TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg_Motivering_Bijlage 8 Activiteitenplan beschermde soorten
Tekst van het document
Activiteitenplan beschermde soorten Ontwikkeling AZC Barneveld Gemeente Barneveld 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Contactpersoon JASPER OSTERTHUN
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland
2
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Inhoudsopgave 1
2
3
4
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding en doel
5
1.2
Leeswijzer
5
Plangebied en ingreep
6
2.1
Huidige situatie
6
2.2
Voorgenomen ingreep
7
Onderzoeksmethodiek
10
3.1
Quickscan
10
3.2
Aanvullend soortgericht onderzoek
10
3.2.1
Broedvogels (nest jaarrond beschermd)
10
3.2.2
Vleermuizen
12
3.2.3
Reptielen
14
3.2.4
Amfibieën
16
3.3
Deskundigheid
18
Resultaten
19
4.1
Broedvogels – jaarrond beschermd nest
19
4.2
Vleermuizen
19
4.2.1
Gewone dwergvleermuis
19
4.2.2
Ruige dwergvleermuis
19
4.2.3
Laatvlieger
19
4.2.4
Rosse vleermuis
19
4.2.5
Watervleermuis
20
4.3
Reptielen
20
4.4
Amfibieën
20
4.5
Effectbeschrijving
21
4.6
Toetsing
23
4.6.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
23
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5
6
7
4.6.2
Overtreding verbodsbepalingen
24
4.7
Conclusie en vervolgstappen
25
Maatregelen
26
5.1
Inleiding
26
5.2
Steenuil en wezel
26
5.2.1
Locatie maatregelen
26
5.2.2
Compensatiemaatregelen
28
5.2.3
Beheer
31
5.2.4
Overige maatregelen
31
5.2.5
Uitvoering
32
5.3
Vleermuizen
32
5.4
Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode)
32
5.5
Alle grondgebonden soorten
32
5.6
Planning
33
5.7
Natuurinclusief bouwen (bovenwettelijk)
34
Aanvraag Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit
35
6.1
Inleiding
35
6.2
Belangenonderbouwing
35
6.3
Alternatieven
35
6.4
Staat van instandhouding
36
Bronnen
37
Bijlagen Bijlage A Foto-impressie plangebied
38
Colofon
40
4
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
De gemeente Barneveld heeft het voornemen om ten noorden van Barneveld een AZC te realiseren. Bij dergelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met beschermde soorten conform de Omgevingswet (Ow). In opdracht van de gemeente Barneveld is een quickscan uitgevoerd (Arcadis, 2024). Op basis van deze quickscan is door Arcadis aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd. Dit activiteitenplan gaat in op de resultaten van het soortgericht onderzoek, de maatregelen die getroffen moeten worden om conflict met de Ow (zo goed als mogelijk) te voorkomen en levert de onderbouwing voor een vergunningaanvraag voor een flora- en fauna-activiteit.
1.2
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 behandelt het plangebied en de ingreep. Vervolgens gaat hoofdstuk 3 in op de onderzoeksmethodiek. Daaropvolgend worden in hoofdstuk 4 de bevindingen van soortgericht onderzoek beschreven. Daarnaast wordt ook ingegaan op de effectbeschrijving, de toetsing, de conclusie en de vervolgstappen. Hoofdstuk 5 gaat vervolgens in op de maatregelen waarbij het uitgangspunt is om negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden te voorkomen. Hoofdstuk 6 is de aanvraag voor de Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit opgenomen. In hoofdstuk 7 zijn de gebruikte bronnen weergegeven. In bijlage A is de foto-impressie van het plangebied en de directe omgeving opgenomen.
5
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
2
Plangebied en ingreep
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen ter hoogte van Nijkerkerweg 132 in Barneveld (provincie Gelderland). Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerd akkerland waar ten tijde van het onderzoek maïs verbouwd werd. Het westelijk deel bestaat voornamelijk uit voedselrijk/soortenarm grasland. Vanuit het noordwesten loopt door het plangebied een sloot en houtsingel. Houtsingels begrenzen het plangebied in het zuiden, westen en oosten. Ter hoogte van de houtsingel is een water-afvoerende sloot aanwezig. De omgeving van het plangebied bestaat grotendeels uit weiland. Ten zuiden van het plangebied is braakliggend terrein aanwezig. Ten zuiden van het plangebied zal, conform het nieuwbouwproject Bloemendal, nieuwbouw gerealiseerd worden. In bijlage A is een foto-impressie van het plangebied opgenomen.
Figuur 1 Luchtfoto plangebied (rood omkaderd)
6
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
2.2
Voorgenomen ingreep
Binnen het plangebied wordt een AZC gebouwd, zie figuur 2 en figuur 3. Hiervoor zal het plangebied bouwrijp gemaakt worden. Binnen het plangebied wordt het volgende gerealiseerd: • • • • • •
Woningen bestaande uit 2/3 bouwlagen Dienstgebouwen (Tijdelijke) parkeerplaatsen Terreinen voor buitenactiviteiten (exacte inrichting onbekend) Grasland met wadi’s Infrastructuur (wegen en voetpaden)
De verharde wegen zullen aansluiten op de toekomstige infrastructuur van het nieuwbouwproject Bloemendal en de Nijkerkerweg ten westen van het plangebied. De bestaande houtsingels blijft in het kader van het AZC-project behouden. Voor de nieuwbouwontwikkeling ten zuiden van het plangebied, in het kader van het project Bloemendal, zal wel een aantal bomen verwijderd worden. Dit wordt in een ecologisch onderzoek van fase 2 van het project Bloemendal beschreven. Gedurende de realisatiefase wordt het plangebied bereikt via het terrein ten zuiden, waar in het kader van het project Bloemendal nieuwbouw gerealiseerd gaat worden. Planning: • • •
Vierde kwartaal van 2025: Start van het bouwrijp maken van het terrein Tweede kwartaal van 2026: Terrein volledig bouwrijp, hierna begint de bouw van het AZC Tweede kwartaal van 2027: Het AZC gerealiseerd
7
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 2 Ontwerptekening AZC Barneveld
8
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 3. Luchtfoto met ontwerptekening gevisualiseerd
9
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
3
Onderzoeksmethodiek
3.1
Quickscan
Conform de quickscan (Arcadis, 2024) kunnen essentiële functies van de volgende beschermde soort(groep)en niet op voorhand uitgesloten worden: • • • •
• •
Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode): nestplaatsen van diverse soorten, zoals houtduif en fazant. Broedvogels (nest jaarrond beschermd): boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil (potentieel nest) en steenuil (onderdeel territorium/foerageergebied). Grondgebonden zoogdieren – verblijfplaatsen: wezel. Vleermuizen – verblijfplaatsen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, rosse vleermuis en watervleermuis. Foerageergebied/vliegroute: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, rosse vleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Reptielen – verblijfplaatsen: ringslang. Amfibieën – verblijfplaatsen en/of voortplantingswater en/of foerageergebied: poelkikker, heikikker, rugstreeppad en kamsalamander.
Conform de Ow is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om aanwezigheid van beschermde soorten en functies vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Van een aantal beschermde soort(groep)en is bepaald dat aanvullend soortgericht onderzoek niet uitgevoerd hoeft te worden (Arcadis, 2024). Het gaat om: • •
•
broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode): mitigerende maatregelen zijn voldoende toereikend om negatieve effecten te voorkomen; verdere vervolgstappen zijn niet aan de orde; steenuil (broedvogel met jaarrond beschermd nest): het plangebied ligt naar verwachting binnen het territorium van steenuil. Binnen het plangebied zijn geen (potentiële) nestplaatsen vastgesteld. Gelet op het honkvaste karakter van de steenuil wordt aangenomen dat het vastgestelde territorium nog steeds aanwezig is. Het plangebied vormt onderdeel van het territorium, waardoor aanvullende maatregelen, ten gunste van foerageergebied, getroffen moeten worden; wezel: binnen en aan de rand van het plangebied is opgaande begroeiing, zoals houtsingels en ruigte, aanwezig. Dit vormt potentieel leefgebied van wezel. Rekening wordt gehouden met een worstcasescenario uitgaande van aanwezigheid van de soort. Maatregelen dienen getroffen te worden om het verlies aan leefgebied te compenseren.
3.2
Aanvullend soortgericht onderzoek
Het aanvullend soortgericht onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende kennisdocumenten en soortinventarisatieprotocollen. In de volgende paragrafen wordt per relevante soortgroep ingegaan op het aanvullend soortgericht onderzoek.
3.2.1
Broedvogels (nest jaarrond beschermd)
Tijdens de quickscan (Arcadis, 2024) is een potentieel jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied aangetroffen, zie figuur 4. Het nest kan gebruikt worden door buizerd, boomvalk, havik, sperwer en ransuil. Gelet op de verstedelijking en verstoring, die naar verwachting rondom de nestplaats gaat plaatsvinden, is beoordeeld dat aanvullend onderzoek naar het mogelijk jaarrond beschermd nest uitgevoerd moet worden. Veldwerk Het aanvullend soortgericht onderzoek is gefocust op nestindicatief gedrag rondom de potentiële nestplaats. Conform Kennisdocument Buizerd (BIJ12, 2017) is de onderzoeksinspanning bepaald: • • • 10
Vier gerichte veldbezoeken in de periode maart tot half mei geen aanwezigheid kan worden aangetoond Eén veldbezoek in maart Eén onderzoeker Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Nestindicatief gedrag waarop gelet is tijdens het veldbezoek: • • •
Zichtwaarnemingen van adulten op en/of rondom nestplaats en juveniele dieren (jongen) op de nestplaats Roepende adulten op en/of rondom de nestplaats Verse uitwerpselen en/of prooiresten op de grond ter hoogte van de nestplaats
Rekening houdend met relatief late broedsels, bijvoorbeeld van boomvalk, is ook vóór en tijdens een vleermuizen- en amfibieënonderzoek in juni en juli gelet op nestindicatief gedrag. Hierbij is gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (Pulsar Axion XM30F). In tabel 1 is de verantwoording van de veldbezoeken opgenomen.
Figuur 4. Luchtfoto plangebied met locatie van het potentieel jaarrond beschermde nest (rood kruis) Tabel 1. Verantwoording veldbezoeken roofvogels en ransuil Datum
Tijd
Veldconditie
Onderzoeker
21-03-2024
13:00-14:00u
15°C, bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
05-04-2024
13:00-14:00u
14°C, bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
24-04-2024
15:00-17:00u
17°C, licht bewolkt, 2/3 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
16-05-2024
08:30-10:00u
15°C, half bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
24-06-2024
02:20-05:25u
14°C, licht bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
18-07-2024
21:30-22:30u
19°C, onbewolkt, 1 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
11
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
3.2.2
Vleermuizen
Conform de quickscan (Arcadis, 2024) functioneert de houtsingel aan de rand van het plangebied als vliegroute van gewone dwergvleermuis, zie figuur 5. De houtsingel functioneert mogelijk ook als vliegroute van andere mogelijk voorkomende vleermuissoorten, zoals ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, laatvlieger en meervleermuis. In de houtsingel zijn drie zwarte elzen aanwezig met een holte in de stam, waar mogelijk verbleven kan worden door boombewonende vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en franjestaart, zie figuur 5. Gelet op de verstedelijking, waardoor de directe omgeving van de (mogelijke) vliegroute en verblijfplaatsen verandert, is beoordeeld dat aanvullend vleermuizenonderzoek noodzakelijk is om aanwezigheid van functies vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Veldwerk Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021 (NGB, 2021), zie tabel 2 voor de verantwoording van de veldbezoeken. Dit onderzoek is uitgevoerd met een batdetector (Batlogger M en Pettersson D240x) en was gericht op aanwezigheid van verblijfplaatsen en vliegroutes.
Wat betreft verblijfplaatsen gaat de aandacht uit naar boombewonende vleermuissoorten die (mogelijk) voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, rosse vleermuis en watervleermuis. Het gaat hierbij om zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen. Als een verblijfsfunctie is vastgesteld, wordt ook aangenomen dat deze als winterverblijfplaats functioneert. Wat betreft vliegroutes en foerageergebied is rekening gehouden met alle mogelijk voorkomende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, rosse vleermuis, watervleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Tijdens het vleermuizenonderzoek is ter hoogte van de boomholten gelet op verblijfplaatsindicatief gedrag: • Uit- of invliegen van één of meerdere vleermuizen uit een verblijfplaats • Zwermen van één of meerdere vleermuizen nabij een potentiële verblijfplaats • Eén of meerdere vleermuizen die de stam van de boom nabij een potentiële verblijfplaats aantikken • Piepende geluiden vanuit een potentiële verblijfplaats • Roepend mannetje nabij een potentiële verblijfplaats Tijdens de onderzoeken is ook gelet op vliegroutes en foerageergebied van de relevante vleermuissoorten. Hierbij ging de focus uit naar de houtsingel, waar dekking te vinden is waarlangs gevlogen kan worden.
Door de dekking vormt dit ook potentieel geschikt foerageergebied. Naast een batdetector is ook gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (Pulsar Axion XM30). Hiermee is ter hoogte van een potentiële verblijfplaats gelet op verblijfplaatsindicatief gedrag. Door de warmtebeeldcamera kan ook gedurende de relatief donkere momenten aanwezigheid van individuen in of bij verblijfplaatsen in beeld gebracht worden. De onderzoekers hebben tijdens het veldbezoek ter hoogte van de potentiële verblijfplaatsen gepost, zie figuur 6. Één onderzoeker kon twee bomen met potentiële verblijfplaats onderzoek en één onderzoek onderzocht één boom met een potentiële verblijfplaats. De verblijfplaatsen waren tijdens onderzoek te overzien; het onderzoek is conform 75%regel van het vleermuisprotocol uitgevoerd.
12
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 5. Luchtfoto plangebied met (potentiële) functies van vleermuizen waaronder verblijfsmogelijkheden in boomholte(n) (rode kruis) en vliegroutes (gele stippellijn) Tabel 2. Verantwoording veldbezoeken vleermuizen Datum
Tijd
Veldconditie
Onderzoeker
Te onderzoeken functies:
04-06-2024
02:30-05:30u
13°C, bewolkt, 1/2 Bft
24-06-2024
02:20-05:25u
14°C, licht bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun & L. Zeeman (Arcadis) J. Osterthun & L. Zeeman (Arcadis)
Zomer- en kraamverblijfplaatsen en vliegroutes Zomer- en kraamverblijfplaatsen en vliegroutes
28-08-2024
21:30-23:45u
17°C, licht bewolkt, 1 Bft
Paarverblijfplaatsen en vliegroutes
15-09-2024
23:00-02:00u
12°C, bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun & L. Zeeman (Arcadis) J. Osterthun (Arcadis)
08-10-2024
22:00-00:00u
14°C, licht bewolkt, 1 Bft
J. Osterthun & L. Zeeman (Arcadis)
Paarverblijfplaatsen en vliegroutes
13
Paarverblijfplaatsen en vliegroutes
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 6. Luchtfoto plangebied met potentiële verblijfsfuncties van vleermuizen (rood kruis) en de locatie waar de onderzoekers hebben gepost (oranje kruis)
3.2.3
Reptielen
Aan de rand en in de omgeving van het plangebied is conform de quickscan (Arcadis, 2024) potentieel leefgebied van ringslang vastgesteld. Bij de houtsingel is dekking te vinden waar de soort kan verblijven, zie figuur 7. Aan de rand van het plangebied loopt ook een water-afvoerende sloot die mogelijk een verbinding tussen leefgebieden vormt. De poel en takkenhopen ten zuiden van het plangebied vormen een potentiële voortplantingsplaats, waar ook gefoerageerd en verbleven kan worden, zie figuur 7 en figuur 8. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief akkerland en vormt geen geschikt leefgebied. Gelet op de verstedelijking en daarmee naar verwachting ook een toename van het aantal verkeersslachtoffers, is beoordeeld dat aanvullend ringslangonderzoek noodzakelijk is om aanwezigheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Veldwerk Het ringslangonderzoek is uitgevoerd conform soorteninventarisatieprotocollen (NGB, 2023), zie tabel 3 voor de verantwoordingen van de veldbezoeken. In totaal zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd. Bij het eerste veldbezoek zijn rondom de poel en langs de houtsingel 20 reptielenplaten geplaatst, zie figuur 9 voor een impressie. Bij de veldbezoeken daarna is gelet op zonnende individuen op de reptielenplaten. De reptielenplaten zijn ook opgetild om te checken of er dieren onder zaten.
Ook is de poel en de houtsingel onderzocht op aanwezigheid van individuen. De veldbezoeken zijn uitgevoerd bij zonnig en/of half bewolkt weer, waarbij de dagen ervoor het relatief koeler was. Dit vergroot de kans op het waarnemen van zonnende individuen. Aanwezigheid van ringslang moet daarnaast onderzocht worden door het onderzoeken van potentiële broeihopen op aanwezigheid van eischalen. De takkenhopen nabij de poel vormen een potentiële broeihoop. Deze takkenhopen zijn relatief groot en niet zomaar te verplaatsen (zie figuur 8) voor onderzoek naar aanwezigheid van eischalen. Daarnaast valt deze broeihoop niet binnen het plangebied en blijft daarom in het kader van het AZC-project intact. Het verwijderen van takken heeft daarom een negatief effecten op de mogelijke broeihoop en verblijfplaats van grondgebonden soorten. Er is daarom voor gekozen om deze mogelijk broeihoop intact te laten en niet te verstoren. 14
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 7 Luchtfoto plangebied met locatie van houtsingels (geel), waterafvoerende sloot (donkerblauw) en poel met takkenhopen in de directe omgeving (licht blauw omkaderd); potentieel leefgebied van ringslang
Figuur 8. Impressie van de poel en een takkenhoop; potentieel leefgebied ringslang Tabel 3. Verantwoording veldbezoeken ringslang
Datum
Tijd
Veldconditie
Onderzoeker
28-04-2024
13:00-14:004
17°C, licht bewolkt, 2/3 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
16-05-2024
09:00-11:00u
15°C, half bewolkt, 2/3 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
30-05-2024
10:00-12:00u
18°C, onbewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
29-08-202
09:00-11:00u
14°C, licht bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
12-09-2024
10:00-12:00u
13°C, licht bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
15
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 9. Impressie van de reptielenplaten nabij de poel
3.2.4
Amfibieën
Aan de rand en in de omgeving van het plangebied is conform quickscan (Arcadis, 2024) potentieel leefgebied van amfibieën vastgesteld, zie figuur 10. Hier loopt een water-afvoerende sloot waar mogelijk voortplanting plaats kan vinden en wat mogelijk een verbinding tussen leefgebieden vormt. Bij de houtsingel is dekking te vinden waar dieren kunnen verblijven. De poel ten zuiden van het plangebied vormt een potentiële voortplantingsplaats waar gefoerageerd en verbleven kan worden. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief akkerland en vormt geen geschikt leefgebied. Gelet op de verstedelijking en daarmee naar verwachting ook een toename van het aantal verkeersslachtoffers, is beoordeeld dat aanvullend amfibieënonderzoek noodzakelijk is om aanwezigheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Veldwerk Het amfibieënonderzoek is uitgevoerd conform de soorteninventarisatieprotocollen (NGB, 2023), zie tabel 4 voor de verantwoordingen van de veldbezoeken. Het aantal veldbezoeken, moment van de veldbezoeken en de manier van onderzoeken verschilt per soort en is in de tabel verduidelijkt. Voor het onderzoek naar heikikker, poelkikker en rugstreeppad is geluisterd naar kooractiviteit. Voor rugstreeppad zijn ook de reptielenplaten gebruikt (zie ook H 3.2.3) die onderzocht zijn op aanwezigheid, zie figuur 9.
Voor de kamsalamander heeft een schepnetonderzoek plaatsgevonden, waarbij ook gelet is op aanwezigheid van andere amfibieënsoorten. Bij alle bezoeken is gelet op aanwezigheid van eitjes/eisnoeren van kikkers in het water en eitjes van kamsalamander op waterplanten.
16
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 10 Luchtfoto plangebied met potentieel leefgebied amfibieën; houtsingels (geel), waterafvoerende sloot (donkerblauw) en poel met takkenhopen (lichtblauw omkaderd) Tabel 4. Bevindingen veldbezoeken amfibieën Datum
Tijd
Veldconditie
Onderzoeker
Uitleg onderzoek
14-03-2024
16:15-17:45
16°C, half bewolkt, 1 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
01-04-2024
21:30-23:00
15°C, licht bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
28-04-2023
13:00-14:004
17°C, licht bewolkt, 2/3 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
03-05-2024
21:45-23:15
18°C, half bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
15-05-2024
02:30-05:30u
13°C, bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
30-05-2023
10:00-12:00u
18°C, licht bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
23-05-2024
21:50-23:50u
17°C, bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
19-06-2024
21:50-23:50u
17°C, bewolkt, 1/2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
29-08-2024
09:00-11:00u
14°C, licht bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
Heikikker kooractiviteit en plaatsen reptielenplaten Heikikker kooractiviteit, aanwezigheid eitjes en juveniels. Rugstreeppad reptielenplaten onderzoek, aanwezigheid eitjes en juveniels. Rugstreeppad kooractiviteit, aanwezigheid eitjes en juveniels. Poelkikker en rugstreeppad kooractiviteit, aanwezigheid eitjes en juveniels. Rugstreeppad reptielenplaten onderzoek, aanwezigheid eitjes en juveniels. Kamsalamander schepnet, Poelkikker en rugstreeppad kooractiviteit, aanwezigheid eitjes en juveniels. Kamsalamander schepnet, rugstreeppad kooractiviteit Rugstreeppad reptielenplaten onderzoek, aanwezigheid eitjes en juveniels.
17
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Datum
Tijd
Veldconditie
Onderzoeker
Uitleg onderzoek
12-09-2024
10:00-12:00u
13°C, licht bewolkt, 2 Bft
J. Osterthun (Arcadis)
Rugstreeppad reptielenplaten onderzoek, aanwezigheid eitjes en juveniels.
3.3
Deskundigheid
Het roofvogel-, reptielen- en amfibieënonderzoek is uitgevoerd door J. Osterthun. Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd door J. Osterthun en L. Zeeman. J. Osterthun en L. Zeeman zijn ecologen van het adviesbureau Arcadis. Deze ecologen hebben ruime ervaring met het uitvoeren van soortgerichte onderzoeken van de betreffende soort(groep)en (veldonderzoek, monitoring, ecologische begeleiding en vergunning- en ontheffingsprocedures met uiteenlopende activiteitenplannen). Arcadis is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus.
18
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
4
Resultaten
4.1
Broedvogels – jaarrond beschermd nest
Binnen het plangebied is een koppel buizerds waargenomen. Deze twee individuen zaten tijdelijk in de houtsingel. Ook zijn deze twee individuen een aantal keer in de houtsingel ten noorden van het plangebied waargenomen. Verwacht wordt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het foerageergebied. In de quickscan (Arcadis, 2024) is hier ook op ingegaan en beschreven dat verschillende alternatieve foerageermogelijkheden in de omgeving aanwezig zijn, waardoor aanwezigheid van essentieel foerageergebied uitgesloten is. Ter hoogte van de nestplaats is geen nestindicatief gedrag vastgesteld. In de omgeving (<100 meter) is ook geen nestindicatief gedrag waargenomen. Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat de onderzochte nestplaats niet in gebruik is. Gelet op aanwezigheid van een koppel, wordt verwacht dat de houtsingel in het noorden, op circa 250 meter van het plangebied, gebruikt wordt als nestplaats. Deze nestplaats valt buiten de invloedsfeer van de ontwikkeling en daarom wordt hier verder niet op ingegaan.
4.2
Vleermuizen
Tijdens het vleermuizenonderzoek zijn vijf vleermuissoorten waargenomen (zie figuur 11): gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en rosse vleermuis.
4.2.1
Gewone dwergvleermuis
Binnen het plangebied en in de omgeving zijn vijf tot tien gewone dwergvleermuizen waargenomen. Het gaat voornamelijk om foeragerende individuen ter hoogte van de houtsingel. Ook zijn enkele overvliegende individuen waargenomen die de houtsingel enkel als vliegroute gebruikten. Tijdens de avondbezoeken werden de eerste dieren ongeveer een half uur na zonsondergang waargenomen. Deze dieren kwamen uit het zuiden van het plangebied. Hierop gelet wordt verwacht dat de waargenomen dieren uit het stedelijk gebied van Barneveld afkomstig zijn. Bij de potentiële verblijfplaatsen in de bomen is geen verblijfsplaats-indicatief gedrag waargenomen; aanwezigheid van verblijfplaatsen is op basis van het onderzoek uitgesloten.
4.2.2
Ruige dwergvleermuis
Binnen het plangebied en in de omgeving zijn twee tot drie ruige dwergvleermuizen waargenomen. Het gaat voornamelijk om tijdelijke foeragerende individuen ter hoogte van de houtsingel. Gelet op de agrarische omgeving van het plangebied, waar relatief weinig lijnvormige elementen te vinden zijn, wordt aangenomen dat de houtsingel ook als vliegroute gebruikt wordt. De individuen zijn een uur na zonsondergang waargenomen. Daarom was hier niet mogelijk om te bepalen waar deze individuen vandaan kwamen. Bij de potentiële verblijfplaatsen in de bomen is geen verblijfplaatsindicatief gedrag vastgesteld; aanwezigheid van verblijfplaatsen is op basis van het onderzoek uitgesloten.
4.2.3
Laatvlieger
Binnen het plangebied en in de omgeving zijn drie tot vijf laatvliegers waargenomen. Het gaat voornamelijk om overvliegende individuen ter hoogte van de houtsingel. Een enkele keer werd tijdelijk gefoerageerd. De laatvliegers kwamen uit de richting van het stedelijk gebied ten zuidoosten van het plangebied. Binnen het stedelijke gebied wordt naar verwachting verblijft. De laatvlieger verblijft niet in de boomholten; aanwezigheid van verblijfplaatsen binnen het plangebied is daarom om voorhand uitgesloten.
4.2.4
Rosse vleermuis
Binnen het plangebied en in de omgeving zijn enkele hoog overvliegende rosse vleermuizen waargenomen. Deze rosse vleermuizen waren afkomstig ten zuiden van het plangebied en verblijven vermoedelijk in het Oosterbos aan de rand van het stedelijk gebied. Bij de potentiële verblijfplaatsen in de bomen is geen verblijfsplaats-indicatief gedrag vastgesteld.
19
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
4.2.5
Watervleermuis
Binnen het plangebied en in de omgeving zijn circa vijf watervleermuizen waargenomen. Het gaat om overvliegende individuen ter hoogte van de houtsingel. Ter hoogte van het plangebied is niet gefoerageerd. De watervleermuizen kwamen tijdens het avondbezoek uit het zuiden en tijdens het ochtendbezoek uit het noordwesten. Gelet op deze bewegingen, wordt aangenomen dat in het zuiden verbleven wordt, vermoedelijk in het Oosterbos aan de rand van het stedelijk gebied. Bij de potentiële verblijfplaatsen in de bomen is geen verblijfsplaats-indicatief gedrag vastgesteld.
Figuur 11. Waarnemingen: gewone dwergvleermuis (groen), ruige dwergvleermuis (paars), watervleermuis (geel), rosse vleermuis (geel) en vliegroute (oranje)
4.3
Reptielen
Tijdens het inspecteren van de reptielenplaten zijn ongewervelden, zoals naaktslakken en mieren, en muizenholen aangetroffen. Bij het inspecteren van de houtsingel en oever van de poel zijn alleen broedvogels, zoals merel en roodborst, waargenomen. Tijdens de veldbezoeken zijn geen ringslangen aangetroffen; aanwezigheid is op basis van het onderzoek uitgesloten.
4.4
Amfibieën
Ten zuiden van het plangebied is kooractiviteit van bastaardkikker gehoord. Er is geen kooractiviteit van andere amfibieënsoorten waargenomen. Tijdens het scheppen zijn geen amfibieën gevangen. Tijdens dit onderzoek viel op dat het wateroppervlak van de poel volledig bedekt was met eendenkroos, zie figuur 12. Hierdoor is op insecten na geen leven in de poel aangetroffen.
20
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 12. De poel in de omgeving van het plangebied was ten tijde van het onderzoek volledig bedekt met eendenkroos
4.5
Effectbeschrijving
In Tabel 5 is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de conclusie in de vorige paragraaf, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen, zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Tabel 5 Mogelijke effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden Soortgroep
Mogelijke effecten
Broedvogels (nest jaarrond beschermd)
Nesten Ja Ter hoogte van Nijkerkerweg 132 is een nestplaats van steenuil aanwezig (Arcadis, 2024). Binnen het plangebied zijn geen (potentiële) nestplaatsen aanwezig en daarom is directe aantasting van een nestplaats niet aan de orde. De steenuil is wat betreft nestplaats honkvast. De afstand tussen nestplaats en plangebied is circa 150 meter. Tussen plangebied en nestplaats ontbreken landschapselementen (potentieel leefgebied steenuil), waardoor negatieve effecten op het leefgebied niet verwacht worden. Door het inrichten het plangebied nemen uitwijkmogelijkheden wel af, waardoor de steenuil gevoeliger kan zijn voor verstoring. Daarnaast wordt rekening gehouden met de nieuwbouwontwikkeling in de omgeving van het plangebied, wat kan leiden tot een cumulatief effect op het foerageergebied. Dit cumulatief effect kan tot gevolg hebben dat er onvoldoende voedsel gevonden kan worden, waardoor een nestplaats alsnog verlaten wordt. Foerageergebied De steenuil foerageert in de omgeving van de nestplaats, zie figuur 13. Het plangebied ligt binnen het territorium van steenuil en daarom wordt aangenomen dat essentieel foerageergebied verstoord en/of aangetast wordt. Ten tijde van het onderzoek werd op de akker maïs verbouwd. Dit vormt geen geschikt foerageergebied. Wel kan de houtsingel en de ruigte langs de akker gebruikt worden als foerageergebied, zie figuur 13.
21
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
Toetsing vereist?
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Soortgroep
Mogelijke effecten
Toetsing vereist?
Figuur 13. Luchtfoto van het plangebied met de ligging van geschikt foerageergebied van steenuil aan de rand van het plangebied Grondgebonden zoogdieren
Verblijfplaatsen Aangenomen wordt dat verblijfplaats van wezel in de houtsingel en aan de randen van het akkerland aanwezig zijn, zie figuur 14. De houtsingel blijft behouden. Bij het bouwrijp maken van het akkerland kunnen verblijfplaatsen aangetast worden. De werkzaamheden zijn niet van toepassing op de houtsingel. Hier wordt rekening gehouden met verstoring in de directe omgeving gedurende de realisatie- en gebruiksfase. Dit heeft naar verwachting tot gevolg dat aanwezige grondgebonden zoogdieren naar de omgeving uitwijken. Bij het uitwijken naar de omgeving neemt de kans op aanrijding met verkeer en predatie toe. Bij aantasting van verblijfplaatsen aan de randen van het akkerland wordt aangenomen dat wezels die in de grond verblijven verstoord, verwond en/of gedood worden. Foerageergebied Aangenomen wordt dat het bouwrijp maken van het plangebied leidt tot aantasting van foerageergebied van wezel, zie figuur 14. Individuen zullen naar verwachting uitwijken naar de omgeving, waar mogelijk minder geschikt foerageergebied aanwezig is. Hierdoor neemt de kans op aanrijding met verkeer en predatie toe. Ook kan verstoring tot gevolg hebben dat bestaand leefgebied, waaronder ook de verblijfplaats, verlaten wordt. Gedurende de gebruiksfase zullen menselijke activiteiten leiden tot verstoring van aanwezige dieren.
Tijdens de realisatie- als de gebruiksfase neemt het verkeer binnen het plangebied (en de omgeving) toe. Dit heeft tot gevolg dat foeragerende of migrerende dieren mogelijk eerder aangereden worden.
22
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
Ja
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Soortgroep
Toetsing vereist?
Mogelijke effecten
Figuur 14. Luchtfoto van het plangebied met de ligging van geschikt leefgebied van wezel waar gefoerageerd en verbleven kan worden Vliegroute Bij de voorgenomen ontwikkeling blijft de houtsingel behouden; directe aantasting vindt niet plaats. Door uitstraling van kunstlicht gedurende realisatie- en gebruiksfase wordt mogelijk de houtsingel verlicht en daarmee verstoord. Bij aantasting en/of verstoring van een vliegroute zullen vleermuizen andere bewegingen maken door het gebied, waardoor mogelijk minder geschikte foerageergebieden gevonden worden en de kans op verstoring en predatie toeneemt.
Vleermuizen
4.6
Ja
Toetsing
Op basis van de effectbeschrijving is geconcludeerd dat negatieve effecten op het foerageergebied van steenuil, leefgebied van wezel en vliegroute vleermuizen plaatsvindt.
4.6.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
In Tabel 6 zijn bescherming categorieën en relevante soort(groep)en weergegeven. Tabel 6 Beschermingscategorie van de relevante soorten Beschermingscategorie
Soort/ soortgroep
Vogelrichtlijnsoorten
Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode): O.a. zwarte kraai, ekster, houtduif. Broedvogels (nest jaarrond beschermd): steenuil.
Habitatrichtlijnsoorten
Vleermuizen: Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis.
Andere soorten (niet vrijgesteld)
Wezel
23
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Beschermingscategorie
Soort/ soortgroep
Andere soorten (vrijgesteld)
Haas, konijn, egel, ree, vos, muisachtigen, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
4.6.2
Overtreding verbodsbepalingen
In de onderstaande tabellen is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving (zie H 4.5) aangegeven welke schadelijke handelingen plaatsvinden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald ón f en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Tabel 7 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet). Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor de handelingen die in deze tabel zijn aangegeven en die het gevolg zijn van het initiatief. Soort(groep) Broedvogels (nest jaarrond beschermd) Steenuil
a
b
c
d X
Als gevolg van Verstedelijking buitengebied (waaronder ook de nieuwbouw ten zuiden van het plangebied)
Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor (art. 11.37, lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving): a: te doden of te vangen; b: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; c: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; d: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding.
Tabel 8 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet). Het verbod geldt voor Habitatrichtlijnsoorten voor de handelingen die in deze tabel zijn aangegeven en die het gevolg zijn van het initiatief. Soort(groep) Vleermuizen Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis.
a
b X
c
d
e
Als gevolg van Verwijderen van een enkele boom. Gebruik van kunstlicht gedurende de gebruiks- en realisatiefase ter hoogte van potentiële verblijfplaats/vliegroute.
Het verbod geldt voor (art. 11.46, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): a: het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; b: het opzettelijk verstoren; c: het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren; d: het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; e: het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van beschermde planten.
Tabel 9 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet). Het verbod geldt voor Andere soorten voor de handelingen die in deze tabel zijn aangegeven en die het gevolg zijn van het initiatief. Soort Grondgebonden zoogdieren Wezel
a X
b X
c
Als gevolg van Plangebied bouwrijp maken.
Het verbod geldt voor (art. 11.54, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): a: het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende individuen; b: het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren of rustplaatsen; C: het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van Andere soorten (planten).
24
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
4.7
Conclusie en vervolgstappen
Uit het soortgericht onderzoek is gebleken dat de houtsingel, aan de rand het plangebied, functioneert als vliegroute van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. De houtsingel wordt ook gebruikt als foerageergebied van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en incidenteel door laatvlieger. Andere functies, zoals verblijfplaatsen, zijn niet vastgesteld; aanwezigheid daarvan is op basis van het onderzoek uitgesloten. Van de andere onderzochte soorten zijn binnen het plangebied en de omgeving geen essentiële functies vastgesteld; aanwezigheid is op basis het onderzoek uitgesloten. Naast de onderzochte soorten wordt conform de quickscan (Arcadis, 2024) rekening gehouden met aanwezigheid van foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vinden negatieve effecten plaats op steenuil, wezel en de relevante vleermuissoorten. Deze schadelijke handelingen zijn in conflict met de Ow. Maatregelen dienen getroffen te worden om negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkelingen zo goed als mogelijk te voorkomen. In het volgende hoofdstuk wordt hierop ingegaan.
25
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5
Maatregelen
5.1
Inleiding
Op basis van de quickscan (Arcadis, 2024) en het aanvullend soortgericht onderzoek wordt rekening gehouden met negatieve effecten, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, op het foerageergebied steenuil, het leefgebied wezel en een vliegroute gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Het uitgangspunt is dat negatieve effecten op beschermde soorten zo goed als mogelijk voorkomen worden door het uitvoeren van maatregelen. Als maatregelen voldoende toereikend zijn om negatieve effecten te voorkomen, hebben we het over mitigatie. Als mitigatie onvoldoende toereikend is, waardoor effecten niet geheel voorkomen kunnen worden, spreken we over compensatie. Naast de genoemde soorten wordt ook ingegaan om standaard mitigatiemaatregelen die getroffen moet worden voor broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode) en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, conform de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht flora en fauna uit de Ow.
5.2
Steenuil en wezel
5.2.1
Locatie maatregelen
Voor het optimaliseren van het foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel is rust en ruimte essentieel. Wat betreft de maatregelen is daarom rekening gehouden met de ontwikkeling binnen het plangebied en de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot verstedelijking binnen het plangebied. Gelet op de verstoring die hier gaat plaatsvinden door de gebruikers van het AZC, is het niet wenselijk om maatregelen in de kern van het plangebied te treffen. Daarom ligt de focus vooral op de rand van het plangebied en de omgeving. Wat betreft de omgeving is rekening gehouden met de verstedelijking van het gebied ten zuiden van het plangebied, in kader van het nieuwbouwproject Bloemendal, zie figuur 15. Voor de locatie van de maatregelen gaat de focus daarom uit naar het agrarisch gebied aan de noordzijde. Dit agrarisch gebied vormt grotendeels Groene ontwikkelingszone (zie figuur 16) en geniet daarmee planologische bescherming.
26
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 15. Globale ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van verschillende deelgebieden van het nieuwbouwproject Bloemendal (geel omkaderd)
Figuur 16. Globale ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van GNN en GO
27
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5.2.2
Compensatiemaatregelen
Door het bouwrijp maken van het plangebied verdwijnt foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel. Mitigerende maatregelen zijn onvoldoende toereikend om negatieve effecten te voorkomen. Voor steenuil en wezel zijn daarom compensatiemaatregelen bepaald. Deze soorten zijn beide gebaad bij landschapselementen waar prooidieren, zoals muisachtigen, gevonden kunnen worden. Voor steenuil wordt er rekening mee gehouden dat de houtsingel rondom het plangebied als gevolg van het voornemen verstoord wordt. Het gaat in totaal om 380 meter. Voor de wezel wordt naast de houtsingel ook gelet op de akkerrand, waarbij sprake is van verstoring en/of aantasting. Het gaat hierbij in totaal om 430 meter. Voor compensatiemaatregelen dient daarom rekening gehouden te worden met een maximale lengte van 430 meter. Aan de rand van het plangebied en de omgeving worden compensatiemaatregelen getroffen voor steenuil en wezel (zie figuur 17): • • •
• •
Knotwilgensingel: op de noordgrens van het plangebied wordt een knotwilgensingels aangelegd van een lengte circa 230 meter. Bij deze knotwilgensingel is ook ruimte voor ruigte, zie H 6.2.2. Paaltjes: verspreid in de knotwilgensingel worden vijf paaltjes geplaatst. Deze staan vrij van de knotwilgen en zijn 80-100 centimeter hoog. Poel: ten noordwesten van het plangebied wordt, conform de randvoorwaarden van het Kennisdocument Kleine marterachtigen (BIJ12, 2024), een poel aangelegd: - De poel staat niet in contact met sloten in omgeving om contact met vervuild water te voorkomen. - De poel is relatief ondiep en zal eenmaal in de drie tot vijf jaar droogvallen. - De poel heeft een doorsnede van circa 15 meter. - De poel heeft een grillige vorm en de oever is 1:3 of flauwer. - 30-50% is open water (onbegroeid). Takkenrillen: op drie plekken in de omgeving van het plangebied worden takken geplaatst van ten minste 10 meter lang en 1,5 meter breed. Houtsingel: aan de westzijde van het plangebied wordt een houtsingel van een lengte van tenminste 200 meter aangelegd, bestaande uit inheemse soorten: zwarte els, zomereik, sporkehout en ruwe/zachte berk met in de ondergroei ruigte. Deze houtsingel sluit aan op de bestaande houtsingel.
De compensatiemaatregelen dragen bij aan het optimaliseren van het foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel. De houtsingels (zie ook figuur 18) creëren dekking waar steenuil en wezel voedsel kunnen vinden, zoals muisachtigen en wezel. Voor het verbeteren van de foerageermogelijkheden van steenuil worden paaltjes (zie ook figuur 19) geplaatst die als uitkijkpost fungeren. De poel (zie ook figuur 19) zorgt voor drinkmogelijkheden waar prooidieren, zoals muisachtigen en amfibieën, gevonden kunnen worden. De takkenrillen (zie ook figuur 20) bieden extra dekking voor wezel waar ook prooidieren, zoals muisachtigen, gevonden kunnen worden. De houtsingels, die aangelegd worden, hebben ongeveer dezelfde lengte als de lengte van de bestaande groenstructuren, die als gevolg van het voornemen verstoord en/of aangetast worden. De aanleg van de poel en de takkenrillen vormen daarbij een plus aan maatregelen.
28
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 17. Ontwerp compensatiemaatregelen voor het optimaliseren van het foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel
Figuur 18. Compensatiemaatregelen: Foto links: Voorbeeld van een knotwilgensingel met ruigte ten gunste van het leefgebied van steenuil en wezel. Foto rechts: Op de bestaande houtsingel wordt aansluitend een nieuwe houtsingel aangeplant waar steenuil en wezel prooidieren zoals muisachtigen kunnen vinden.
29
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Figuur 19. Compensatiemaatregelen: Foto links: Paaltjes fungeren als uitkijkpost van steenuil tijdens het foerageren. Foto rechts: Een poel creëert drinkmogelijkheden voor steenuil en wezel waar ook gefoerageerd kan worden naar bijvoorbeeld muisachtigen.
Figuur 20. Compensatiemaatregel: Takkenrillen vormen verblijfsmogelijkheden voor wezel waar ook muisachtigen gevonden kunnen worden.
30
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5.2.3
Beheer
Voor het optimaal laten functioneren van de aan te leggen- en bestaande landschapselementen voor de relevante soorten, is het beheer van cruciaal belang. Dekking door ruigte is noodzakelijk voor wezel als verblijfplaats, maar ook voor prooidieren van wezel en steenuil is dekking noodzakelijk. Binnen het plangebied en de omgeving vindt daarom extensief beheer plaats (zie figuur 21): • • • • • •
Knotwilgensingel: één keer per 2-5 jaar knotten Ruigtestrook bij de knotwilgensingel: één keer per jaar 1/3 maaien. Houtsingel: ruigte binnen de houtsingel niet maaien. Ruigte aan de randen (minimaal 1 meter vanaf de houtsingel) één keer per jaar maaien. Poel: één keer per jaar voor de helft schonen. Oever poel + 3 meter: Één keer per jaar voor de helft maaien. Bloemrijk grasland: Eén keer per jaar voor de helft maaien.
Bij het beheer wordt rekening gehouden met de kwetsbare periode van de relevante soorten, zie H 6.6.
Figuur 21. Beheermaatregelen binnen en buiten het plangebied ten gunste van het foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel
5.2.4
Overige maatregelen
Voor het naar behoren laten functioneren van de landschapselementen als foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel is het van belang dat uitstraling van effecten, afkomstig van het AZC, zo goed als mogelijk voorkomen worden. Zo vindt gedurende realisatie- en gebruiksfase geen uitstraling plaats van kunstlicht richting de hout- en knotwilgensingel.
31
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5.2.5
Uitvoering
Om negatieve effecten op het foerageergebied van steenuil en het leefgebied van wezel zo goed als mogelijk te voorkomen, worden de maatregelen in het tweede kwartaal van 2025 uitgevoerd. De hout- en knotwilgensingel zal uit relatief jonge bomen bestaan. Verwacht wordt dat het nog jaren kan duren voordat deze singels enige omvang hebben. Door hier in 2025 extensieve beheer te voeren (zie H 6.2.3) is binnen een half tot één jaar suboptimaal leefgebied (intensief beheerd gras- en akkerland) verruigt en daarmee geoptimaliseerd. Dit geldt ook voor de oever (+3 meter) van de poel en ter hoogte van bestaande houtsingel. Op deze manier is voor de start van de voorgenomen ontwikkeling alternatief foerageergebied van steenuil en leefgebied van wezel in de omgeving aanwezig. Daarnaast zijn takkenrillen geplaatst die direct dient doen als verblijfplaats van wezel, waar ook prooidieren van wezel en steenuil gevonden kunnen worden.
5.3
Vleermuizen
De houtsingels blijven conform de voorgenomen ontwikkeling behouden en zul versterkt worden in het noordwesten, directe aantasting van de vliegroute vindt niet plaats. Als gevolg van de verstedelijking van het plangebied en het gebied ten zuiden, in het kader van het nieuwbouwproject Bloemendal, wordt aangenomen dat ter hoogte van de houtsingel verstoring plaats gaat vinden als gevolg van een toename van kunstlicht. Gelet op verstoring als gevolg van een toename van kunstlicht dienen de volgende maatregelen getroffen te worden: •
•
•
Tijdens de realisatie- en gebruiksfase wordt voorkomen dat de houtsingels beschenen worden door kunstlicht: - Als er verlichting nodig is tijdens de werkzaamheden, wordt dit zo spaarzaam mogelijk gebruikt. - Uitstraling buiten het plangebied wordt voorkomen. De lichtstraal van bijvoorbeeld lantaarnverlichting is gebundeld naar beneden gericht. - Als er bewakingsverlichting op de projectlocatie noodzakelijk is, bestaat deze verlichting enkel uit amberkleurig licht met een straal gericht naar beneden en zonder lichtuitstraling naar de houtsingels. Een lichtplan wordt opgesteld, waaruit blijkt dat de (aangeplante) houtsingels gedurende de gebruiksfase niet beschenen worden door kunstlicht.
5.4
Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode)
Voor broedvogels (nest beschermde gedurende broedperiode) worden de volgende maatregelen getroffen. De werkzaamheden worden zo goed als mogelijk buiten de broedperiode (maart t/m augustus, dit kan door weersveranderingen en andere factoren verschuiven) uitgevoerd. Wanneer binnen broedperiode wordt gewerkt: • •
•
worden potentiële nestplaatsen voorafgaand aan de broedperiode ongeschikt door opgaand groen, zoals ruigte, struiken en bomen, te verwijderen en het akkerland te egaliseren; Broedvogelinspectie: vóór aanvang van de werkzaamheden wordt door een deskundig ecoloog gecontroleerd of nestplaatsen aanwezig en in gebruik zijn. Indien aanwezig, kunnen werkzaamheden ter hoogte van de nestplaats pas starten na de broedperiode. Exacte maatregelen worden nader bepaald; worden van april t/m september zandhopen met een talud van 1:1 of steiler voorkomen (potentiële nestplaats oeverzwaluw).
5.5
Alle grondgebonden soorten
Voor alle grondgebonden soorten worden de volgende maatregelen getroffen, waardoor voldaan wordt aan de zorgplicht: •
• •
32
Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting waar soorten dekking kunnen vinden door opgaand groen, zoals een houtsingel. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg op gejaagd, waardoor aanrijding met verkeer wordt voorkomen. Als een soort wordt aangetroffen en niet op eigen kracht het werkterrein kan verlaten, wordt contact opgenomen met een deskundig ecoloog die de noodzakelijk vervolgstappen bepaald. Tijdens vorst vinden geen werkzaamheden plaats.
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5.6
Planning
Voor het uitvoeren van de maatregelen, het beheer en de voorgenomen ontwikkeling van het AZC, wordt rekening gehouden met de kwetsbare periode van (beschermde) soorten. In tabel 10 zijn de kwetsbare periode weergegeven. In tabel 11 is de globale planning, beheer en voorgenomen ontwikkeling van het AZC weergegeven voor 2025 en 2026. Tabel 10 Per relevante soort(groep) zijn periodes weergegeven, waaruit blijkt of er wel of geen werkzaamheden getroffen worden. Soort(groep)
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Broedvogels (nest jaarrond beschermd): steenuil Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode): bijvoorbeeld fazant, houtduif en zwarte kraai. Grondgebonden zoogdieren: wezel Vleermuizen: gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis • Broedvogels (nest jaarrond beschermd): steenuil Oranje: werkzaamheden kunnen plaatsvinden mits maatregelen voor het optimaliseren van het leefgebied zijn getroffen en functioneren. • Broedvogels (nest jaarrond beschermd): boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil Groen: geen kwetsbare voortplantingsperiode; werkzaamheden uitvoerbaar. Oranje: kwetsbare voortplantingsperiode; werkzaamheden zijn uitvoerbaar mits het plangebied ongeschikt is gemaakt als nestplaats en gecontroleerd is door een deskundig ecoloog. • Grondgebonden zoogdieren: wezel Geel: werkzaamheden kunnen plaatsvinden mits rekening wordt gehouden met vorst. Oranje: werkzaamheden zijn uitvoerbaar mits het plangebied ongeschikt is gemaakt als verblijfplaats. • Vleermuizen: gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis Oranje: werkzaamheden kunnen plaatsvinden mits maatregelen voor het voorkomen van verstoring op vliegroutes getroffen worden. Tabel 11.
Globale planning van 2025 en 2026 die betrekking heeft op de uitvoering van de compensatiemaatregelen, het beheer en de voorgenomen ontwikkeling. Groen = Uitvoeringsperiode. Oranje en geel = werkzaamheden kunnen uitvoeren mits maatregelen getroffen worden. Rood = Geen werkzaamheden uitvoeren. Werkzaamheden (globaal)
2025
2026
Compensatiemaatregelen Extensief beheer Realisatie AZC Extensief beheer • Groen: geen kwetsbare periode; meest wenselijke periode voor uitvoering van het beheer. • Oranje: werkzaamheden kunnen plaatsvinden mits rekening gehouden worden met vorstperiodes; geen werkzaamheden uitvoeren. • Rood: kwetsbare periode; geen beheer uitvoeren. Plangebied bouwrijp maken • Groen: geen kwetsbare periode; meest wenselijke periode voor uitvoering van het beheer. • Oranje: werkzaamheden kunnen plaatsvinden mits rekening gehouden worden met vorstperiodes; geen werkzaamheden uitvoeren. • Geel: werkzaamheden kunnen plaatsvinden mits voor aanvang van deze periode (februari 2026 of eerder) het plangebied ongeschikt gemaakt is.
33
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
5.7
Natuurinclusief bouwen (bovenwettelijk)
Soorten van het stedelijk gebied zullen naar verwachting profiteren van de verstedelijking binnen het plangebied. Wat betreft stedelijke soorten kan gedacht worden aan broedvogels, zoals huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Dit project zal een positieve bijdrage leveren door het aanbieden van verblijfsmogelijkheden, waardoor de kans op kolonisatie wordt vergroot. De gebouwen worden natuur-inclusief opgeleverd door het plaatsen van inbouwstenen van broedvogels, zoals huismus/gierzwaluw, en vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, zie figuur 22. Wanneer de ontwerpen van de gebouwen bekend zijn, wordt door een deskundig ecoloog, op basis van de vigerende kennisdocumenten, nader bepaald welk type verblijfvoorzieningen geplaatst wordt. Daarnaast wordt ook gekeken of de constructie van de gebouwen toegankelijk gemaakt kan worden.
Figuur 22. Voorbeelden van verblijfsvoorzieningen (inbouwstenen) voor huismus/gierzwaluw (links) en vleermuizen (rechts)
34
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
6
Aanvraag Omgevingsvergunning Flora- en faunaactiviteit
6.1
Inleiding
Door het treffen van mitigerende maatregelen worden negatieve effecten op voorkomende (beschermde) soorten zo goed als mogelijk voorkomen. Negatieve effecten op steenuil en wezel kunnen echter niet gemitigeerd worden. Voor de steenuil gaan het om verlies van leefgebied binnen een territorium, waardoor de nestplaats verlaten kan worden. Voor de wezel gaat het om verwonden en/of doden van individuen, aantasting van verblijfplaatsen en verlies van foerageergebied. Voor deze soorten zijn compensatiemaatregelen geformuleerd van het optimaliseren van het leefgebied aan de rand en buiten het plangebied. Voor de schadelijk handelingen vraagt de Gemeente Barneveld een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit aan. Het gaat om de volgende schadelijke handelingen: • •
art. 11.37, lid 1d: van toepassing op aantasting van een territorium en nestplaats van steenuil. art. 11.54, lid 1a en 1b: van toepassing op het opzettelijk verwonden en/of doden van wezel (1a) en opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren of rustplaatsen (1b).
De vergunning wordt aangevraagd voor een periode voor de periode augustus 2025 t/m 2028.
6.2
Belangenonderbouwing
De bouw van het AZC is noodzakelijk in het: • •
belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid (steenuil); algemeen belang (wezel).
Door de grote vluchtelingenstroom in Nederland is sprake van een opvangcrisis. Door het vorige kabinet zijn maatregelen geformuleerd voor de korte en lange termijn. Één van de maatregelen om de opvangcrisis onder controle te krijgen is het regelen van meer opvanglocaties (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/asielbeleid/aanpak-crisisopvang-asielzoekers). De gemeente Barneveld vindt het een maatschappelijke verantwoordelijkheid om de helpende hand te bieden aan asielzoekers. Met deze opvang geeft de gemeente Barneveld gehoor aan noodoproepen van het kabinet. Dat roept alle gemeenten in Nederland op om slaapplaatsen te regelen voor asielzoekers.
6.3
Alternatieven
Er heeft een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar 41 plekken. Deze plekken waren voor een groot deel aangedragen door inwoners. Alle plekken zijn beoordeeld op een vast aantal punten. Hierbij kwam het terrein aan de Nijkerkerweg 132 in Barneveld als meest geschikte plek uit de bus. Voor de locatie is gelet op het volgende: •
• • • •
35
Het is een vrij liggende locatie en is groot genoeg. De grond is eigendom van de gemeente Barneveld en is voor een langere periode beschikbaar. Hiermee heeft de gemeente zelf de zeggenschap en bepaalt zelf hoe de locatie wordt ingevuld. Het AZC kan er betrekkelijk snel komen. De plek sluit aan bij de bouwfase van Bloemendal die al in ontwikkeling is (fase IIa). Dit levert voordelen op voor het bouwrijp maken en de aanleg van (ondergrondse) infrastructuur. De locatie is via de Nijkerkerweg goed en veilig bereikbaar. De voorzieningen (winkels, openbaar vervoer) zijn op loop- en fietsafstand via de geplande infrastructuur van Bloemendal. Via Bloemendal kunnen fietsers en wandelaars naar het centrum van Barneveld gaan. De locatie is geschikt voor een AZC, maar de plek is op termijn ook geschikt voor andere vormen van wonen. En doordat de plek aansluit op Bloemendal, gaat het onderdeel uitmaken van de buurt/wijk.
Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-7765:0.2 - Datum: 4 november 2024 - Internal
ACTIVITEITENPLAN BESCHERMDE SOORTEN
Locatie Percelen in de omgeving van het plangebied zijn ongeschikt of minder geschikt omdat: • • •
het de Groen ontwikkelingszone is; van toepassing op het terrein ten noord, noordwesten en (noord)oosten van het plangebied; het te dicht bij de snelweg (150) ligt, waardoor hier sprake is van een slechte luchtkwaliteit; van toepassing op de percelen ten westen van het plangebied; hier woningen gebouwd gaan worden in het kader van het nieuwbouwproject Bloemendal; van toepassing op de percelen ten zuiden van het plangebied.
Wat betreft de steenuil ligt het plangebied aan de rand van het territorium. Het plangebied betreft voornamelijk akkerland waar ten tijde van het onderzoek maïs verbouwd werd. Dit terrein vormt geen geschikt foerageergebied, omdat hier geen uitkijkposten aanwezig zijn en de steenuil zich niet door de maïsakker vliegend kan verplaatsen. In de omgeving van het plangebied zijn graslanden aanwezig waarvoor de steenuil wel ruimte is om te foerageren naar bijvoorbeeld regenwormen en muisachtigen. Het ontwikkelen van het akkerland binnen het plangebied heeft daarom minder impact op het foerageergebied van steenuil, dan wanneer grasland in de omgeving ontwikkeld wordt. Wat betreft de locatie is er daarom geen beter alternatief. Wat betreft de wezel wordt rekening gehouden met een worstcasescenario. Dit houdt in dat in het buitengebied te allen tijde rekening gehouden wordt met deze soort. Op een ander perceel binnen het buitengebied heb je daarom ook te maken met deze soort. Gelet op de nomadische levenswijze van de wezel, is het dan ook lastig om te zeggen of een vergelijkbare akker minder of meer geschikt is als leefgebied. Wat betreft de locatie is er daarom geen beter alternatief. Werkwijze en planning Door de gekozen werkwijze en planning worden negatieve effecten op (mogelijk) voorkomende (beschermde) soorten zo goed als mogelijk voorkomen.