TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22av Lankerenseweg 12 Motivering Bijlage 2 QSFF
Tekst van het document
VERKENNEND ONDERZOEK NAAR BESCHERMDE FLORA EN FAUNA LANKERENSEWEG 12 TE VOORTHUIZEN
COZIJNSEN FLORA FAUNA ADVIES De haarstraat 1 3861 VE Nijkerk
Natuurwaardenonderzoek in het kader van de Omgevingswet
Tel: 0642926885 Email: info@cffa.nl Iban: NL61RABO0189385928 Kvk:85564753 Btw-id: NL004115333B71
LANKERENSEWEG 12 - VOORTHUIZEN
Gewenste situatie Bron: www.perceelloep.nl (aangepast)
Op het perceel aan de Lankerenseweg 12 te Voorthuizen is de initiatiefnemer voornemens om de bestaande agrarische bebouwing, zoals hierboven aangegeven in rood op de luchtfoto, te slopen. Deze sloop vindt plaats in het kader van het beëindigen van de veehouderijactiviteiten op het perceel. Er is een verzoek ingediend om de functie van het perceel te wijzigen. De bestemming blijft agrarisch, maar zonder veehouderijactiviteiten. De gronden zullen voortaan worden ingezet voor akkerbouw. Na de sloop van de veehouderijgebouwen wordt een bestaande loods op het perceel uitgebreid. Deze uitbreiding is bedoeld voor de opslag van landbouwproducten en werktuigen ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten.
Opdrachtgever: Contactpersoon: Rapportkenmerk: Datum veldbezoek: Datum rapport: Versie:
Midden Nederland Makelaars Dhr. E. Top 25CFF068 09 oktober 2025 13 oktober 2025 1.0
Rapportage Opgesteld en vrijgave door:
Naam Dhr. G. Cozijnsen
Akkoord
Datum 13-10-2025
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
1
Inhoudsopgave 1.Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Omschrijving gebied 2.Plangebied 2.1 Algemeen 2.2 Beschrijving 3.Onderzoeksmethode 3.1 Opzet 3.2 Bronnenonderzoek 3.3 Veldbezoek 4.Natuurwetgeving en beleid in de Omgevingswet 4.1 Omgevingswet 5.De Activiteiten 5.1 Beschrijving van de werkzaamheden 6.Houtopstandenbescherming 6.1 Bescherming van houtopstanden in de omgevingswet 6.2 Effectenbeoordeling houtopstandenbescherming 7.Soortenbescherming 7.1 Bescherming van soorten 7.2 Bureau onderzoek 7.3 Vrijstellingen 7.4 Flora 7.5 Grondgebonden zoogdieren 7.6 Vleermuizen 7.7 Vogels 7.8 Amfibieën en reptielen 7.9 Vissen 7.10 Insecten, libellen en ongewervelden 7.11 Rode Lijsten 7.12 Invasieve Exoten 8. Gebiedenbescherming 8.1 Bescherming van Natura 2000 gebieden 8.2 NNN gebieden 8.3 Overige natuurgebieden 9. Conclusie en samenvatting 10. Advies 11. Bronnen Bijlage 1. Foto overzicht Bijlage 2. Overzichtstekening Bijlage 3. Registratieformulier Flora Fauna inventarisatie
3 3 4 5 5 5 6 6 6 6 7 7 8 8 8 8 9 9 9 9 10 11 12 13 15 18 19 19 21 21 22 22 23 24 25 28 29 30 34 35
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
2
1.Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van Midden Nederland Makelaars heeft Cozijnsen Flora Fauna Advies een QuickScan natuur uitgevoerd aan de Lankerenseweg 12 te Voorthuizen, in het kader van de Omgevingswet (Ow). Er is een verzoek ingediend om het bestemmingsplan te wijzigen. Het perceel is momenteel in gebruik als agrarisch erf ten behoeve van een veehouderij. De initiatiefnemer is voornemens de veehouderijactiviteiten te beëindigen en twee bestaande veestallen op het perceel te slopen. Na de sloop zal een bestaande loods op het perceel worden uitgebreid ten behoeve van de opslag van landbouwproducten en werktuigen. Het perceel blijft bestemd voor agrarisch gebruik, maar zonder veehouderijactiviteiten. De gronden zullen voortaan worden ingezet voor akkerbouw. Het onderzoek heeft als doel om via een oriënterend bronnenonderzoek en veldbezoek te bepalen of de geplande ontwikkelingen in strijd zijn met de Omgevingswet. Vanaf 1 januari 2024 valt natuurbescherming onder deze wet. De ingreep kan mogelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora en fauna, natuurgebieden en houtopstanden. Indien nodig, moeten vervolgstappen worden genomen volgens de natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Daarna wordt beoordeeld of de geplande ruimtelijke ingreep binnen deze wettelijke en beleidsmatige kaders uitvoerbaar is.
Deze QuickScan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen plannen gewijzigd worden dient voorliggend onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in deze QuickScan zijn drie jaar geldig, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen. Plangebied
Figuur 1.1 Bron: www.pdok.nl – Regionale ligging plangebied.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
3
1.2 Omschrijving gebied De Lankerenseweg ligt in het buitengebied van Voorthuizen, een dorp met een rijke geschiedenis in de Gelderse Vallei, aan de westflank van de Veluwe. Voorthuizen wordt al genoemd in een oorkonde uit 970 onder de naam Voirthusen, en vanaf de 15e eeuw komt het regelmatig voor in archiefmateriaal. In 1741 werd het dorp beschreven als een “zeer oud en vry groot Dorp” en als een belangrijke pleisterplaats voor de Hessenkarren die via de Hessenweg trokken tussen Amsterdam, Amersfoort, Deventer en Zwolle. De Lankerenseweg zelf ligt in het agrarische buitengebied van Voorthuizen, waar al eeuwenlang landbouw wordt bedreven. Volgens gegevens van het Kadaster en het CBS telt de weg 23 adressen, waarvan het merendeel buiten de bebouwde kom ligt. De omgeving wordt gekenmerkt door verspreide bebouwing, agrarische percelen en een kleinschalig landschap dat past bij de historische structuur van het Veluwse platteland. Plangebied
Figuur 1.2 kaart 1975
Plangebied
Figuur 1.3 kaart 2024
Bron: www.topotijdreis.nl en www.wikipedia.nl
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
4
2.Plangebied 2.1 Algemeen Op het perceel aan de Lankerenseweg 12 te Voorthuizen worden twee veestallen (nr. 3 en 4) gesloopt in verband met het beëindigen van de veehouderij. De bestemming wordt gewijzigd naar akkerbouw. Ter ondersteuning van deze nieuwe functie wordt een bestaande loods (nr. 5) uitgebreid voor opslag van landbouwproducten en werktuigen. De bestaande woning inclusief bijgebouwen en omliggende tuin blijven ongewijzigd.
5
4 3
Figuur 2.1 Links bestaande situatie – Rechts gewenste situatie. Bron tekening Graveland Bouwontwerp.
2.2 Beschrijving De nummering van de gebouwen zoals hieronder beschreven is terug te vinden op een uitsnede van de situatietekening boven deze tekst. Voor een duidelijkere weergave van de volledige tekening zie bijlage 2. De te slopen veestal, aangeduid als gebouw 3, is opgebouwd uit een spantconstructie en heeft een golfplaten dak zonder dakbeschot. De wanden bestaan voornamelijk uit enkel laags staalplaten zonder spouwruimte, alleen aan de voorzijde bestaat een klein deel van de gevel uit volledig gesloten metselwerk zonder openstootvoegen of toegankelijk spouwruimte. De te slopen veestal, aangeduid als gebouw 4, betreft een verouderde schuur bestaande uit een houten geraamte met een betimmering van enkel laags planken. Er is geen sprake van spouwruimte, isolatie of dubbelwandige (holle) gevelconstructies. Het dak bestaat uit golfplaten zonder onderliggend dakbeschot. Gebouw 5 betreft een geheel afgesloten loods opgebouwd uit geïsoleerde damwandbeplating en dak beplating, deze constructie is geheel gesloten. De directe omgeving van de te slopen gebouwen bestaat uit straatverharding en weidegrond die periodiek wordt gemaaid en begraasd. Bij de sloop van de gebouwen worden geen opgaande bomen of struiken verwijderd. Voor verdere details verwijzen we naar de fotobijlage (bijlage 1).
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
5
3.Onderzoeksmethode 3.1 Opzet In dit verkennend onderzoek is de locatie onderzocht op de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Voordat de locatie werd bezocht, heeft er eerst een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Hierbij is onder andere rekening gehouden met de aanwezigheid van waargenomen beschermde soorten in de afgelopen drie jaar binnen een straal van 5 km van het plangebied.
3.2 Bronnenonderzoek Voorafgaande aan het veldonderzoek is doormiddel van beschikbare literatuur, online raadpleegbare websites met verspreidingsgegevens (o.a., NDFF, RAVON, SOVON, Vlinderstichting, Beschermde SoortenIndicator (BeSI), Zoogdiervereniging, FLORON, telmee.nl) een goed beeld verkregen van de (potentieel) te verwachten beschermde soorten in of nabij het plangebied. Deze kennis is vervolgens meegenomen tijdens het veldonderzoek.
Figuur 3.2: Bronnen verspreidingsgegevens
3.3 Veldbezoek De locatie is bezocht op 9 oktober 2025 in de middag. Tijdens het onderzoek zijn zowel de omgeving als de locatie geïnspecteerd op mogelijke soorten en/of sporen. De weersomstandigheden waren droog, met een temperatuur van ongeveer 16°C. Tijdens het veldbezoek is uitgebreide en gedetailleerde informatie verzameld over de aanwezigheid van beschermde soorten. Dit omvat waarnemingen met zicht en geluid, evenals sporenonderzoek naar pootafdrukken, graafsporen, holen, nesten, uitwerpselen, haren, beschermde plantensoorten en andere relevante aanwijzingen. Het veldbezoek wordt met de grootst mogelijke zorg uitgevoerd. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Bovendien kan de situatie zich gedurende de planvorming en uitvoering nog veranderen. Daarom aanvaardt Cozijnsen Flora Fauna Advies geen aansprakelijkheid voor kosten en vertraging die optreden als gevolg van het onverhoopt toch voorkomen van beschermde flora en fauna. Het veldbezoek is uitgevoerd door G. Cozijnsen, gecertificeerd Flora-Faunacontroleur met ruime ervaring in faunabeheer en het onderhoud en de inrichting van natuurlijke landschappen. Hij is actief als vrijwilliger bij de uilenwerkgroep Nijkerkerveen en beschikbaar als oproepkracht voor de Vleermuiswerkgroep Leusden.
Ervaring omvat onder andere wintertellingen, zoldertellingen en verspreidingsonderzoek voor de Zoogdiervereninging. Bij het onderzoek was een verrekijker, zaklamp, holtecamera en warmtebeeldcamera voorhanden, waarmee eventueel aanwezige soorten via lichaamswarmte kunnen worden waargenomen.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
6
4.Natuurwetgeving en beleid in de Omgevingswet 4.1 Omgevingswet Algemene zorgplicht (afd. 1.3 OW): Eenieder is verantwoordelijk voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Dit geldt altijd, tenzij er een specifieke zorgplicht betrekking op de handeling heeft. Algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (Par. 5.1.1 Ow) • •
Flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelingen Natura 2000-activiteit (vergunningsplicht indien kans op significante gevolgen op Natura 2000 gebied, zie Hoofdstuk 8 van dit rapport)
Flora- en fauna-activiteit betreft een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten, dan gelden de regels in; Art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht) Art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) Paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal: vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen (via gedragscodes, vrijstellingen in de omgevingsverordening of ministeriele regeling) Specifieke zorgplicht Flora-Fauna-activiteiten (art. 11.27 Bal) Iedereen die activiteiten uitvoert die nadelige gevolgen kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Dit wordt verder uitgewerkt in art. 11.27, 2e lid Bal: • • •
Nagaan of er aanwijzingen zijn van aanwezigheid beschermde en bedreigde soorten Indien ja; vaststellen of nadelige gevolgen voorkomen kunnen worden Indien niet te voorkomen, dan; passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen
Naast de specifieke zorgplichten zijn er 3 categorieën beschermingsregimes (par. 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal): • Par. 11.2.2 Bal: Vogelrichtlijnsoorten • Par. 11.2.3 Bal: Habitatrichtlijnsoorten + conventie van Bern l+ll & conventie van Bonn l • Par. 11.2.4 Bal: Nationaal beschermde soorten Rode lijst soorten; alleen beschermd indien op lijsten, beschermd onder EU-richtlijnen of onder de specifiek zorgplicht.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
7
5.De Activiteiten 5.1 Beschrijving van de werkzaamheden De werkzaamheden bestaan uit: • • • •
Het slopen van twee bestaande veestallen. Uitvoeren van grondwerkzaamheden ten behoeve van fundering en verharding. Uitbreiding van een bestaande loods voor opslag en werktuigen (zie bijlage 2). Afwerken en inrichten, inclusief straat-en hovenierwerkzaamheden.
6.Houtopstandenbescherming 6.1 Bescherming van houtopstanden in de omgevingswet Regels bescherming houtopstanden en bomenrijen (afd. 11.3 Bal) •
• •
Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) o Geldt voor vellen houtopstanden en herbeplanten van grond o Verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen/beperken/achterwege te laten (art. 11.112 Bal) o Oogmerken zijn doelstellingen voor regels over vellen en herbeplanten: natuurbescherming, de instandhouding bosareaal en bescherming landschappelijke waarden Algemene meldplicht voorafgaand aan kap Herplantingplicht: houtopstanden vanaf 10 are of bomenrijen meer dan 20 bomen.
Regels gelden niet voor (art. 11.111, lid 2 Bal) • Houtopstanden kleiner dan 10 are; • Bomenrijen bestaande uit 20 bomen of minder; • Houtopstanden op erven of in tuinen; • Bomen of struiken voor de teelt van vruchten of noten; • Windschermen om boomgaarden; • Kerstbomen niet ouder dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden • Dunningen; • Beplantingen populieren, wilgen, essen of elzen voor productie biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar geoogst, minsten 10.000stoven/ha/beplantingseenheid en zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
8
Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de ‘bebouwingscontour houtkap’ (omgevingsplan gemeenten art. 5.165b Bkl).
6.2 Effectenbeoordeling houtopstandenbescherming Bij de geplande ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend met een oppervlakte van 1000 m² of meer, of aan een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Op het perceel zijn geen bomen aanwezig die moeten worden gekapt. Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor de specifieke zorgplicht houtopstanden. De geplande werkzaamheden hebben geen negatieve gevolgen volgens de geldende regels voor houtopstanden. Gemeenten hebben vaak eigen regels voor het kappen van bomen, vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), die in overeenstemming moeten zijn met landelijke en provinciale wetgeving. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan bomenkap altijd de APVregels met de gemeente te bespreken. Houtopstandenbescherming Houtopstanden en bomenrijen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
7.Soortenbescherming 7.1 Bescherming van soorten Bij het onderdeel soortenbescherming is het uitgangspunt dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “Nationaal beschermde soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een vergunning noodzakelijk zijn.
7.2 Bureau onderzoek Op basis van het bureau onderzoek wordt onderzocht welke soorten er op de planlocatie en de directe omgeving voor kunnen komen en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In het voorliggend onderzoek is rekening gehouden met zowel strikt beschermde soorten als minder beschermde soorten.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
9
7.3 Vrijstellingen In de Omgevingswet (voorheen Wet Natuurbescherming) is de natuurwetgeving gedecentraliseerd. Hierdoor ontstaan er verschillen tussen de provincies. Ook op het gebied van soorten die vrijgesteld zijn. Hieronder is daarom een overzicht opgenomen van de vrijgestelde soorten per provincie. Deze vrijstelling is opgenomen in het eerste lid van Artikel 11.54 Besluit activiteiten leefomgeving (zie toelichting onder de tabel). Let op dat bij het gebruiken van de vrijstelling mogelijk aan specifieke voorwaarden voldaan dient te worden. Zo is doden niet altijd toegestaan, en zitten er soms bepaalde voorwaarden aan het vangen van de dieren (zoals het gebruiken van een bepaalde vang-methode). Dit verschilt per soort en per provincie. Provincie Friesland heeft bijvoorbeeld zeer duidelijk gespecificeerd welke activiteiten vergunningvrij zijn, welke middelen of methodes gebruikt dienen te worden en eventueel aanvullende maatregelen. Ga voor meer informatie met betrekking tot de vrijstelling van een soort naar de betreffende omgevingsverordening, te raadplegen via www.overheid.nl
Figuur 7.3 Vrijgestelde soorten per provincie - Bron, www.habitus.nl
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
10
7.4 Flora Uit literatuurgegevens en verspreidingsstudies (bron: NDFF) blijkt dat in de omgeving soorten voorkomen zoals stijve wolfsmelk, beenbreek, bolderik, steenanjer, brede orchis, vleeskleurige orchis en stijve moerasweegbree (binnen een straal van 0-5km). Stijve wolfsmelk staat op open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems, vaak op stenige plaatsen. Ze groeit in akkers, langs boszomen, op kapvlakten, op slootkanten en dijken, bij heggen en in bermen. Beenbreek groeit op natte, zure veengronden in hoogveen, natte heide en veenmosrietlanden. Deze soort heeft een voorkeur voor voedselarme, zonnige plekken. Bolderik was vroeger algemeen in graanakkers, nu zeldzaam. Deze soort houdt van open, kalkrijke akkers en akkerranden op löss- en kleigrond. Brede orchis heeft een voorkeur voor vochtige, voedselarme graslanden, blauwgraslanden en moerassen. Vaak in veenweidegebieden en natte hooilanden. Vleeskleurige orchis groeit in natte, kalkrijke graslanden, duinvalleien en moerasvegetaties. Houdt van open, zonnige standplaatsen. Steenanjer voorkeur voor droge, schrale graslanden, heiden en zandige bermen. Gedijt op voedselarme, kalkarme bodems. Stijve moerasweegbree groeit in ondiep, stilstaand of langzaam stromend water zoals sloten, moerassen en natte graslanden.
Deze soort heeft een voorkeur voor zandige, voedselarme bodems. Bronnen: www.floravannederland.nl - www.wilde-planten.nl - www.verspreidingsatlas.nl
Volgens gegevens uit de NDFF komen de genoemde beschermde plantensoorten voor binnen een straal van 0-5 km van het plangebied. Deze soorten stellen specifieke eisen aan hun standplaats, welke in het onderzochte gebied ontbreken. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde of bedreigde plantensoorten waargenomen, noch resten hiervan. Ook zijn er geen muren met (beschermde) muurvegetatie aanwezig. Daarnaast is het voor deze soorten niet mogelijk om zich in dit gebied te ontwikkelen. De geplande werkzaamheden zullen plaatsvinden op een agrarisch erf dat hoofdzakelijk bestaat uit bebouwing, weidegrond en verhardingen die intensief worden gebruikt en onderhouden. Hierdoor is er geen sprake van aantasting van beschermde of kwetsbare vegetatie. Het kan daarom worden uitgesloten dat de werkzaamheden zullen leiden tot het opzettelijk vernielen van beschermde plantensoorten binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied. Soortenbescherming Flora
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
11
7.5 Grondgebonden zoogdieren Uit literatuurgegevens en verspreidingsstudies (NDFF) blijkt dat binnen een straal van circa 0–5 kilometer rond het plangebied diverse zoogdiersoorten zijn waargenomen. Het betreft onder meer boommarter, das, bunzing, wezel, steenmarter, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, vos, huisspitsmuis en rosse woelmuis. De boommarter zal geen gebruik maken van de onderzoekslocatie, aangezien deze soort te vinden is in grote structuurrijke bossen. De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Bomen met holten en boomnesten, die essentieel zijn voor de rode eekhoorn en boommarter, zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Het leefgebied van de das vereist voldoende dekking, weinig verstoring, een ruim voedselaanbod en een geschikte bodem om een burcht te graven. Aangezien het plangebied zich bevindt op een agrarisch erf met intensief gebruik en weinig natuurlijke structuur. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat dassen het terrein zullen betreden of gebruiken als leefgebied. De bunzing en wezel zijn kleine marterachtigen die voorkomen in kleinschalige landschappen met voldoende dekking, zoals ruigtes, struikgewas, rietstroken en andere dichte vegetatie. Uit verspreidingsgegevens blijkt dat deze soorten binnen 0–5 km van het plangebied zijn waargenomen.
Binnen het onderzochte terrein zijn echter geen structuurelementen aanwezig die geschikt zijn als schuil- of leefgebied. Het perceel bestaat uit verharding en bebouwing, zonder begroeiing, takkenhopen of dichte beplanting. De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats binnen het bestaande verhard terrein en tasten geen functionele habitat aan. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van aanwezigheid gevonden, zoals looproutes, graafgangen of uitwerpselen. Daarmee wordt uitgesloten dat deze soorten het plangebied gebruiken voor verblijf, voedselvoorziening of voortplanting. De steenmarter, een soort die bekend staat om het bewonen van gebouwen, is uitgesloten binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen, die bij intensief gebruik door deze soort doorgaans eenvoudig waarneembaar zijn. De te slopen bebouwing biedt geen verdekte schuilplaatsen die als verblijfplaats voor steenmarters kunnen dienen. Het gebied rondom de bebouwing is voornamelijk open verhardt terrein, zonder dichte struwelen of vegetatie die geschikt leefgebied zouden kunnen vormen. Ook ontbreken oude takken- of steenhopen die als vaste rust- of voortplantingsplaatsen kunnen worden gebruikt. Egels verkiezen habitats zoals tuinen, parken, bosranden en heggen die voldoende dekking en voedselbronnen bieden.
Het gebied rond bebouwing, dat gekenmerkt wordt door verharde en open ruimtes zonder geschikte schuilplaatsen of beschutting, is niet geschikt als leefomgeving voor egels. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn konijnen en hazen waargenomen (NDFF). Konijnen en hazen hebben schuilplaatsen nodig, zoals holen, legers en dichte struiken, om dekking en bescherming tegen roofdieren te bieden. Hun territoria strekken zich uit over meerdere hectaren. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen, zoals prenten, uitwerpselen of holen/legers, aangetroffen. Het plangebied betreft een verharde en bebouwde omgeving en biedt geen leefgebied voor deze soorten. Het voorgenomen plan zal daarom geen negatieve invloed hebben op het essentiële leefgebied van deze soorten, noch zal het leiden tot aantasting of verstoring ervan.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
12
Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de ree. Het terrein biedt echter onvoldoende rust, dekking en schuilplaatsen die essentieel zijn voor de bescherming en voortplanting van reeën. De voorgenomen ingreep in zal daarom geen negatieve invloed hebben op het essentiële leefgebied van reeën. Door het uitvoeren van de voorgenomen plannen binnen het plangebied is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen voor grondgebonden zoogdieren op basis van de Omgevingswet. Op het perceel ontbreekt geschikt leefgebied, gezien de eisen die deze soorten stellen aan rust, dekking en voortplantingsmogelijkheden. Uit verspreidingsgegevens blijkt dat in de omgeving waarnemingen bekend zijn van algemeen beschermde soorten waarvoor een vrijstelling van vergunningplicht geldt. Voor deze soorten geldt de specifieke zorgplicht, wat inhoudt dat negatieve effecten op inheemse planten en dieren zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Indien tijdens de werkzaamheden onverhoopt dieren worden aangetroffen, dienen maatregelen te worden genomen die hen in staat stellen zelfstandig het terrein te verlaten. Soortgroep Grondgebonden zoogdieren
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen Algemene soorten - Zorgplicht
7.6 Vleermuizen Uit verspreidingsgegevens en literatuurstudies blijkt dat in de omgeving van het plangebied (binnen een straal van circa 0–5 kilometer) waarnemingen bekend zijn van verschillende vleermuissoorten. Het betreft onder andere gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en rosse vleermuis. Onderzoek Tijdens een veldbezoek worden bomen en aanwezige bebouwing onderzocht op potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Hierbij letten we op openingen die geschikt kunnen zijn, het gebruikte bouwmateriaal, eventuele sporen van vleermuizen en verlichting rondom het pand. Ons onderzoek is gebaseerd op het vleermuisprotocol 2021, diverse literatuur van onder andere de zoogdiervereniging en drs. H.J.G.A. Limpens, en onze eigen ervaring met vleermuisonderzoek. De locatie was goed te beoordelen; als hulpmiddel is een verrekijker met 8x42 vergroting gebruikt. Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven overdag vooral op beschutte, donkere plekken zoals in de spouw of onder de dakbedekking. Ook achter dak betimmering of in dubbelwandige schoorstenen vinden ze soms een geschikt onderkomen. De temperatuur in hun verblijf is cruciaal voor de groei en ontwikkeling van de jongen. Afhankelijk van de buitentemperatuur zoeken vleermuizen warme, zeer warme of juist koelere plekken op.
Daarom kiezen ze vaak gebouwen met een spouwruimte, waarbinnen ze ruimten met verschillende temperaturen kunnen benutten. Herkennen verblijfplaatsen aan de hand van sporen Er zijn twee soorten sporen die kunnen worden onderscheiden: uitwerpselen en veeg- en vetsporen. Sporen van vleermuizen worden gevonden aan de buitenkant van objecten (bijvoorbeeld gevels, raamkozijnen, lekdorpels, zonneschermen en boomschors) en aan de binnenkant van objecten (open ruimtes die vleermuizen gebruiken om te verblijven). Veeg- en vetsporen worden gevonden op
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
13
oppervlakken waar vleermuizen regelmatig langs bewegen en schuren. Naast sporen die duiden op aanwezigheid, wordt ook gezocht naar sporen die duiden op afwezigheid van vleermuizen. Vleermuizen maken alleen gebruik van vrije invliegopeningen, die relatief vrij en schoon blijven (op sporen van aanwezigheid na). Openingen gevuld met stof en spinrag worden niet gebruikt door vleermuizen. Vleermuizen zijn relatief schone dieren en vermijden vuil. Ruimtes die te stoffig, tochtig, vol spinrag, rommel of mestgeur (ammoniak) zijn, worden ongeschikt bevonden als verblijfplaats. De aanwezigheid van stof, tocht, spinrag, rommel en mestgeur kan dus een bevestiging zijn voor de afwezigheid van vleermuizen in een object. Om een verblijfplaats van vleermuizen vast te stellen op basis van sporen, is het niet noodzakelijk de gehele ruimte op de centimeter te controleren. Sporen van vleermuizen zijn altijd te vinden binnen 1 tot 1,5 meter van een invliegopening, zowel aan de binnen- als buitenkant van een verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek wordt gelet op een combinatie van factoren en bouwkundige aspecten. Wanneer tijdens het sporenonderzoek blijkt dat er potentieel geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn die niet volledig te overzien zijn, wordt aanvullend onderzoek geadviseerd.
Verblijfplaatsen Vleermuizen stellen specifieke eisen aan hun verblijfplaatsen, zoals rustige, beschutte plekken met stabiele temperaturen en een hoge luchtvochtigheid. Geschikte locaties bevinden zich doorgaans in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, onder dakbeschot of in vorstvrije ruimten zoals kelders en bunkers. Binnen het plangebied zijn veestallen aanwezig die gesloopt zullen worden (zie figuur 2.1). Gebouw 3 betreft een veestal met een spantconstructie en een dak van golfplaten zonder dakbeschot. De wanden bestaan uit enkel laags staalplaten zonder spouwruimte. Slechts een klein deel van de voorgevel bestaat uit volledig gesloten metselwerk zonder open stootvoegen of toegankelijke holtes. Hierdoor ontbreken geschikte wegkruipplekken en invliegopeningen voor vleermuizen. Gebouw 4 betreft een verouderde schuur met een houten geraamte en een betimmering van enkel laags planken. Er is geen sprake van isolatie, spouwruimte of dubbelwandige gevelconstructies. Het dak bestaat uit golfplaten zonder onderliggend dakbeschot, rustend op een open houten balkconstructie. Door de open bouwstijl en het ontbreken van beschutte holtes is dit gebouw ongeschikt als vleermuisverblijfplaats. Gebouw 5 is een volledig afgesloten loods, opgebouwd uit geïsoleerde damwandbeplating en dakbeplating.
De constructie is geheel gesloten en biedt geen toegangsmogelijkheden of geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. De loods wordt uitgebreid voor opslag van landbouwproducten en werktuigen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen, zoals uitwerpselen, prooiresten of afgebeten vlindervleugels. Er zijn geen aanwijzingen dat onderdelen van de bebouwing worden gebruikt als rust- of verblijfplaats. Gelet op de bouwkundige kenmerken, het ontbreken van geschikte toegang en verblijfsmogelijkheden, en het feit dat er geen vleermuissporen zijn aangetroffen, wordt geconcludeerd dat de gebouwen binnen het plangebied niet geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats. De bestaande woning en bijgebouwen blijven buiten de voorgenomen werkzaamheden. Hierdoor worden eventuele verblijfplaatsen aldaar niet beïnvloed. Aantasting van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen is uitgesloten. Aanvullend ecologisch onderzoek met betrekking tot vleermuisverblijfplaatsen is dan ook niet noodzakelijk.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
14
Bomen Aangezien er op de planlocatie en in de directe omgeving geen bomen aanwezig zijn met geschikte boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen die als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen, en er geen kapwerkzaamheden plaatsvinden, kunnen negatieve effecten op boombewonende vleermuizen worden uitgesloten. Foeragerende vleermuizen Gelet op de omgeving en het ontbreken van groen, wordt het plangebied niet beschouwd als essentieel foerageergebied voor vleermuizen. De voorgenomen ingreep zal geen verslechtering van het foerageergebied veroorzaken. Bovendien zal er sprake zijn van nieuwe aanplant, wat op termijn juist kan bijdragen aan de ecologische kwaliteit van de omgeving. Verstoring of aantasting van functioneel leefgebied is uitgesloten. Vliegroutes Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen als oriëntatiepunten tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen. De ingreep zal niet leiden tot aantasting van een vliegroute. Tijdens de werkzaamheden dient er wel voorzichtig te worden omgegaan met extra verlichting om eventuele passerende en jagende vleermuizen in de omgeving niet te hinderen, aangezien sterke verlichting vleermuizen kan desoriënteren. Soortgroep Vleermuizen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t. – zorgplicht m.b.t. verlichting
7.7 Vogels Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor kunnen komen zoals: blauwe reiger, ooievaar, boerenzwaluw, gierzwaluw, huiszwaluw, oeverzwaluw, huismus, zwarte roodstaart, grote gele kwikstaart, ijsvogel, ekster, boomvalk, buizerd, havik, roek, slechtvalk, sperwer, torenvalk, wespendief, bosuil, kerkuil, steenuil, groene specht en grote bonte specht. Deze soorten worden waargenomen binnen een straal van 0-5 km. De blauwe reiger broedt doorgaans in losse kolonies, soms solitair, met een voorkeur voor moeilijk toegankelijke locaties zoals eilandjes in watergebieden of hooggelegen boomgroepen. Ooievaars nestelen bij voorkeur op nestpalen, gebouwen of grote bomen met voldoende overzicht en rust. Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig voor deze soorten. Er zijn geen nestpalen, ooievaarsnesten of structuren die door deze soorten als broedlocatie worden benut. De boerenzwaluw nestelt vaak binnen agrarische gebouwen, waarbij de soort komvormige nesten maakt van gras, stro en modder, doorgaans onder dakranden of balken. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van boerenzwaluwen aangetroffen binnen het plangebied. Gezien het ontbreken van nestlocaties en sporen van aanwezigheid, kan verstoring of aantasting van verblijfplaatsen worden uitgesloten.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
15
De gierzwaluw is een koloniebroeder die de voorkeur geeft aan stedelijke gebieden met een breed aanbod aan nestlocaties. Er zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig die door gierzwaluwen benut kunnen worden voor broedactiviteiten. Huiszwaluwen bouwen komvormige nesten van klei en zand, doorgaans tegen gevels en onder dakranden van gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn onder de witte dakrand van een te behouden bijgebouw meerdere nesten van huiszwaluwen waargenomen. De huiszwaluw is aangemerkt als een ‘categorie 5’-soort. Dit houdt in dat de nesten van deze soort uitsluitend bescherming genieten indien sprake is van ecologisch zwaarwegende omstandigheden, zoals het ontbreken van alternatieve broedgelegenheid of wanneer de staat van instandhouding van de lokale populatie in gevaar komt door het verdwijnen van nestgelegenheid. Het betreffende bijgebouw bevindt zich buiten het daadwerkelijke plangebied en blijft behouden. Gezien de bestaande bedrijvigheid op de planlocatie en de afstand tot de nestlocaties, wordt verwacht dat er geen sprake zal zijn van significante verstoring tijdens de werkzaamheden in het broedseizoen. Door de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, worden negatieve effecten op de huiszwaluw effectief voorkomen.
De oeverzwaluw werd tijdens het veldbezoek niet waargenomen, door zijn afwezigheid in deze periode en het ontbreken van geschikte grondhopen binnen het plangebied. Deze soort nestelt bij voorkeur in steile, verticale zandige oevers of grondhopen met voldoende hoogte en rust. Bij werkzaamheden in het broedseizoen is het van belang om te voorkomen dat er tijdelijke grondhopen met verticale hellingen ontstaan, aangezien oeverzwaluwen zich vaak in dergelijke structuren vestigen In verband met de voorgenomen sloopwerkzaamheden is beoordeeld of deze van invloed kunnen zijn op broedgelegenheid en leefgebied van de huismus. De te slopen bebouwing betreft goed onderhouden stallen die tot voor kort professioneel zijn ingezet voor veehouderij. De stallen zijn momenteel leeg en overzichtelijk. Er vindt geen verwijdering van opgaand groen plaats binnen het plangebied. De gebouwen hebben daken van golfplaten, zonder dakbeschot, waardoor de interne ruimtes goed onderzocht konden worden op nestgelegenheden. Tijdens ons bezoek zijn er geen nesten of sporen, zoals uitwerpselen, aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van nesten van de huismus op de spantconstructie. Daarbij zijn geen kenmerken gevonden die duiden op actueel of recent gebruik als broedlocatie. Er ontbreken sporen van nestmateriaal, zoals eischalen, takjes, veren en uitwerpselen.
Geconcludeerd wordt dat de gebouwen geen functie vervullen als nest- of verblijfplaats van de huismus. De sloopwerkzaamheden hebben daarom geen nadelige gevolgen voor het functioneel leefgebied van deze soort. Direct buiten het plangebied staat een bestaande woning met bijgebouwen voorzien van een pan gedekte daken. Deze constructies kunnen in potentie verblijfplaatsen bieden aan huismussen. Aangezien deze gebouwen behouden blijven, blijven ook eventuele nest- en rustplaatsen onaangetast. Wel wordt geadviseerd om sloopwerkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van de huismus (maart–augustus), zodat mogelijke broedgevallen in de directe omgeving preventief beschermd blijven. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de zwarte roodstaart aangetroffen, zoals nesten of nestresten. De grote gele kwikstaart nestelt doorgaans in de nabijheid van water, bijvoorbeeld onder bruggen, in duikers of in spleten van oeverstructuren. Binnen het plangebied en directe omgeving zijn dergelijke elementen afwezig, waardoor de soort hier niet wordt verwacht.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
16
De ijsvogel broedt uitsluitend in steile, zandige oeverwanden langs stromend water waarin hij zelf nestgangen maakt. Binnen het plangebied en omgeving ontbreken dergelijke oeverstructuren volledig. Binnen het plangebied zijn geen broed- of rustplaatsen van uilensoorten vastgesteld. Uilen nestelen doorgaans in gebouwen, nestkasten of bomen, waarbij zij de voorkeur geven aan rustige, beschutte en donkere locaties die vrij zijn van verstoring. Tijdens het veldonderzoek zijn geen bomen met holten of neststructuren aangetroffen die geschikt zouden kunnen zijn als nest- of rustplaats voor uilen. De aanwezige bebouwing is geïnspecteerd op geschiktheid als nestlocatie. De gebouwen beschikken niet over dakbeschot, donkere nissen of hoeken die als potentiële nestplaatsen zouden kunnen dienen. Daarnaast zijn geen sporen van gebruik door uilen waargenomen, zoals braakballen, ruiveren of krijtsporen. Dergelijke sporen blijven doorgaans langdurig zichtbaar in gebouwen die structureel door uilen worden benut, maar ontbraken zowel in de bebouwing als in de directe omgeving. Voor de ransuil, een soort die vaak broedt in verlaten nesten van kraaien of eksters en rustplaatsen verkiest in naaldbomen, is binnen het plangebied geen geschikte nestgelegenheid aanwezig. Er zijn geen neststructuren of geschikte boomsoorten aangetroffen die door deze soort benut zouden kunnen worden.
Op basis van het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied geen functie vervult als broed- of rustgebied voor uilensoorten. Roeken zijn van de kraaiachtigen de enige soort die in dichte kolonies nestelt. Dat doen ze in boomtoppen. De kolonies kunnen enkele, tientallen of honderden paren tellen. Roekenkolonies zijn makkelijk te herkennen aan de manier van nestelen op en nabij de onderzoeklocatie is er geen kolonie aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen jaarrond beschermde nesten van roofvogels aangetroffen. Dit komt overeen met de ecologische kenmerken van het gebied en de mate van menselijke activiteit. Roofvogels geven doorgaans de voorkeur aan uitgestrekte, rustige bosgebieden met voldoende dekking en voedselaanbod. Het onderzochte terrein biedt deze voorwaarden niet. Daarnaast zijn roofvogels bijzonder gevoelig voor verstoring, zoals regelmatige menselijke aanwezigheid en geluid, wat hun nestelgedrag sterk kan beïnvloeden. Gezien het gebrek aan geschikt habitat en de verstorende factoren in het gebied, is het niet aannemelijk dat roofvogels hier geschikte nestlocaties zullen benutten. Er zijn geen door spechten gemaakte holtes waargenomen tijdens het veldonderzoek. Algemeen voorkomende vogels zijn tijdens het broedseizoen — dat indicatief loopt van 15 maart tot 15 juli — het meest gevoelig voor verstoring.
Buiten deze periode zijn zij doorgaans flexibeler en is de kans op nadelige effecten door werkzaamheden aanzienlijk kleiner. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen, wordt geadviseerd werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen uit te voeren. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of broedindicaties waargenomen binnen het plangebied. Indien sloopwerkzaamheden binnen het broedseizoen toch noodzakelijk zijn, dient voorafgaand een controle op bezette nesten plaats te vinden. Bij aanwezigheid van broedgevallen moeten passende mitigerende maatregelen worden getroffen om verstoring of aantasting van nestlocaties te voorkomen. Soortgroep Algemene Vogels
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vogels jaarrond beschermd
Geen overtreding
Vervolgstappen Broedvogelcheck bij start binnen het broedseizoen N.v.t.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
17
7.8 Amfibieën en reptielen Uit verspreidingsinformatie (bron: NDFF) blijkt dat in een straal van 0–5 km rond het plangebied soorten voorkomen zoals bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onbepaald), heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, levendbarende hagedis en hazelworm, binnen een straal van 0-5 km. Amfibieën zoals de groene kikker, kamsalamander en kleine watersalamander zijn sterk gebonden aan stilstaande, visvrije wateren met een goed ontwikkelde oever- en onderwatervegetatie. Deze waterpartijen ontbreken volledig binnen het terrein. De heikikker verkiest voedselarme, ondiepe vennen in heide- of veengebieden en is een uitgesproken cultuurvliedende soort — het intensief ingerichte plangebied sluit hier niet op aan. De levendbarende hagedis komt voor in structuurrijke, redelijk dicht begroeide gebieden zoals vochtige heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Ook wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen kunnen geschikt leefgebied vormen. De soort heeft een voorkeur voor vochtige terreinen met overgangen van nat naar droog. Binnen het plangebied ontbreken dergelijke structuurrijke vegetatiezones, waardoor vestiging onwaarschijnlijk is. Hazelwormen leiden een verborgen leven. Het grootste deel van de dag leven ze onder de vegetatie en dood hout of ze verblijven in holen in de grond.
De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. Bronnen: www.ravon.nl. – www.kikkersite – www.padden.nu
Amfibieën en reptielen leven zowel in een water- als landomgeving. Deze omgevingen omvatten voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren, die op korte afstand van elkaar moeten liggen. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied, winterhabitat of voortplantingsgebied voor de verwachte soorten. Er zijn geen geschikte structuren of schuilmogelijkheden voor reptielen en amfibieën. Beschermde amfibieën en reptielen worden daarom niet verwacht in het plangebied. Op basis van het bronnenonderzoek en het locatiebezoek wordt niet verwacht dat beschermde reptielen of amfibieën aanwezig zijn. Algemene soorten zoals de bruine kikker en gewone pad die zich relatief ver van (voortplantings-)water kunnen begeven zouden mogelijk wel incidenteel op het perceel kunnen voorkomen, maar vallen onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen volgens provinciale verordeningen. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Omgevingswet. Het is echter belangrijk om zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. In het kader van de (specifieke) zorgplicht. Langdurige plassen in het voortplantingsseizoen en overwinteringsstructuren zoals zanddepots en stenenstapels moeten worden voorkomen. Dieren die tijdens werkzaamheden worden aangetroffen, krijgen de kans zich te verplaatsen naar een veilige plek buiten het werkgebied.
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat voor amfibieën of reptielen veroorzaken. Soortgroep Amfibieën en reptielen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen Algemene soorten – Zorgplicht
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
18
7.9 Vissen Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater, waardoor er geen geschikt habitat aanwezig is voor vissoorten. Ten aanzien van vissen is er dan ook geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen onder de Omgevingswet. Soortgroep Vissen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
7.10 Insecten, libellen en ongewervelden Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor komen zoals: zoals de gevlekte witsnuitlibel, grote vos, grote weerschijnvlinder en gentiaanblauwtje 0-5 km. De gevlekte witsnuitlibel is afhankelijk van verlandingszones van visvrije, ondiepe wateren met een gevarieerde oevervegetatie. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater of geschikte vegetatie aanwezig. De grote vos is een vlinder die vanwege een sterk zwervend gedrag op veel plekken in het land wordt gezien. De waardplant van deze soort is iep, zoete kers en enkele wilgensoorten. De soort heeft een sterk zwervend karakter en waarnemingen rondom het plangebied hebben naar verwachting betrekking op zwervende exemplaren. De grote weerschijnvlinder leeft voornamelijk in vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen en groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Deze vlinder is vaak te vinden op open plekken, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Het gentiaanblauwtje komt voor in zorgvuldig beheerde natuurgebieden met vochtige heide. De vlinder gebruikt de klokjesgentiaan voor de ei-afzet en is afhankelijk van de aanwezigheid van mierennesten. Bron: www.vlinderstichting.nl - www.libellennet.nl - www.kenniscentruminsecten.nl
De genoemde vlindersoorten vereisen gebieden met voldoende nectarplanten en struikgewas voor schuilplaatsen en voortplanting. Het plangebied mist de flora en vegetatiestructuur die nodig zijn om deze soorten te ondersteunen. Voor libellen is de aanwezigheid van water essentieel voor voortplanting. Aangezien er binnen het plangebied geen waterpartijen of vochtige zones aanwezig zijn, is vestiging van deze soortgroep uitgesloten. Beschermde keversoorten zijn afhankelijk van oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in groter, permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond. Er zijn geen waarnemingen van deze soorten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
19
Het plangebied bestaat voornamelijk uit verharding. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen of sporen vastgesteld van beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden. Er worden geen planten verwijderd die als waardplant dienen. Daarnaast zijn er geen oude bomen, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden aanwezig die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden. Op basis van het bronnenonderzoek, de terreinkenmerken en het veldbezoek wordt geconcludeerd dat het plangebied geen functioneel leefgebied vormt voor beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden. De voorgenomen ingreep veroorzaakt geen overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Omgevingswet. Soortgroep Insecten, libellen en ongewervelden
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
20
7.11 Rode Lijsten De Rode Lijsten zijn een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De Minister bevordert onderzoek en werkzaamheden die nodig zijn voor bescherming en beheer. Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor soorten die op de Rode Lijsten zijn geplaatst. Op deze lijsten staan ongeveer 4.000 soorten vermeld. De specifieke zorgplicht houdt in dat onderzocht moet worden of een of meer van deze soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen en of dit kan leiden tot vergunningsplicht, of dat er mogelijk een vrijstelling geldt. Het is ook mogelijk dat een specifieke zorgplicht van toepassing is. Er worden geen Rode Lijst-soorten verwacht die niet al in de voorgaande hoofdstukken zijn behandeld. Evenmin zijn aanvullende maatregelen nodig buiten die al in de voorgaande hoofdstukken zijn genoemd. Om te voldoen aan de zorgplicht en om nadelige gevolgen voor Rode Lijst-soorten te voorkomen, worden de werkzaamheden zorgvuldig en met oog voor schadebeperking uitgevoerd volgens een natuurinclusieve standaard. Tijdens het broedseizoen wordt geadviseerd om een broedvogelcheck uit te voeren, zodat mogelijke verstoring van broedende vogels wordt voorkomen.
Het is daarnaast belangrijk te voorkomen dat het gebied aantrekkelijk wordt voor dieren. Dit gebeurt door geen langdurige schuilmogelijkheden te creëren, zoals hout- of puinhopen of andere structuren die geschikt zijn als verblijfplaats. Ook wordt ervoor gezorgd dat er geen grondhopen met verticale hellingen ontstaan, omdat deze een aantrekkelijk habitat kunnen vormen voor oeverzwaluwen. Om schade aan omliggende habitats te minimaliseren, worden voertuigen en machines zoveel mogelijk beperkt tot bestaande wegen en verharde oppervlakken. Daarnaast worden groenelementen in de omgeving, zoals struweel, takkenrillen en nectarplanten, zoveel mogelijk ontzien. Indien tijdens de werkzaamheden onverwacht dieren worden aangetroffen, krijgen zij de gelegenheid zich te verplaatsen naar een veilige plek buiten het werkgebied. Door deze maatregelen wordt voorkomen dat de werkzaamheden een negatief effect hebben op de staat van instandhouding van soorten die mogelijk in de omgeving van het plangebied voorkomen. Soortgroep Rode Lijstsoorten
Effecten Omgevingswet Geen
Vervolgstappen N.v.t.
7.12 Invasieve Exoten Een plant, dier, of een ander organisme, dat van nature niet in Nederland voorkomt, wordt een uitheemse soort genoemd. Wanneer deze soorten door menselijk handelen in ons land terechtkomen worden ze exoten genoemd. Het gaat hierbij niet om soorten die elders in Europa inheems zijn en door klimaatsverandering oprukken naar Nederland. Een klein deel van de exoten voelt zich prima thuis in zijn nieuwe omgeving. Ze kunnen zich vestigen in onze natuur, zich snel vermeerderen en schadelijk zijn voor inheemse soorten. Deze soorten worden invasieve exoten genoemd. Voor soorten op de zogenoemde Unielijst (EU -exotenverordening) geldt een verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Invasieve Exoten Niet aangetroffen
Aanwezigheid Geen
Vervolgstappen N.v.t.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
21
8. Gebiedenbescherming 8.1 Bescherming van Natura 2000 gebieden Natura 2000 Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of Habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Als een plan of project mogelijk negatieve effecten kan hebben op Natura 2000gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen significante gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet een passende beoordeling (PB) inclusief mogelijke ADC-toets worden gemaakt. Significantie: ‘als door ingreep toekomstige areaal habitat of leefgebied, het aantal van een soort of de kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significatie gevolgen’ De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is Veluwe en is op het kortst gemeten op een afstand van ca. 6 Km ten oosten van de onderzoekslocatie gelegen. Plangebied
Figuur 8.1 Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
22
Natura 2000-gebied effecten De voorgenomen werkzaamheden hebben gezien de aard, de duur en de afstand geen significant negatief effect op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veluwe of andere Natura 2000-gebieden. De specifieke zorgplicht blijft wel van toepassing. Verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen echter op voorhand worden uitgesloten gezien de aard, de duur en de afstand tot het Natura 2000-gebied. Negatieve effecten als gevolg van geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid zijn uitgesloten wegens de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een veehouderij en is een project van geringe omvang. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de minimale uitstoot bij dit soort werkzaamheden, worden geen significante effecten verwacht. In de toekomstige situatie is sprake van een aanzienlijk lagere stikstofuitstoot, doordat de veehouderij wordt beëindigd en transportbewegingen verminderen. Vanwege de kleinschaligheid van de ingreep en de afstand tot Natura 2000-gebieden is de kans op negatieve effecten door stikstof verwaarloosbaar. Desondanks kan het bevoegd gezag vragen om een stikstofberekening.
Voer in dat geval een berekening uit met behulp van de AERIUS Calculator om te bepalen of er sprake is van een vergunningplicht met betrekking tot stikstof. Er hoeven geen aanvullende maatregelen genomen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden.
8.2 NNN gebieden De omgevingswet draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, een ‘ja, mits’- beschermingsregime (art. 7.8, lid 2 Bkl). Activiteiten die de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk aantasten zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale omgevingsverordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Plangebied
Figuur 8.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN-gebied (kaart uitgezoomd).
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
23
Plangebied
Figuur 8.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN-gebied (kaart ingezoomd). Bron kaart: https://www.gelderland.maps.arcgis.com
Natuurnetwerk Nederland (NNN) effecten De onderzoeklocatie bevindt zich niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Ontwikkelzone (GO). Gronden die tot het NNN behoren liggen op ruime afstand van het plangebied (zie bovenstaande kaart). De uitvoering van de plannen zal geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN en de GO. Daarom wordt een toetsing aan het NNNof GO-beleid niet noodzakelijk geacht.
8.3 Overige natuurgebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van een weidevogelleefgebied en beschikt niet over kenmerken die relevant zijn voor broed- of foerageerfunctie van weidevogels. Ook met betrekking tot andere natuurgebieden worden geen effecten verwacht. De werkzaamheden vinden plaats binnen bestaand verhard perceel, zonder ingrepen in beschermde natuurwaarden of hydrologische systemen. Er is geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering of verstoring van ecologische verbindingen. Plangebied
Figuur 8.4 Ligging ten opzichte van leefgebied van weidevogels. Bron kaart: www.atlasleefomgeving.nl
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
24
9. Conclusie en samenvatting 9.1 Houtopstandenbescherming Bij de geplande ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend met een oppervlakte van 1000 m² of meer, of aan een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Op het perceel zijn geen bomen aanwezig die moeten worden gekapt. Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor de specifieke zorgplicht houtopstanden. De geplande werkzaamheden hebben geen negatieve gevolgen volgens de geldende regels voor houtopstanden. Gemeenten hebben vaak eigen regels voor het kappen van bomen, vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), die in overeenstemming moeten zijn met landelijke en provinciale wetgeving. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan bomenkap altijd de APVregels met de gemeente te bespreken. Samenvatting Houtopstandenbescherming Houtopstanden en bomenrijen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
9.2 Soortenbescherming Invloedgebied Naast de tijdelijke effecten binnen het onderzoeksgebied, kan een geplande activiteit ook negatieve gevolgen hebben voor beschermde soorten of natuurgebieden buiten het plangebied. De impact van de activiteit varieert per soort en/of soortgroep. In dit rapport is gekeken naar de uitvoering van de werkzaamheden en is een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten. Beoordeling De uitvoering van de werkzaamheden is lokaal en vindt plaats op bestaande wegen en verhardingen. Tijdens de werkzaamheden kunnen geluid en stof vrijkomen buiten het plangebied. Deze effecten zijn naar verwachting incidenteel en van korte duur, en zullen geen schadelijke invloed hebben op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied. Samenvatting Soortgoep Flora Grondgebondenzoogdieren Vleermuizen Algemeen vogels
Effecten Omgevingswet Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding
Vogels jaarrond Beschermd Amfibieën en reptielen Vissen Insecten, libellen en ongewervelden Rode Lijstsoorten Invasieve exoten
Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Niet aangetroffen
Vervolgstappen N.v.t. Algemene soorten - Zorgplicht N.v.t. – Zorgplicht m.b.t. verlichting Broedvogelcheck bij start werk binnen het broedseizoen. N.v.t. Algemene soorten - Zorgplicht N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Lankerenseweg 12 | Voorthuizen
25
Beschermde soorten De manier waarop het perceel is ingericht en wordt gebruikt, maakt het gebied niet geschikt als leefgebied voor beschermde dieren en planten. Vleermuizen, vogels en amfibieën kunnen het plangebied wel gebruiken om voedsel te zoeken. Grondgebonden zoogdieren hebben er echter geen vaste plekken om te rusten of zich voort te planten, en amfibieën gebruiken het gebied niet als rustplaats in de winter. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen hebben er geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen. Algemene soorten In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene, veel voorkomende soorten is in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht. Dit betekent dat er voldoende zorg moet worden gedragen voor eventueel passerende individuen. Bijvoorbeeld door dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied te verplaatsen als ze tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen.
Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten Door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van algemeen voorkomende vogelsoorten wordt voorkomen dat broedgevallen van broedvogels worden verstoord Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd, het gaat erom dat er geen broedende vogels worden verstoord. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen zijn alleen toegestaan wanneer vooraf is vastgesteld dat er geen broedgevallen binnen het plangebied aanwezig zijn. Verlichting Veel algemene en beschermde diersoorten, zoals vleermuizen en uilen, zijn vooral actief tijdens de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien extra verlichting wordt gebruikt, moet deze worden afgewend van aanwezige bebouwing en groenstructuren om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Het is aan te raden de verlichting tot een minimum te beperken en alleen te plaatsen waar het echt noodzakelijk is. Gebruik naar beneden gerichte lichtbronnen om lichtverstrooiing in de omgeving te voorkomen (figuur 9.2).