzake de reiskosten in mindering op de kosten van de te verstrekken vervoersvoorziening.

Artikel 20 Intermediaire activiteit bij visuele of motorische beperking Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.

Paragraaf 2.3. Loonkostensubsidie voor personen met een arbeidsbeperking

Artikel 21 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de wet of als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, en b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

Artikel 22 Vaststelling loonwaarde Het college wijst de organisatie aan die hem adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon.

Artikel 23 Aanvraagproces loonkostensubsidie doelgroep banenafspraak 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d van de wet ambtshalve of op aanvraag loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever of, als de aanvraag wordt gedaan door de persoon zelf, aan de werkgever en die persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. 4. Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

9

HOOFDSTUK 3 TEGENPRESTATIE Artikel 24 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de wet. b. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Artikel 25 Inhoud van een tegenprestatie De tegenprestatie mag: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. niet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin het wordt verricht; d. niet leiden tot verdringing.

Artikel 26 Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan iedere belanghebbende een tegenprestatie opdragen. 2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; b. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen; c. als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.

Artikel 27 Duur en omvang van een tegenprestatie De duur, omvang en aard van de tegenprestatie worden in de vorm van maatwerk vastgesteld.

Artikel 28 Mantelzorg Mantelzorg geldt als tegenprestatie.

Artikel 29 Geen werkzaamheden voorhanden Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG Artikel 30 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de wet en de algemene bijstand; b. peildatum: 1 januari van het jaar waarin belanghebbende een individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. referteperiode: periode van 36 aaneengesloten maanden voorafgaand aan de peildatum.

10

Artikel 31 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 32 Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 33 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 350,- voor een alleenstaande; b. € 450,- voor een alleenstaande ouder met kind(eren) jonger dan 12 jaar; c. € 500,- voor een alleenstaande ouder met kind(eren) van 12 jaar tot en met 17 jaar; d. € 500,- voor gehuwden of daarmee gelijkgestelden; e. € 600,- voor gehuwden of daarmee gelijkgestelden met kind(eren) jonger dan 12 jaar; f. € 650,- voor gehuwden of daarmee gelijkgestelden met kind(eren) van 12 jaar tot en met 17 jaar. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de individuele inkomenstoeslag voor belanghebbenden met een inkomen van 101 tot 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm 50% van de in het eerste lid genoemde bedragen. 3. Als één van de gehuwden of de daarmee gelijkgestelde partner is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de wet, komt de rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 4. Voor toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie op de peildatum bepalend.

HOOFDSTUK 5 AFSTEMMING Paragraaf 1 Algemene bepalingen over afstemming

Artikel 34 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet, c. uitkering: algemene bijstand op grond van de wet.

Artikel 35 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de wet worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

11

Artikel 36 Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 37 Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan 1 jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. Van verlaging van de bijstandsuitkering kan het college afzien en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 5. In afwijking van het vierde lid is het geven van een waarschuwing niet mogelijk bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet.

Artikel 38 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de wet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.

Artikel 39 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de wet verleende bijzondere bijstand’.

12

4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.

Paragraaf 2 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 40 Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1) het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet; 2) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende 4 weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de wet; 3) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de wet; 4) het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet; 5) het niet meewerken aan de

toets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de wet; c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet.

Artikel 41 Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 40, wordt vastgesteld op: a. 5% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie.

Paragraaf 3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 42 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.

Artikel 43 Verrekenen periode verlaging in geval van schending geüniformeerde arbeidsverplichting 1. De verlaging bedoeld in artikel 42, wordt toegepast over de maand van oplegging van de verlaging.

13

2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging bedoeld in artikel 42, in drie gelijke delen worden toegepast over de maand van oplegging en de daaropvolgende twee maanden als bijzondere redenen dit rechtvaardigen.

Paragraaf 4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 44 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10%van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,00 tot € 2.000,00; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,00 tot € 4.000,00; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of hoger. 3. Indien er geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld wordt afhankelijk van de omstandigheden een verlaging toegepast van maximaal 100% van de bijstandsuitkering gedurende 1 maand.

Artikel 45 Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich tijdens het verrichten van hun werkzaamheden zeer ernstig misdraagt jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de wet, wordt een verlaging opgelegd van: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in artikel 9, zesde lid, van de wet bedoelde personen; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken van bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in artikel 9, zesde lid, van de wet bedoelde personen.

Artikel 46 Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 10% van de bijstandsuitkering gedurende 1 maand.

Paragraaf 5 Samenloop en recidive

Artikel 47 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 14

3. Als sprake is van een gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 48 Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 40, onder b en c, 42, 44, eerste lid, of 46 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 40, onder a, of 45 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden. 4. De uitkering kan niet met meer dan 100% per maand worden verlaagd. Indien de som van de percentages van de verlaging meer dan 100% bedraagt, wordt de uitkering van de volgende maand verlaagd met het restant van het percentage van de verlaging.

Paragraaf 6 Verlies voorliggende voorziening door toepassing bestuurlijke boete

Artikel 49 Afstemming bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke boete In afwijking van het bepaalde in artikel 44 wordt, indien de belanghebbende(n) geen beroep meer kan (kunnen) doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste 3 maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.

HOOFDSTUK 6 HANDHAVING Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 50 Begripsomschrijving fraude In dit hoofdstuk wordt verstaan onder fraude: het verstrekken van onjuiste en onvolledige gegevens dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van voor de bepaling van het recht op uitkering relevante gegevens met als gevolg dat de uitkering geheel of gedeeltelijk ten onrechte is of wordt verstrekt.

15

Paragraaf 2 Fraudepreventie- en repressie

Artikel 51 Beleidsplan hoogwaardige handhaving 1. Het college stelt een beleidsplan met betrekking tot handhaving vast. Daarin wordt in ieder geval vastgelegd welke preventieve en repressieve maatregelen worden genomen respectievelijk gericht op het voorkomen of het bestrijden van fraude. 2. De preventieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig informeren van (toekomstige) belanghebbenden en het optimaliseren van de dienstverlening. 3. De repressieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig constateren en afhandelen van fraude en geconstateerde fraude daadwerkelijk sanctioneren.

Artikel 52 Validering van gegevens 1. Het college onderzoekt de bij de aanvraag en heronderzoeken overgelegde gegevens. 2. Het college voert bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kunnen bijstandsuitkeringen na verificatie aan veranderde omstandigheden worden aangepast.

Paragraaf 3 Gevolgen van fraude

Artikel 53 Boete Indien belanghebbende gevraagd dan wel ongevraagd onjuiste, onvolledige, niet tijdig of in het geheel geen inlichtingen verstrekt die van belang zijn of kunnen zijn voor de hoogte, de duur of de voortzetting van de bijstand of arbeidsinschakeling, legt het college een boete op, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de eventueel ten onrechte ontvangen bijstand.

Artikel 54 Terugvordering 1. Bijstand die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht, zoals omschreven in artikel 17 van de wet, wordt teruggevorderd overeenkomstig de Beleidsregels terugvordering Pw, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Barneveld. 2. De wijze van terug- en invordering en het geheel of gedeeltelijk afzien daarvan worden vastgelegd in de Beleidsregels terugvordering Pw, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Barneveld.

Artikel 55 Aangifte bij het Openbaar Ministerie Als het fraudebedrag de aangiftegrens sociale zekerheidsfraude overschrijdt, wordt door of namens het college een proces-verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand.

Paragraaf 4 Controle

Artikel 56 Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

16

Artikel 57 Controlemiddelen 1. In het beleidsplan met betrekking tot handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij inconsistenties. 2. Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen. 3. Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN Artikel 58 Intrekking oude verordening en inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli2023. 2. Per datum inwerkingtreding van deze verordening wordt de Participatieverordening gemeente Barneveld, zoals vastgesteld op 24 mei 2017, laatstelijk gewijzigd met het besluit van 9 november 2022, ingetrokken.

Artikel 59 Overgangsrecht 1. Een persoon die gebruik maakt van een re-integratievoorziening op grond van de op 24 mei 2017 vastgestelde Participatieverordening gemeente Barneveld, behoudt die voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in die verordening en wel voor de duur: a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; b. voor de duur dat de voorziening is verstrekt als dat korter is dan de periode als bedoeld onder a. 2. Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 3. De op 25 mei 2017 vastgestelde Participatieverordening gemeente Barneveld blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 60 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Participatieverordening gemeente Barneveld 2023’.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 5 juli 2023 De raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

17

Toelichting bij de Participatieverordening gemeente Barneveld 2023 ALGEMENE TOELICHTING De gemeente dient op basis van de Participatiewet nadere regelgeving vast te leggen in een verordening. Er is voor gekozen om alle op basis van de Participatiewet noodzakelijke nadere regelgeving vast te leggen in een verordening: de Participatieverordening gemeente Barneveld 2023. Per 1 juli 2023 is de Wet van 30 november 2022 tot wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief) in werking getreden. De wijzigingen in de Participatiewet noodzaakten tot de nodige aanpassingen van de Participatieverordening gemeente Barneveld, zoals vastgesteld op 24 mei 2017, laatstelijk gewijzigd met het besluit van 9 november 2022. Het gaat hierbij niet om alleen inhoudelijke wijzigingen. Die wijzigingen hebben ook geleid tot het vervallen van diverse artikelen en het toevoegen van nieuwe artikelen. Dit leidt tot een op onderdelen gewijzigde indeling. Om het overzicht, een logische opbouw en de leesbaarheid te behouden was vervolgens een volledig nieuwe artikelnummering noodzakelijk. Om die reden is ervoor gekozen om per 1 juli 2023 een vernieuwde Participatieverordening in werking te laten treden onder intrekking van de tot dan toe van kracht zijnde Participatieverordening.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Daar waar in de verordening verwezen wordt naar personen met het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ kan desgewenst ook ‘zij’ gelezen worden.

HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE Artikel 2 Definities Onderdeel a. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet is verleend; - personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);

18

-

personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.

Onderdeel c. Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een interne werkbegeleider. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking die hem bij de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat hij zonder die begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om in verband met de beperking meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden. De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega’s, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Zie verder de toelichting bij artikel 14k. Onderdeel d. Jobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden.

Om als jobcoach in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die er op zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Zie verder de toelichting bij artikel 14h. Onderdeel f. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, en artikel 10da van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). Onderdeel g.

Overige voorzieningen Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet moeten er in de verordening regels opgenomen worden voor een drietal specifieke voorzieningen die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke intermediaire activiteiten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’.

Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen Algemeen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de (on)mogelijkheden van de persoon kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering 19

en het voorkomen van isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring. Lid 2 Weigeringsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Lid 3 Beëindigingsgronden Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan.

Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt.

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet-bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.1 Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Lid 4 Het vierde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de belanghebbende te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het vierde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de 1 Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=86e7b613-e1f3-4b46-8426-757bf57ff82e