CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM Omgevigsplan H22z Postweg 16 Motivering Bijlage 3 Quickscan

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling van de wijziging “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Postweg 16” van het omgevingsplan voor de locatie Postweg 16 in Barneveld10.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Natuur Postweg 16 te Barneveld Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2024-1042

Datum:

1 augustus 2024

Revisie:

22 april 2025

Samensteller:

ir. L. Bezemer

Collegiale toets:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Opdrachtgever:

Buro SRO B.V.

Contactpersoon:

J. Jentink

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

8

2 Methode

9

2.1

Uitvoering onderzoek

9

2.2

Houdbaarheid en toepassing

9

3 Beoordeling

10

3.1

Soortenbescherming

10

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

19

3.3

Gebiedsbescherming

20

3.4

Houtopstanden

22

4 Conclusie en vervolg

23

4.1

Conclusie

23

4.2

Effecten

23

4.3

Vervolgstappen en maatregelen

23

Samenvatting Aan de Postweg 16 te Barneveld is een boerenerf met woning, pluimveeschuur en kapschuur en gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande pluimveeschuur op de planlocatie te slopen ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Deze sloopwerkzaamheden zijn bij revisie van dit document op 26 februari 2025 reeds uitgevoerd. De woning en kapschuur blijven behouden. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep

Bescherming

Mogelijke functie

Planten

N.v.t.

Grondgebonden zoogdieren

N.v.t

Vleermuizen

N.v.t.

Amfibieën

N.v.t.

Reptielen

N.v.t.

Vissen

N.v.t.

Insecten en andere ongewervelden

N.v.t.

Vogels (cat. 1 t/m 4)

N.v.t.

Vogels (Algemeen en cat. 5)

N.v.t.

Vervolgstap (H4.3)

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Vervolgstap (H4.3)

Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene Ontwikkelingszone Beschermingszone natte landnatuur Ganzenrustgebied Weidevogelgebied

6,2 km 1,9 km 1,5 km 3 km 13,5 km 13,5 km

Stikstof Geen Geen Geen Geen Geen

Stikstofonderzoek

Onderdeel

Uitzondering

Vervolgstap (H4.3)

Afwezig Afwezig

n.v.t. n.v.t.

Houtopstanden Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2

Zorgplicht

Effecten

Vervolgstap (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja Nee Ja Nee

Algemene maatregelen Stikstofberekening

4

1 Inleiding Aan de Postweg 16 te Barneveld is een boerenerf met woning, pluimveeschuur en kapschuur en gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande pluimveeschuur op de planlocatie te slopen ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Deze sloopwerkzaamheden zijn bij revisie van dit document op 19 december 2024 reeds uitgevoerd. De bestaande woning en kapschuur blijven behouden. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art. 4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Postweg 16 te Barneveld.

5

1.1

Planlocatie De planlocatie betreft een boerenerf van een voormalige pluimveeboerderij gelegen aan de Postweg 16 te Barneveld (figuur 1.2). Op de planlocatie zijn vier gebouwen aanwezig. De woning (A) wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep enkel inpandig verbouwd, waarbij het dak en de buitenmuren niet worden aangetast. De woning is opgetrokken uit bakstenen muren en voorzien van een pannen stolpdak met een dakoverstek aan de kopgevels. De muren zijn aan drie zijden volledig bedekt met houten wandpanelen, alleen aan de noordzijde is de bakstenen muur te zien. Verder is het dak voorzien van vogelschroot en is er geen dakgootbekisting aanwezig. De kapschuur (B) staat direct ten zuiden van de woning en blijft behouden. Deze kapschuur is optrokken uit houden wandpanelen en voorzien van een golfplaten dak zonder dakbeschot. Aan de binnenzijde staan restanten van een oude bakstenen muur met spouwruimte. De pluimveeschuur (C) is opgetrokken uit een metalen constructie en rondom voorzien van roldeuren van metaal en gaas. Aan de zuidoostzijde is een deel van de schuur opgetrokken uit bakstenen muren zonder spouw. Het bakstenen deel is voorzien van houten gevelbekleding, en aan de kopgevels zijn witte dakranden aanwezig. Het dak van de schuur bestaat uit golfplaten zonder dakbeschot. Aan de zuidzijde van de planlocatie staat een oude schaapskooi (D).

Deze blijft in de huidige staat behouden. De schaapskooi (D) is opgetrokken uit houten wanddelen en heeft een rieten dak met houten dakbeschot. De verharding bestaat uit tegelverharding en een asfaltweg van de Postweg naar het woonhuis en de pluimveeschuur. Het perceel bestaat verder hoofdzakelijk uit een door schapen begraasde weide met weinig begroeiing. Aan de noord en westzijde loopt een afwateringssloot die niet jaarrond watervoerend is. Aan de zuid en westzijde zijn bomenlanen aanwezig zonder ondergroei. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Postweg 16 te Barneveld. De bebouwing betreft de woning (A), kapschuur (B), pluimveestal (C) en oude schaapskooi (D). De letters corresponderen met bovenstaande tekst. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het buitengebied van Barneveld met weilanden en boerenerven. De weilanden worden voornamelijk gebruikt voor de veeteelt, en er zijn verspreid bomenrijen en akkerbouwpercelen aanwezig. Op een afstand van circa 1,4 km naar het oosten ligt de A30. Op een afstand van circa 1 km naar het oosten ligt de Grote Veenderplas.

6

Figuur 1.3 De gebouwen op de planlocatie met de woning (A), kapschuur (B), pluimveeschuur (C) en oude schaapskooi (D).

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

7

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de pluimveeschuur en realisatie van huisvesting voor arbeidsmigranten. Daarbij worden de bedrijfswoning en kapschuur niet aangetast. De bomen rondom de pluimveeschuur worden gekapt. Verder worden de bestaande groenstructuren (bomenrijen en houtwallen op de erfgrenzen) versterkt en worden er nieuwe groenstructuren aangelegd zoals een (hoogstam)fruitboomgaard, vogelbosjes en een poel. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van pluimveestal: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren delen van het terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuw arbeidsmigranten huisvesting: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein, aanleg nieuwe groenstructuren en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V.).

8

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 16 juli 2024 en is uitgevoerd door ir. L. Bezemer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 6/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 29 juli 2024.

In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

9

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2019-2024). De planlocatie is een boerenerf wat grotendeels bestaat uit door schapen begraasd weiland met madeliefje, paardenbloem en witte klaver. Rondom de woning en kapschuur staan losse exemplaren van onder andere bijvoet, grote brandnetel, jakobskruiskruid, klein streepzaad, kompassla en ridderzuring. Rondom de kapschuur en de omliggende verharding groeien enkele exemplaren van grote brandnetel, gele rolklaver, witte dovenetel en zwarte nachtschade. Op de planlocatie zijn verschillende bomen aanwezig. Rondom de pluimveeschuur staan omstreeks 30 grauwe wilgen (voormalig knotwilgen). Tussen de pluimveeschuur en ander bebouwing staan 2 boswilgen en een kers. Deze bomen worden in de beoogde ruimtelijke ingreep gekapt.

Rondom de planlocatie zijn verschillende laanvormige bomenrijen aanwezig, met aan de noordzijde beuk, eik, grauwe wilg en zwarte els en aan de zuidzijde tientallen eikenbomen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, steenmarter, wezel en woelrat (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, das, steenmarter en wezel. De bunzing en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Beide soorten hebben een voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheden zoals takkenhopen, stenenstapels en holen van knaagdieren.

Daarbij is de aanwezigheid van dekking in de vorm van bijvoorbeeld laanvormige bosschages met ondergroei, braamstruwelen en ruige vegetatie belangrijk (Bij12 Kennisdocument kleine marterachtigen, 2024). De dichtstbijzijnde waarneming van de bunzing betreft een dood exemplaar langs de A30 op circa 1,5 km ten oosten van de planlocatie. De wezel is waargenomen aan de Renswoudsestraatweg, op circa 800 m ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024).De groenstructuren op de planlocatie bieden de bunzing en wezel niet voldoende dekking, en er zijn geen elementen aanwezig die als verblijfplaats kunnen dienen zoals takkenhopen of stenenstapels. De watergangen en bomenlanen op de randen van het perceel zijn wel potentieel geschikt als leefgebied voor de bunzing en hermelijn. Deze structuren worden echter niet aangetast in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Bovendien zijn er voldoende vergelijkbare elementen in de directe omgeving aanwezig die als uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. Derhalve zijn negatieve effecten op de bunzing en wezel uitgesloten. 10

De boommarter is een soort van allerlei typen en leeftijden bos, waar deze schuilplaatsen gebruikt in de vorm van boomholten, grote nesten en holen van andere dieren. De dichtstbijzijnde waarneming betreft een dood exemplaar langs de A30 op circa 1,4 km ten oosten van de planlocatie. Op de planlocatie zijn de eikenlanen aan de zuid en westzijde van het perceel geschikte habitat van de boommarter. Deze structuren worden echter niet aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep. De bebouwing en andere delen van het perceel zijn niet geschikt als leefgebied van de boommarter. Derhalve zijn negatieve effecten op de boommarter uitgesloten. De dichtstbijzijnde waarneming van de das is gedaan op circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De das gebruikt een combinatie van diverse habitattypen in kleinschalig akker- en weidelandschap met voldoende bosjes, houtwallen en heggen. Daarbij is de aanwezigheid van goed vergraafbare grond essentieel voor het graven van burchten. De planlocatie bestaat enkel uit weides en bebouwing, met aan de randen verschillende bomenlanen. Ook de omgeving van de planlocatie bestaat grotendeels uit begraasd weidelandschap. Gezien de grote afstand tot de dichtstbijzijnde waarneming van de das (1,8km) en de aard van de planlocatie zijn negatieve gevolgen op deze soort uitgesloten.

De steenmarter is een soort van kleinschalig parklandschap in en nabij steden, dorpen en boerenerven. Daarbij is de aanwezigheid van groenstroken, bosjes, greppels en bermen die als foerageergebied kunnen dienen essentieel. Verblijfplaatsen bevinden zich met name in stenige structuren zoals gebouwen. De dichtstbijzijnde waarneming van de steenmarter betreft een dood exemplaar langs de A30 op circa 1,5 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De oude bakstenen muren in de kapschuur (figuur 3.1) zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter. De bomenlanen en sloten rondom het perceel zijn mogelijk geschikt als foerageergebied voor de steenmarter. De kapschuur blijft in de beoogde ingreep behouden, waardoor er geen verblijfplaatsen van de steenmarter verloren gaan. De groenstructuren rondom het perceel en bomenlanen op het perceel blijven behouden en er worden nieuwe groenstructuren gerealiseerd die geschikt zijn als foerageergebied voor de steenmarter (poel met oevers, vogelbosjes, versterkte bomenlanen en houtwallen, boomgaard). Er zijn in de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden in de vorm van houtwallen, bomenlanen en greppels die tijdelijk als uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. De steenmarter is weinig gevoelig voor menselijke verstoringen in zijn leefomgeving, en komt ook in dicht stedelijk gebied voor.

De verandering in functie van de pluimveeschuur naar huisvesting van arbeidsmigranten heeft naar verwachting weinig tot geen effect op de geschiktheid van de kapschuur als verblijfplaats voor de steenmarter. De kapschuur zelf en het gebruik van de schuur worden niet veranderd of aangetast, de opening van de schuur bevind zich niet aan de zijde van de pluimveeschuur, en er wordt een groene bufferzone gecreëerd tussen de nieuwe functie en de kapschuur in de vorm van een boomgaard met halfverharding en parkeerfunctie. Deze parkeerfunctie veroorzaakt geen buitengewone verstoring, gezien de kapschuur in de huidige staat gebruikt wordt als parkeerplaats en opslag voor groot landbouwmateriaal zoals tractoren. Gezien het bovenstaande kan worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot het wegnemen van vaste rust-of verblijfplaatsen van de steenmarter en het functioneren van deze functies.

11

Figuur 3.1 Potentiële verblijfplaats van de steenmarter in de oude spouwmuren die nog onder de kapschuur staan. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Wat betreft grondgebonden zoogdieren zijn geen vervolgstappen benodigd. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats.

In de te kappen wilgen rondom de pluimveeschuur en tussen deze schuur en de woning zijn geen boomholten aangetroffen. In de bomenrij ten westen van de planlocatie zijn verschillende bomen met boomholtes aangetroffen welke mogelijk als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen kunnen dienen (figuur 3.2). Deze bomen worden in de beoogde ingreep niet gekapt. Derhalve worden deze potentiële verblijfplaatsen niet weggenomen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

12

Figuur 3.2 Boomholten die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen op de randen van het perceel. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het woonhuis is opgetrokken uit bakstenen muren, welke aan drie zijden bedekt zijn met houten wandpanelen. Het gebouw heeft een pannendak met witte daklijst en kantpannen. Deze kantpannen geven vleermuizen mogelijk toegang tot verblijfplaatsen in de muur of onder de dakruimte. Het woonhuis wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep echter niet aangetast. Derhalve is er betreffende het woonhuis geen sprake van het wegnemen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Indien er toch werkzaamheden plaats gaan vinden aan het woonhuis zoals van binnenuit isoleren of wijzigingen aan kozijnen/gevels/dak dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. De kapschuur is volledig opgetrokken uit houten wandpanelen en heeft een golfplaten dak zonder dakbeschot.

Aan de binnenzijde zijn oude bakstenen muren aanwezig met luchtspouw (figuur 3.1). Deze muren zijn echter op veel plaatsen opgesteld aan de buitenlucht, waardoor er tochtwerking optreedt. Ook zijn de muren relatief laag (< 2 m) wat ze suboptimaal geschikt maakt als verblijfplaats voor vleermuizen. Het metalen dakoverstek aan de kopgevels van de kapschuur sluit strak aan op de wand en biedt vleermuizen geen geschikte verblijfplaats. Bovendien wordt de kapschuur in de beoogde ingreep niet aangetast, waardoor het wegnemen van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in de kapschuur uitgesloten kan worden. De pluimveeschuur is opgetrokken uit een metalen constructie en rondom voorzien van roldeuren van metaal en gaas. Aan de zuidoostzijde is een deel van de schuur opgetrokken uit bakstenen muren zonder spouw. Het dak van de schuur bestaat uit golfplaten zonder dakbeschot. Het bakstenen deel is voorzien van houten gevelbekleding, en aan de kopgevels zijn witte metalen dakranden aanwezig. De metalen dakranden bieden vleermuizen geen geschikte invliegopeningen, en zijn door het materiaal niet geschikt als verblijfplaats. De openingen op de kopse kant van de dakranden (figuur 3.3, rechts) zijn door de metalen constructie (geen grip) en voorliggende dakgoot ongeschikt als invliegopening voor vleermuizen.

De gevelbekleding staat strak op de muur, kiert niet, en biedt vleermuizen geen geschikte invliegopening of verblijfplaats (figuur 3.5). In de gehele constructie zijn geen kieren of andere openingen aanwezig die vleermuizen toegang geven tot een potentiële verblijfplaats. 13

Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de te slopen pluimveeschuur een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de te slopen pluimveeschuur op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De andere bebouwing wordt in de beoogde ingreep niet aangetast. Derhalve is uit te sluiten dat er sprake is van het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen op de planlocatie. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie bieden de verschillende bomenrijen en watergangen vleermuizen een geschikte vliegroute. Deze structuren hebben eveneens een functie als foerageergebied. Ook de bomen binnen het plangebied, zoals de verschillende wilgen en kersenboom, hebben mogelijk een functie als foerageergebied voor vleermuizen. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden alleen de losstaande bomen bij het woonhuis en de wilgen rondom de pluimveeschuur gekapt. Gezien er voldoende foerageergebied in de omgeving aanwezig is dat als uitwijkmogelijkheid kan dienen, is er geen sprake van het wegnemen van essentiële vliegroutes of foerageergebieden.

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad en poelkikker (NDFF 2019-2024). Voor de poelkikker geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De poelkikker is een soort van onbeschaduwde wateren met een goed ontwikkelde oevervegetatie in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Daarbij heeft hij een voorkeur voor stilstaande wateren zoals poelen, vennen en watergangen in veengebieden (RAVON poelkikker, 2024). Er is één waarneming bekend van de poelkikker binnen een straal van 2 km van de planlocatie. Deze waarneming betreft een roepend exemplaar op circa 1,6 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De watergangen op de planlocatie zijn allen afvoersloten van weidepercelen en niet jaarrond watervoerend. Er is geen sprake van een oevervegetatie, alleen van verspreide pollen van pitrus, gezien de oevers bestaan uit begraasd weiland. Deze watergangen bieden geen geschikte habitat voor de poelkikker. Bovendien worden de watergangen in de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de poelkikker ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep uitgesloten. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is een slang van waterrijke habitat, vaak op de overgang van zandgrond naar lager gelegen veen- en kleigronden. De ringslang is voor de overwintering en voortplanting afhankelijk van hoger gelegen, vorstvrije structuren zoals hopen organisch materiaal, ingerotte boomstobben en oude boomstammen. Ook worden in veel gebieden speciaal aangelegde broeihopen gebruikt (RAVON Ringslang, 2024). De dichtstbijzijnde waarneming van de ringslang is gedaan op een afstand van circa 1,8 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De watergangen op de planlocatie zijn allen afvoersloten van weidepercelen en niet jaarrond watervoerend. Er is geen sprake van een oevervegetatie, alleen van verspreide pollen van pitrus, gezien de oevers bestaan uit begraasd weiland. Deze watergangen bieden geen geschikte habitat voor de ringslang. Bovendien worden de watergangen in de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de ringslang uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

14

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20192024). De watergangen rondom de planlocatie zijn slechts afwateringssloten van weidepercelen en niet gedurende het gehele jaar watervoerend. Deze watergangen bieden geen geschikte habitat voor beschermde vissoorten. Bovendien worden de watergangen op de randen van de planlocatie in de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote weerschijnvlinder (NDFF 20192024). De grote weerschijnvlinder is een weinig mobiele soort van vochtige, open bossen met wilgen. Voor de voortplanting is de soort afhankelijk van boswilg, maar kan ook andere wilgensoorten gebruiken. Eitjes worden bij voorkeur gelegd op wilgen die groeien op beschutte plaatsen in de halfschaduw (Vlinderstichting Grote weerschijnvlinder, 2024). Er is slechts één waarneming bekend van de grote weerschijnvlinder binnen een straal van 2 km van de planlocatie. Deze waarneming is gedaan op circa 2 km ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De planlocatie betreft een boerenerf met een voormalige pluimveekwekerij.

Deze is gelegen in een omgeving gedomineerd door weilanden met hier en daar bomenrijen van eiken en overwegend andere soorten zoals berk en beuk. Op de planlocatie en in de directe omgeving daarvan zijn geen geschikte leefgebieden voor de grote weerschijnvlinder in de vorm van vochtige open bossen aanwezig. Rondom de pluimveeschuur zijn rond de 30 grauwe wilgen aanwezig, en tussen het woonhuis en de pluimveeschuur zijn twee boswilgen aanwezig. Deze bomen staan in de volle zon, en zijn daarmee suboptimaal geschikt als voortplantingslocatie voor de grote weerschijnvlinder. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de grote weerschijnvlinder uitgesloten vanwege de grote afstand tot bekende waarnemingen, suboptimale geschiktheid van de waardplanten op de planlocatie als voortplantingslocatie en afwezigheid van geschikte habitat in de omgeving. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

15

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: holenduif, houtduif, huismus, koolmees, spreeuw, witte kwikstaart en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van de kauw en holenduif. Daarnaast zijn 1520 individuen van de huismus aangetroffen. Ook zijn er verschillende braakballen van de kerkuil gevonden in de kapschuur. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). Gedurende het veldbezoek zijn circa 15-20 huismussen aangetroffen op de planlocatie.

Deze individuen waren aan het foerageren en stof-badderen rondom het pad tussen de pluimveeschuur en de andere bebouwing. Het woonhuis is opgebouwd uit bakstenen muren met een pannendak. Het dak is voorzien van vogelschroot. Dit kiert echter op verschillende plaatsen, waardoor huismussen de dakruimte in kunnen komen. Ook op andere plaatsen bij de dakafwerking zijn kieren aanwezig die huismussen potentieel toegang geven tot de dakruimte (figuur 3.3). In de kapschuur bieden de oude bakstenen muren binnen de overkapping (figuur 3.1) de huismus mogelijk geschikte nestlocaties. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft echter enkel inpandige werkzaamheden aan de woning, op het moment van revisie (29-12-2024) is de pluimveeschuur reeds gesloopt, waardoor mogelijke nestlocaties in deze gebouwen niet (meer) worden weggenomen. Indien er toch werkzaamheden plaats gaan vinden aan het woonhuis, zoals van binnenuit isoleren of wijzigingen aan kozijnen/gevels/dak, dient aanvullend onderzoek naar de huismus uitgevoerd te worden.

Figuur 3.3 Potentieel geschikte invliegopeningen voor de huismus in de dakconstructie van het woonhuis (boven), huismussen op de planlocatie (linksonder) en potentieel geschikte invliegopeningen in de daklijsten van de pluimveeschuur (rechtsonder). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). 16

Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Het woonhuis is opgetrokken uit bakstenen muren en voorzien van een pannendak. De kantpannen aan de kopgevels geven gierzwaluwen mogelijk toegang tot de spouwmuur en dakruimte. Het woonhuis wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep echter niet aangetast. Indien er toch werkzaamheden plaats gaan vinden aan het woonhuis zoals van binnenuit isoleren of wijzigingen aan kozijnen/gevels/dak dient aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw uitgevoerd te worden. De kap- en pluimveeschuur bieden gierzwaluwen geen geschikte verblijfplaatsen vanwege de constructie (metaal, houten wandpanelen) en het ontbreken van kierende ruimten op voldoende hoogte. Hierdoor is er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen sprake van het wegnemen van nestlocaties van de gierzwaluw. In de bomen op en rondom de planlocatie zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen.

De bomen die in de beoogde ruimtelijke ingreep gekapt worden betreffen enkel lage wilgen en een kersenboom. Hierin zijn geen holtes of andere geschikte nestlocaties voor vogels aanwezig. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten zoals buizerd, sperwer en ransuil kan daarmee uitgesloten worden. In de kapschuur zijn enkele oude braakballen van de kerkuil aantroffen. Ook zijn op één van de muren krijtsporen aanwezig (figuur 3.4). De oude bakstenen muren met open spouw zijn niet geschikt als nestlocatie voor de kerkuil. De krijtsporen en braakballen geven wel een indicatie dat de kapschuur (al dan niet sporadisch) als rustplek gebruikt wordt door de kerkuil. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de kerkuil gebruikt maakt van de kapschuur als (vaste) rustplaats. In de beoogde ingreep blijft de kapschuur behouden, derhalve is er geen sprake van het wegnemen van rustplaatsen van de kerkuil in de kapschuur op de planlocatie. De functieverandering van de pluimveeschuur naar huisvesting van arbeidsmigranten heeft naar verwachting weinig tot geen effect op de geschiktheid van de kapschuur als rustplaats voor de kerkuil. In de kapschuur en op de planlocatie in het algemeen zijn geen sporen (braakballen, prooiresten, etc.) van de steenuil aangetroffen.

Binnen een straal van 100 m rondom de planlocatie en ook op de aangelegen boerenerven zijn geen waarnemingen van de steenuil bekend. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de steenuil zijn gedaan op een afstand van circa 350 m ten noorden en westen van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De oude bakstenen muren binnen de kapschuur zijn mogelijk geschikt als rustplaats voor de steenuil. Deze structuren worden in de beoogde ingreep echter niet weggenomen, waardoor er geen sprake is van het wegnemen van rustplaatsen van de steenuil. De weilanden en gazons met losstaande bomen, bomenlanen en slootkanten zijn potentieel geschikt als foerageergebied voor de kerkuil en steenuil. Op de planlocatie worden enkel de wilgen rondom de pluimveeschuur gekapt. In de beoogde ingreep worden een aantal nieuwe groenstructuren waaronder vogelbosjes, een poel en een hoogstamboomgaard aangelegd, welke geschikt foerageergebied voor beide soorten vormen. Ook worden de bestaande bomenlanen en houtwal versterkt. Daarnaast zijn er in de omgeving voldoende weilanden en bomenlanen aanwezig die als tijdelijke uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. Derhalve is er geen sprake van het wegnemen van essentieel foerageergebied van de kerkuil en steenuil.

Ondanks het feit dat er geen nestlocaties, rustlocaties en essentieel foerageergebied van kerkuil en steenuil worden aangetast, bestaat de mogelijkheid dat de functieveranderingen op de planlocatie tot verstoring van het leefgebied of mogelijk aanwezige rustplaatsen in de kapschuur leiden. De woning wordt reeds gebruikt door spoedzoekers en is in de huidige situatie in gebruik door 16 mensen. In de beoogde situatie wordt het gebruik van de woning door 8 mensen voorzien, waarmee het verkeer vanen naar de woning en het gebruik van het fietsenhok naast de schuur verminderen. Daarmee wordt een kleine vermindering in de menselijke verstoring aan de open voorzijde van de kapschuur verwacht.

17

De realisatie van de huisvesting op de locatie van de pluimveeschuur zal mogelijk leiden tot meer verkeersbewegingen en menselijke aanwezigheid aan de zijkant en achterzijde van de kapschuur. Er wordt echter een groene afscheiding en bufferzone gecreëerd tussen de nieuwe functie en de kapschuur in de vorm van een boomgaard met halfverharding voor parkeren en een groene haag. Deze bufferzone zorg ervoor dat er geen sprake zal zijn van buitengewone verstoringen, gezien de kapschuur in de huidige staat gebruikt wordt als parkeerplaats en opslag voor groot landbouwmateriaal zoals tractoren. Daarbij bufferen de groenstructuren eventuele licht- en geluidsverstoring, waardoor de mogelijk aanwezige rustplaats in de schuur niet verstoord zal worden. Gezien het bovenstaande kan worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een dermate hoge verstoring dat de functie van de mogelijk aanwezige rustplaats van de kerkuil en steenuil in de kapschuur verloren gaat. Gezien het bovenstaande is er geen sprake van het wegnemen van nestlocaties, rustplaatsen en foerageergebied van de kerkuil en steenuil op de planlocatie. Daarmee kunnen negatieve effecten op de kerkuil en steenuil ten gevolge van de beoogde ontwikkeling uitgesloten worden.

Figuur 3.4 Oude braakballen en krijtsporen van de kerkuil in de oude kapschuur op de planlocatie. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen of het wegnemen van nest- en rustlocaties en foerageergebieden. Er is ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn 2 nesten van de holenduif aangetroffen in de kapschuur. Ook zijn er verschillende nesten van de kauw aangetroffen in de daklijsten van de pluimveeschuur. Het aantal nesten van de kauw in deze daklijsten is niet in te schatten, aan beide kopgevels van de schuur zijn de daklijsten voor ongeveer de helft van de totale lengte volgestopt met nestmateriaal (figuur 3.5). De opening waardoor de kauwen in de daklijst komen is te zien in figuur 3.3, en betreft een gat aan de kopse kant van de daklijsten.

Figuur 3.5 De daklijsten van de pluimveeschuur zijn volgestopt met nestmateriaal door de kauw. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft voor bovengenoemde soorten de periode 15 maart t/m 1 oktober. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten dienen de sloopwerkzaamheden te worden opgestart en uitgevoerd

18

buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: boerenzwaluw en huismus (NDFF 2019-2024). Voor de boerenzwaluw geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld is. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Het plangebied bestaat uit een boerenerf met een woning, kapschuur en pluimveestal. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. De boerenzwaluw bouwt een gemetseld nest van modder in open schuren, onder dakoverstekken, onder bruggen en op andere beschutte locaties. Op de planlocatie is alleen de open kapschuur potentieel geschikt als nestlocatie voor de boerenzwaluw. In de kapschuur zijn gedurende het veldbezoek geen nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Ook zijn er geen oude nesten of sporen van nesten gevonden. Gezien het bovenstaande is er geen sprake van nadelige gevolgen ten opzichte van de staat van instandhouding van de boerenzwaluw.

Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

19

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 6,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 3.6).

Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 6,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een grote pluimveeschuur en realisatie van woonruimte voor 75 arbeidsmigranten. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gezien de afstand (6,2 km) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en de relatief grote schaal van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren.

20

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,9 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,5 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.7). Op een afstand van circa 13,5 km liggen Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied (Geen kaartweergave). Op een afstand van circa 3 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (figuur 3.8). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.7 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,5 km tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl/planoview/).

Figuur 3.8 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3 km tot de Beschermingszone natte landnatuur (bron: gldanders.planoview.nl/planoview/).

21

3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarbij hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. De planlocatie valt buiten de aanwijzing voor beschermde houtopstanden en is geen oude bosgroeiplaats zoals aangewezen op de Omgevingsverordening van provincie Gelderland. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

22

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie In de beoogde sloop van de pluimveeschuur aan de Postweg 16 te Barneveld wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Daarnaast dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht en algemene broedvogels.

4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator. Maatregelen De werkzaamheden opstarten en uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (specifiek de kauw en holenduif). Het broedseizoen van deze soorten betreft de periode van 15 maart tot en met 1 oktober. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

• Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. 23

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kerkuil (Tyto alba) (2017) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) (2017) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2017) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) (2017) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl bij12.nl gldanders.planoview.nl/planoview/ nationaalgeoregister.nl ndff.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Juridisch kader

24

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Postweg 16 te Barneveld en bestaat uit een boerenerf met een voormalig pluimveebedrijf. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft op hoofdlijnen het slopen van de pluimveeschuur ten behoeve van de realisatie van woonruimte voor arbeidsmigranten.

Figuur 2

Het overgrote deel van de planlocatie wordt begraasd door schapen.

25

Figuur 3

Op de planlocatie zijn verschillende bomen aanwezig zoals een kers, boswilgen en grauwe wilgen.

Figuur 4

Aan de noordzijde van de watergang is een afvoersloot aanwezig, welke door de vele regenval in voorjaar/zomer 2024 relatief veel water voert op het moment van het veldbezoek.

26

Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3.

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -

-

“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”

De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

27

Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.

het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 28

3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten,

bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=c97388a4-f9f2-4f51-8d10-82e98cb74427