Toelichting_Bijlage 5 Onderzoek soorten.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuur soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen
Opdrachtgever
Schreuder Adviseurs Volenbekerweg 14 3882 RE Putten
Contactpersoon
Jurgen Schreuder info@schreuder-adviseurs.nl
Uitvoering
Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer
2019098
Versie
Nov.20-v3
Behandeld door
Lex Groenewold
Datum
30 november 2020
Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL005108693B90 • Bank: NL26 INGB 0673.0025.27
Inhoudsopgave 1 2 3 4
Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 3 Aanpak onderzoek ........................................................................................................ 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 5 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 5 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 5 5.2 Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen ................................................................ 5 5.3 Zoogdieren ............................................................................................................
6 5.3.1 Vleermuizen ................................................................................................... 6 5.4 Vogels ................................................................................................................... 6 5.5 Kerkuil ................................................................................................................... 7 5.6 Kerkuilen Tolnegenweg ......................................................................................... 7 5.6.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 8 5.7 Overige soorten ..................................................................................................... 9 6 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 9 6.1 Algemeen .............................................................................................................. 9 6.2 Beschermde soorten.............................................................................................. 9 6.3 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ...................................................... 10 7 Advies .........................................................................................................................
11 8 Literatuur .................................................................................................................... 12 Bijlagen .............................................................................................................................. 12
Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeeld voorzieningen natuurinclusief bouwen 5. Uitdraai NDFF
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
2
Versie: 30 november 2020
1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft het voornemen om op het perceel aan de Tolnegenweg 69 te Voorthuizen, gemeente Barneveld de bestaande schuren te slopen en twee nieuwe woningen te realiseren. Voor de uitvoering is een quickscan natuur noodzakelijk. Het gaat dan om beschermde soorten en verblijfplaatsen en om beschermde gebieden. Dit onderzoek betreft het onderdeel soorten. Een separate rapportage gaat in op het onderdeel gebieden.
2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven in de figuren hieronder en in de bijlage. Het betreft een oud agrarisch perceel met een woning en omliggende schuren. De schuren worden gesloopt en achter op het terrein is een 2-o-1-kap woning gepland. Het geheel wordt landschappelijk ingepast. Vanwege mogelijk beschermde natuurwaarden is een ecologisch onderzoek noodzakelijk (quickscan). Het gaat dan zowel om beschermde soorten als om de effecten voor het nabijgelegen natuurgebied Natura 2000. Deze rapportage beperkt zich tot het onderdeel soorten.
Bestaande (links) en nieuwe situatie
3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
3
Versie: 30 november 2020
levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Er zijn verschillen tussen beschermde soorten de oude Flora- en Faunawet en de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.
Als door het treffen van maatregelen tijdens de werkzaamheden en na de realisatie van het project, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding, is er geen ontheffing nodig. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.
4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofdstuk 5). Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden (hoofdstuk 6). Als er effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.
4.1
Gewenste ontwikkeling
Het plan omvat de sloop van de agrarische opstallen en realisatie van twee nieuwe woningen met bijgebouwen (schuren en ‘hooiberg’). Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het slopen van de bestaande opstallen - het bouwrijp maken van het terrein - het realiseren van een nieuwe woningen en bijgebouwen - het planten van een kleine hoogstam fruitboomgaard - het realiseren van een poel met natuurvriendelijke oevers - de aanleg van tuinen en landschappelijke inpassing
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
4
Versie: 30 november 2020
4.2
Bronnenonderzoek
Het nieuw geplande woongebouw ligt in kilometerhok x:174/y:467. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket en waarneming.nl. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Daarbij is ook gebruik gemaakt van een uitdraai van de NDFF. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst).
4.3
Locatiebezoek
Tijdens een locatiebezoek op 7 november 2019 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Het bezoek levert informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.
5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.
5.1
Vaatplanten
Het plangebied bestaat uit verharding en bemest grasland. Er zijn alleen algemene planten en grassen aangetroffen. Het aangrenzende perceel bestaat grasland. Aan de overzijde van de Tolnegenweg ligt bos behorend bij Natura2000 gebied Veluwe. De in de gegevens van de NDFF genoemde soorten zijn niet aangetroffen of in het plangebied te verwachten. Er is bij verdere realisatie van de plannen geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.
5.2
Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op het perceel is het nu niet geschikt als voortplantingsgebied voor amfibieën en libellen. Behoudens een enkele doortrekker zijn amfibieën hier niet te verwachten. De plannen voorzien wel in de aanleg van een poel, met natuurvriendelijke oevers. De verwachting is dat dit positief zal uitpakken voor deze soortgroepen. Het terrein is geen geschikt leefgebied voor reptielen. Er zijn geen aanwijzingen dat beschermde soorten vlinders of libellen aanwezig zijn of dat er geschikt leefgebied aanwezig is, voor de soorten die in de gegevens van de NDFF worden genoemd. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig.
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
5
Versie: 30 november 2020
5.3
Zoogdieren
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde verblijfplaatsen aangetroffen. In de (wijdere) omgeving zijn waarnemingen bekend van onder meer das, boommarter, egel, eekhoorn, bunzing, ree en vos. Het plangebied zelf is ongeschikt als verblijfplaats voor deze soorten. Dassen kunnen bij het foerageren lange afstanden afleggen. Het is daarom niet ondenkbaar dat de soort het gebied zo nu en dan doorkruist. Dat blijft ook in de nieuwe situatie mogelijk. Datzelfde geldt ook voor de andere genoemde zoogdieren waaronder kleine marterachtigen, zoals hermelijn, bunzing en wezel. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van verblijfplaatsen in het plangebied en deze zijn ook niet te verwachten. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland (algemene soorten art. 7.4.1) en schadesoorten (art. 7.5.1). 5.3.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de wijdere omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de laatvlieger, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. De bestaande schuurtjes zijn open en ongeïsoleerd daarmee niet heel geschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Omdat grootoorvleermuizen nog wel eens in kapschuren verblijven is wel een check uitgevoerd op balken, hoekjes en sporen zoals keutels, maar deze zijn niet gevonden. Met de sloop verdwijnen er daarmee met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen. Eventueel foerageergebied blijft behouden. Het gebied langs de Tolnegenweg zelf lijkt het meest geschikt als foerageergebied in de overgang van bos naar weiland. Het plan voorziet in de aanleg van een poel. Deze is groot genoeg om voor een aantal vleermuissoorten nieuw foerageergebied op te leveren. Zeker in combinatie met de geplande hoogstam fruitbomen. Door in de nieuwbouw ook een aantal verblijfplaatsen mee te nemen is het gebied meer aantrekkelijk te maken voor deze soortgroep. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig.
5.4
Vogels
Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Gezien de tijd van het jaar was het niet de meest geschikte periode voor het waarnemen van vogels. Tijdens het bezoek zijn op of rond het gebied roodborst, spreeuw, houtduif, sperwer, merel en boomklever gezien en/of gehoord. Er zijn nesten aangetroffen van merel, waarschijnlijk van een roodborst en een oud nest van de boerenzwaluw in één van de loodsen. Kerkuil, steenuil en ransuil zijn bekend vanuit de omgeving. Er is specifiek gezocht naar verblijfplaatsen van ui-
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
6
Versie: 30 november 2020
len. Daarbij zijn poepsporen en braakballen gevonden van de kerkuil in de kapschuur. Uit mededelingen van initiatiefnemer blijkt dat er dit voorjaar is gebroed in de kapschuur op de plank van de silo en dat er drie jongen zijn uitgevlogen. Dus niet in de ook aanwezige kast. De laatste maanden heeft de bewoner verder geen uilen meer gezien of gehoord. Aangezien er alleen oudere krijtstrepen en braakballen zijn gevonden en geen verse sporen, lijken de uilen momenteel elders te verblijven. Aangezien het wel een recente broedplaats en daarmee een vaste verblijfplaats betreft is voor de sloop van de loods wel een ontheffing nodig.
5.5
Kerkuil
Kerkuilen zijn vogels van (half)open boeren landschappen. Hij broed vaak in gebouwen, schuren en kapschuren. Kerkuilen zitten overdag vaak verscholen en komen in, maar meestal pas na de schemering tevoorschijn om te jagen op spitsmuizen en veldmuizen. Ze zijn in het algemeen plaatstrouw en gevoelig voor winters met langdurige vorst en sneeuw. De kerkuil is een middelgrote uil en te herkennen aan het hartvormige witte gezicht. De buik van de uil is meestal beige tot wit, waardoor een vliegende uil kan opvallen. De paartijd begint medio februari en zo eind maart is het eerste legsel van 4-7 eieren. Het leefgebied bestaat uit halfopen cultuurlandschap. Ze worden zelden in het bos gezien. In het territorium heeft de uil meestal een aantal vaste plekken waar hij verblijft (roesten). Deze plekken kunnen enkele honderden meters uit elkaar liggen. De omvang van het territorium is variabel tussen de 60-1.200 ha en is mede afhankelijk van de kwaliteit van het gebied. Kerkuilen blijven in de regel hun hele leven wel in hetzelfde leefgebied. Zomer- en winterverblijf en een tweede legsel kunnen wel verschillende locaties binnen het territorium zijn. Een functionele leefomgeving bevat jaarrond voldoende voedsel, heeft een aantal overhoekjes en ruigtes, heeft voldoende schuilplekken, uitzichtpunten, houtsingels e.d. en geen verstoring of versnippering door drukke wegen.
Verlichting op de broedplek is ongewenst. Jonge vogels vliegen uit en zoeken binnen 50-100km een nieuw leefgebied. Het muizenaanbod kan van jaar tot jaar sterk wisselen. Dat heeft een directe invloed op het broedsucces van de kerkuil.
5.6
Kerkuilen Tolnegenweg
In deze situatie is sprake van een nestplaats welke zal verdwijnen bij de sloop van de kapschuur. Het nest van de kerkuil valt onder cat. 3 van jaarrond beschermde nesten. Dat zijn nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Voor wat betreft het foerageergebied is nu sprake van weilanden rondom de gebouwen, zonder dekking. De enige rand is de bosrand langs de Tolnegenweg. Daarmee is de functie van het gebied als foerageergebied met voldoende en gevarieerde dekking beperkt. Gezien de kwaliteit van het gebied is de verwachting dat het hier om een wat groter territorium zal gaan. Het lijkt daarmee niet vreemd dat de uilen na de broedtijd elders in het gebied verblijven. De geplande situatie geeft wat dat betreft een meer halfopen karakter aan het gebied, wat naar verwachting een positief effect heeft op de functionele leefomgeving van het plangebied.
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
7
Versie: 30 november 2020
In de huidige situatie zijn nog paarden en enige rundvee (van derden) aanwezig. Dit heeft dan wel weer een aantrekkende werking op bijv. muizen. In de nieuwe situatie zal dit anders kunnen zijn. Op basis van de situatie is de conclusie dat er met de sloop van de kapschuur een nestplaats verloren gaat maar dat na realisatie van de plannen de functionele leefomgeving niet slechter zal worden. Daarmee is de voornaamste mitigerende maatregel het aanbieden van vervangende nestruimte, liefst in de nabije omgeving en in elk geval binnen het territorium. Daartoe is contact gezocht met de lokale (kerk)uilenwerkgroep. Die is bereid twee plekken te zoeken bij boeren in de omgeving en daar vervangende nestkasten op te hangen (materiaalkosten voor initiatiefnemer). De voorkeur gaat dan ut naar locaties zo dicht mogelijk bij de nestplaats. Gedacht wordt aan bijv. Tolnegenweg 67, 79 of 48. Voorjaar 2020 is reeds een nieuwe kast buiten de kapschuur op het terrein geplaatst. Die is direct in gebruik genomen en er zijn in 2020 vier jongen uitgevlogen. Ook vanuit de kerkuilenwerkgroep bestaat het idee dat het hier vooral om nestgelegenheid gaat. Enige verbetering in variatie in het landschap is welkom. Naast nestgelegenheid is daarom het advies te onderzoeken of in de omliggende weilanden enige variatie is aan te brengen.
Bijvoorbeeld aanleg van een aantal kruidenrijke overhoekjes of wellicht de aanleg van één of meer houtwallen. Of het aanleggen van een dubbel raster lang de rand van het weiland waarbij een overgang ontstaat tussen ruig en open grasland. Nu de kerkuil uit zichzelf al is verplaatst naar een nieuwe kast buiten het plangebied is vooralsnog geen ontheffing Wnb soorten nodig. Het kan nog even duren voordat de schuur daadwerkelijk wordt gesloopt. Er zal t.z.t. wel een nieuwe scan nodig zijn om te bepalen of de uilen niet opnieuw in de schuur zijn gaan zitten. Als dat wel het geval is zal eerst een ontheffing Wnb moeten worden aangevraagd. 5.6.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli - huismus 15 augustus) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels.
Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van een kleine boomgaard overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden.
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
8
Versie: 30 november 2020
Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.
5.7
Overige soorten
Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.
6 Conclusies en aanbevelingen 6.1
Algemeen
Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significante negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd voor de sloop van de agrarische opstallen en nieuwbouw van een 2-o-1kap woning met bijgebouwen op het perceel Tolnegenweg 69 te Voorthuizen, gemeente Barneveld.
6.2
Beschermde soorten
Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten, behoudens een nestplaats van de kerkuil. Verder zijn nesten gevonden van merel, roodborst en een oud nest van de boerenzwaluw. Alle broedende vogels zijn beschermd. Bij aanvang van de werkzaamheden in het broedseizoen verdient het daarom aanbeveling om vanuit de zorgplicht het gebied voorafgaand aan de werkzaamheden nogmaals te controleren op mogelijke verblijfplaatsen. Als broedende vogels aanwezig zijn moet worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Een nestplaats van de kerkuil valt onder cat. 3 van jaarrond beschermde nesten. Als de kapschuur verdwijnt, dan verdwijnt ook de nestplaats. Er is overleg geweest met de lokale kerkuilenwerkgroep. Die zijn bereid te onderzoeken of er op twee plekken een alternatieve nestkast is te plaatsen. Tegen kostprijs worden de kasten bij toestemming ook daadwerkelijk geplaatst. Voorjaar 2020 is in samenwerking met de kerkuilenwerkgroep al een kast opgehangen elders op het terrein. Deze is direct bezet door de uilen uit de kapschuur en er zijn 4 jongen grootgebracht. Daarmee is een ontheffing Wnb op dit moment niet nodig. Het habitat rond de huidige boerderij is verder niet optimaal.
De geplande inrichting van het perceel betekent in potentie een kwaliteitsverbetering. Aanvullend is aan te bevelen te on-
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
9
Versie: 30 november 2020
derzoeken of in het weiland een aantal kruidenrijke overhoekjes is te realiseren. Ook aanleg van één of meer houtwallen zou positief uitwerken op de natuurkwaliteit van het gebied. Als de schuur daadwerkelijk wordt gesloopt is vooraf een check nodig of de uilen niet naar de schuur zijn teruggekeerd. In dat geval dient alsnog een ontheffing Wnb te worden aangevraagd.
6.3
Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen
Naast de kast voor de kerkuil zijn in de nieuwbouw relatief eenvoudig extra voorzieningen (niet verplicht) te realiseren voor vogels zoals huismus, steenuil of boerenzwaluw. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kieren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. Maatregelen voor deze soorten kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende diersoorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Bijvoorbeeld een in te metselen neststeen voor huismus of gewone dwergvleermuis, een speciale nestkast voor de steenuil (bijv. in de aan te leggen boomgaard), of een voorziening voor de boerenzwaluw. Een aantal voorbeelden is weergegeven in Bijlage 4.
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
10
Versie: 30 november 2020
7 Advies
Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Concreet houdt de zorgplicht hier in om de sloop en het bouwrijp maken buiten de broedtijd uit te voeren. Overigens mogen eventuele vroege of late legsels niet worden verstoord. De beste tijd is dan tussen 15 juli en 15 maart. Bij start van de werkzaamheden in de broedtijd vooraf een extra controle uitvoeren op aanwezigheid van broedende vogels. De lokale kerkuilenwerkgroep heeft zich bereid verklaard om te zoeken naar geschikte locaties voor vervangende nestkasten in de nabije omgeving en deze bij toestemming ook te plaatsen (tegen kostprijs). Er is op het terrein reeds een kerkuilenkast geplaatst (voorjaar 2020) welke de uilen direct zelfstandig in gebruik hebben genomen. Een ontheffing voor het vernietigen van een nestplaats is daarmee momenteel niet nodig. Als de feitelijke sloop over een aantal jaar aan de orde is zal uit een nieuwe scan moeten blijken of in de schuur al dan geen beschermde verblijfplaatsen aanwezig zijn. Als tijdens de werkzaamheden onverhoopt andere beschermde soorten worden aangetroffen moet het werk worden stilgelegd tot er een passende oplossing is gevonden.
Advies is dan daarbij een ter zake deskundige in te schakelen. In de nieuwbouw aandacht besteden aan natuurinclusief bouwen (wenselijk maar niet verplicht). Dat kan door een aantal voorzieningen in de nieuwbouw mee te nemen, bijvoorbeeld zoals genoemd in Bijlage 4.
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
11
Versie: 30 november 2020
8 Literatuur
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van & F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van natuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van BiZa, juli 2019, Factsheet woningbouwplannen, stikstof en Natura-2000 gebieden Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000
http://geodata2.prv.gelderland.nl/
www.gegevensautoriteitnatuur.nl www.infomil.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl
www.RAVON.nl
www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeeld voorzieningen natuurinclusief bouwen Uitdraai NDFF
FF soorten Tolnegenweg 69 Voorthuizen Nov.20-v3.doc
12
Versie: 30 november 2020
Bijlage 1 Overzicht situatie Situatieschets
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 gebied Veluwe (geen habitattype) – rood Blauw: eerste zoeklocaties vervangende nestkasten kerkuil
Bijlage 2 Foto’s plangebied
Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving
Samenvatting Wet Natuurbescherming in werking per 1 januari 2017 – versie 16 februari 2017
Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.
Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wetten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Natuurvisie op.
Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvullende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t (medio 2019) in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.
Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provincie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daarnaast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken’. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.
Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden ingediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omgevingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2019). Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omgevingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.
Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele ontheffing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevingsvergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af.
Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)
Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvisie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming wijkt de Wet natuurbescherming af van de voorheen geldende Flora- en Faunawet. Er zijn drie beschermingsniveaus te onderscheiden, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Daarmee wijzigt ook een aantal definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk’ toegevoegd. Het opzettelijk doden, vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situatie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is.
Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbescherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algemene zorgplicht. De indeling in de Tabel 1, 2 en 3 soorten uit de Flora- en Faunawet is verdwenen. Daarvoor in de plaats kunnen de provincies een vrijstellingsverordening opstellen. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau is minder bescherming nodig. Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en strafrechtelijke verboden.
Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaardelijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bijzondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsregeling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verboden genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10. Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar.
3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening.
De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art.
3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aantoonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode. De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorgvuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedragscode conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of beschadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alternatieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de mogelijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan.
In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn
gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Vooralsnog is de verwachting dat de indeling van de jaarrond beschermde nesten niet zal wijzigen onder de Wet natuurbescherming. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken. Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om nader en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).
Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).
Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebieden behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale landschappen. Deze laatste twee zijn nieuw t.o.v. de wetgeving voor 1 januari 2017. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 164 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in principe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag.
De vergunningaanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente. Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (PAS, Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004.
Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen’. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling’. Het positieve effect van maatregelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag. In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en compensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten.
Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effecten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -
Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.
Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt.
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is. Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stikstof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodiversiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam. Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld.
Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Voor de PAS is voor elk van de 118 Natura 2000 gebieden een samenhangend pakket herstelmaatregelen opgesteld op basis van een vastgestelde herstelstrategie per habitattype (69). Uiteindelijk krijgen deze afspraken over stikstof een plaats in de per gebied op te stellen beheerplannen. Op basis van de uitkomsten van de Aerius-calculator was een project vergunningsvrij (<0.05 mol/ha/jr), melding plichtig (tussen 0.05 mol/ha/jr. en de grenswaarde) of was het aanvragen van een Natuurvergunning noodzakelijk (> grenswaarde). De systematiek is echter op basis van een uitspraak van het Europese hof en de Raad van State op onderdelen afgekeurd en mag niet meer op dezelfde wijze worden gebruikt.
Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat.
Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet natuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied.
Is dat het geval, dan is ook een passende beoordeling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk. Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvonden en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof-depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van die agrarische functie).
Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Overige beschermde natuurgebieden Naast de Natura 2000 gebieden dient de provincie conform art. 1.12 ook gebieden aan te wijzen en in stand te houden, welke onderdeel zijn van een samenhangend netwerk van natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland). Tot slot kunnen Gedeputeerde staten ook gebieden aanwijzen buiten het natuurnetwerk Nederland, welke van belang zijn vanwege hun natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden.
Houtopstanden Ook de Boswet is opgenomen in de Wet natuurbescherming (H4 Wnb). In de Boswet was er sprake van een meldplicht en een herplantplicht. Dat blijft ook zo. Opstanden binnen de bebouwde kom, fruitbomen, bos voor biomassa, wegbeplanting e.d. vallen hier buiten (zie art. 4.1 Wnb). Bij het vellen van (een deel van) een houtopstand, moet dit vooraf worden gemeld. Ook is er de verplichting tot het herbeplanten van minimaal hetzelfde areaal binnen drie jaar na het vellen. De herplantplicht geldt niet voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Provincies kunnen bij verordening aangeven, welke gegevens moeten worden aangeleverd en/of er een toeslag geldt op het te herbeplanten areaal. Bronnen: - www.wetten.nl - www.rijksoverheid.nl - www.natuurbeheer.nu - www.Natura 2000.nl - www.infomil.nl - www.rvo.nl - http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/
Vrijstellingen beschermde soorten Gelderland Landelijk (art. 3.1 Besluit natuurbescherming) Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen: Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii); houtduif (Columba palumbus); kauw (Corvus monedula); konijn (Oryctolagus cuniculus); vos (Vulpes vulpes), en zwarte kraai (Corvus corone corone). Concept Omgevingsverordening Wnb provincie Gelderland Landelijke schadesoorten (art. 3.7.2.1) Ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud (art. 3.7.2.3): 24 nationaal beschermde soorten zoogdieren en amfibieën (bijlage 28) Vrijstelling (onder voorwaarden) van verbod op vangen, vernielen voorplantingsplaatsen of rustplaatsen gedurende hele jaar in hele provincie Veiligstellen tegen verkeer (art. 3.7.2.4) Voor overzetten inheemse kikkers, padden en salamanders, maximaal 50m vanaf de vangplaats en na vangst en vervoer onmiddellijk vrijlaten. Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs (art. 3.7.2.5) Voor vervoer en hebben van eieren en kikkervisjes van groene kikker, bruine kikker en gewone pad voor onderwijsdoeleinden. Schadebestrijding (Bijlage 27) - Provinciale schadesoorten: 4 soorten Vrijstelling van verboden voor grondgebruikers (onder voorwaarden) Opzettelijk verstoren: brandgans, spreeuw, roek Opzettelijk doden: woelrat (aangewezen middelen).
Met geweer: spreeuw en roek > ongunstige staat van instandhouding & negatieve trend (landelijk en in provincie) Bijlage 28 Vrijstelling soorten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Gebied: binnen de gehele provincie. Periode: gedurende het hele jaar. V&K = vangkooi en kastval. Toegestane Toegestane middelen Soort Soort middelen vangen vangen V&K Schepnet Aardmuis Kleine watersalamander Bosmuis Bruine kikker Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Hermelijn Huisspitsmuis
V&K Schepnet V&K V&K V&K V&K V&K Schepnet
V&K V&K V&K
Konijn Meerkikker Middelste groene kikker Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige osspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
V&K, fred met buidel Schepnet Schepnet V&K V&K V&K V&K V&K V&K V&K V&K
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Categorieën jaarrond beschermde nesten 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Bescherming