CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 Motivering

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling van de Wijziging “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1” van het omgevingsplan voor de locatie Molenweg 117-Brugveenseweg in Voorthuizen18.580 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 Motivering voor een TAM-omgevingsplan

Datum:

Maart 2026

Locatie: Molenweg 117 en Brugveenseweg 1 in Voorthuizen Plannr.: TAMOP0051

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Inhoudsopgave

Motivering Hoofdstuk 1

5 Inleiding

5

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toetsing aan omgevingsplan

6 6 6

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Voorgenomen ontwikkeling

8 8

Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente

10 10 10 11 15 17 18

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Cultuurhistorie 5.4 Duurzaamheid en gezondheid 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Geur 5.8 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.9 Leidingen en laagvliegroutes 5.10 Luchtkwaliteit 5.11 Milieueffectrapportage 5.12 Milieuzonering 5.13 Natuur en landschap 5.14 Omgevingsveiligheid 5.15 Ontplofbare oorlogsresten 5.16 Trilling 5.17 Verkeer 5.18 Weging van het waterbelang

22 22 22 22 24 25 29 29 30 31 31 32 33 33 34 35 36 36 37

Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting functies

38 38 40

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal

45 45

Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie 8.2 Zienswijzen

46 46 47

Bijlagen bij de motivering Bijlage 1

Inrichtingstekening

Bijlage 2

Bodemonderzoek

Bijlage 3

Stikstofberekening aanlegfase

2

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Bijlage 4

Stikstofberekening gebruiksfase

Bijlage 5

QSFF

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

4

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Motivering Hoofdstuk 1

Inleiding

Voor de locatie Molenweg 117 en Brugveenseweg 1 in Voorthuizen is een verzoek ingediend om planologische medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van het erf. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Bij de Molenweg 117 wordt een niet-agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt. De voormalige bedrijfswoning aan de Brugveenseweg 1 wordt planologisch gewijzigd naar een reguliere woning. Een deel van de voormalige agrarische bebouwing wordt gesloopt en een deel wordt hergebruikt ten behoeve van het niet-agrarische bedrijf en bijgebouwen bij de woningen. Het erf wordt opnieuw ingericht, waarbij de vrijgekomen ruimte wordt benut voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing met erfbeplanting, streekeigen groen en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Afbeelding: planlocatie Molenweg 117 en Brugveenseweg 1, globale ligging

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

5

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie en toekomstambitie

Beschrijving huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Molenweg 117 en Brugveenseweg 1 in de nabijheid van de kern Voorthuizen. Het plangebied wordt gevormd door twee direct samenhangende erven. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische gronden en recreatiegebied 'Ackersate'. Aan de oost- en westzijde vormen agrarische gronden en enkele nabijgelegen erven de grens van het plangebied. Aan de zuidzijde liggen de Molenweg en de Brugveenseweg. Achter de Brugveenseweg liggen natuurgronden.

Afbeelding: begrenzing plangebied Molenweg 117 en Brugveenseweg 1

2.2

Toetsing aan omgevingsplan

2.2.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het plangebied ligt in tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Daarnaast geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de bestemming 'Waarde Archeologie 1 en 'Waarde - Archeologie 2'. Ook is de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' en zijn de gebiedsaanduidingen 'overige zone kernrandzone' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied GV' van toepassing.

6

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

2.2.2

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het plan past niet binnen het omgevingsplan omdat binnen de functie ‘Agrarisch’ geen niet-agrarisch bedrijf als hoofdactiviteit kan worden uitgevoerd, ook zijn er geen reguliere woningen toegestaan. Daarbij wordt er met de locatie deelgenomen aan de Lbv-plus regeling. Om aan de Lbv-plus regeling deel te nemen, moet onder andere aan de voorwaarde worden voldaan dat er een omgevingsplanwijziging wordt aangevraagd voor de locatie. Met deze omgevingsplanwijziging moet de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van dieren worden ontnomen. In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA). Ook is het plan niet mogelijk met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

7

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Hoofdstuk 3 3.1

Toekomstige situatie

Voorgenomen ontwikkeling

Het plan voorziet in de beëindiging van de agrarische activiteiten op de erven aan de Molenweg 117 en de Brugveenseweg 1 te Voorthuizen. De erven worden herontwikkeld tot een duurzaam ingericht erf met een niet-agrarische bedrijfsfunctie en een woonfunctie. De beoogde ontwikkeling omvat: het wijzigen van de functie ven 'Agrarisch' naar 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven ' en naar 'Wonen'; de sloop van een groot deel van de agrarische bedrijfsbebouwing; het behoud van 726 m² voormalige bedrijfsbeouwing, waarvan 80 m² als bijgebouw bij de woning en 646 m² als bedrijfsbebouwing wordt hergebruikt; het realiseren van een landschappelijke inpassing met erfbeplanting, streekeigen groen en aansluiting op de omgeving van Ackersate; het toepassen van klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen.

Afbeelding: beoogd plan Molenweg 117 en Brugveenseweg 1

Aan de voorgenomen ontwikkelingen wordt planologische medewerking verleend, omdat deze bijdragen aan de vermindering van milieubelasting, verbetering van de leefomgeving en versterking van de ruimtelijke 8

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 kwaliteit. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de nieuwe functies – niet-agrarische bedrijfsactiviteiten van beperkte omvang – goed passen binnen de gebiedskenmerken en beleidskaders. Door de sloop van agrarische opstallen en de landschappelijke inpassing met streekeigen beplanting wordt de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar versterkt. De verkeersafwikkeling en parkeeroplossingen zijn binnen de erven goed geregeld en de milieubelasting neemt af ten opzichte van de oorspronkelijke agrarische bedrijfsvoering.

Conclusie Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

9

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Hoofdstuk 4 4.1

Toetsing aan beleid

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de relevante beleidskaders voor de activiteiten en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota’s die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota’s is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.

4.2

Rijk

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Doorwerking in plangebied De ontwikkeling sluit aan bij de NOVI-prioriteiten sterke en gezonde steden en regio’s en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Met de beëindiging van de agrarische activiteiten neemt de milieubelasting af en wordt de leefomgeving verbeterd. De landschappelijke herinrichting met streekeigen groen versterkt de overgang naar het recreatiegebied Ackersate, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en een gezond leefklimaat. Ook hier wordt de prioriteit ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie geborgd door vergroening van het erf en toepassing van klimaatadaptieve maatregelen. Het beoogde plan is in lijn met de NOVI-prioriteiten, in het bijzonder de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en de versterking van een gezonde leefomgeving. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

4.2.2

Nationaal Waterprogramma 2022-2027

Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: 10

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.18).

4.2.3

Instructieregels Rijk (AMvB's)

In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.

Deze instructieregels gaan over; voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen; lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool; bebouwingcontour jacht; bebouwingcontour houtkap. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Doorwerking in plangebied In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.

4.3

Provincie

4.3.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

11

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

4.3.1.1

Omgevingsvisie

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Deze vervangt de Omgevingsvisie Gelderland 2014–2018 en geeft richting aan de strategische hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert de wettelijk verplichte planfiguren voor ruimte, natuur, water, milieu en verkeer/vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Daarbij staan zeven thema's centraal: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Het plangebied ligt binnen de volgende kaarten van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland: Kaart 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Kaart 2: Themakaart Ruimtelijk beleid: grote zonneparken mogelijk, windenergie aandachtsgebied Kaart 3: Themakaart Waterbeleid: intrekgebieden

Doorwerking in het plangebied Er wordt niet voorzien in de ontwikkeling van een zonnepark of windenergie. Ook wordt er niet voorzien in de ontwikkeling van mijnbouw of een andere grondwaterbedreigende activiteit.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De beëindiging van de agrarische functies en de herontwikkeling naar passende nieuwe functies dragen bij aan een gezond en aantrekkelijk woon- en leefklimaat, versterken de biodiversiteit, verlagen de milieubelasting en voorzien in klimaatadaptieve maatregelen. Het plan daarmee aan bij de relevante themakaarten en provinciale ambities.

4.3.1.2

Omgevingsverordening

Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.

De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij Omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen: algemene instructieregels (Afdeling 5.1) instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2) instructieregels over landschap (Afdeling 5.3) instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4) instructieregels over milieu (Afdeling 5.5) 12

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6) instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7) Doorwerking plangebied Afdeling 5.2 Natuur - stikstofonderzoek toont aan dat geen toename van depositie plaatsvindt op Natura 2000-gebied Veluwe. Daarmee wordt voldaan aan art. 5.2.1. Afdeling 5.3 Landschap - de landschappelijke inpassing versterkt de overgang naar recreatiegebied Ackersate, in lijn met de provinciale kernkwaliteiten. Afdeling 5.4 Erfgoed - de archeologische waarden worden geborgd in het omgevingsplan. Cultuurhistorie-Archeologie. Er is geen aanvullende bescherming noodzakelijk. Afdeling 5.5 Milieu - beëindiging van de intensieve veehouderij draagt bij aan vermindering van stikstofen geurbelasting. Natuur en Landschap Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale Omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl).

Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen; b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.

Het plan ligt binnen de streek Gelderse Vallei (deelgebied Barneveldse beken) Per streek is een streekgids beschikbaar met daarin informatie over de kernkwaliteiten landschap en ontwikkeldoelen. Er wordt aan de kernkwaliteiten bijgedragen door de toevoeging een houtsingel en een haag. De uitwerking van deze kernkwaliteiten zijn verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan (zie bijlage 1).

Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. De herontwikkeling voorziet in de sloop van voormalige agrarische bebouwing en de herinrichting van het erf met streekeigen erfbeplanting en klimaatadaptieve maatregelen. Verharding wordt zoveel mogelijk beperkt tot functionele oppervlakken, waardoor infiltratiecapaciteit wordt vergroot. Waterveiligheid: geen effecten; locatie ligt buiten overstromingsgevoelige gebieden. Wateroverlast: piekafvoeren worden verminderd door groene zones en waterdoorlatende inrichting. Droogte: streekeigen beplanting draagt bij aan veerkracht van het landschap. Hitte: vergroening van het erf en behoud van openheid verminderen hittestress.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

13

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Gebiedsaanwijzingen De volgende gebiedsaanwijzingen gelden: aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe Gelderse streek Gelderse Vallei glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied intrekgebied werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Wat betreft 'aandachtsgebied windturbines'. Het plan voorziet niet in het realiseren van een windturbine. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie binnen de 'Gelderse streek Gelderse Vallei' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Het plan voldoet hier aan. Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw. Vervolgens wat betreft 'intrekgebied'. het plan voorziet niet in een grondwaterbedreigende activiteit. Het is verboden in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Hiervan is geen sprake. Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende. Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken.

Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen. Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan.

Doorwerking plangebied De ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedsaanwijzingen uit de Omgevingsverordening Gelderland. De activiteiten passen binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.

4.3.2

Omgevingswaarde(n)

Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld: Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening). Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt. Doorwerking plangebied 14

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde. 4.3.3

Voorbereidingsbesluit stikstof

Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet. Conclusie De locatie ligt niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.5.1.

4.4

Regio

4.4.1

Regionaal waterprogramma 2021-2027

In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn: Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen. Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water. Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden: 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid.

We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren. 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Doorwerking plangebied De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

15

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

4.4.2

Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio Foodvalley, regio Amersfoort

Ons landelijk gebied is continue in ontwikkeling. Denk daarbij aan veranderingen bij agrarische bedrijven, nieuwbouw aan dorpsranden, aanleg recreatieve routes, inspelen op klimaatverandering, ingrepen in het watersysteem en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben impact op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en verstening neemt toe. Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van beide mooie regio’s. Ook de beëindiging van agrarische bedrijvigheid heeft zijn impact. Bedrijfsbebouwing die niet meer in gebruik is, kan verpauperen. Leegstaande gebouwen kunnen aanleiding zijn voor ondermijning van de maatschappij door gebruik voor criminele activiteiten. Daarnaast draagt de agrarische sector zorg voor het onderhoud en beheer van het landschap. Het veranderen van deze functie heeft daarmee ook gevolgen voor het landschapsbeheer. Al met al leiden veranderingen in de agrarische sector op verschillende vlakken tot impact op de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Als een agrariër besluit zijn agrarisch onderneming te beëindigen, dan dient een functieverandering plaats te vinden. De agrarische functie komt immers te vervallen.

Het functieveranderingsbeleid geeft twee mogelijkheden voor herbestemmen: functieverandering naar ‘Wonen’ of functieverandering naar ‘Werken’. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Bij een functieverandering van functie 'Agrarisch' naar functie 'Niet-agrarisch' stopt de agrarische onderneming. Na functieverandering mogen op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. Hobbymatig mogen nog wel dieren gehouden worden. Het aantal is beperkt en afhankelijk van de diersoort. De vrijkomende (of overtollige) agrarische bedrijfsbebouwing dient hierbij te worden gesloopt. Dit noemen we de slooplocatie. Daarnaast is het mogelijk om op de slooplocatie - of elders afhankelijk van gemeentelijke uitwerking - een niet-agrarisch bedrijf toe te voegen. Hiervoor geldt de sloopmetersystematiek, zoals word toegelicht in paragraaf 4.4.2.2. We zien de functie van een kleinschalig niet-agrarisch bedrijf als een aantrekkelijke vervangende functie en het verbeteren van de omgevingskwaliteit en het vitaal houden van het landelijk gebied. 4.4.2.2

Systematiek regionaal functieveranderingsbeleid

Zodra een wens tot functieverandering kenbaar is gemaakt aan de gemeente, kunnen de sloopmeters berekend worden. De gemeente berekent deze aan de hand van de legale aanwezige vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Inzetbare sloopmeters kunnen ontwikkelingen op eigen locatie mogelijk maken, worden verhandeld en/of elders worden ingezet. De sloopmetersystematiek is gericht op het waarderen van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarbij gaat het om de footprint van het gebouw. De waardering in sloopmeters is niet gebaseerd op de productiecapaciteit van de stal. Ter verduidelijking gaat het bij een stal met een verdiepingsvloer alleen om de footprint, niet om het oppervlak van beide vloerdelen samen. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:

In voorliggend plan worden sloopmeters ingezet om een niet-agrarisch bedrijf te starten. Hierbij hanteren wij de volgende sytematiek.

16

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Doorwerking plangebied Op het perceel staat, naast de bestaande woningen, 1.995 m² aan voormalige agrarische bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m² en de afroming, resteert een inzetbare hoeveelheid van 1.626 m² aan sloopmeters. Bij deze ontwikkeling worden sloopmeters ingezet om een niet-agrarisch bedrijf en 646 m² aan bedrijfsbebouwing mogelijk te maken. De berekening is als volgt:

Berekening

Benodigde sloopmeters

Bedrijfsrecht

100 m²

100 m²

Bedrijfsbebouwing

500 x 2 + 146 x 3

1.438 m²

Totaal

100 m² + 1.438 m²

1.538 m²

Er zijn nog (1.626-1.538=) 88 m² sloopmeters over zijn om elders in te zetten. De berekende sloopmeters zijn indicatief en moeten definitief worden vastgesteld na daadwerkelijke sloop en metingen conform het vigerende gemeentelijk beleid over sloopmeters.

4.5

Waterschap

4.5.1

Blauwe Omgevingsvisie 2050

De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.18.

4.5.2

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

17

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.18.

4.6

Gemeente

4.6.1

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).

Materialen Bij sloop is het goed om na te gaan of er opties voor hergebruik van de vrijkomende materialen en circulair slopen. Doorwerking plangebied Bij deze herontwikkeling wordt er enkel bebouwing en verharding verwijderd. Hierdoor is BENG niet van toepassing. Het verminderen van het verharde oppervlak zal wel tot meer waterinfriltratie leiden.

4.6.2

Omgevingsvisie Barneveld 2040

De raad heeft op 16 juli 2025 de Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken. De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij op de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van onze gemeente en onze dorpen zijn. 18

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente de stad. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd. 1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu. 2. Prettig leven in vitale dorpen Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom. 3. Ruimte voor ondernemerschap Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra. 4. Waardevol landelijk gebied Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landbouw.

Dat geldt voor de natuur op de Veluwe, maar ook voor de Gelderse Vallei. Daarnaast is er een blijvende plek voor de agrarische sector, met aandacht voor natuurbehoud en het terugdringen van uitstoot. 5. Bereikbaar nu en in de toekomst Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken). Vijf gebieden en negen dorpen De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040. Het plangebied ligt in het deelgebied Deelgebied Verstedelijkt gebied.

Midden in de vallei liggen de twee grootste kernen van de gemeente, Voorthuizen en Barneveld, die onderdeel zijn van het verstedelijkt gebied, een gebied dat dichter bebouwd is. Voorthuizen en Barneveld zijn van oudsher goed ontsloten en zijn in de loop van de jaren de sterkst gegroeide kernen. Tussen de beide kernen bevindt zich het bedrijventerrein Harselaar, dat zich vanaf de jaren '70 ontwikkelde langs de A1. Het verstedelijkt gebied kenmerkt zich door haar dynamische aard met een grote verscheidenheid aan functies en karakter. De gemeente streeft naar behoud en versterking van deze dynamiek, waarbij we zoeken naar een optimale samenhang tussen verstedelijkt gebied en de landelijke omgeving. De groeiambities van de gemeente vinden voor het overgrote deel plaats in het verstedelijkt gebied, met kansen voor zowel inbreiden als uitbreiden. De groeiambitie bestaat uit woningen en uit ruimte voor al dan niet regionale bedrijvigheid. Groei moet samengaan met gezondheid en toekomstbestendigheid, een gezonde groene groei. Om dit te bereiken geven we prioriteit aan groene gezonde randvoorwaarden in de openbare ruimte. Naast het aantal woningen neemt het aanbod aan voorzieningen toe in het verstedelijkt gebied. De groeiambitie biedt perspectief voor nieuwe voorzieningen met een functie voor de hele gemeente.

In lijn met groei streeft de gemeente naar een optimale infrastructuur om het verstedelijkt gebied verkeersveilig te houden en de doorstroming te verbeteren waar nodig, bijvoorbeeld met de aanleg van een oostelijke rondweg.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

19

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Doorwerking plangebied De ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen voor dit deelgebied doordat agrarische bebouwing wordt gesloopt en een nieuwe landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Hiermee ontstaat een betere overgang tussen de dorpsrand van Voorthuizen en het recreatiegebied Ackersate. De ontwikkeling past binnen de ambitie om dit gebied landschappelijk en ruimtelijk te verbeteren. De ontwikkeling van een niet-agrarisch bedrijf en een reguliere woonfunctie past binnen de grote verscheidenheid in activiteiten in dit gebied.

4.6.3

Toetsingskader landelijk gebied

Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023. Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijk opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011: 1. 2. 3. 4.

Agrarisch kampen- en slagenlandschap en landgoederen; Stedelijke zone en groene bufferzones; Agrarisch bedrijvenlandschap; Veluws natuurgebied, agrarische enclaves en overgangszone.

Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten: 1. Bestaande situaties en rechten worden door gemeente gerespecteerd op basis van wat bij recht is toegestaan in het Omgevingsplan. 2. Toetsing nieuwe ontwikkelingen altijd in samenhang met de ontwikkelingsrichting per deelgebied. 3. Alle nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het versterken van het natuurlijk systeem en het cultuurlandschap. 4. De beoordeling van een ontwikkeling wordt altijd integraal per locatie afgewogen. Naast het toetsingskader zijn alle andere beleidsstukken, programma's en verordeningen van toepassing. 5. Agrarische bedrijven worden niet gehinderd in de doorontwikkeling door gevoelige functies. 6. Er vindt geen aantasting van de milieu- en gezondheidssituatie plaats. 7. Toetsingskader is bedoeld voor zowel hoofdactiviteiten als nevenactiviteiten. Doorwerking plangebied Landbouw is in dit deelgebied de belangrijkste gebruiksfunctie. We streven naar herstructurering en passende schaalvergroting voor bedrijven gericht op innoveren. In dit agrarische productiegebied laten we in principe geen gevoelige functies toe. Deze functies horen thuis in de kernen. Eventuele uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven is alleen onder strenge voorwaarden toegestaan.

Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk. Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden zullen we beschermen. Door de sloop van een groot deel van de opstallen en de aanleg van landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Dit past binnen de uitgangspunten van het toetsingskader. Er worden geen activiteiten toegevoegd die een belemmering vormen voor het agrarische karakter van het gebied. Bij de Brugveenseweg 1 wordt de agrarische functie gewijzigd in een woonfunctie. Het gaat hierbij om een bestaande woning, waardoor dit wel past in het toetsingskader.

20

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

4.6.4

Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Doorwerking plangebied De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

21

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

Hoofdstuk 5 5.1

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.

5.2

Bodem

In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie, daarom is een bodemonderzoek (Bijlage 2) uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de bodemkwaliteit toereikend is voor het beoogde gebruik. Er zijn geen saneringsnoodzaken vastgesteld en er zijn geen risico's voor de volksgezondheid of het milieu. Het bodemonderzoek wordt als representatief beschouwd. De beoordeling is op basis van het bodemonderzoek dat is ingediend. Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname.

De gemeente is daarom niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend 22

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.3.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen.

Doorwerking plangebied Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied gedeeltelijk een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Ook blijkt dat binnen het plangebied gedeeltelijk een middelhoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm Het project valt echter onder deze vrijstellingen zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.

Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Molenweg 117 en Brugveenseweg 1

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit plan. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1

5.3.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden.

Conclusie De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan.

5.3.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de Cultuurlandschappelijke waardenkaart als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige landbouwontginning met een '1' waardering. Het betreft lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvraag.

Conclusie Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.

5.3.4

Monumenten

In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan. Voor de locatie geldt dat op de percelen of in de directe omgeving geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig zijn. Er zijn daarom geen aanvullende beschermingsregels noodzakelijk.

Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4

Duurzaamheid en gezondheid

Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.1. Gezondheid 24

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1 De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.

De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.

Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderijen. Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (2,7 km) tot het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Molenweg 117-Brugveenseweg 1" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=1767ed1f-05d8-4085-b33c-1922eb754aba