TAM Omgevingsplan H22ad Dunenkamperweg 2 Motivering
Tekst van het document
Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.
5.5.2
Soortenbescherming
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan 24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat er geen beschermde soorten zijn aangetroffen binnen het plangebied. Enkele soorten kunnen wel mogelijk aanwezig zijn of effecten ondervinden van de ontwikkelingen. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen. Voor de conclusies wordt verwezen naar Ecologische quickcan flora en fauna. Uit de quickscan blijkt dat zoogdieren (vrijgestelde soorten), vogels (algemene broedvogels) en amfibieën (vrijgestelde soorten) in het plangebied mogelijk kunnen voorkomen. Er gelden maatregelen waaraan voldaan moet worden.
5.5.3
Houtopstanden
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.
5.5.4
Algemene en specifieke zorgplichten
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.
Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.
Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. 5.5.5
Conclusie
Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.6
Geluid
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan wordt een woning mogelijk gemaakt. Dit is een geluidgevoelige gebouw. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen. 26
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
In het akoestische onderzoek (Bijlage 6) is met de volgende etmaalintensiteiten gerekend voor de situatie in 2030, inclusief de verkeersbijdrage vanwege het plan: Snelweg A1 (noordelijke rijbaan): 33.314 Snelweg A1 (zuidelijke rijbaan): 33.265 De regels uit het Bkl zijn van toepassing op gezoneerde industrieterreinen, spoorwegen, rijkswegen, provinciale wegen, verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. Daarmee is de A1 met een intensiteit van meer dan 2500 motorvoertuigen relevant in het kader van het Bkl. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden relevante wegen met een verkeerintensiteit lager dan 2500 mvt/etmaal eveneens getoetst aan de regels uit het Bkl (geluidbeleid vergelijkbaar met 30km/uur wegen). Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek voor dit project blijkt, dat als gevolg van het wegverkeer op de snelweg A1 de hoogste geluidsbelasting (zonder maatregelen) 58 dB Lden bedraagt. Dit betreft het meetpunt aan de noordgevel van de woning. Daarmee wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 Lden conform het Bkl. Hierdoor moeten er geluidsreducerende maatregelen worden getroffen.
De volgende maatregelen zijn afgewogen: Het toepassen van een dubbellaags ZOAB op het wegdek van de A1; het toepassen van geluidsscherm langs de A1; het toepassen van een geluidsscherm langs de grenzen van het plangebied; het toepassen van isolerende voorzieningen om aan de binnenwaarde van 33dB te voldoen. Het toepassen van bronmaatregelen is in financieel opzicht niet haalbaar ten opzichte van de schaalgrootte van het plan. Het toepassen van een geluidsscherm langs de A1 is stedenbouwkundig en landschappelijk gezien niet wenselijk. Wel kan er een L-vormig geluidsscherm van 3,5 meter worden gerealiseerd. Daarnaast zal de woning moeten worden voorzien van een gevelwering van 22 dB. Tezamen wordt hiermee de hoogste geluidsbelasting 53 dB. Hiermee kan worden voldaan aan het vastgelegde gezamenlijke geluid van 55dB Lden in artikel 13.2 van de regels. Het rapport is beoordeeld door de geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering.
5.7
Geur
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.
De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan. Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Beoordeling veehouderijen In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Dunenkamperweg 1 Haarweg 11 Malenveld 10 Andere veehouderijen liggen op grotere afstand. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Om te beoordelen of veehouderijen in de omgeving niet onevenredig is hun belangen worden geschaad moet rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Dit betekent dat voor geur getoetst moet worden vanaf de rand van het bouwvlak. Er is een onderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Dit onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden.
De volgende conclusies kunnen hieruit getrokken worden m.b.t. geur vanuit veehouderijen: de woning komt op voldoende afstand, meer dan 50 meter, van omliggende veehouderijen te liggen; de hoogte voorgrondbelasting ter plaatse van de nieuwe woning bedraagt 13,6 ouE/m3; de achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuwe woning bedraagt ongeveer 25 ouE/m3; de paardrijbak komt op voldoende afstand van omliggende woningen te liggen. Aan de vereiste afstanden wordt voldaan. Zowel de voor- als achtergrondbelasting ter plaatse wordt beoordeeld als een ‘tamelijk slecht’ woon-en leefklimaat. Dit is aanvaardbaar voor het buitengebied van Stroe. Dit betekent dat omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd en ter plaatse van de beoogde woning sprakeis van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Beoordeling andere geurbronnen Er zijn geen andere geurbronnen die belemmerend kunnen zijn voor de ontwikkeling. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
5.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De ontwikkeling gaat over functieverandering en het toevoegen van één woning. Het plan voorziet niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 5.129g van het Bkl.
Gelet hierop voorziet het plan evenmin in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de genoemde bepaling en is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.9
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.10
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Het bouwen van één woning is niet in betekenende mate (NIBM). Ook de achtergrondconcentraties geven geen aanleiding tot een onderzoek aangezien deze ruim onder de grenswaarden zijn gelegen. Een "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 voldoende woon en leefklimaat is daardoor geborgd. Beoordeling fijnstof (PM10) vanuit de veehouderij In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen.Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijnstof: • 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; • 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen. In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.11
Milieueffectrapportage
Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow).
Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit Wettelijk kader Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de 30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht. Toetsing De activiteit wordt niet genoemd in Bijlage V van het Ob. Hierdoor is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)-plicht. De omvang van het project en de milieueffecten zijn dermate gering dat geen sprake is van een plan-mer-plicht op basis van artikel 16.36 lid 4 van het Ob. Ad 2: Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.
5.12
Milieuzonering
Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Woningen zijn gevoelige gebouwen. Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Daarnaast heeft de gemeente regels opgenomen in het Omgevingsplan die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering´ (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging.
Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit. In dit kader is voor dit bedrijf het volgende bedrijf van belang: De woning komt te liggen naast een transportbedrijf, SBI code 494. De planlocatie is gelegen in gemengd gebied, waardoor de maximale richtafstand 50 meter betreft voor geluid. Hieraan wordt voldaan. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12.1 Spuitzonering In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Vanuit jurisprudentie geldt dat als vuistregel een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Er kan worden afgeweken van deze afstand met een locatie specifiek onderzoek. Conclusie Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, wordt er een spuitvrije zone rondom te nieuw te realiseren woning opgelegd. Hiervoor wordt de vuistregel van 50 meter aangehouden. Dit betekent dat er op agrarische gronden (en die in theorie als agrarische grond gebruikt kunnen worden) in de 50 meter van de nieuwe woonfunctie een spuitvrije zone wordt opgelegd.
5.13
Natuur en landschap
Het plan wordt rondom de nieuwe woning landschappelijk ingepast. Hiervoor is een beplantingsplan opgesteld (Bijlage 1 van de regels). Dit plan omvat onder andere het toevoegen van een houtsingel en het realiseren van een boomgaard met hoogstam fruitbomen. Ook zal langs de nieuwe oprijlaan bomenrijen worden aangeplant. Het grootste gedeelte van de bestaande bomen blijven behouden. Enkele bomen zullen (met een kapvergunning) worden gekapt ten behoeve van de ontwikkeling. Conclusie Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteit de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 5.14.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl).
Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) 32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.
Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. 5.14.2 Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er wel risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve wel een relevant milieuaspect.
5.14.3 Verantwoording groepsrisico In de omgeving van het plangebied ligt de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Iets noorderlijker is de Rijksweg A1 gelegen. Ook hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De kans op het plaatsvinden van een calamiteit met gevaarlijke sotffen met directe invloed op het plan is weliswaar klein, maar kan niet worden uitgesloten. Het plangebied ligt op de basis van de huidige regels in een explosieaandachtsgebied. Daarnaast is een toxisch scenario denkbaar voor het plangebied. Na realisatie neemt de bezettingsgraad en de aanwezigheid van personen toe, ook in de nachtelijke uren. Voor deze woonfunctie worden de mensen als zelfredzaam geacht. Mits zij tijdig geïnformeerd en gewaarschuwd worden. Voor het verbeteren van de zelfredzaamheid en rampbestrijding is het goed om bij de uitwerking van deze plannen rekening te houden met: Risicocommunicatie: Deze is gewenst om bewoners tijdig te informeren over de risico's en wat te doen in geval van een incident om zo de zelfredzaamheid te verhogen. De ontvluchtbaarheid en mogelijkheden tot evacuatie van het gebied op planniveau vanwege de risico's van incidenten met gevaarlijke stoffen. U kan daarbij denken aan vluchtwegen/routes in de omgeving en in het gebouw die van de risicobron afgericht izijn en die afschermend werken voor het gevaar.
Verkeersmaatregelen die worden toegepast of gewijzigd waarvoor een verkeersbesluit vereist is, zal een afzonderlijk overleg met de korpschef van politie moeten plaats vinden. Conclusie Er is geen verkeersbesluit nodig. Daarnaast is, zoals beschreven in het rapport (Bijlage 8), voldoende vluchtmogelijkheden van de risicobron af.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
5.14.4 Te treffen maatregelen Naar aanleiding van het onderzoek moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.
Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Toetsing planontwikkeling Voor de rijksweg A1 ligt de te realiseren bebouwing buiten het brand- en explosieaandachtsgebied. Er geldt daarnaast vooralsnog geen gifwolkaandachtsgebied voor transportroutes. De te treffen bouwkundige maatregel tegen een gifwolk is bovendien het afsluitbaar maken van automatische ventilatie. Dit is een standaard bouwkundige eis in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl art. 4.124 vierde lid). Voor de spoorlijn Apeldoorn - Amersfoort Oost is er geen sprake van een 10-6 contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Ook ligt de planlocatie buiten het brandaandachtsgebied van de spoorlijn. De locatie ligt tevens binnen het explosieaandachtsgebied, maar buiten de 100% letaliteitscontour. Het bevoegd gezag is niet verplicht een explosievoorschriftengebied aan te wijzen. Ten slotte gelder er vooralsnog geen gifwolkaandachtsgebied voor transportroutes.
De te treffen bouwkundige maatregel tegen een gifwolk is bovendien het afsluitbaar maken van automatische ventilatie. Dit is een standaard bouwkundige eis in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl art. 4.124 vierde lid). Maatregelen Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag voor (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties rekening houden met de kans dat per jaar tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen het aandachtsgebied (het groepsrisico). Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. In dit geval gaat het om een woning die binnen het explosieaandachtsgebied van het spoor ligt. De gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen, die achtereenvolgens worden beschouwd. Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied De woning ligt op ca. 170 m van het spoor. De planontwikkeling ligt daarmee buiten het brandaandachtsgebied en aan de rand van het explosieaandachtsgebied. De 100% letaliteitscontour voor het spoor ligt op 100 m gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf van het buitenste doorgaande spoor (zie hoofdstuk 2.6). De woning ligt ruimschoots buiten deze contour.
Aanvullende risicocommunicatie De bewoners van de woning dienen zich bewust te zijn van de risico’s die het nabijgelegen spoor met zich meebrengen en hoe zij bij een ongeval moeten handelen (vluchten/ schuilen). Beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron Er wordt één woning gerealiseerd. Voor woningen wordt uitgegaan van 2.4 personen per woning. De personendichtheid neemt hiermee niet significant toe. 34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
Vlucht- en schuilmogelijkheden Afhankelijk van waar op het spoor een calamiteit plaatsvindt kan gevlucht worden in tegengestelde richting, van het spoor af, via de Dunenkamperweg of Malenveld. De bewoners zijn zelfredzame personen die in staat zijn om in geval van calamiteit van de bron af te vluchten. In geval van brand biedt de woning bescherming. Omgevingsmaatregelen Aangezien het gaat om slechts één woning gaat zijn ingrijpende maatregelen zoals een aarden wal niet realistisch. Het wordt niet nodig geacht andere dan de hierboven genoemde maatregelen te treffen. 5.14.5 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Liander heeft op 6 augustus 2025 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit plan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. 5.14.6 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Er worden diverse maatregelen getroffen, welke zijn beschreven in paragraaf 5.14.4. Gezien de kleinschalige omvang van het plan, de afstand tot de risicobronnen vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor onderhavig plan.
5.15
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat het plangebied wel verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie (vliegtuigbommen). Dit komt voornamelijk door het bombarderen van de nabijgelegen spoorlijn. Een brede strook van circa 110 meter uit de spoorlijn is als verdacht afgebakend. Aan de oostkant van de planlocatie bij de Dunenkamperweg 7 zijn ook 2 kraters waargenomen en is een verdacht gebied (rode ronde vlak) afgebakend. Een groot deel van het woonperceel Dunenkamperweg 2 valt daarbinnen. Volgens het kaartje “gewenste situatie” zal de ontwikkeling (slopen, bouwen en aanleg paardenbak) voornamelijk west van woonhuis Dunenkamperweg 2 plaatsvinden. Dat ontwikkelgebied ligt buiten het verdachte gebied van ontplofbare oorlogsresten. Er zal ook een nieuwe inrit en oprijlaan worden aangelegd. Een groot gedeelte van die oprijlaan valt binnen verdacht gebied van ontplofbare oorlogsresten. De bovenste grondlaag van 40cm wordt vanwege agrarisch gebruik (bouwvoor) van na de oorlog niet meer als verdacht gezien. Algemeen wordt aangenomen dat door bewerken van het land eventuele oorlogsrestanten al zijn opgemerkt en verwijderd.
Naoorlogs opgebrachte grond wordt ook als niet meer verdacht beschouwd. In niet verdachte grond kunnen graafwerkzaamheden regulier worden uitgevoerd. Bij grondverzet dieper dan 40 cm binnen verdacht gebied is opsporing van ontplofbare oorlogsresten noodzakelijk. Bij het graven in de geroerde bovenlaag binnen verdacht gebied moet wel gewerkt worden conform het bijgevoegde “Protocol Toevalstreffer”. Ook buiten verdacht gebied wordt geadviseerd om bij grondwerkzaamheden het protocol te hanteren. In het protocol staat kort beschreven wat er moet gebeuren als er onverhoopt iets verdachts wordt aangetroffen. Het Protocol Toevalstreffer moet voorafgaand aan de grondwerkzaamheden door de opdrachtgever kenbaar worden gemaakt aan de aannemer grondwerken, zodat deze zijn personeel in het veld kan informeren. Om dit te borgen wordt in de regels van het omgevingsplan een overige zone - ontplofbare oorlogsresten opgenomen. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 waarop het Dunenkamperweg 2 is te zien.
Afbeelding Uitsnede OO-belastingkaart Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.
5.16
Trilling
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt. Ten aanzien van trillingen is de meest voorkomende bron van trillingen voor de gemeente trillingen afkomstig van de spoorwegen. De Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen is daar het instrument voor beoordeling van. De regels van deze handreiking komen aan de orde bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties bij nieuwe trilling gevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs spoorwegen en bij de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde spoorwegen. De richtlijn heeft betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen object komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de fundering het object bereiken (dus via vaste materie).
Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren in werkelijkheid laagfrequent geluid is (dit wordt overgedragen via de lucht). Hiervoor gelden deze richtlijnen niet. Op basis van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen is de spoorlijn als hoofdspoorweg aangewezen. Binnen een zone met een afstand van 100 meter van het spoor moet volgens de handreiking beoordeeld worden of er sprake kan zijn van trillinghinder en of er aanleiding is dit nader te onderzoeken. Beoordeling 36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 De planlocatie ligt met de afstand van 150 meter vanaf de bron. De afstand tot het spoor is voldoende groot om daarvan geen trillingen te hoeven verwachten. Aangezien deze beoordeling is het voldoende aannemelijk dat de locatie niet dermate last zal krijgen van trillingen door het spoor. Van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat is geen sprake bij de realisatie van dit plan. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.17
Verkeer
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. Er wordt voldaan aan de parkeereis uit de Nota Parkeernormen door het realiseren van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarnaast wordt de uitrit aan het Malenveld verwijderd, om een nieuwe uitrit aan de Dunenkamperweg te realiseren. Door het toevoegen van één woning is er bovendien geen sprake van een significante toename in verkeersaantrekkende werking. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
5.18
Weging van het waterbelang
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Huidige situatie De Dunenkamperweg 2 te Stroe betreft een agrarisch perceel met een bestemming 'Agrarisch-Paardenhouderij' in het buitengebied van Stroe. Onder de Dunenkamperweg ligt drukriolering welke afvoert naar een gemaal nabij. Rondom het perceel zijn enkele C-watergangen gelegen. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de bestaande leegstaande agrarische bebouwing gesloopt. Daarnaast wordt een nieuwe woning gerealiseerd naast de bestaande woning. Voor de nieuw te realiseren verharding (terrein- en dakverhardingen) moet compenserende waterberging komen met een minimum van 20mm per vierkante meter verharding. Gesloopte bebouwing mag hier niet van worden afgetrokken.
Het te compenseren hemelwater wordt gevonden in de nieuw te realiseren infiltratie kratten. De overstort wordt gedaan middels molgoten weg van de woning. Het vuilwater dient te worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. In de omgeving liggen enkele C-watergangen. Werkzaamheden hieraan dienen te worden overlegt met het waterschap en kunnen vergunning plichtig zijn. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
Hoofdstuk 6
Juridisch aspecten
6.1
Wijziging omgevingsplan
6.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
6.1.3
Werkingsgebied
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Dunenkamperweg 2 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2). Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen. De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de Dunenkamperweg 2, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0030-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2
6.2
Artikelsgewijze toelichting functies
6.2.1
Terugkerende thema's
6.2.1.1
Functieverandering
De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Bij functieverandering naar werken is een onderscheid gemaakt voor 'gebiedspassende bedrijven' en 'gebiedsgebonden bedrijven'. Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in de (delen van) het buitengebied. Gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van hun bedrijfsvoering in beginsel geplaatst kunnen worden in (bepaalde delen van) het buitengebied, dan wel die vanouds aan het buitengebied gerelateerd worden. Deze bedrijven hebben naar hun aard een zekere relatie met het buitengebied en/of vanuit de historie een plek gevonden in het buitengebied. Onder deze categorie schaart de regio ook agrarische verwante bedrijven (ook wel landelijke bedrijven genoemd). Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat.
Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd.
6.2.1.2
Paardrijbakken
Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan. De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied. De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt.
Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.
6.2.1.3
Zonnepanelen
Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnepanelen op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnepanelen op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnepanelen op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnepanelen te realiseren. 40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Dunenkamperweg 2 Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnepanelen op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnepanelen als de landschappelijke inpassing van deze zonnepanelen. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Wat betreft de bouwregels worden zonnepanelen beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnepanelen buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.
6.2.1.4
Normaal beheer, onderhoud en gebruik
Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren. Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst.