TAM Omgevingsplan H22ad Dunenkamperweg 2 Regels
Tekst van het document
Omgevingsplanactiviteit gebruik paardrijbak
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden voor de voorgevelrooilijn te gebruiken als paardrijbak; 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de verleend onder voorwaarden dat: a. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij hieraan door het nemen van maatregelen voldoende tegemoet kan worden gekomen. 14.3
Omgevingsplanactiviteit gebruik paddock
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken als paddock; 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat: a. de paddock wordt hobbymatig gebruikt ten dienste van bewoners van de woning of een woongebouw; b. de paddock ligt binnen het bouwvlak of aansluitend aan het bouwvlak; c. de paddock ligt achter de voorgevelrooilijn; d. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 360 m2; "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 e. de afstand tot een woning van een derde niet minder dan 30 m bedraagt; f. niet gelegen in gronden met de aanduiding 'overig - kernrandzone'; g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit.
Artikel 15 15.1
Overige regels
Parkeren
15.1.1 Parkeernorm Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (zoals nieuwbouw- of verbouwplannen) waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, geldt dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn (en te blijven) conform de Nota Parkeernormen 2020 (zie Bijlage 3 bij hfst. 22ad Nota Parkeernormen (2020). Indien de nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met die wijziging. 15.1.2 Uitzondering Het in bepaalde in 15.1.1 is niet van toepassing op het vergroten van een woning. 15.2
overige zone - ontplofbare oorlogsresten
1. Het is verboden op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ontplofbare oorlogsresten' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwactiviteiten dan wel een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt verleend, mits uit een door de gemeente goedgekeurd onderzoek van een deskundige blijkt dat in het gebied met de aanduiding 'overige zone ontplofbare oorlogsresten' geen ontplofbare oorlogsresten meer aanwezig zijn. 3. In de volgende gevallen is een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid is niet noodzakelijk: a. het naoorlogs geroerde grond betreft, waaronder: grond direct rond een naoorlogs bouwwerk tot onderkant fundering inclusief eventuele kelder(s); grond tot 40 cm diepte op (voormalig)agrarische grond, vanwege agrarisch gebruik (ploegen); naoorlogs opgehoogde grondlagen; naoorlogs vergraven grond (zoals weg-, rioleringscunet en kabeltracés); b. ingeval via aanvullend historisch vooronderzoek en/of analyse aangetoond wordt dat een eerder verdacht gebied als onverdacht wordt gezien; c. ingeval via (detectie)onderzoek uitgevoerd door een gecertificeerd opsporingsbedrijf wordt aangetoond dat er geen ontplofbare oorlogsresten in de bodem liggen; d.
ingeval via een Proces-Verbaal van Oplevering wordt aangetoond dat eventuele ontplofbare oorlogsresten door een gecertificeerd opsporingsbedrijf zijn opgespoord en geruimd.
24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
Hoofdstuk 4 Artikel 16
Overgangsregels
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan mag, mits; a. deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het vorige lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het vorige lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar niet zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 17
Overgangsrecht gebruik
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in het vorige lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
25