CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Van Zuijlen van Nieveltlaan 58_Motivering_Bijlage 5 H22g Quickscan ecologie

Gemeenteraad 22 april 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Wijziging TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22g Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld6.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan soorten natuur planwijziging Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 te Barneveld

Opdrachtgever

De Bunte Vastgoed Oost bv

Contactpersoon

Frits Bos advies@oramba.nl

Uitvoering

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer

2024-084

Versie

Aug.24-v2

Behandeld door

Lex Groenewold

Datum

12 augustus 2024

Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90 • Bank: NL20 KNAB 0407 9135 48

Inhoudsopgave 1 2 3

Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 3.1 Omgevingswet ....................................................................................................... 4 3.2 AMvB’s: Bal, Bkl en Or .......................................................................................... 4 3.3 Gebiedsbescherming ............................................................................................. 4 3.4 Soortbescherming.................................................................................................. 5 3.5 Algemene en specifieke zorgplicht ......................................................................... 5 4 Aanpak onderzoek ........................................................................................................ 5 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 6 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................

6 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 6 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 7 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 7 5.2 Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen ................................................................ 7 5.3 Zoogdieren ............................................................................................................ 7 5.3.1 Vleermuizen ................................................................................................... 8 5.4 Vogels ................................................................................................................... 8 5.4.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 9 5.5 Overige soorten ................................................................................................... 10 6 Gebiedsbescherming .................................................................................................. 11 6.1 Natura 2000-gebieden .........................................................................................

11 6.2 Natura 2000-activiteit ........................................................................................... 11 6.3 Situatie Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 ................................................................ 12 6.4 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) .................... 12 7 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 13 7.1 Algemeen ............................................................................................................ 13 7.2 Beschermde soorten............................................................................................ 13 7.3 Beschermde gebieden ......................................................................................... 13 7.4 Voorbehoud en zorgplicht .................................................................................... 13 7.5 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ...................................................... 15 8 Samenvatting en advies.............................................................................................. 17 9 Literatuur ....................................................................................................................

18 Bijlagen .............................................................................................................................. 18

Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Voorbeeld maatregelen

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

2

Versie: 12 augustus 2024

1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft het voornemen de bestaande woning aan de Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 te Barneveld te slopen en te vervangen door een appartementencomplex, met maatschappelijk functies op de begane grond. Hiervoor is november 2023 een quickscan soorten uitgevoerd. Deze moet worden omgezet naar de regels onder de Omgevingswet. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd dit uit te voeren.

2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven in de figuren hieronder en in de bijlage. De planlocatie ligt in het noordoosten van Barneveld. De Van Zuijlen van Nieveltlaan is een vrij drukke weg, uitkomend op een geregelde kruising met de nog drukkere Dr. W. Dreeslaan en de provinciale weg naar Kootwijkerbroek. Plan is de bestaande woning te slopen en een appartementengebouw te realiseren, met drie bouwlagen. De plint van het gebouw biedt ruimte voor maatschappelijk activiteiten, op de 1e en 2e verdieping komen appartementen. De bedoeling is dan dat mensen met een beperking en/of afstand tot de arbeidsmarkt kunnen deelnemen aan zinvolle dagbesteding en duurzame deelname aan arbeid. Daarnaast is het plan een vrij toegankelijke ecologische belevingstuin te realiseren. De quickscan moet duidelijk maken of door de sloop beschermde soorten of verblijfplaatsen in het geding zijn.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

3

Versie: 12 augustus 2024

3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is per 1 januari 2024 beschermd onder de Omgevingswet. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten.

3.1

Omgevingswet

De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Inhoudelijk is de Wet op hoofdlijnen vergelijkbaar met de Wnb, maar wat betreft procedure en terminologie is wel het één en ander gewijzigd. Zo is het begrip flora- en fauna-activiteit geïntroduceerd. Dat is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Bij mogelijk negatieve gevolgen kan een omgevingsvergunning nodig zijn (was ontheffing onder de Wnb). Er gelden rijksregels voor een dergelijke omgevingsvergunning, bijvoorbeeld over het aanvragen of het beoordelen ervan. Ook kunnen er (decentrale) vrijstellingen zijn. De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag.

3.2

AMvB’s: Bal, Bkl en Or

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is in afdeling 11.2 opgenomen welke flora- en fauna-activiteiten vergunningplichtig zijn. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald onder welke voorwaarden een vergunning is te verlenen (Par. 8.6.2 Bkl). Een programma of omgevingsverordening kan aangeven dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde flora- en fauna-activiteiten (vergunningvrije activiteiten). Ook de Omgevingsregeling (Or) kan vergunningvrije activiteiten aanwijzen. Diverse flora- en fauna-activiteiten waarvoor een gedragscode geldt, kunnen vergunningvrij worden uitgevoerd (Bal: art. 11.45, tweede en derde lid (vogels), 11.53, tweede en derde lid (habitatrichtlijn) en 11.59, tweede en derde lid (andere beschermde soorten)). Voor het vaststellen van de gedragscodes gelden verschillende criteria. En het verrichten van die activiteit moet ook feitelijk plaatsvinden volgens deze geldende gedragscode. De Omgevingsregeling wijst aan voor welke flora- en fauna-activiteiten er een gedragscode geldt.

3.3

Gebiedsbescherming

Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Ow daarop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura 2000-gebieden. De provincie is meestal het bevoegd gezag en is verantwoordelijk voor het opstellen van beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden (verplicht programma). In de Omgevingsverordening kan de provincie het beleid t.a.v. Natura 2000-gebieden vastleggen en bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen aanwijzen. Ook geeft de verordening invulling aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de verordening zijn regels opgenomen wat wel en niet mag en onder welke voorwaarden. Beleidsregels die de provincie kan uitwerken betreft bijv. het salderen van stikstof, een vrijstelling voor het beweiden door vee buiten een bepaalde bufferzone, een vrijstelling bij bestendig beheer en onderhoud en welke nesten jaarrond bescherming genieten.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

4

Versie: 12 augustus 2024

3.4

Soortbescherming

Voor de soortbescherming zijn er drie beschermingsregimes, te weten de soorten genoemd in de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de soorten als genoemd in bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn is van toepassing op alle in het wild levende vogelsoorten. Voor de in bijlage I genoemde soorten zijn speciale beschermingszones aangewezen. Dat geldt ook voor de in Bijlage II van de Habitatrichtlijn opgenomen soorten. Er is strikte bescherming geregeld voor de volgende soorten: - In het wild levende dieren en planten van bijlage IVa resp. IVb bij de Habitatrichtlijn, of; - In het wild levende planten en dieren van bijlage I resp. II en III bij het verdrag van Bern, of; - In het wild levende dieren van bijlage I bij het verdrag van Bonn, of; - De eieren, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van hierboven bedoelde dieren. Tot slot is er nog een nationale lijst met overige soorten. Deze is opgenomen in bijlage IX bij het Bal. De afzonderlijke lijsten zijn te raadplegen op de site van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (https://minez.nederlandsesoorten.nl/soorten) Het is mogelijk dat een bepaalde soort vermeld staat op meer dan één lijst. In dat geval geldt voor die soort de meest vergaande bescherming.

3.5

Algemene en specifieke zorgplicht

Op basis van art. 1.6 en 1.7 Ow geldt een algemene zorgplicht voor iedereen die activiteiten uitvoert met gevolgen voor de fysieke leefomgeving (waaronder de natuur). Als er redelijkerwijs een vermoeden is dat een voorgenomen activiteit nadelige gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving, dan is diegene verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd, om die gevolgen te voorkomen. Voor de natuur zijn er ook specifieke zorgplichten, zoals voor Natura 2000-gebieden (art. 11.6 Bal), in het wild levende planten en dieren (art. 11.27 en 11.28 Bal) en voor houtopstanden (art. 11.116 Bal). Dit komt grofweg overeen met de algemene zorgplicht uit de Wnb. De zorgplicht geldt overigens naast de houtopstanden ook voor beschermde landschappen. In de provinciale verordeningen kunnen provincies maatwerkvoorschriften opnemen ter concretisering van de zorgplicht (bijv. onderzoek naar weidevogels).

4 Aanpak onderzoek In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats. Er is geen omgevingsvergunning nodig als overtreding van verbodsbepalingen is te voorkomen én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen niet in het geding komt. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een vergunning aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

5

Versie: 12 augustus 2024

Als het plan invloed heeft op Natura 2000-gebied of gelegen is in het Nationaal natuurnetwerk moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Ook hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens, literatuurgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen. Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden. Als er negatieve effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.

4.1

Gewenste ontwikkeling

Het plan omvat sloop van de woning nr. 58, de het er achter gelegen gebouw. Verder het bouwrijp maken en realisatie van een nieuw appartementengebouw. Deze activiteiten vallen onder de definitie van een flora- en fauna-activiteit op basis van de Omgevingswet. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het slopen van de woning Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 en het er achter liggende gebouw. - het bouwrijp maken - het realiseren van een nieuw appartementengebouw - aanleg van tuin, erf en landschappelijke inpassing

4.2

Bronnenonderzoek

Het nieuw geplande woongebouw ligt in kilometerhok x:169/y:461. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, NDFF, rapporten, recente artikelen, eigen gegevens en internetsites (zie literatuurlijst).

4.3

Locatiebezoek

Tijdens het locatiebezoek op 23 november 2023 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Het bezoek levert informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

6

Versie: 12 augustus 2024

5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.

5.1

Vaatplanten

Het perceel bestaat uit een woning, een bijgebouw, een weilandje met schapen, wat gras en verder verhard erf. Langs de zuidgrens is een aantal bomen aanwezig. Deze blijven behouden. Er zijn in de huidige situatie geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Bij verdere realisatie van de plannen is geen sprake van overtreding als bedoeld in art. 5.1 Ow, tweede lid, aanhef en onder g en art. 11.46-11.48 of 11.54 Bal. Het aanvragen van een omgevingsvergunning is voor de nog aanwezige flora niet nodig.

5.2

Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Wegens het ontbreken van geschikt oppervlaktewater is het perceel niet geschikt als voortplantingsgebied voor amfibieën en libellen. Het perceel is ook geen typisch leefgebied voor beschermde vlindersoorten of voor reptielen. Beschermde soorten worden daarmee niet verwacht. Voor algemene soorten geldt behoudens de algemene zorgplicht, een vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening Gelderland. Bij verdere realisatie van de plannen is geen sprake van overtreding als bedoeld in art. 5.1 Ow, tweede lid, aanhef en onder g en art. 11.46-11.48 of 11.54 Bal. Het aanvragen van een omgevingsvergunning is voor deze soortgroepen niet nodig.

5.3

Zoogdieren

Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van egel en uit de wijdere omgeving ook van haas, ree, konijn, bunzing, boommarter en das. Er zijn bij het locatiebezoek geen zoogdieren, verblijfplaatsen of sporen daarvan aangetroffen. Het terrein is geen typisch leefgebied voor kleine marters. De meeste waarnemingen komen uit het nabijgelegen Schaffelaarsebos. De bomen langs de zuidgrens zijn bekeken waarbij grotere holtes of nesten (bijv. voor eekhoorn of vleermuizen) op het oog niet zijn gevonden. Er zijn overigens geen plannen om deze bomen te kappen. In de woning en het andere te slopen gebouw zijn geen openingen gevonden die toegang bieden voor de steenmarter. Het terrein is geen geschikt leefgebied voor kleine marters. De egel is bekend vanuit de omgeving. De egel komt in veel biotopen voor, waaronder dorpen en steden, mits er maar voldoende voedsel en schuilgelegenheid is. Overdag schuilt de egel onder bosjes en struiken, in composthopen of houtwallen. Ze hebben een territorium van 0.530 ha, afhankelijk van het gebied. Paartijd is van mei-augustus. De jongen komen tussen juni en oktober en kunnen na ca. 3 weken met de moeder mee. Ze blijven vaak de eerste winter bij elkaar in het oude nest. De egels houden een echte winterslaap. Omdat ze insecteneters zijn moeten ze voldoende reserves opbouwen.

Dat lukt niet altijd, vooral niet bij laat in het jaar geboren jongen. Hoewel

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

7

Versie: 12 augustus 2024

voor de egel geen ontheffing nodig is, geldt wel de algemene zorgplicht. Gezien de aard van het terrein wordt deze soort behoudens een eventuele foeragerende egel niet verwacht. Bij start van de werkzaamheden in de periode tussen november en februari zijn er geen foeragerende egels te verwachten. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland. 5.3.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone en ruige dwergvleermuis, watervleermuis en de laatvlieger. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. De eerste stap op basis van het vleermuisprotocol is een onderzoek naar de geschiktheid van de locatie. Daarbij gaat het om voor vleermuizen potentieel geschikte bomen of gebouwen. Er zijn op het terrein zelf geen bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte holtes. De woning en het bijgebouw zijn gedekt met dakpannen.

Daarbij zijn de nokvorsten en kantpannen afgedicht en niet toegankelijk (foto). De kopse kanten zijn nader rondom bekeken. Deze zijn bij beide gebouwen afgedicht. Er zijn ook geen bruinverkleuringen of poepsporen aanwezig. Deze zijn vaak wel aanwezig op de boeidelen en muren bij regelmatig gebruik van verblijfplaatsen door vleermuizen. Daarmee zijn er geen geschikte toegangen voor vleermuizen en zijn vaste verblijfplaatsen uit te sluiten. Vleermuizen volgen vaak lijnvormige structuren zoals houtwallen. Er zijn niet heel geschikte doorlopende groenstructuren in de omgeving, maar het is mogelijk dat vleermuizen in de omgeving foerageren. De mogelijkheid daartoe wijzigt niet na realisatie van de plannen. Bij verdere realisatie van de plannen is geen sprake van overtreding als bedoeld in art. 5.1 Ow, tweede lid, aanhef en onder g en art. 11.46-11.48 of 11.54 Bal. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor zoogdieren is niet nodig.

5.4

Vogels

Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende soorten in of om het plangebied gezien of gehoord: merel en houtduif.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

8

Versie: 12 augustus 2024

De panden zijn voorzien van dakpannen. Daarom zijn ze in theorie geschikt voor de huismus. Conform het Kennisdocument Huismus is het buiten de broedtijd toegestaan om de pannen te lichten. Het blijkt dat de toegang onder de pannen bij beide bouwwerken is voorzien van vogelschroot (foto). Dit is rondom geverifieerd. Daarmee verdwijnen bij de sloop met zekerheid geen verblijfplaatsen van de huismus. Voor een soort als de gierzwaluw staat de woning te geïsoleerd en is eigenlijk te laag. Overigens zijn er geen geschikte nestplaatsen/toegangen aanwezig. Verblijfplaatsen zijn uit te sluiten. De nieuwbouw wordt een stuk hoger. Mogelijk zijn voor gierzwaluw (en huismus) geschikte neststenen in de nieuwbouw mee te nemen. De kans dat er op korte termijn gierzwaluwen zullen komen wordt overigens niet heel groot ingeschat. Daarvoor is de omliggende bebouwing niet geschikt. De kans op huismussen in de nieuwbouw is dan groter. Bij verdere realisatie van de plannen behoud van de plannen verdwijnen geen (jaarrond) beschermde nestplaatsen van vogels. Een aanvraag omgevingsvergunning voor vogels, als bedoeld in art. 5.1 Ow, tweede lid, aanhef en onder g en art. 11.37-11.40 Bal, is niet nodig.

5.4.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli - huismus 15 augustus) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 11.37 Bal). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 11.37 lid 3 Bal). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

9

Versie: 12 augustus 2024

5.5

Overige soorten

Van de overige beschermde soorten en soortgroepen, zoals bepaalde zeezoogdieren, vissen, kevers, weekdieren en mossen, alsmede de rode lijst soorten, is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten. Bij verdere realisatie van de plannen is geen sprake van overtreding als bedoeld in art. 5.1 Ow, tweede lid, aanhef en onder g en art. 11.46-11.48 of 11.54 Bal. Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor deze soortgroepen niet nodig.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

10

Versie: 12 augustus 2024

6 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt in de kom van Barneveld. Artikel 2.44 Ow vormt de invulling van de Europese gebiedsbescherming onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000-gebieden.

6.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. Bescherming is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur.

6.2

Natura 2000-activiteit

De Ow gaat uit van activiteiten. Activiteiten welke significante invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden heten een Natura 2000-activiteit. Een juridische definitie staat in bijlage A van de Ow. Er is geen definitie van 'significant' gegeven, dus dat moet blijken uit een beschrijving van diverse factoren, zoals bijv.:   

afname oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid daarvan afname populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van een habitat of van soorten

Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. De Leidraad bepaling significantie 1 geeft handvatten om invulling te geven aan de term 'significant' en ook de Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt de 'externe werking’ genoemd. Een voorbeeld hiervan is bijv. de stikstofdepositie. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als met een zgn. voortoets significante effecten niet zijn uit te sluiten, dan is een passende beoordeling nodig (art. 16.53 Ow). Als hieruit blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied met zekerheid niet zal aantasten, dan kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:   

er zijn geen reële alternatieven voor de activiteit er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang er vindt natuurcompensatie plaats

1 Leidraad bepaling significantie, 27 mei 2010, Steunpunt Natura 2000 en BIJ12: Handreiking Voortoets Stikstof

februari 2021

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

11

Versie: 12 augustus 2024

Een dwingende reden van groot openbaar belang kan ook een reden zijn van sociale of economische aard. Als het om een prioritaire habitat of prioritaire soort gaat, dan geldt als dwingende reden van groot openbaar belang alleen, menselijke gezondheid, openbare veiligheid, gunstige effecten voor het milieu of een reden die door de Europese Commissie is geaccepteerd (dat kan ook een reden van sociale of economische aard zijn).

6.3

Situatie Van Zuijlen van Nieveltlaan 58

Het plan ligt op ruim 4,7 km van Natura 2000-gebied Veluwe (zie figuur hiernaast PDOK augustus 2024). Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor o.a. het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel en Kamsalamander. Relevante vogelsoorten zijn o.a. Wespendief, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Nachtzwaluw en IJsvogel. Gezien de ligging en de afstand zijn directe effecten op beschermde habitats en soorten uit te sluiten. De Veluwe heeft daarnaast diverse habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Daarom moet bij nieuwe plannen ook worden bekeken of de plannen leiden tot toename van de stikstofdepositie (externe werking). Hiervoor wordt een separate rapportage opgesteld.

6.4

Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)

Naast toetsing op Natura 2000 gebied vindt separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur. Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan invloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn Groene Ontwikkelingszones (GO) aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang. Het plangebied ligt ruim buiten het GNN en de GO. Planrealisatie heeft daarmee geen negatieve en eerder positieve effecten op de natuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een ontheffing zijn niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied binnen het streekgebied Gelderse Vallei en met name in het deelgebied Barneveldse beken. In de Omgevingsverordening Gelderland staat (Afd. 5.3) dat bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Gezien de ligging, de indeling en de aard van de werkzaamheden zal het plan geen invloed hebben op de kernkwaliteiten.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

12

Versie: 12 augustus 2024

7 Conclusies en aanbevelingen 7.1

Algemeen

Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd onder de Omgevingswet. Er zijn beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is alleen mogelijk als duidelijk is dat beschermde nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significant negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd aan de Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 in de kom van Barneveld. Plan is bestaande woning en het er achterliggende gebouw te slopen en een nieuw appartementengebouw te realiseren met lichte bedrijvigheid in de plint en appartementen daarboven. Uit de quickscan moet blijken of de realisatie van het plan gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden.

7.2

Beschermde soorten

Op het perceel is gekeken naar beschermde soorten en verblijfplaatsen. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen, marters en eventuele jaarrond beschermde nesten van vogels. Deze zijn niet aangetroffen. De pannen liggen strak, de ruimte onder de nokvorsten is afgedicht. Ook eventuele toegangen onder de hoek- en kantpannen zijn afgedicht. Daarmee zijn geen geschikte toegangen aanwezig en zijn vaste verblijfplaatsen van vleermuizen uit te sluiten. Er is rondom vogelschroot aanwezig. Er zijn geen huismusnesten aangetroffen of te verwachten. In de te slopen opstallen zijn daarmee geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de sloop van de panden is niet nodig. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de zorgplicht altijd van kracht.

7.3

Beschermde gebieden

Het plangebied ligt in de kom van Barneveld op ruim 4.7 km van Natura 2000-gebied Veluwe. Gezien de omvang van het plan in relatie tot de afstand zijn directe effecten op soorten en habitats uit te sluiten. Gezien deze afstand is externe werking door stikstofdepositie ook niet te verwachten. Hiervoor zal wel een separate rapportage worden opgesteld.

7.4

Voorbehoud en zorgplicht

De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Zorgplicht In art. 11.27 van het Bal, is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Dit is vergelijkbaar met de algemene zorgplicht uit de Wnb.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

13

Versie: 12 augustus 2024

Het houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht passende maatregelen neemt om schade aan van nature in het wild voorkomende soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat alle soorten, inclusief de vrijgestelde. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieen nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 julihuismus tot 15 augustus).

Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 julihuismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Beschermde soorten Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

14

Versie: 12 augustus 2024

7.5

Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen

Overigens zijn relatief eenvoudig extra voorzieningen te realiseren voor vogels en/of vleermuizen. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kieren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. De maatregelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Bijvoorbeeld een kast of andere voorziening voor de huismus. Eén of meer duurzame kasten voor vleermuizen (eten veel muggen), bij voorkeur op minimaal 3m hoog, vrij aanvliegbaar en zonder verlichting vlak bij. Voorkom verstening van de tuinen en draag zorg voor het opvangen van regenwater in het gebied. Door de klimaatverandering vindt steeds meer verdroging plaats van de ondergrond. De gemeente Barneveld heeft hiervoor beleid opgesteld. Afhankelijk van de grootte van een project moet een aantal punten worden gerealiseerd. Er zijn punten voor het gebouw, verblijfplaatsen, omgeving en infrastructuur (zie onderstaande tabel 1 uit het gemeentelijke puntensysteem).

Het deel waar het plan betrekking op heeft betreft hier een kleinschalig project van 0-1 ha, waarvoor dan dus 30% van het maximale aantal punten nodig is. Op basis van de lokale situatie is te denken aan de volgende maatregelen: Tabel 1: Overzicht mogelijke maatregelen natuurinclusief bouwen Van Zuijlen van Nieveltlaan PunBoToOnderdeel Maatregel Opmerkingen ten nus taal Gebouw (nodig: 4)

Verblijf (nodig: 2)

Geveltuin

2

Vermijden lichtuitstraling

2

Nestplaats huismus – bijv. opschuiven vogelschroot of inbouwsteen

2

Verblijfplaatsen voor vleermuizen

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

2

25-50% van een gevel van >10m lengte Vermijden, of ander aanpassing lichtkleur en intensiteit. Altijd omlaag richten. +2

+1

15

2 2

Minimaal 3 verblijfplaatsen Bij 6 verblijfplaatsen

2

Minimaal 3 verblijfplaatsen Bij 6-11 verblijfplaatsen (3 geschakelde kleine inmetselkasten  groter verblijf aantrekkelijker)

2

Versie: 12 augustus 2024

Onderdeel

Maatregel

Omgeving (nodig: 10)

Ecologische belevingstuin Natuurlijke haag Ecologisch object Opstellen ecologisch rapport Borgen onderhoud en beheer

Beleid (extra)

Punten

Bonus

Opmerkingen

4 3 2

1

Totaal

Minimaal 10-20 m2.

4

3 hagen 1.5m hoog, >5m lang Insectenhotel of stapelstenen

4 2

1

1

2

2

Op basis van de omgeving is de verwachting dat er vleermuizen kunnen foerageren. Voor de woningen is dan van belang de lichtuitstraling zoveel als mogelijk te beperken, door bijv. armaturen naar beneden te richten en sensoren te gebruiken voor het branden, om onnodige verlichting te voorkomen. Gevelgroen kan bestaan uit natuurlijke soorten als klimop of kamperfoelie. Alternatief is bijv. vuurdoorn toe te passen of een combinatie. Een geveltuin is een andere optie. Gierzwaluwen hebben en voorkeur voor hoge gebouwen en meer versteende gebieden zoals binnensteden. Dat lijkt meer op een natuurlijke rotsomgeving, waar de soort van nature broedt. Daarom ligt het meer voor de hand hier te kiezen voor nestplaatsen van de huismus (aanwezig in de omgeving) en/of van vleermuizen. Voor vleermuisverblijven zijn meerdere opties denkbaar, mede afhankelijk van het type woning. Als gekozen wordt voor inmetselstenen gaat de voorkeur uit naar koppeling van drie kasten, waardoor een grotere ruimte ontstaat, welke ook geschikt is als kraamverblijf. Een voorbeeld is gegeven in de bijlage Bij voorkeur in twee verschillende gevels plaatsen (zuid en west), op minimaal 3m hoogte en buiten bereik van storende verlichting. Voor de huismus is opschuiven van vogelschroot of het inmetselen van neststenen een goede optie. De soort is aanwezig in de omgeving. Het foerageergebied is goed.

Ook zijn voldoende groen, water en zandplaatsen aanwezig. Dit is dan ook een goede optie om toe te passen. Voor de omgeving gaat de voorkeur uit naar noot- en besdragende soorten. Er is op zich ruimte genoeg voor een goede ecologisch verantwoorde invulling met inheemse bomen en struiken. Een zoveel mogelijk groene bodem kan het regenwater opvangen. Ook een buffervoorraad zoals regentonnen of een andere optie is aan te bevelen. Voor de landschappelijke inpassing en de vastlegging van de maatregelen is een separate een rapportage opgesteld.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

16

Versie: 12 augustus 2024

8 Samenvatting en advies 1) Initiatiefnemer heeft het plan op het perceel van de Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 in de kom van Barneveld de bedrijfsbestemming te wijzigen. De bestaande woning en bijgebouw worden gesloopt en er komt een appartementengebouw van 3 bouwlagen met zorgfuncties in de plint en appartementen op de verdiepingen. 2) De te slopen bebouwing is onderzocht op beschermde soorten en/of verblijfplaatsen. 3) Er is specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van huismus, marters, vleermuizen en uilen. In de te slopen opstallen zijn geen beschermde soorten of vaste verblijfplaatsen gevonden of te verwachten. Er is rondom vogelschroot aanwezig in beide gebouwen. De panden zijn daarmee niet geschikt voor de huismus. Voor de gierzwaluw zijn de panden te laag en er zijn ook geen geschikte nestplaatsen aanwezig. De dakpannen liggen strak en de nokvorsten zijn afgedekt. Ook de openingen onder de hoekpannen en kantpannen zijn afgedicht. Daarmee zijn er geen voor vleermuizen geschikte toegangen aanwezig. 4) Verdiepend onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit is niet nodig. 5) Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘zorgplicht’ (art.

11.27 en 11.28 Bal), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. 6) Concreet betekent de zorgplicht hier dat het bouwrijp maken bij voorkeur plaatsvindt buiten de broedtijd. Alle broedende vogels zijn beschermd totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet ondenkbaar dat vogels als merel, roodborst, heggenmus, winterkoning in bosjes of struiken op het terrein broeden. De beste tijd voor uitvoering van de werkzaamheden is dan tussen november en februari. 7) Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is de Veluwe op ca. 4.7 km afstand. Er zijn geen direct negatieve gevolgen te verwachten voor beschermde soorten of habitats. Ook relevante stikstofdepositie wordt niet verwacht. Hiervoor zal nog wel een separate rapportage worden opgesteld. 8) Op basis van het natuurinclusief beleid van de gemeente Barneveld zijn natuurpunten nodig (gebouw, verblijf, omgeving en infrastructuur). In Tabel 1 is een aantal mogelijke en ter plaatse relevante opties weergegeven. Advies hieruit een keuze te maken en de te treffen maatregelen verwerken in een plan voor landschappelijke inpassing.

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

17

Versie: 12 augustus 2024

9 Literatuur 

                       

Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, 2023, Kennisdocument Huismus 2.1 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, 2023, Kennisdocument Gierzwaluw 2.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, 2024, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 2.0 Bij12, 2024, Kennisdocument kleine marterachtigen 1.0 Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, december 2021 Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000 www.infomil.nl www.iplo.nl www.bij12.nl http://www.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl www.RAVON.nl www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.wetten.nl

Bijlagen 1. 2. 3.

Overzicht situatie Foto’s plangebied Voorbeeld maatregelen

FF Van Zuijlen van Nieveltlaan 58 Barneveld Aug.24-v2

18

Versie: 12 augustus 2024

Bijlage 1 Overzicht situatie

Ligging t.o.v. Natura 2000 gebied

Bijlage 2 Foto’s

Bijlage 3 Voorbeeld voorzieningen Huismus (verplicht indien nesten verdwijnen) Mussenkast (NK MU 08) (Vivara Pro)

Permanent: type NK MU 06 (Vivara Pro)

Mussenpot Neststeen (Vivara)

Huismustil (Unitura)

Gierzwaluwen

Nestkasten

Neststeen

Gierzwaluwen eten veel muggen. Ze zijn zeer honkvast. Als ze eenmaal ergens gebroed hebben komen ze jaren na elkaar op dezelfde plek. Voor gierzwaluwen zijn ook nestpannen beschikbaar. Bij warme zomers kunnen die soms te heet worden waardoor de overlevingskans van de jongen daalt. Er is daardoor een voorkeur voor de hierboven getoonde oplossingen.

Voorbeelden verblijfplaatsen (bron: soortenstandaard dwergvleermuis) Voorbeeld van gevelbetimmering welke geschikt is als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen (bron www.vleermuizenindestad.nl).

Verblijfplaatsen realiseren achter boeiboorden of sierlijsten Ook achter boeiboorden of sierlijsten kunnen gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen hebben. De hierboven omschreven criteria zijn hiervoor eveneens van belang. Het heeft een grote meerwaarde wanneer de ruimte achter de boeiboorden van verschillende gevels met elkaar in verbinding staan, zodat vleermuizen overdag, afhankelijk van de temperatuur, van locatie kunnen wisselen. Verblijfplaatsen bij dakconstructies Een eenvoudige manier is om bij dakconstructies gebruik te maken van boeiboorden met een ruimte van 1 centimeter die toegang geven tot het dak. Ook kunnen speciale dakpannen e.d. worden toegepast. Verblijfplaatsen in muren door middel van inmetselkasten In Nederland zijn nog weinig positieve resultaten bekend van het gebruik van inmetselkasten door de gewone dwergvleermuis. Voorbeelden van inmetselkasten (bron: http://www.schwegler-natur.de).

www.checklistgroenbouwen.nl

IB VL 04 Inbouwsteen Vleermuizen (Vivara Pro)

     

Voorzijde sleuf maatvoering standaard waalformaat Daarboven 2 lagen steenstrips Voorzijde inbouwsteen (met de sleuf) gelijk met voorzijde gevel Isolatie in spouw laten doorlopen (geen koudebrug) Wegsnijden isolatie rond kast nodig, dan opvullen met harde isolatie. Bodem is schuin aflopend – uitwerpselen rollen naar buiten – geen onderhoud nodig.

 

Geschakelde toepassing mogelijk. Hiervoor het houten deel links of rechts wegnemen. Bij voorkeur per twee of drie geschakeld toepassen. Er is dan meer ruimte en dat maakt het geheel veel aantrekkelijker voor vleermuizen

    

Plaatsing minimaal 3m hoog Opening is bij voorkeur gericht op zuid / zuidwest of noord Aanvliegroute vrij van obstakels als takken, bomen, zonwering e.d. Geen lichtbron vlakbij Opening niet via bijvoorbeeld een afdakje bereikbaar voor katten e.d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=471f88c4-072c-42f0-91e1-e467aa9818ed