CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting_Bijlage 3 Ecologisch onderzoek.pdf

Gemeenteraad 3 februari 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Dr. Willem Dreeslaan I, partiele herziening Barneveld-Noordoost.8.017 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologisch onderzoek Reservoir Barneveld In het kader van de Wet Natuurbescherming - soortenbescherming

Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier

december 2019 rapportnummer: 191043

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

Ecologisch onderzoek Reservoir Barneveld Beknopt overzicht van de inventarisatiegegevens in het kader van de Wet Natuurbescherming ‘soortenbescherming’

In opdracht van: Vitens N.V. Postbus 1205 8001 BE ZWOLLE Contactpersoon: Dhr. M. Scheerder Uitgevoerd door: Ecologisch Adviesbureau Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen: Onderzoeksmethodiek:

Quickscan (algemeen) en nader onderzoek naar vleermuizen. Auditieve (batdetectors Pettersson D240x, D500x, Anabat Walkabout en Batlogger M), visuele inspectie en geluidsnabootsing.

Auteur: B. Voerman Collegiale toetsing: Kees Weiland Veldwerk: R. Papendorp, K. Weiland en B. Voerman Datum:

december 2019

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto voorzijde: nieuwbouwlocatie met het te slopen pompgebouw op de achtergrond. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie.

2

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

INHOUD INHOUD ................................................................................................................................... 3 1. AANLEIDING EN DOEL............................................................................................................. 4 2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING ....................................................................... 5 2.1 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................................................. 5 2.1.1 Quickscan natuuronderzoek .................................................................................................................. 5 2.1.2 Aanvullende ecologische onderzoeken.................................................................................................. 5 2.2 Volledigheid inventarisatie............................................................................................................................. 6 2.3 Gebiedsbeschrijving...................................................................................................................................... 7 2.4 Geplande werkzaamheden ........................................................................................................................... 7 3.

ONDERZOEKSRESULTATEN ...................................................................................................... 8 3.1 Flora.............................................................................................................................................................. 8 3.2 (Broed)vogels................................................................................................................................................ 8 3.3 Herpetofauna en vissen ................................................................................................................................ 8 3.4 Zoogdieren .................................................................................................................................................... 9 3.4.1 Grondgebonden zoogdieren................................................................................................................... 9 3.4.2 Vleermuizen .......................................................................................................................................... 9 3.5 Ongewervelden ........................................................................................................................................... 10 4.

TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .................................................11 4.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 11 4.2 Effecten ....................................................................................................................................................... 11 4.2.1 Flora .................................................................................................................................................... 11 4.2.2 (Broed)vogels....................................................................................................................................... 11 4.2.3 Herpetofauna en vissen....................................................................................................................... 12 4.2.4 Grondgebonden zoogdieren................................................................................................................. 13 4.2.5 Vleermuizen ........................................................................................................................................ 13 4.2.6 Ongewervelden.................................................................................................................................... 13 5.

CONCLUSIE .........................................................................................................................14 LITERATUUR............................................................................................................................15

BIJLAGEN ...............................................................................................................................15 BIJLAGE 1: VERSPREIDINGSKAART AANGETROFFEN SOORTEN ..........................................................16 BIJLAGE 2: GEBIEDSIMPRESSIE ...................................................................................................17 BIJLAGE 3: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .......................................................18

3

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

1. AANLEIDING EN DOEL Vitens N.V. is voornemens op PB Barneveld een nieuw pompgebouw te bouwen en naderhand het bestaande pompgebouw te slopen. Door deze voorgenomen nieuwbouw en sloop is het van belang inzichtelijk te hebben of beschermde soorten van de planlocatie, de gebouwen en de directe omgeving gebruik maken. Het slopen van gebouwen, verwijderen van een gedeelte van de houtopstand en herinrichten van het plangebied, kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt.

Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is aan Ecochore Natuurtechniek opdracht gegeven voor de uitvoering van een ecologisch onderzoek om zo de mogelijk negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen. Op voorhand is ingeschat dat van vleermuizen te weinig gedetailleerde en recente verspreidingsgegevens voorhanden waren waardoor nader onderzoek naar deze soortgroep is uitgevoerd. Gezien de door het bevoegd gezag voorgenomen wijziging om de kleine marterachtigen van de vrijstellingslijst te halen, is eveneens gericht gezocht naar aanwijzingen van soorten uit deze groep. Om de functie van het gebied voor vleermuizen in kaart te kunnen brengen, is het ecologisch onderzoek uitgevoerd in de periode mei – september. Hierbij zijn verspreid over het zomerhalfjaar verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van deze soortgroepen. Tijdens het aanvullende ecologisch onderzoek in 2019, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Welke soorten maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij de uitvoer van de ingrepen de Wet Natuurbescherming overtreden. Dit rapport beschrijft de bevindingen en consequenties van zowel het quickscan onderzoek als het aanvullende onderzoek.

Ecochore Natuurtechniek

4

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING In mei 2019 is een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd in het omheinde plangebied Willem Dreeslaan 35 zoals weergegeven in figuur 1. Aanvullend aan dit onderzoek zijn diverse onderzoeken in 2019 uitgevoerd voor het in kaart brengen van vleermuizen. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in onderstaande paragraaf nader toegelicht. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van soorten uit deze groep (zie Tabel 1). Gezien de grootte van het plangebied en de onderzoeksinspanning en -methodiek, wordt verwacht dat er geen essentiële functies zijn gemist.

2.1 Onderzoeksmethodiek 2.1.1 Quickscan natuuronderzoek Iedere dier- en plantgroep behoeft zijn eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Dit onderzoek is gestart in de vorm van een quickscan. Er is zowel globaal gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna, als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een éénmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn de aanwezige ecotopen intensief geïnspecteerd op aanwijzingen van beschermde of Rode lijstgenoteerde flora en fauna. Als aanvulling op het veldbezoek zijn verspreidingstabellen en verspreidingsatlassen, met waarnemingen voor de locatie geraadpleegd op het voorkomen van beschermde of Rode Lijstgenoteerde soorten.

2.1.2 Aanvullende ecologische onderzoeken Vleermuizen Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x, Anabat Walkabout, Batlogger M en luisterkist D500x) is de echolocatie, die vleermuizen uitzenden, voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt op een extern opname apparatuur. Tijdens de meeste bezoeken is, naast de standaard batdetector, de volledige tijd gebruik gemaakt van een Batlogger M waarbij alle geluiden zijn opgenomen voor nadere analyse. Met behulp van de computerprogramma’s Batsound en Batexplorer zijn de geluiden nader geanalyseerd. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. De voorzomerbezoeken zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van kraam- en zomerverblijven. Tijdens de nazomerronden lag de nadruk op het in kaart brengen van balts- en paarlocaties en indicaties voor winterverblijven. Het ochtendbezoek is uitgevoerd vanaf enkele uren voor zonsopkomst tot zonsopkomst.

De avondbezoeken in het voorjaar zijn gestart ruim voor zonsondergang tot enkele uren hierna. Gedurende enkele onderzoeksmomenten is in het gebied een luisterkist geplaatst om alle passerende vleermuizen in kaart te brengen. De luisterkist is op verschillende locaties binnen het plangebied geplaatst om zo een maximale spreiding en trefkans te hebben. De bezoeken in augustus en september zijn in de avond- en nachtelijke uren uitgevoerd. Het onderzoek is minimaal 1 uur na zonsondergang gestart. De gebruikte methoden zijn gebaseerd op het vleermuisprotocol 2013/2017 zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging.

Ecochore Natuurtechniek

5

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

In onderstaande tabel zijn specificaties van de onderzoeksmomenten weergegeven. Tijdens alle onderzoekmomenten is gezocht naar aanwijzingen van alle te onderzoeken beschermde soorten. In de tabel is in de laatste kolom weergegeven welke soortgroep als basis van de betreffende onderzoeksronde diende.

bezoekdata

starttijd

weersgesteldheid

hoofdonderzoek

16-05-2019

11:00

bewolking 6/8, droog, windkracht 2 NO, 18 ºC

quickscan

21-11-2019

14:00

bewolking 2/8, droog, windkracht 1 ZO, 10 ºC

quickscan

10-06-2019

22:00

bewolking 6/8, droog, windkracht 2 NO, 22 ºC

vleermuizen - kraam

25-06-2019

03:15

bewolking 4/8, droog, windkracht 2 ZO, 19 ºC

vleermuizen - kraam

12-07-2019

22:00

bewolking 8/8, droog, windkracht 2 NW, 21 ºC

vleermuizen - kraam

31-08-2019

23:00

bewolking 4/8, droog, windkracht 2 ZW, 25 ºC

vleermuizen - balts

28-09-2019

22:15

bewolking 8/8, droog, windkracht 3 ZW, 15 ºC

vleermuizen - balts

Tabel 1. Bezoekdata en weersgesteldheid Onderzoekers: R. Papendorp, K. Weiland en B. Voerman.

2.2 Volledigheid inventarisatie Quickscan natuuronderzoek De inventarisatie is uitgevoerd middels een quickscan. Bij dit type natuuronderzoek wordt aan de hand van feitelijke veldwaarnemingen, literatuur en expert judgement een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische waarden van het gebied voor beschermde soorten planten en dieren. Hierdoor blijft het onderzoek een steekproef en zullen bepaalde soorten en functies niet zijn waargenomen, terwijl ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig kunnen zijn. Voor een meer volledig beeld zijn daardoor aanvullende inventarisaties uitgevoerd. Door veranderingen in de planvorming is binnen het plangebied tweemaal een quickscan uitgevoerd. Aanvullende onderzoeken De aanvullende onderzoeken zijn volgens de genoemde protocollen uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet Natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht, zie kader bijlage 3) van de Wet Natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode zijn gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, zoals de meeste gegevens in het quickscanrapport. Voor zwaar/Europees beschermde soorten als vleermuizen en vogels, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in juni-juli en augustus-september 2019. Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd. Het plangebied is goed overzichtelijk en vanuit verschillende standpunten is een groot deel van het gebouw inspecteerbaar. Voor de volledigheid is tijdens verschillende onderzoekmomenten gebruik gemaakt van een batlogger M en een luisterkist die gedeeltelijk stationair zijn gebruikt om een vollediger beeld te hebben van de aanwezige vleermuissoorten.

Door het uitvoeren van verschillende avond-, nacht- en ochtendbezoeken aangevuld met het gebruik van een batlogger M en luisterkist naast de standaard batdetectors om zo een maximale trefkans te verkrijgen, kan, gezien de onderzoeksinspanning en de verkregen verspreidingsgegevens, worden gesteld dat er een volledig beeld is gekregen van de functies van het gebied voor alle soorten vleermuizen. Ecochore Natuurtechniek

6

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

2.3 Gebiedsbeschrijving Het onderzoeksgebied is gelegen op de grens van de bebouwde kom van Barneveld aan de Dr. Willem Dreeslaan 35. Het terrein betreft een driehoekig, omheind perceel dat wordt in geklemd door bebouwing. Op het perceel staat een pompgebouw, gedeeltelijk omgeven door klinkerverharding, een bovengronds drinkwaterreservoir en enkele houtopstanden. Rondom het pompgebouw is een klein deel gazon met enkele sierheesters aanwezig. Het overige deel van het terrein wordt ingenomen door een opgaande houtopstand bestaande uit soorten als zomereik, Amerikaanse eik, gewone es, taxus, beuk, hulst en grauwe wilg. Langs de noordrand ligt een watervoerende sloot met een rij knotwilgen. Het pompgebouw betreft een met spouwen gemetseld gebouw met plat dak. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 2.

2.4 Geplande werkzaamheden Vitens is voornemens een nieuw pompgebouw te bouwen en na ingebruikname het bestaande pompgebouw te slopen. Voor de nieuwbouw zal een gedeelte van de houtopstand worden gerooid. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ingrepen. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd.

Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied. Bron: Provincie Gelderland.

Uitsnede: globale begrenzing van het Onderzoeksgebied (rood). Blauw - Locatie nieuwe pompgebouw Oranje - Te slopen pompgebouw Ecochore Natuurtechniek

7

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd voor het kilometerhok waarbinnen het plangebied is gelegen: 169-460. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. In bijlage 1 is een verspreidingskaart opgenomen met enkele aangetroffen, beschermde soorten. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 3.

3.1 Flora Binnen het plangebied zijn vrij weinig wilde plantensoorten aangetroffen. Een groot deel van het plangebied is verhard met klinkers en rondom het pompgebouw is sierplantsoen en een gazon aanwezig. De houtopstanden bestaan voornamelijk aan aangeplant bosplantsoen met soorten als zomereik, Amerikaanse eik, gewone es, taxus, beuk, hulst, hazelaar, ruwe berk en grauwe wilg. In de ondergroei staat braam, grote brandnetel en opslag van gewone esdoorn. Een enkele boom is geheel begroeid met klimop. De aangetroffen wilde vaatplanten zijn alle kenmerkend voor pionierssituaties, ruigten, bebouwde omgeving en struwelen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Gezien de intensiteit van de quickscan inventarisatie (eenmalig en in een kort tijdsbestek) is het mogelijk dat er plantensoorten zijn gemist. Aan de hand van de opbouw van het gebied zijn echter geen beschermde soorten te verwachten. Literatuur Verspreidingskaarten van Floron, verspreidingsdatabanken op internet en de Atlas van de Flora van Oost-Gelderland laten geen beschermde soorten zien binnen het kilometerhok en direct aangrenzende hokken waarin het plangebied gelegen is.

3.2 (Broed)vogels Het quickscan onderzoek is uitgevoerd middels twee bezoeken waarvan het eerste bezoek binnen het vogelbroedseizoen. Tijdens dit bezoek is een indruk gekregen van de samenstelling van de aanwezige broedvogelsoorten in de directe omgeving. De aanwezige ecotopen op de planlocatie en directe omgeving (bebouwing en tuinen), bieden potentiële broedgelegenheden voor soorten uit ecologische vogelgroepen als: Struiken, struwelen en heggen Bebouwing en overige groepen (uit: broedvogels en beheer – H. Sierdsema - SOVON)

Tijdens het quickscanonderzoek zijn enkele vogelsoorten territoriaal binnen en rondom het plangebied waargenomen. Dit zijn soorten als koolmees, pimpelmees, vink, winterkoning, merel, roodborst en houtduif. Tijdens het najaarsbezoek was een groot aantal zwarte kraaien en kauwen in de bomen aanwezig. Er zijn geen nestlocaties van vogelsoorten uit categorie 1-4 in het plangebied vastgesteld. Literatuur De atlas van Nederlandse broedvogels laat in het kilometerhok waarbinnen het plangebied ligt een groot aantal algemene broedvogels zien. Hierbij zijn ook enkele categorie 1-4 soorten als huismus, gierzwaluw, sperwer, kerkuil, steenuil en buizerd.

3.3 Herpetofauna en vissen Tijdens het quickscan onderzoek zijn geen waarnemingen verricht van soorten uit de groepen vissen en reptielen. Wel zijn enkele bastaardkikkers gehoord. De sloot langs de noordrand van het gebied is gedurende een deel van het jaar watervoerend. Hierdoor kan deze watergang een voortplantingsbiotoop vormen voor enkele algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Populaties van zwaar beschermde amfibieënsoorten zijn niet op dispersieafstand aanwezig. Beschermde vissen of reptielen zijn niet binnen het plangebied aanwezig door het ontbreken van geschikt leefgebied voor soorten uit deze groepen.

Ecochore Natuurtechniek

8

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

Literatuur De verspreidingskaarten van RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissenonderzoek Nederland) laten enkele beschermde soorten amfibieën in het kilometerhok, en direct aangrenzende hokken, zien waarbinnen het plangebied gelegen is. Het betreft beschermde (vrijgestelde) soorten als kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker. Op grotere afstand, ten noorden van de bebouwde kom van Barneveld zijn enkele waarnemingen van levendbarende hagedis (20101019) bekend geworden. Eveneens is 1 waarneming van hazelworm binnen het kilometerhok (circa 250 meter afstand) bekend geworden (2018).

3.4 Zoogdieren 3.4.1 Grondgebonden zoogdieren Tijdens de veldbezoeken zijn enkele sporen aangetroffen van veldmuis (holen en knaagsporen hazelnoot). Sporen van overige soorten zijn niet gevonden. De planlocatie, en de directe zone hier omheen, biedt enkele algemene zoogdiersoorten een potentieel geschikt leefgebied. Hierbij moet met name gedacht worden aan soorten als: ware muizen, (algemene) spitsmuizen, mol, konijn, egel, haas en kleine marterachtigen. Naast voornoemde soorten is het aannemelijk dat het plangebied binnen het territorium van een steenmarter en mogelijk eekhoorn ligt. Hierdoor zijn waarnemingen van deze beschermde en niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied niet uit te sluiten. Voor de steenmarter zijn in de omgeving gebouwen en houtopstanden die in potentie geschikte verblijfslocaties bezitten. Hierdoor kunnen foeragerende dieren binnen het plangebied worden aangetroffen. Verblijfplaatsen van steenmarters en kleine marterachtigen zijn met regelmaat aan te treffen in gebouwen als schuren en woningen als ook in struwelen en takkenhopen en ruigten. Er zijn echter geen sporen van deze soorten binnen het plangebied gevonden. Boomnesten van eekhoorn zijn eveneens niet aanwezig.

In de opgaande groenstructuren rondom en aansluitend aan het plangebied, zullen eekhoorns aanwezig kunnen zijn waardoor zwervende individuen binnen het plangebied kunnen worden aangetroffen. Gezien het bovenstaande zullen eventuele waarnemingen van steenmarter en eekhoorn binnen het plangebied betrekking hebben op foeragerende of rondtrekken dieren. Literatuur In verspreidingsatlassen zijn enkele meldingen bekend geworden van Nationaal beschermde (niet vrijgestelde) soorten conform artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming zoals eekhoorn en steenmarter. Er zijn binnen het kilometerhok geen verspreidingsgegevens bekend geworden van soorten vermeld onder Artikel 3.5 van de Wet Natuurbescherming. 3.4.2 Vleermuizen Gezien de ecochore1 van het plangebied en de ecologie van verschillende soorten vleermuizen, kan worden aangenomen dat het plangebied een onderdeel vormt in het leefgebied van verschillende soorten. Met name door de ligging op de grens van het buitengebied en bebouwde kom grenzend aan diverse opgaande groenstructuren en de aanwezigheid van bebouwing, kan de planlocatie voor vleermuizen geschikt leefgebied vormen. Tijdens het quickscan onderzoek op 16 mei, zijn rond een open stootvoeg een groot aantal vleermuiskeutels vastgesteld – zie foto 1 en bijlagen 1 en 2. Dit duidt op een verblijfplaats.

Om vast te stellen welk type verblijfplaats en welke soort vleermuis het betreft, is nader onderzoek uitgevoerd gedurende het zomerhalfjaar. Gedurende het onderzoek zijn 2 soorten vleermuizen aangetroffen: Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

(Pipistrellus pipistrellus) (Eptesicus serotinus)

Hieronder worden de resultaten per soort en per functie behandeld.

1

Een ecochore is een ruimtelijk begrensde ecologische eenheid, gekenmerkt door een inwendige heterogeniteit in een halfnatuurlijk of cultuurlandschap. Een ecochore bestaat uit een verzameling ecotopen; bijvoorbeeld de verschillende aan elkaar grenzende ecotopen op en rond een erf of binnen een specifiek landschaptype. Samen vormen deze ecotopen een gevarieerd landschap. Ecochore Natuurtechniek

9

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Deze soort is tijdens alle bezoeken binnen en rondom het plangebied aangetroffen. De soort is vrij windgevoelig waardoor foeragerende en ‘op route’ zijnde dieren afhankelijk zijn van geleidende elementen als houtopstanden en gebouwen. Tijdens het eerste avondbezoek zijn uitvliegende dieren vanuit de tijdens de quickscan vastgestelde uitvliegopening waargenomen. Hierbij zijn 8 uitvliegende dieren geteld. Gedurende latere bezoeken, waaronder het ochtendbezoek, is niet meer vastgesteld dat de verblijfplaats in gebruik was. Gezien het (lage) aantal individuen en doordat geen aanvullende data binnen het kraamseizoen is verzameld (bijvoorbeeld aanwezige jongen of hoge aantallen individuen), is het aannemelijk dat het hier een zomerverblijf betreft. Tijdens de overige voorzomerbezoeken waren slechts enkele individuen op de planlocatie en langs de randen van het perceel aanwezig. Tijdens het ochtendbezoek zijn slechts 5 waarnemingen van deze soort verricht. Gedurende de baltsonderzoeken zijn geen (intensief) baltsende mannetjes gehoord. Wel zijn enkele sociale geluiden, vermoedelijk van een mannetje, opgenomen nabij woningen ten noorden van het gebied en zijn circa 10 individuen foeragerend en op route waargenomen. Baltsvluchten zijn niet vastgesteld.

Een paarverblijf van gewone dwergvleermuizen kan in de te slopen gebouwen worden uitgesloten. Tijdens de najaarsbezoeken is eveneens specifiek gezocht naar zwermgedrag en andere indicaties die kunnen duiden op een winterverblijf. Dergelijke activiteiten zijn niet aangetroffen. Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Deze soort is tijdens de twee voorzomeravondbezoeken waargenomen. Het betrof tijdens beide onderzoeksmomenten slechts 3 op route zijnde dieren afkomstig vanuit het noorden. De dieren vlogen vanaf circa 15 minuten na zonsondergang naar het buitengebied ten zuiden van het plangebied. Er is geen duidelijke binding met het plangebied vastgesteld. Wel zullen de opgaande houtstructuren in enige mate bijdragen aan de vlieggeleiding. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van deze soort aanwezig. Literatuur Verspreidingsatlassen van vleermuizen laten aanwezigheid van verschillende soorten in het kilometerhok zien: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en dergelijke.

3.5 Ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten uit deze groep aangetroffen. De planlocatie is niet geschikt voor de meeste beschermde of Rode Lijstgenoteerde insectensoorten. Een groot deel van de beschermde soorten heeft een strikte binding met water of is afhankelijk van specifieke heischrale biotopen. Doordat dergelijke biotopen ontbreken zijn deze soorten niet te verwachten.

Foto 1: Invliegopening in open stootvoeg met diverse keutels van gewone dwergvleermuis zichtbaar als kleine zwarte puntjes. Ecochore Natuurtechniek

10

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING 4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn.

De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 3.

4.2 Effecten In deze paragraaf worden de effecten van de werkzaamheden, zoals beschreven in paragraaf 2.4, op beschermde soorten getoetst aan de Wet Natuurbescherming.

4.2.1 Flora Binnen het onderzoeksgebied zijn tijdens de quickscan geen beschermde plantensoorten waargenomen. Ook tijdens aanvullende onderzoeksmomenten naar andere soortgroepen zijn geen beschermde of Rode Lijstgenoteerde soorten vastgesteld. Van beschermde soorten zijn geen groeiplaatsen binnen het gebied te verwachten en ook niet bekend geworden in de literatuur. De locatie biedt geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten waardoor deze kunnen worden uitgesloten. Aangezien beschermde soorten ontbreken, is nader onderzoek of ontheffing niet noodzakelijk.

4.2.2 (Broed)vogels Alle te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Flora- en faunawet en de Vogelrichtlijn. Ontheffing voor deze diergroep is in de meeste gevallen niet mogelijk. Dit betekent dat het verstoren, verontrusten, doden en anderszins van vogels en nesten niet is toegestaan. Deze overtredingen zijn mogelijk door het uitvoeren van de geplande werkzaamheden. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor de individuen aanzienlijk minder. Hierdoor is het sterk aan te bevelen buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor bij aanvang van het broedseizoen het verstoringeffect op vogels minimaal is. Globaal kan worden gezegd dat de broedperiode, voor de mogelijk aanwezige soorten, ligt tussen 1 maart en 15 juli. Hierbij dient wel te worden op gemerkt dat indien broedende vogels in een Ecochore Natuurtechniek

11

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

andere periode van het jaar worden aangetroffen, hierbij zorgvuldig dient te worden omgegaan zodat verstoring van de broedende vogels wordt voorkomen. Niet alle vogels maken jaarlijks een nieuw nest om te broeden. Een deel van de soorten gebruikt jaarlijks hetzelfde nest of dezelfde locatie om hun jongen groot te brengen. Ook zijn er soorten die jaarrond gebruik maken van vaste verblijfplaatsen. Voor deze soorten geldt dat de nest- of verblijflocaties jaarrond beschermd zijn en dat inzichtelijk gemaakt moet worden welke gevolgen de werkzaamheden voor deze soorten hebben. Door het ministerie van LNV is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: ‘Aangepaste lijst beschermde vogelnesten’ van het ministerie van LNV 2009 – zie ook bijlage 3. De nestlocaties en vaste verblijfplaatsen van de hierin beschreven soorten zijn ook in perioden beschermd als er tijdelijk geen gebruik van de nestlocatie wordt gemaakt. De betreffende soorten zijn verdeeld in 5 categorieën, zie bijlage 3. Categorie 1-4 soorten Binnen het plangebied zijn geen broedlocaties van soorten uit categorie 1-4 aanwezig. Categorie 5 soorten Binnen het plangebied zijn effecten op soorten van categorie 5 niet uit te sluiten.

Hoewel er geen feitelijke broedlocaties van soorten uit deze categorie zijn vastgesteld, kunnen de aantroffen soorten als koolmees en pimpelmees en nog enkele andere soorten uit deze categorie, binnen het plangebied en de directe omgeving een territorium bezetten en kan het plangebied als foerageergebied fungeren. Een groot deel van de aanwezige houtstructuren blijft behouden. Voor het nieuwe pompgebouw zal een deel van de houtopstand worden gerooid waardoor mogelijk enkele potentieel geschikte nestlocaties verdwijnen. Er zijn echter in dit deel geen potentieel geschikte holten en nissen aangetroffen die in gebruik kunnen zijn als nestlocatie. Wel is 1 boom begroeid met klimop waarin een nestlocatie niet kan worden uitgesloten. Doordat een groot deel van de houtopstanden behouden blijven en de ligging nabij het buitengebied en diverse tuinen, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er voldoende alternatief geschikte broedlocaties behouden blijven. Eveneens zal het gebied geschikt blijven voor deze soorten met mogelijkheden om te foerageren en schuilgelegenheid. Hierdoor is geen nader onderzoek of een afweging voor soorten uit deze categorie noodzakelijk. Door het ontbreken van nestlocaties van soorten uit categorie 1-4 is geen ontheffing of het treffen van maatregelen noodzakelijk.

Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd of indien er bomen met holten of nesten worden gerooid, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld.

4.2.3 Herpetofauna en vissen Alle amfibieën en reptielen en enkele vissoorten zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming. Binnen het plangebied zijn geen geschikte voortplantingswateren voor strikt beschermde vissen of amfibieën aanwezig. In de naastgelegen sloot kunnen enkele algemene amfibieënsoorten een voortplantingsbiotoop hebben waardoor rondzwervende, licht beschermde soorten binnen het plangebied kunnen worden aangetroffen. Deze soorten vallen onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelworm De houtopstanden binnen het plangebied zijn matig geschikt leefgebied voor hazelworm. Gezien de beperkte oppervlakte, is een levensvatbare populatie niet te verwachten. Wel kan het gebied een onderdeel vormen in een groter leefgebied, doordat het aansluit bij het buitengebied met struwelen, lijnvormige beplantingen en erven. Hierdoor zijn zwervende dieren binnen het plangebied niet uit te sluiten. De waarneming van een hazelworm in 2018 op circa 250 meter afstand, bevestigd dit. Om te voorkomen dat individuen worden gedood tijdens het vergraven van de strooisellaag, wordt geadviseerd voorafgaande aan de daadwerkelijk uitvoer ecologische begeleiding toe te passen bij het bouwrijp maken van de nieuwbouwlocatie.

Hierbij worden eventueel aanwezige dieren gevangen en veiliggesteld.Gedurende de bouw en voorafgaande aan de sloop van het huidige pompgebouw is geen begeleiding noodzakelijk. Voor herpetofauna en vissen zijn geen nadere onderzoeken of ontheffing noodzakelijk voor het uitvoeren van de geplande werkzaamheden. Doordat het gebied mogelijk leefgebied vormt van Ecochore Natuurtechniek

12

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

hazelworm, is voorafgaande aan het bouwrijp maken voor de nieuwbouw, ecologische begeleiding noodzakelijk.

4.2.4 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn enkele sporen van veldmuis (holen en knaagsporen) aangetroffen. Overige soorten zijn niet vastgesteld. Het plangebied, in samenhang met omliggende groenstructuren, vormt in potentie geschikt leefgebied voor soorten als: ware muizen, woelmuizen, spitsmuizen, egel, mol, konijn, haas en kleine marterachtigen. De meeste van deze (mogelijk) aanwezige soorten staan vermeld op de vrijstellingslijst van de provincie waardoor een vrijstelling geldt voor Ruimtelijke Ontwikkelingen en Ingrepen en geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Aanwezigheid van niet vrijgestelde soorten zoals steenmarter, eekhoorn, kleine marterachtigen en egel, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. De ligging op de grens van het buitengebied en bebouwde kom met diverse groenstructuren, tuinen en bebouwing, kan door deze soorten wel als foerageergebied worden gebruikt waardoor zwervende dieren kunnen worden waargenomen. De geplande werkzaamheden zullen echter niet resulteren in het verwijderen of verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten. Ook zal het gebied en de omgeving blijven functioneren als potentieel foerageergebied waardoor geen nadere afweging ten aanzien van deze soorten noodzakelijk is. Overige, niet vrijgestelde, soorten zijn redelijkerwijs uit te sluiten.

Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken, en er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op zwaar beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

4.2.5 Vleermuizen Gedurende het onderzoek zijn 2 soorten vleermuizen aangetroffen. Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

(Pipistrellus pipistrellus) (Eptesicus serotinus)

In het te slopen pompgebouw is een zomerverblijf van gewone dwergvleermuis aanwezig. Door de voorgenomen sloop zal deze locatie verdwijnen waardoor een ontheffing dient te worden aangevraagd en mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Een van de mogelijke compensatiemogelijkheden kan zijn om enkele inmetselkasten in het nieuwe pompgebouw aan te brengen. Van laatvlieger zijn geen verblijfplaatsen binnen het plangebied aanwezig. Foerageergebied en vliegroute Doordat het feitelijke plangebied voor geen van de vleermuissoorten als essentieel foerageergebied of vliegroute kan worden aangemerkt, is in dat kader geen nadere afweging noodzakelijk. In het te slopen pompgebouw is een zomerverblijf van gewone dwergvleermuis aanwezig. Voorafgaande aan de sloop dient een ontheffing te worden aangevraagd en moeten compenserende maatregelen worden getroffen. In verband met de doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag en de gewenningsperiode ten aanzien van de compenserende maatregelen, is het raadzaam dit tijdig in het proces op te pakken. Voor de nieuwbouw is geen ontheffing noodzakelijk.

4.2.6 Ongewervelden Het gebied is niet geschikt als voortplantings- en leefgebied voor beschermde en Rode lijstgenoteerde vlinders en overige insecten. Beschermde soorten zijn niet te verwachten aangezien de soorten van deze groepen veelal erg kritisch zijn op het biotoop. Gezien het bovenstaande is geen nader onderzoek naar ongewervelden noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

13

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

5. CONCLUSIE Op de planlocatie is een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een quickscan, aangevuld met gericht onderzoek naar vleermuizen. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor beschermde dier- en plantsoorten. Vitens is voornemens een nieuw pompgebouw te bouwen en na ingebruikname het bestaande pompgebouw te slopen. Voor de nieuwbouw zal een gedeelte van de houtopstand worden gerooid. Flora Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten waardoor geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Vogels Door het ontbreken van nesten en vaste rustlocaties van vogels uit categorie 1-4 zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk. Indien de fysieke werkzaamheden als de sloop, binnen het broedseizoen worden uitgevoerd (globaal genomen binnen de periode 1 maart-15 juli), kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord of nesten worden vernield doordat diverse soorten als broedvogel in het gebied aanwezig kunnen zijn. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld. Herpetofauna en vissen Voor herpetofauna en vissen zijn geen nadere onderzoeken of ontheffing noodzakelijk voor het uitvoeren van de geplande werkzaamheden.

Doordat het gebied mogelijk leefgebied vormt van hazelworm, is voorafgaande aan het bouwrijp maken voor de nieuwbouw, ecologische begeleiding noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste rust – of verblijfplaatsen van soorten uit deze groep aanwezig. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken, en er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op zwaar beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen In het te slopen pompgebouw is een zomerverblijf van gewone dwergvleermuis aanwezig. Voorafgaande aan de sloop dient een ontheffing te worden aangevraagd en moeten compenserende maatregelen worden getroffen. In verband met de doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag en de gewenningsperiode ten aanzien van de compenserende maatregelen, is het raadzaam dit tijdig in het proces op te pakken. Voor de nieuwbouw is geen ontheffing noodzakelijk. Ongewervelden Voor ongewervelden is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Volledigheid onderzoek Binnen het plangebied, zijn enkele natuuronderzoeken uitgevoerd. Samen geven deze onderzoeken een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van (zwaar) beschermde soorten.

Aan de hand van de bevindingen van de onderzoeken, de samenstelling van de aangetroffen soorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen zwaar beschermde soorten met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist. Hierdoor kan het natuuronderzoek als volledig worden beschouwd.

Voor de sloop van het huidige pompgebouw is een ontheffing noodzakelijk ten aanzien van gewone dwergvleermuis. Voor de nieuwbouw wordt ecologische begeleiding geadviseerd ten aanzien van hazelworm. Voor de nieuwbouw is geen ontheffing noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

14

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

LITERATUUR www.minlnv.nl www.gelderland.nl www.zoogdieratlas.nl www.verspreidingsatlas.nl www.verspreidingskaarten.nl www.ravon.nl www.floron.nl www.bij12.nl www.NDFF.nl H. Limpens et al. 1997; Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Drs. E.J. Weeda et al. 2003; Nederlandse Ecologische Flora – Wilde planten en hun relaties. KNNV-uitgeverij. Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVONonderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. Smit, J.T. 2007. Actuele en potentiële verspreiding van het vliegend hert in Nederland. Eis. Spitzen - van der Sluis, A.M., G.W. Willink, R. Creemers, F.G.W.A. Ottburg, R.J. de Boer, P.M.L. Pfaff, W.W. de Wild, D.J. Stronks, R.J.H. Schröder, M.T. de Vos, D.M. Soes, P. Frigge en R.P.J.H. Struijk, 2007. Atlas reptielen en amfibieën in Gelderland. 1985-2005. Stichting RAVON, Nijmegen.

BIJLAGEN Bijlage 1: Verspreidingskaart aangetroffen soorten Bijlage 2: Gebiedsimpressie Bijlage 3: Toelichting Wet Natuurbescherming

Ecochore Natuurtechniek

15

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

BIJLAGE 1: VERSPREIDINGSKAART AANGETROFFEN SOORTEN

Figuur 2: Verspreidingsgegevens beschermde soorten. Het rode kader betreft globaal het onderzoeksgebied. Legenda: - gewone dwergvleermuis - laatvlieger Stippen

- vleermuizen - losse waarnemingen (indicatief; de stippen geven een indruk van de dichtheid en verspreiding en geen absolute waarde – (samenvatting van alle bezoeken) Pijlen/stippellijn - foerageeractiviteit en vliegroutes. Ster - verblijfplaats vleermuizen Bliksemschicht – werfroepend of baltsend mannetje.

Ecochore Natuurtechniek

16

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

BIJLAGE 2: GEBIEDSIMPRESSIE

1

2

3

4

5

6 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Te slopen pompgebouw met invliegopening vleermuisverblijf. Te slopen pompgebouw. Achterzijde te slopen pompgebouw. Pompgebouw met invliegopening vleermuisverblijf. Houtopstand als locatie voor de nieuwbouw. Watervoerende sloot langs de noordzijde van het perceel. Nieuwbouwlocatie.

7 Ecochore Natuurtechniek

17

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

BIJLAGE 3: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10

§ 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

§ 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ecochore Natuurtechniek

18

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld Artikel 3.8 – lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen.

Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.

Ecochore Natuurtechniek

19

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. 2.

3.

4.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Het betreft de vogelsoorten: Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

(Falco subbuteo) (Buteo buteo) (Apus apus) (Motacilla cinerea) (Accipiter gentilis) (Passer domesticus) (Tyto alba) (Bubo bubo) (Ciconia ciconia) (Asio otus) (Corvus frugilegus) (Falco peregrinus) (Accipiter nisus) (Athene noctua) (Pernis apivorus) (Milvus migrans).

Er zijn ook vogelnesten die worden aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet strikt beschermd. 5.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen, dan dient altijd een omgevingscheck uitgevoerd te worden. Een deskundige dient te onderzoeken of er voor de soort in de omgeving voldoende plekken en materiaal aanwezig zijn om zelf een vervangende locatie te vinden en een vervangend nest te maken. Indien dit niet mogelijk is, dient een vervangende nestlocatie aangeboden te worden. Wanneer dit ook niet mogelijk blijkt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing kan alleen verkregen worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Wettelijke belangen zijn: bescherming van flora en fauna; veiligheid van het luchtverkeer; volksgezondheid of openbare veiligheid. Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden.

Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” – 3 december 2016.

Ecochore Natuurtechniek

20

Ecologisch onderzoek reservoir Barneveld

Ecochore Natuurtechniek

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=86e76204-2f2a-47bd-acb3-f8894363224c