TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22as Horselerweg 3 en 5 Motivering Bijlage 5 QSFF
Tekst van het document
VERKENNEND ONDERZOEK NAAR BESCHERMDE FLORA EN FAUNA HORSELERWEG 5 TE KOOTWIJKERBROEK
COZIJNSEN FLORA FAUNA ADVIES De haarstraat 1 3861 VE Nijkerk
Natuurwaardenonderzoek in het kader van de Omgevingswet
Tel: 0642926885 Email: info@cffa.nl Iban: NL61RABO0189385928 Kvk:85564753 Btw-id: NL004115333B71
HORSELERWEG 5 TE KOOTWIJKERBROEK
Te slopen
Het plangebied bevindt zich aan de Horselerweg 5 te Kootwijkerbroek. Op dit adres bevindt zich een gemengde veehouderij (varkens en kippen). De initiatiefnemer is voornemens de veehouderij te beëindigen en het bestemmingsplan te wijzigen. De in rood aangegeven veestallen zullen hierbij worden gesloopt. Na de sloop zal er een nieuw bedrijfsgebouw worden gerealiseerd voor een aannemersbedrijf. De locatie zal daarmee een gemengd gebruik krijgen van wonen en niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. Bron kaart: www.perceelloep.nl (bewerkt).
Opdrachtgever: Contactpersoon: Kenmerk rapport: Datum veldbezoek: Datum rapport: Versie:
Dhr. H. Drost Dhr. E. Top – Midden Nederland Makelaars 25CFF002 28 januari 2025 30 januari 2025 1.0
Rapportage Voorbereiding door: Opgesteld door: Vrijgegeven door:
Naam Mevr. A Smits Dhr. G. Cozijnsen Dhr. G. Cozijnsen
Akkoord
Datum 23-01-2025 28-01-2025 30-01-2025
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
1
Inhoudsopgave 1.Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Omschrijving gebied 2.Plangebied 2.1 Algemeen 2.2 Beschrijving 3.Onderzoeksmethode 3.1 Opzet 3.2 Bronnenonderzoek 3.3 Veldbezoek 4.Natuurwetgeving en beleid in de Omgevingswet 4.1 Omgevingswet 5.De Activiteiten 5.1 Ingrepen 6.Houtopstandenbescherming 6.1 Bescherming van houtopstanden in de omgevingswet 6.2 Effectenbeoordeling houtopstandenbescherming 7.Soortenbescherming 7.1 Bescherming van soorten 7.2 Bureau onderzoek 7.3 Vrijstellingen 7.4 Flora 7.5 Grondgebonden zoogdieren 7.6 Vleermuizen 7.7 Vogels 7.8 Amfibieën en reptielen 7.9 Vissen 7.10 Insecten, libellen en ongewervelden 7.11 Rode Lijsten 7.12 Invasieve Exoten 8. Gebiedenbescherming 8.1 Bescherming van Natura 2000 gebieden 8.2 NNN gebieden en overige natuurgebieden 9. Conclusie en samenvatting 10. Advies 11. Bronnen Bijlage 1. Foto overzicht Bijlage 2. Overzichtstekening Bijlage 3. Registratieformulier Flora Fauna inventarisatie
3 3 4 5 5 5 6 6 6 6 7 7 8 8 8 8 9 9 9 9 10 11 11 13 15 16 17 17 19 19 20 20 22 24 27 28 29 32 33
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
2
1.Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van de heer Drost heeft Cozijnsen Flora Fauna Advies een QuickScan natuur uitgevoerd aan de Horselerweg 5 te Kootwijkerbroek, in het kader van de Omgevingswet (Ow). Op dit adres is momenteel een gemengde veehouderij gevestigd. De initiatiefnemer is voornemens de veehouderij te beëindigen en het bestemmingsplan te wijzigen naar een niet-agrarisch bedrijf. De bestaande veestallen op het perceel zullen hierbij worden gesloopt. Na de sloop zal er een nieuw bedrijfsgebouw worden gerealiseerd voor een aannemersbedrijf. Het onderzoek heeft als doel om via een oriënterend bronnenonderzoek en veldbezoek te bepalen of de geplande ontwikkelingen in strijd zijn met de Omgevingswet. Vanaf 1 januari 2024 valt natuurbescherming onder deze wet. De ingreep kan mogelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora en fauna, natuurgebieden en houtopstanden. Indien nodig, moeten vervolgstappen worden genomen volgens de natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Daarna wordt beoordeeld of de geplande ruimtelijke ingreep binnen deze wettelijke en beleidsmatige kaders uitvoerbaar is. Deze QuickScan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen plannen gewijzigd worden dient voorliggend onderzoek te worden geactualiseerd.
De resultaten in deze QuickScan zijn drie jaar geldig, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen. Plangebied
Figuur 1.1 Bron: www.pdok.nl – Regionale ligging plangebied.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
3
1.2 Omschrijving gebied Het dorp Kootwijkerbroek bestaat nog niet zo lang. Het is ontstaan doordat inwoners van Kootwijk de moerassen in deze omgeving tot landbouwgronden ontgonnen, nog tot 1950 werd hier turf gestoken. Kootwijkerbroek staat bekend om zijn agrarische gemeenschap en heeft een sterke binding met de landbouwsector, die een belangrijke rol speelt in de lokale economie. Dit rustige dorp ligt op de Veluwe. Plangebied
Figuur 1.2 kaart 1975
Plangebied
Figuur 1.3 kaart 2023
Bron: www.topotijdreis.nl en www.wikipedia.nl
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
4
2.Plangebied 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen aan de Horselerweg, in het buitengebied van Kootwijkerbroek. Het perceel, dat momenteel wordt gebruikt voor veehouderij, bevindt zich op ongeveer 650 meter ten westen van de kern van Kootwijkerbroek en wordt aan alle zijden omgeven door agrarische gronden. Deze locatie valt binnen de gemeente Barneveld in de provincie Gelderland. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande veestallen aangegeven als B en C te slopen. Na de sloop zal er een nieuw bedrijfsgebouw worden gerealiseerd voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten.
B
C
Figuur 2.1 Tekening links bestaande en rechts nieuwe situatie - Bron tekening: Graveland Bouwontwerp.
2.2 Beschrijving De te slopen bebouwing bestaat uit moderne stallen die worden gebruikt voor het professioneel houden van varkens en pluimvee. Tijdens de bouw zijn er maatregelen getroffen om diersoorten van buitenaf te weren, om zo de biosecurity van het vee te waarborgen. De gevels van de stallen bestaan uit metselwerk, gecombineerd met geïsoleerde damwandplaten en winddoek. Het metselwerk is gesloten; er zijn geen open stootvoegen, openingen of kieren aanwezig. Het dakvlak bestaat uit golfplaten, is strak afgesloten en is voorzien van vogelschroot. De blikplaat dakranden sluiten naadloos aan op de gevels. Voor de ventilatieopeningen is gaas en winddoek aangebracht. Het terrein rondom de bebouwing bestaat uit straatverharding en een vrije uitloop-weide. Bij de voorgenomen ingreep zal er geen opgaand groen worden verwijderd. De nieuwe situatie zal landschappelijk worden ingepast met gebiedseigen bomen en struiken, wat zal bijdragen aan de ecologische waarde en het behoud van de lokale biodiversiteit. Voor verdere details verwijzen we naar de fotobijlage met beschrijving van het plangebied (bijlage 1).
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
5
3.Onderzoeksmethode 3.1 Opzet In dit verkennend onderzoek is de locatie onderzocht op de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Voordat de locatie werd bezocht, heeft er eerst een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Hierbij is onder andere rekening gehouden met de aanwezigheid van waargenomen beschermde soorten in de afgelopen drie jaar binnen een straal van 5 km van het plangebied.
3.2 Bronnenonderzoek Voorafgaande aan het veldonderzoek is doormiddel van beschikbare literatuur, online raadpleegbare websites met verspreidingsgegevens (o.a., NDFF, RAVON, SOVON, Vlinderstichting, Zoogdiervereniging, FLORON, telmee.nl) een goed beeld verkregen van de (potentieel) te verwachten beschermde soorten in of nabij het plangebied. Deze kennis is vervolgens meegenomen tijdens het veldonderzoek.
Figuur 3.2: lidmaatschap NDFF
3.3 Veldbezoek De locatie is op de ochtend van 28 januari 2025 bezocht. Tijdens het onderzoek zijn zowel de omgeving als de locatie geïnspecteerd op mogelijke soorten en/of sporen. De weersomstandigheden waren droog, met een temperatuur van ongeveer 9°C. Tijdens het veldbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde soorten. Waarnemingen (zicht en geluid) en sporenonderzoek naar de aanwezigheid van pootafdrukken, graafsporen, holen, nesten, uitwerpselen, haren, beschermde plantsoorten, enzovoort, zijn uitgevoerd. Het veldbezoek wordt met de grootst mogelijke zorg uitgevoerd, echter is het niet per definitie uit te sluiten dat er bepaalde soorten voorkomen die niet in dit rapport genoemd zijn. Het veldbezoek is uitgevoerd door G. Cozijnsen gecertificeerd Flora-Faunacontroleur, actief vrijwilliger voor de Zoogdiervereniging via Vleermuiswerkgroep Leusden en actief vrijwilliger voor Vogelwerkgroep Nijkerk. Ruime ervaring in faunabeheer en natuurlijk landschap onderhoud en inrichting. Tijdens het onderzoek was een verrekijker, zaklamp, holtecamera en een warmtebeeldcamera voorhanden, hiermee kunnen eventueel aanwezige soorten op lichaamswarmte worden waargenomen.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
6
4.Natuurwetgeving en beleid in de Omgevingswet 4.1 Omgevingswet Algemene zorgplicht (afd. 1.3 OW): Eenieder is verantwoordelijk voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Dit geldt altijd, tenzij er een specifieke zorgplicht betrekking op de handeling heeft. Algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (Par. 5.1.1 Ow) • •
Flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelingen Natura 2000-activiteit (vergunningsplicht indien kans op significante gevolgen op Natura 2000 gebied, zie Hoofdstuk 8 van dit rapport)
Flora- en fauna-activiteit betreft een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten, dan gelden de regels in; Art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht) Art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) Paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal: vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen (via gedragscodes, vrijstellingen in de omgevingsverordening of ministeriele regeling) Specifieke zorgplicht Flora-Fauna-activiteiten (art. 11.27 Bal) Iedereen die activiteiten uitvoert die nadelige gevolgen kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Dit wordt verder uitgewerkt in art. 11.27, 2e lid Bal: • • •
Nagaan of er aanwijzingen zijn van aanwezigheid beschermde en bedreigde soorten Indien ja; vaststellen of nadelige gevolgen voorkomen kunnen worden Indien niet te voorkomen, dan; passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen
Naast de specifieke zorgplichten zijn er 3 categorieën beschermingsregimes (par. 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal): • Par. 11.2.2 Bal: Vogelrichtlijnsoorten • Par. 11.2.3 Bal: Habitatrichtlijnsoorten + conventie van Bern l+ll & conventie van Bonn l • Par. 11.2.4 Bal: Nationaal beschermde soorten Rode lijst soorten; alleen beschermd indien op lijsten, beschermd onder EU-richtlijnen of onder de specifiek zorgplicht.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
7
5.De Activiteiten 5.1 Ingrepen De ingrepen zijn permanent van karakter en betreffen: • • • • • •
Inpandig leegstrippen van de opstallen. Totaalsloop van de opstallen, zie figuur 2.1, aangegeven als B en C. Recycling en afvoer van het sloopmateriaal. Grondwerkzaamheden voorbereiden nieuwbouw. Realisatie van nieuwbouw, zie bijlage 2 van dit rapport. Afwerken en inrichten van het terrein.
6.Houtopstandenbescherming 6.1 Bescherming van houtopstanden in de omgevingswet Regels bescherming houtopstanden en bomenrijen (afd. 11.3 Bal) •
• •
Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) o Geldt voor vellen houtopstanden en herbeplanten van grond o Verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen/beperken/achterwege te laten (art. 11.112 Bal) o Oogmerken zijn doelstellingen voor regels over vellen en herbeplanten: natuurbescherming, de instandhouding bosareaal en bescherming landschappelijke waarden Algemene meldplicht voorafgaand aan kap Herplantingplicht: houtopstanden vanaf 10 are of bomenrijen meer dan 20 bomen.
Regels gelden niet voor (art. 11.111, lid 2 Bal) • Houtopstanden kleiner dan 10 are; • Bomenrijen bestaande uit 20 bomen of minder; • Houtopstanden op erven of in tuinen; • Bomen of struiken voor de teelt van vruchten of noten; • Windschermen om boomgaarden; • Kerstbomen niet ouder dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden • Dunningen; • Beplantingen populieren, wilgen, essen of elzen voor productie biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar geoogst, minsten 10.000stoven/ha/beplantingseenheid en zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
8
Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de ‘bebouwingscontour houtkap’ (omgevingsplan gemeenten art. 5.165b Bkl).
6.2 Effectenbeoordeling houtopstandenbescherming Bij de geplande ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend met een oppervlakte van 1000 m² of meer, of aan een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor de specifieke zorgplicht houtopstanden. De geplande werkzaamheden hebben geen negatieve gevolgen volgens de geldende regels voor houtopstanden. In de nieuwe situatie worden bomen en struiken aangeplant. Gemeenten hebben vaak eigen regels voor het kappen van bomen, vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), die in overeenstemming moeten zijn met landelijke en provinciale wetgeving. Het is verstandig om voorafgaand aan bomenkap de APV-regels met de gemeente te bespreken. Houtopstandenbescherming Houtopstanden en bomenrijen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
7.Soortenbescherming 7.1 Bescherming van soorten Bij het onderdeel soortenbescherming is het uitgangspunt dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “Nationaal beschermde soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een vergunning noodzakelijk zijn.
7.2 Bureau onderzoek Op basis van het bureau onderzoek wordt onderzocht welke soorten er op de planlocatie en de directe omgeving voor kunnen komen en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In het voorliggend onderzoek is rekening gehouden met zowel strikt beschermde soorten als minder beschermde soorten.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
9
7.3 Vrijstellingen In de Omgevingswet (voorheen Wet Natuurbescherming) is de natuurwetgeving gedecentraliseerd. Hierdoor ontstaan er verschillen tussen de provincies. Ook op het gebied van soorten die vrijgesteld zijn. Hieronder is daarom een overzicht opgenomen van de vrijgestelde soorten per provincie. Deze vrijstelling is opgenomen in het eerste lid van Artikel 11.54 Besluit activiteiten leefomgeving (zie toelichting onder de tabel). Let op dat bij het gebruiken van de vrijstelling mogelijk aan specifieke voorwaarden voldaan dient te worden. Zo is doden niet altijd toegestaan, en zitten er soms bepaalde voorwaarden aan het vangen van de dieren (zoals het gebruiken van een bepaalde vang-methode). Dit verschilt per soort en per provincie. Provincie Friesland heeft bijvoorbeeld zeer duidelijk gespecificeerd welke activiteiten vergunningvrij zijn, welke middelen of methodes gebruikt dienen te worden en eventueel aanvullende maatregelen. Ga voor meer informatie met betrekking tot de vrijstelling van een soort naar de betreffende omgevingsverordening, te raadplegen via www.overheid.nl
Figuur 7.3 Vrijgestelde soorten per provincie - Bron, www.habitus.nl
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
10
7.4 Flora Uit literatuurgegevens en studies (bron: NDFF) blijkt dat waarnemingen van soorten zoals akkerogentroost, dennenorchis, glad biggenkruid, kartuizer anjer en stijve wolfsmelk alleen binnen een straal van 5-10 km van het plangebied zijn gedaan. Akkerogentroost groeit voornamelijk in akkers (akkerranden en graanakkers). Dennenorchis bevindt zich in naaldbossen, met name in dennenbossen op zandige, zure bodems. De plant geeft de voorkeur aan schaduwrijke locaties en groeit vaak in de strooisellaag van het bos. Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plekken (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, stikstofarme, zwak zure en kalkarme grond, zoals leemarm en lemig zand. Stijve wolfsmelk groeit op open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei- en mergelbodems. Ze komt vaak voor op stenige plaatsen en verstoorde grond. Bronnen: www.floravannederland.nl - www.wilde-planten.nl - www.verspreidingsatlas.nl
Volgens NDFF-gegevens komen de hierboven genoemde beschermde planten voor op een afstand van 5-10 km van het plangebied. Deze soorten stellen specifieke eisen aan hun stand- of groeiplaats, die in het onderzochte gebied niet aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde of bedreigde plantensoorten, noch resten hiervan, aangetroffen. Er zijn geen muren met (beschermde) muurvegetatie aanwezig. Aangezien de beoogde ingreep plaatsvindt op een perceel dat bestaat uit bebouwing en vrije uitloopweide voor kippen met een hoog gebruik en onderhoudsbeleid, worden beschermde soorten niet verwacht en kunnen zich hier ook niet ontwikkelen. Daardoor zal de voorgenomen ingreep niet leiden tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Soortenbescherming Flora
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
7.5 Grondgebonden zoogdieren Uit literatuurgegevens en studies (bron: NDFF) blijkt dat in de omgeving verschillende diersoorten voorkomen. Binnen een straal van 0-1 km zijn waarnemingen gedaan van de wezel, das, egel, bosmuis, haas en vos. Daarnaast zijn op een afstand van 1-5 km boommarter, bunzing, steenmarter, huisspitsmuis, rosse woelmuis, woelrat, eekhoorn, konijn, damhert en ree waargenomen. Het leefgebied van de das vereist voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een geschikte bodem om een burcht te graven. Op de planlocatie zijn geen sporen van dassen gevonden, zoals mestputjes, krabsporen, wissels of holen. Hierdoor kan de aanwezigheid van dassen worden uitgesloten. Het plangebied grenst aan het woonerf, wat verstorend werkt voor dassen. Rond de te slopen bebouwing ligt een vrije-uitloopweide voor de kippen die geheel is omheind met een dicht gaashekwerk, waardoor toegang voor dassen wordt beperkt. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat dassen het plangebied zullen betreden.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
11
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen gedaan van kleine marterachtigen. Het plangebied bestaat uit volledig afgesloten veestallen, omgeven door een vrije uitloop-weide zonder beschutting. Tijdens het veldonderzoek zijn er geen sporen van kleine marterachtigen, zoals bunzing en wezel, gevonden. Deze soorten hebben specifieke habitatvereisten, waaronder voldoende dekking, voedselbronnen en geschikte schuilplaatsen, die in het plangebied ontbreken. Hun leefgebied bestaat meestal uit een combinatie van dichte vegetatie en open ruimtes, zoals hagen, houtwallen en ruigtes, en beslaat vaak meerdere hectaren. Het is aannemelijk dat hun leefgebied buiten de planlocatie ligt, waardoor negatieve effecten op deze soorten uitgesloten kunnen worden. Negatieve effecten kunnen optreden bij het verminderen van hun leefgebied, bijvoorbeeld door het verwijderen van grote stukken dichte vegetatie of het verminderen van voedselbronnen. Dit is in dit geval niet van toepassing. Egels geven de voorkeur aan tuinen, parken, bosranden en heggen met voldoende dekking en voedselbronnen. Het gebied rond de bebouwing, bestaande uit een open vrije-uitloopweide zonder geschikte schuilplaatsen of beschutting, biedt geen geschikt habitat voor egels. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn konijnen en hazen waargenomen (bron: NDFF).
Deze dieren hebben schuilplaatsen nodig, zoals holen, legers en dichte struiken, om bescherming te vinden tegen roofdieren. Hun territoria beslaan vaak meerdere hectaren. Tijdens het veldbezoek zijn er echter geen sporen, zoals prenten, uitwerpselen of holen/legers, aangetroffen. In de wijde omgeving van het plangebied is er voldoende geschikt leefgebied voor deze soorten aanwezig. Dit bestaat uit groene omgevingen met voldoende dekking voor holen en legers, evenals foerageergebieden voor voedsel. Het voorgenomen plan zal daarom geen negatieve invloed hebben op het essentiële leefgebied van deze soorten, noch zal het leiden tot aantasting of verstoring ervan. De boommarter zal de onderzoekslocatie niet gebruiken, aangezien deze soort in grote, structuurrijke bossen leeft. De rode eekhoorn leeft in diverse bossoorten en parken, maar bomen met holten en grote nesten, die essentieel zijn voor beide soorten, ontbreken op de onderzoekslocatie. De steenmarter, een soort die bekend staat om het bewonen van gebouwen, is ook uitgesloten binnen het plangebied. De bebouwing is niet toegankelijk voor deze soort en er zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen. Bij intensief gebruik zijn dergelijke sporen makkelijk te vinden, wat aantoont dat steenmarters niet in het gebied aanwezig zijn. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van grote hoefdieren.
Echter, de bebouwde omgeving op het erf biedt geen geschikt leefgebied voor deze soorten. Door de verstoring en het dichte hekwerk zullen deze dieren het gebied mijden en niet betreden. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen voor grondgebonden zoogdieren volgens de Omgevingswet. Op de locatie ontbreekt het aan geschikt leefgebied vanwege de eisen die deze zoogdieren stellen aan hun leefomgeving. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van algemeen beschermde soorten waarvoor een vrijstelling geldt. Voor deze soorten geldt de specifieke zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat we nadelige gevolgen voor inheemse planten en dieren moeten voorkomen en zorgvuldig met onze omgeving moeten omgaan. Dit betekent dat iedereen verplicht is om maatregelen te nemen om schade aan soorten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, indien nodig. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat dieren worden verplaatst mochten ze onverhoopt tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen. Soortenbescherming Grondgebonden zoogdieren
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen Algemene soorten - Zorgplicht
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
12
7.6 Vleermuizen Uit literatuurgegevens en studies (bron: NDFF) blijkt dat in de omgeving de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis, binnen een straal van 0-5 km.
Onderzoek Tijdens een veldbezoek worden bomen en aanwezige bebouwing onderzocht op potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Hierbij letten we op openingen die geschikt kunnen zijn, het gebruikte bouwmateriaal, eventuele sporen van vleermuizen en verlichting rondom het pand. Ons onderzoek is gebaseerd op het vleermuisprotocol 2021, diverse literatuur van onder andere de zoogdiervereniging en drs. H.J.G.A. Limpens, en onze eigen ervaring met vleermuisonderzoek. De locatie was goed te beoordelen; als hulpmiddel is een verrekijker met 8x42 vergroting gebruikt. Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven overdag vooral op beschutte, donkere plekken zoals in de spouw of onder de dakbedekking. Ook achter dak betimmering of in dubbelwandige schoorstenen vinden ze soms een geschikt onderkomen. De temperatuur in hun verblijf is cruciaal voor de groei en ontwikkeling van de jongen. Afhankelijk van de buitentemperatuur zoeken vleermuizen warme, zeer warme of juist koelere plekken op. Daarom kiezen ze vaak gebouwen met een spouwruimte, waarbinnen ze ruimten met verschillende temperaturen kunnen benutten. Herkennen verblijfplaatsen aan de hand van sporen Er zijn twee soorten sporen die kunnen worden onderscheiden: uitwerpselen en veeg- en vetsporen.
Sporen van vleermuizen worden gevonden aan de buitenkant van objecten (bijvoorbeeld gevels, raamkozijnen, lekdorpels, zonneschermen en boomschors) en aan de binnenkant van objecten (open ruimtes die vleermuizen gebruiken om te verblijven). Veeg- en vetsporen worden gevonden op oppervlakken waar vleermuizen regelmatig langs bewegen en schuren. Naast sporen die duiden op aanwezigheid, wordt ook gezocht naar sporen die duiden op afwezigheid van vleermuizen. Vleermuizen maken alleen gebruik van vrije invliegopeningen, die relatief vrij en schoon blijven (op sporen van aanwezigheid na). Openingen gevuld met stof en spinrag worden niet gebruikt door vleermuizen. Vleermuizen zijn relatief schone dieren en vermijden vuil. Ruimtes die te stoffig, tochtig, vol spinrag, rommel of mestgeur (ammoniak) zijn, worden ongeschikt bevonden als verblijfplaats. De aanwezigheid van stof, tocht, spinrag, rommel en mestgeur kan dus een bevestiging zijn voor de afwezigheid van vleermuizen in een object. Om een verblijfplaats van vleermuizen vast te stellen op basis van sporen, is het niet noodzakelijk de gehele ruimte op de centimeter te controleren. Sporen van vleermuizen zijn altijd te vinden binnen 1 tot 1,5 meter van een invliegopening, zowel aan de binnen- als buitenkant van een verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek wordt gelet op een combinatie van factoren en bouwkundige aspecten.
Wanneer tijdens het sporenonderzoek blijkt dat er potentieel geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn die niet volledig te overzien zijn, wordt aanvullend onderzoek geadviseerd.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
13
Verblijfplaatsen De te slopen bebouwing bestaat uit moderne stallen die worden gebruikt voor het professioneel houden van varkens en pluimvee. Tijdens de bouw zijn maatregelen getroffen om diersoorten van buitenaf te weren en zo de biosecurity van het vee te waarborgen. De gevels van de stallen bestaan uit metselwerk, gecombineerd met geïsoleerde damwandplaten en winddoek. Het metselwerk is gesloten; er zijn geen open stootvoegen, openingen of kieren aanwezig. Het dakvlak bestaat uit golfplaten, is strak afgesloten en is voorzien van vogelschroot. De blikplaat dakranden sluiten naadloos aan op de gevels. Voor de ventilatieopeningen is gaas en winddoek aangebracht. Vanwege de volledig afgesloten constructie van de stallen, zonder openingen of kieren, zijn er geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Bovendien maakt de gesloten constructie van de gevels, het dakvlak en de naadloze aansluiting van de dakrand op de gevel het onmogelijk voor vleermuizen om toegang te krijgen tot de binnenkant van de stallen. De ventilatieopeningen, voorzien van gaas en winddoek, maken verdere toegang onmogelijk. Tijdens het veldonderzoek zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen.
Gezien de afwezigheid van dergelijke kenmerken, het ontbreken van toegang tot spouwruimtes en het niet aantreffen van geschikte wegkruipplekken of verblijfplaatsen met een voldoende stabiel klimaat, kunnen vleermuisverblijfplaatsen in deze stallen worden uitgesloten. Bomen Er zijn geen bomen met holten, losse schors, scheuren of spleten die vleermuizen als verblijfplaats kunnen gebruiken op of nabij de locatie. Hierdoor zijn er geen geschikte plekken voor boombewonende vleermuizen aanwezig. Foeragerende vleermuizen Gelet op de omgeving en het aanwezige groen op het perceel, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door de voorgenomen ingreep zal er geen verslechtering optreden, aangezien er in de omgeving voldoende en meer geschikt foerageergebied voorhanden is en er sprake zal zijn van nieuwe aanplant. Vliegroutes Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen als oriëntatiepunten tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen. De ingreep zal niet leiden tot aantasting van een vliegroute. Tijdens de werkzaamheden dient er wel voorzichtig te worden omgegaan met extra verlichting om eventuele passerende en jagende vleermuizen in de omgeving niet te hinderen, aangezien sterke verlichting vleermuizen kan desoriënteren.
Soortenbescherming Vleermuizen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t. – zorgplicht m.b.t. verlichting
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
14
7.7 Vogels Uit literatuurgegevens en studies (bron: NDFF) blijkt dat verscheidene soorten in de omgeving aanwezig kunnen zijn, waaronder: blauwe reiger, ooievaar, boerenzwaluw, gierzwaluw, huiszwaluw, oeverzwaluw, huismus, zwarte roodstaart, grote gele kwikstaart, ijsvogel, ekster, spreeuw, tapuit, buizerd, havik, sperwer, roek, raaf, kerkuil, steenuil, groene specht en grote bonte specht. Deze soorten worden waargenomen binnen een straal van 0-1 km. De blauw reiger broedt meestal in slordige kolonies (soms solitair). De voorkeur gaat uit naar plekken waar roofdieren moeilijk bij komen zoals eilandjes in watergebieden. Voor ooievaars zijn er geen geschikte nestplekken, zoals nestkasten, nestpalen of ooievaarsnesten, binnen het plangebied aanwezig. De gierzwaluw is een koloniebroeder en geeft de voorkeur aan stedelijk gebied met een ruim aanbod van nestlocaties. De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied, op de planlocatie zijn geen geschikte nestlocaties waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen recente actieve nesten van het afgelopen broedseizoen van boerenzwaluwen of huiszwaluwen aangetroffen. De stallen op de locatie zijn goed afgesloten en bieden geen toegang voor deze vogelsoorten. De gevels en daken hebben geen openingen of kieren die als invliegopening kunnen dienen.
Hierdoor is het uitgesloten dat boerenzwaluwen en huiszwaluwen de stallen als nestlocatie gebruiken. Verstoring en aanwezigheid van deze vogelsoorten kan daarom worden uitgesloten. Vestiging van de oeverzwaluw tijdens het veldbezoek is uitgesloten door het ontbreken van grondhopen en de afwezigheid van deze soort in dit jaargetijde in Nederland. Tijdens de werkzaamheden in het broedseizoen is het van belang te voorkomen dat er grondhopen met verticale hellingen ontstaan, omdat oeverzwaluwen zich vaak in dit soort grondhopen vestigen. De stallen in het plangebied zijn goed afgesloten en voorzien van vogelwerende maatregelen, waardoor deze niet toegankelijk zijn voor de huismus. Door het ontbreken van geschikte nestplekken en groen is het plangebied niet geschikt als leefgebied voor de huismus. Tijdens ons bezoek zijn er binnen het plangebied geen huismussen waargenomen. Aangezien de huismus zeer honkvast is en het gehele jaar in zijn territorium verblijft, kan de aanwezigheid van deze soort worden uitgesloten. Gezien de afstand tot de omliggende bebouwing is het onwaarschijnlijk dat er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen zijn die negatief beïnvloed kunnen worden door de werkzaamheden. De geplande ruimtelijke ingreep zal daarom niet leiden tot verstoring of aantasting van nestlocaties en het functioneel leefgebied van de huismus.
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de zwarte roodstaart aangetroffen, zoals nesten of nestresten. Door het ontbreken van geschikte nestplekken. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Dit habitat in binnen het plangebied niet aanwezig. Tijdens het veldonderzoek zijn er geen potentieel geschikte jaarrond beschermde nesten van roofvogels aangetroffen. De afwezigheid van deze soorten kan verklaard worden door het aanwezige habitat en de mate van verstoring. Roofvogels hebben doorgaans een voorkeur voor uitgestrekte bosgebieden die voldoende dekking en voedselbronnen bieden. Bovendien zijn deze soorten zeer
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
15
gevoelig voor verstoringen, zoals menselijke activiteiten en geluidsoverlast, die hun nestelgedrag negatief kunnen beïnvloeden. Daarom is het onwaarschijnlijk dat zij in het onderzochte gebied een geschikte nestplaatsen zullen vinden. Voor soorten als de boomvalk en ransuil, zijn geen mogelijke nestlocaties aangetroffen. Uilen broeden in gebouwen, nestkasten en bomen. Tijdens het onderzoek zijn geen sporen zoals braakballen aangetroffen, wat wijst op de afwezigheid van uilen in de te slopen bebouwing. De goed afgesloten gebouwen bieden geen geschikte verblijfplaatsen voor uilen. Ook zijn er geen concentraties van braakballen gevonden die op een roestplaats duiden. Bij regelmatig gebruik zouden er sporen zoals braakballen, krijtstrepen en ruiveren aanwezig zijn, maar deze zijn niet aangetroffen op de onderzoekslocatie. Als er buiten de onderzoekslocatie vaste rust- of verblijfplaatsen van uilen zijn, zullen de voorgenomen plannen geen verlies van essentieel foerageergebied veroorzaken, aangezien deze gebieden in ruime mate buiten de planlocatie liggen en behouden blijven. Tijdens het veldbezoek zijn er geen door spechten gemaakte holtes aangetroffen op het perceel. De afwezigheid van geschikte nestbomen maakt het onwaarschijnlijk dat spechten het plangebied als leefgebied gebruiken. Algemeen voorkomende vogels zijn tijdens de broedperiode het meest gevoelig voor verstoring.
Buiten deze periode zijn ze flexibeler en is de kans op nadelige effecten door werkzaamheden aanzienlijk kleiner. Gedurende het broedseizoen, dat indicatief loopt van 15 maart tot 15 juli, zijn de nesten en de functionele leefomgeving van deze vogels beschermd. Werkzaamheden kunnen daarom het beste buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Als de werkzaamheden toch tijdens het broedseizoen moeten plaatsvinden, moet de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd worden door een deskundige.
Soortenbescherming Algemene Vogels
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vogels jaarrond beschermd
Geen overtreding
Vervolgstappen Broedvogelcheck bij start binnen het broedseizoen N.v.t.
7.8 Amfibieën en reptielen Uit literatuurgegevens en studies (bron: NDFF) blijkt dat er in de omgeving diverse soorten voorkomen, waaronder groene kikker (onbepaald), bruine kikker, kleine watersalamander, kamsalamander hazelworm en levendbarende hagedis binnen een straal van 1-5 km. Groene kikkers zijn echte waterdieren en worden bijna altijd in of in de directe omgeving van water aangetroffen. Ze hebben stilstaand of langzaam stromend water nodig, zoals vijvers, meren, sloten en moerassen, voor hun voortplanting en overleving. Deze habitats bieden niet alleen water voor het leggen van eieren, maar ook voedselbronnen. De noodzakelijke voorwaarden voor voortplanting en overleving van deze soort is binnen het plangebied niet aanwezig. Levendbarende hagedissen zijn bewoners van open tot halfopen leefgebieden met een rijke vegetatiestructuur. Een verspreide begroeiing van bomen en struiken mag aanwezig zijn, maar een massale boomopslag wordt niet verdragen. Grote heideterreinen met name jeneverbessenstruiken en andere lage vegetatie, vormen de voorkeursbiotoop van levendbarende hagedissen.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
16
Hazelwormen leiden een verborgen leven. Het grootste deel van de dag leven ze onder de vegetatie en dood hout of ze verblijven in holen in de grond. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. Bron: www.ravon.nl – www.padden.nu Amfibieën leven zowel in een water- als landomgeving. Deze omgevingen omvatten voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren, die op korte afstand van elkaar moeten liggen. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied, winterhabitat of voortplantingsgebied voor de verwachte soorten. Er zijn geen geschikte structuren of schuilmogelijkheden voor reptielen en amfibieën. Beschermde amfibieën en reptielen worden daarom niet verwacht in het plangebied. Broeihopen, structuurrijke vegetaties, voedselarme poelen en zandverstuivingen die geschikt zijn voor ei-afzet, zijn in het plangebied en de directe omgeving afwezig. Op basis van het bronnenonderzoek en het locatiebezoek wordt niet verwacht dat beschermde reptielen of amfibieën aanwezig zijn.
Algemene soorten zoals de bruine kikker en gewone pad kunnen mogelijk wel incidenteel op het perceel voorkomen, maar vallen onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen volgens provinciale verordeningen. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Omgevingswet. Het is echter belangrijk om zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. In het kader van de (specifieke) zorgplicht. Dieren die tijdens de werkzaamheden onverwacht worden aangetroffen, krijgen de kans om te ontsnappen of zich te verplaatsen naar een veilige plek buiten het werkgebied. De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat voor amfibieën of reptielen veroorzaken. Soortenbescherming Amfibieën en reptielen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen Algemene soorten – Zorgplicht
7.9 Vissen Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. Hierdoor is er ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Omgevingswet. Soortenbescherming Vissen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
7.10 Insecten, libellen en ongewervelden Uit studies (bron: NDFF) blijkt dat er in de omgeving soorten voorkomen zoals de grote vos, teunisbloempijlstaart en vliegend hert op een afstand van 1-5 km.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
17
De grote vos is een vlinder met een sterk zwervend gedrag en wordt op veel plekken in het land gezien. De waardplanten zijn iep, zoete kers en enkele wilgensoorten. Waarnemingen rondom het plangebied betreffen naar verwachting zwervende exemplaren, gezien de aanwezige habitat. De teunisbloempijlstaart is een nachtvlinder en maakt van gebruik van specifieke waardplanten: Wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De voorkeurshabitat van de vlinder zijn open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Het Vliegend hert is een kever, is erg zeldzaam en in Nederland is hij vooral nog te vinden in beboste gebieden, langs bosranden of op open plekken in het bos in Zuid-Limburg, Veluwe en Rijk van Nijmegen. De genoemde vlindersoorten vereisen gebieden met voldoende nectarplanten en struikgewas voor schuilplaatsen en voortplanting. Deze vlinders zijn afhankelijk van bloemrijke habitats waar ze nectar kunnen verzamelen en waar hun rupsen voedselplanten kunnen vinden. Het plangebied mist echter de diversiteit aan flora en struiken die nodig zijn om deze soorten te ondersteunen. Voor libellen is water essentieel voor hun voortplanting. Deze insecten leggen hun eitjes in of nabij water, zoals vijvers, meren, sloten en andere stilstaande of langzaam stromende wateren.
De larven (nimfen) ontwikkelen zich in het water, waar ze leven en jagen tot ze volwassen worden en het water verlaten. Gezien het gebrek aan geschikte waterhabitats en de bijbehorende voedings- en beschuttingsbronnen, is het onwaarschijnlijk dat libellen in de huidige situatie het plangebied zullen gebruiken als leef- of voortplantingsgebied. Het vliegend hert komt vooral voor in eikenbossen en geldt als een typische bewoner van oude, nauwelijks door mensen beroerde loofbossen. Daar blijven voldoende omgevallen bomen liggen die door de larven gebruikt kunnen worden als voedsel. Hierdoor is de onderzoekslocatie geen geschikt leefgebied voor het vliegend hert. Bronnen: www.natuurmonumenten.nl – www.vlinderstichting.nl De planlocatie bestaat voornamelijk uit bebouwing en een intensief belopen vrije-uitloopweide. Tijdens het onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden. Er worden geen planten verwijderd die als waardplant voor deze soorten dienen. Ook zijn er geen oude bomen, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden. Daarom is er geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet met betrekking tot insecten en andere ongewervelden. Soortenbescherming Insecten, libellen en ongewervelden
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
18
7.11 Rode Lijsten De Rode lijsten zijn een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De Minister bevordert onderzoek en werkzaamheden welke nodig zijn voor bescherming en beheer. Onder de omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor soorten die op de Rode Lijsten zijn geplaatst, op de Rode Lijsten staan ongeveer 4.000 soorten. De specifieke zorgplicht houdt in dat er moet worden onderzocht of dat er een of meer van deze soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen en of dat kan leiden tot vergunningsplicht, of dat er mogelijk een vrijstelling van deze vergunningplicht geldt. Het is ook mogelijk dat er een specifieke zorgplicht van toepassing is. Er worden geen rode lijst soorten verwacht die niet al in de voorgaande hoofdstukken zijn behandeld. Evenmin zijn er aanvullende maatregelen nodig buiten die al in de voorgaande hoofdstukken zijn genoemd. Soortenbescherming Rode Lijstsoorten
Effecten Omgevingswet Geen
Vervolgstappen N.v.t.
7.12 Invasieve Exoten Een plant, dier, of een ander organisme, dat van nature niet in Nederland voorkomt, wordt een uitheemse soort genoemd. Wanneer deze soorten door menselijk handelen in ons land terechtkomen worden ze exoten genoemd. Het gaat hierbij niet om soorten die elders in Europa inheems zijn en door klimaatsverandering oprukken naar Nederland. Een klein deel van de exoten voelt zich prima thuis in zijn nieuwe omgeving. Ze kunnen zich vestigen in onze natuur, zich snel vermeerderen en schadelijk zijn voor inheemse soorten. Deze soorten worden invasieve exoten genoemd. Voor soorten op de zogenoemde Unielijst (EU -exotenverordening) geldt een verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Invasieve Exoten Niet aangetroffen
Aanwezigheid Geen
Vervolgstappen N.v.t.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
19
8. Gebiedenbescherming 8.1 Bescherming van Natura 2000 gebieden Natura 2000 Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of Habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Als een plan of project mogelijk negatieve effecten kan hebben op Natura 2000gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen significante gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet een passende beoordeling (PB) inclusief mogelijke ADC-toets worden gemaakt. Significantie: ‘als door ingreep toekomstige areaal habitat of leefgebied, het aantal van een soort of de kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significatie gevolgen’ De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is Veluwe en is op het kortst gemeten op een afstand van ca. 4,5 Km ten oosten en zuiden van de onderzoekslocatie gelegen. Plangebied
Figuur 8.1 Bron: www.pdok.nl
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
20
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
21
Bron: www.natura2000.nl
Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten het Natura 2000-gebied. Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, soorten en broedvogels aanwezig, en zullen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en mogelijk bemaling. Negatieve effecten als gevolg van geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid zijn uitgesloten wegens de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Ten aanzien van stikstof adviseren wij de initiatiefnemer om een AERIUS-berekening te laten opstellen voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Het beëindigen van de veehouderij, het niet langer verwarmen van de stallen en het duurzaam nieuw bouwen zal naar verwachting leiden tot een vermindering van de stikstofdepositie in de omgeving. Echter, de sloop van de huidige bebouwing, evenals de aanleg en het gebruik van een nieuw bedrijfsgebouw waarbij gebruik wordt gemaakt van verbrandingsmotoren en verkeersbewegingen, zal ook stikstofuitstoot veroorzaken.
Een AERIUSberekening biedt juridische zekerheid over de haalbaarheid van de plannen en maakt aantoonbaar dat is voldaan aan de onderzoeksplicht die volgt uit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden. Er hoeven geen extra maatregelen genomen te worden voor de specifieke zorgplicht voor Natura 2000gebieden.
8.2 NNN gebieden en overige natuurgebieden De omgevingswet draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, een ‘ja, mits’- beschermingsregime (art. 7.8, lid 2 Bkl). Activiteiten die de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk aantasten zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale omgevingsverordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
22
Plangebied
Figuur 8.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN-gebied (kaart uitgezoomd).
Plangebied
Figuur 8.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN-gebied (kaart ingezoomd). Bron: https://www.gelderland.maps.arcgis.com
De onderzoekslocatie bevindt zich buiten het Gelders Natuurnetwerk (NNN) en de Groene Ontwikkelzone (GO). Ten noordwesten zijn op ruime afstand gronden aanwezig die tot het NNN behoren (zie bovenstaande kaart). De uitvoering van de plannen zal, gezien de ligging van het plangebied en de grote afstand, geen negatieve effecten hebben op de kenmerken van het NNN en de GO. Een toetsing aan het NNN- of GO-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Er zijn geen verwachte effecten door de geplande werkzaamheden met betrekking tot andere natuurgebieden.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
23
9. Conclusie en samenvatting 9.1 Houtopstandenbescherming Bij de geplande ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend met een oppervlakte van 1000 m² of meer, of aan een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor de specifieke zorgplicht houtopstanden. De geplande werkzaamheden hebben geen negatieve gevolgen volgens de geldende regels voor houtopstanden. In de nieuwe situatie worden bomen en struiken aangeplant. Gemeenten hebben vaak eigen regels voor het kappen van bomen, vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), die in overeenstemming moeten zijn met landelijke en provinciale wetgeving. Het is verstandig om voorafgaand aan bomenkap de APV-regels met de gemeente te bespreken. Samenvatting Houtopstandenbescherming Houtopstanden en bomenrijen
Effecten Omgevingswet Geen overtreding
Vervolgstappen N.v.t.
9.2 Soortenbescherming Invloedgebied Naast de tijdelijke effecten binnen het onderzoeksgebied, kan een geplande activiteit ook negatieve gevolgen hebben voor beschermde soorten of natuurgebieden buiten het plangebied. De impact van de activiteit varieert per soort en/of soortgroep. In dit rapport is gekeken naar de uitvoering van de werkzaamheden en is een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten. Beoordeling De uitvoering van de werkzaamheden is lokaal en vindt plaats op bestaande wegen en verhardingen. Tijdens de werkzaamheden kunnen geluid en stof vrijkomen buiten het plangebied. Deze effecten zijn naar verwachting incidenteel en van korte duur, en zullen geen schadelijke invloed hebben op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied. Samenvatting Soortenbescherming Flora Grondgebondenzoogdieren Vleermuizen Algemeen vogels
Effecten Omgevingswet Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding
Vogels jaarrond Beschermd Amfibieën en reptielen Vissen Insecten, libellen en ongewervelden Rode Lijstsoorten Invasieve exoten
Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Niet aangetroffen
Vervolgstappen N.v.t. Algemene soorten - Zorgplicht N.v.t. – Zorgplicht m.b.t. verlichting Broedvogelcheck bij start werk binnen het broedseizoen. N.v.t. Algemene soorten - Zorgplicht N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
24
Beschermde soorten De manier waarop het perceel is ingericht en wordt gebruikt, maakt het gebied niet geschikt als leefgebied voor beschermde dieren en planten. Vleermuizen, vogels en amfibieën kunnen het terrein wel gebruiken om voedsel te zoeken. Grondgebonden zoogdieren hebben er echter geen vaste plekken om te rusten of zich voort te planten, en amfibieën gebruiken het gebied niet als rustplaats in de winter. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen hebben er geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen. Algemene soorten In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene, veel voorkomende soorten is in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht. Dit betekent dat er voldoende zorg moet worden gedragen voor eventueel passerende individuen. Bijvoorbeeld door dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied te verplaatsen als ze tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen.
Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten Door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van algemeen voorkomende vogelsoorten wordt voorkomen dat broedgevallen van broedvogels worden verstoord Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd, het gaat erom dat er geen broedende vogels worden verstoord. Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende het broedseizoen is alleen mogelijk wanneer door een ecoloog van tevoren is vastgesteld dat in het plangebied geen broedgevallen aanwezig zijn. Verlichting Veel algemene en beschermde diersoorten, zoals vleermuizen en uilen, zijn vooral actief tijdens de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien extra verlichting wordt gebruikt, moet deze worden afgewend van aanwezige bebouwing en groenstructuren om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Het is aan te raden de verlichting tot een minimum te beperken en alleen te plaatsen waar het echt noodzakelijk is. Gebruik naar beneden gerichte lichtbronnen om lichtverstrooiing in de omgeving te voorkomen (figuur 9.2).
Figuur 9.2
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
25
9.3 Gebiedenbescherming Samenvatting Gebiedenbescherming Natura 2000 NNN-gebied en/of Ontwikkelzone Overige Natuurgebieden
Afstand 4,5 Km Niet in directe omgeving
Effecten Mogelijk Nee
Niet in directe omgeving
Nee
Vervolgstappen AERIUS-berekening Toetsing hieraan wordt niet noodzakelijke geacht N.v.t.
Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten het Natura 2000-gebied. Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen soorten en broedvogels aanwezig, en zullen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en mogelijk bemaling. Negatieve effecten als gevolg van geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid zijn uitgesloten wegens de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Ten aanzien van stikstof adviseren wij de initiatiefnemer om een AERIUS-berekening te laten opstellen voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Het beëindigen van de veehouderij, het niet langer verwarmen van de stallen en het duurzaam nieuw bouwen zal naar verwachting leiden tot een vermindering van de stikstofdepositie in de omgeving. Echter, de sloop van de huidige bebouwing, evenals de aanleg en het gebruik van een nieuw bedrijfsgebouw waarbij gebruik wordt gemaakt van verbrandingsmotoren en verkeersbewegingen, zal ook stikstofuitstoot veroorzaken.
Een AERIUSberekening biedt juridische zekerheid over de haalbaarheid van de plannen en maakt aantoonbaar dat is voldaan aan de onderzoeksplicht die volgt uit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden. Er hoeven geen extra maatregelen genomen te worden voor de specifieke zorgplicht voor Natura 2000gebieden. De onderzoekslocatie bevindt zich buiten het Gelders Natuurnetwerk (NNN) en de Groene Ontwikkelzone (GO). Ten noordwesten zijn op ruime afstand gronden aanwezig die tot het NNN behoren. De uitvoering van de plannen zal, gezien de ligging van het plangebied en de grote afstand, geen negatieve effecten hebben op de kenmerken van het NNN en de GO. Een toetsing aan het NNNof GO-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Er zijn geen verwachte effecten door de geplande werkzaamheden met betrekking tot andere natuurgebieden.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
26
10. Advies *Tijdens de werkzaamheden moet er zorgvuldig worden omgegaan met alle aanwezige flora en fauna, in overeenstemming met de zorgplicht. Daarnaast moet dit onderzoek ter plaatse aanwezig zijn. *Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd. Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende het broedseizoen is alleen mogelijk wanneer door een ecoloog van tevoren is vastgesteld dat in het plangebied geen broedgevallen aanwezig zijn. *Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct gestopt te worden met de werkzaamheden en contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. *Door het uitvoeren van bovengenoemde maatregelen wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden en aan de zorgplicht wordt voldaan. *In veel gemeenten wordt gewerkt met een puntensysteem om bestaande natuurwaarden te behouden en te versterken. Hiervoor moet een plan worden opgesteld waarin wordt aangegeven met welke soorten rekening wordt gehouden en welke bestaande natuurwaarden worden versterkt. Natuur inclusief bouwen biedt met relatief simpele en goedkope oplossingen een plekje voor planten en dieren die het hard nodig hebben.
Het puntensysteem en de voorzieningen die kunnen worden getroffen vallen onder de voorkeur van de initiatiefnemer. Het plan ten aanzien van de biodiversiteit is geen onderdeel van deze QuickScan, maar kan op verzoek van de opdrachtgever eventueel door ons worden uitgewerkt.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
27
11. Bronnen www.natura2000.nl www.NDFF.nl www.nederlandsesoorten.nl www.ravon.nl www.infomil.nl www.synbiosys.alterra.nl www.sovon.nl www.arcgis.com www.perceelloep.nl www.bij12.nl Kennisdocument Das Kennisdocument Gierzwaluw Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Kennisdocument Huismus Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis www.perceelloep.nl www.rijksoverheid.nl www.vogelbescherming.nl www.vogelvisie.nl www.zoogdiervereniging.nl www.earth.google.com www.vleermuisprotocol.nl
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Cozijnsen Flora Fauna Advies kan door de opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
28
Bijlage 1. Foto overzicht De te slopen bebouwing bestaat uit moderne stallen die worden gebruikt voor het professioneel houden van varkens en pluimvee. Tijdens de bouw zijn er maatregelen getroffen om diersoorten van buitenaf te weren, om zo de biosecurity van het vee te waarborgen. De gevels van de stallen bestaan uit metselwerk, gecombineerd met geïsoleerde damwandplaten en winddoek. Het metselwerk is gesloten; er zijn geen open stootvoegen, openingen of kieren aanwezig. Het dakvlak bestaat uit golfplaten, is strak afgesloten en is voorzien van vogelschroot. De blikplaat dakranden sluiten naadloos aan op de gevels. Voor de ventilatieopeningen is gaas en winddoek aangebracht. Het terrein rondom de bebouwing bestaat uit straat/verharding en een vrije uitloop-weide. Bij de voorgenomen ingreep zal er geen opgaand groen worden verwijderd. De nieuwe situatie zal landschappelijk worden ingepast met gebiedseigen bomen en struiken.
De pluimveestal: De gevels van deze stal bestaan uit metselwerk, gecombineerd met geïsoleerde damwandplaten en winddoek.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
29
Het metselwerk is gesloten; er zijn geen open stootvoegen, openingen of kieren aanwezig. Het dakvlak bestaat uit golfplaten, is strak afgesloten en is voorzien van vogelschroot. De blikplaat dakranden sluiten naadloos aan op de gevels.
De Varkensstal: Het metselwerk is gesloten; er zijn geen open stootvoegen, openingen of kieren aanwezig. Het dakvlak bestaat uit golfplaten, is strak afgesloten en is voorzien van vogelschroot. De blikplaat dakranden sluiten naadloos aan op de gevels. Voor de ventilatieopeningen is gaas en winddoek aangebracht.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
30
Het terrein rondom de bebouwing bestaat uit straat/verharding en een vrije uitloop-weide. Bij de voorgenomen ingreep zal er geen opgaand groen worden verwijderd.
Horselerweg 5|Kootwijkerbroek
31
Bijlage 2. Overzichtstekening
Sloopoverzicht in rood aangegeven - Bron kaart: www.perceelloep.nl (bewerkt).
Tekening links bestaande en rechts nieuwe situatie - Bron tekening: Graveland Bouwontwerp.