CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

SVWind_Bijlage1_Milieueffectrapportage Structuurvisie Barneveld.pdf

Gemeenteraad 15 december 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Structuurvisie Wind29.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Aangedragen locaties vanuit burgers/maatschappelijke organisaties;

2.

Locaties die op basis van een technisch-ruimtelijke analyse kansrijk zijn voor windenergie.

Hierna wordt op beide ingegaan.

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

19

Door burgers en maatschappelijke organisaties aangedragen locaties Er zijn door burgers en maatschappelijke organisaties locaties aangedragen waar eventueel windenergie kansrijk is, onder andere tijdens de drie informatieavonden op 2,3 en 5 juli 2018. Deze zijn op de volgende kaart aangegeven. Figuur 3.3 Door burgers en maatschappelijke organisaties aangedragen locaties

Wanneer blijkt uit de technisch-ruimtelijke analyse (in de volgende paragraaf) dat een locatie niet mogelijk is vanuit milieutechnisch of ruimtelijk perspectief, wordt de locatie in het planMER niet verder onderzocht.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

20

Locaties op basis van een technisch-ruimtelijke analyse In deze paragraaf is op basis van een technisch-ruimtelijke analyse een aantal mogelijke locaties voor windenergie in de gemeente Barneveld in beeld gebracht. In de analyse is rekening gehouden met effecten van geluid en slagschaduw op basis van een vuistregel, afstanden tot infrastructuur en kwetsbare objecten, laagvlieggebieden van Defensie en ecologische gebieden (Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000). In bijlage 3 van dit planMER is ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten voor deze technisch-ruimtelijke analyse. De analyse heeft als doel potentieel kansrijke locaties voor windenergie te identificeren, die vervolgens nader op effecten worden beoordeeld later in dit planMER. De locaties die in de technisch-ruimtelijke analyse naar voren zijn gekomen zijn gebaseerd op de in paragraaf 3.1.3 genoemde afmetingen van 120/120 en 150/150 meter (ashoogte/rotordiameter). Voor wat betreft effecten van geluid en slagschaduw zijn in de analyse zoals reeds benoemd vuistregels gehanteerd. Voor verschillende delen van de gemeente Barneveld geldt dat de woningdichtheid vrij laag is. Wanneer binnen deze gebieden één of een aantal woningen als molenaarswoningen (ook wel ‘woningen in de sfeer van de inrichting’) worden aangemerkt, ontstaat er mogelijk meer ruimte voor de plaatsing van windenergie. Dit aspect is in de analyse meegenomen.

Een gedetailleerde uitleg over de specifieke werkwijze en randvoorwaarden staat in bijlage 3 van dit planMER omschreven. Voor de juiste interpretatie van de resultaten is het belangrijk om te weten dat de potentiële gebieden die naar voren komen dus ook gekoppeld kunnen zijn aan randvoorwaarden zoals de betrekking van molenaarswoningen per windturbinetype. Figuur 3.4 geeft alle locaties weer die op basis van de technisch-ruimtelijke analyse uit bijlage 3 mogelijkheden bieden voor windturbines met afmetingen van 120 of 150 meter (ashoogte/rotordiameter). Het betreft 13 locaties waar mogelijkheden zijn voor één of meerdere windturbines. Er is hierbij rekening gehouden met een afstand tot geluidgevoelige objecten (veelal woningen) van 400 meter. Deze 400 meter wordt in dit MER aangehouden naar aanleiding van een aantal analyses en onderstaande overwegingen: •

Er zijn iets meer locaties mogelijk en potentieel kansrijke locaties zijn soms ook wat groter dan figuur 3.4 weergeeft, wanneer er uitgegaan wordt van molenaarswoningen. In bijlage 3 van dit MER is deze potentie op kaart weergegeven. De aan te houden afstand tot molenaarswoningen kan namelijk kleiner zijn dan 400 meter. Echter is op voorhand niet met zekerheid te bepalen welke woningen als molenaarswoningen in aanmerking komen, omdat de eigenaren van de woningen vrijwillig mee moeten werken aan de ontwikkeling van de windturbines en ook een binding met het windpark moeten hebben. In de praktijk kan een windpark worden ontwikkeld zonder molenaarswoningen, soms is dat er één, maar soms zijn dat er ook meerdere. Concreet betekent dit dat er in Barneveld meer mogelijke locaties zijn waar windturbines gerealiseerd kunnen worden dan de 13 in figuur 3.4, als er molenaarswoningen bij de inrichting van het desbetreffende windpark worden betrokken. In dit MER is daar verder niet vanuit gegaan, omdat dit zou betekenen dat er een voorschot genomen wordt op het feit dat woningen tot de inrichting van een windpark gaan behoren, terwijl dit in dit stadium van het planMER niet zeker is.

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

21

•

Verder bepaalt met name het type windturbine de aan te houden afstand tussen windturbines en geluidgevoelige objecten. Er zijn anno 2019 windturbines op de markt met afmetingen van circa 120 meter ashoogte en 120 meter rotordiameter, waarbij de geluidbelasting van Lden=47 dB voor een enkele turbine op circa 260 meter ligt9. Voor een turbine met een ashoogte en rotordiameter van 150 meter ligt deze geluidcontour op circa 280 meter10. Indien deze afstanden worden aangehouden, dan ontstaan er ook meer potentieel geschikte locaties in Barneveld. In bijlage 3 van dit MER is deze potentie op kaart weergegeven. Er wordt echter niet gekozen voor deze afstanden van 260 of 280 meter voor de selectie van potentieel geschikte gebieden, omdat dan een voorschot genomen wordt op het kiezen van de meest geluidarme windturbines. Daarnaast zijn locaties mogelijk geschikt voor meerdere windturbines, en dan dienen er grotere afstanden aangehouden te worden (260 of 280 meter geldt voor solitaire windturbines), omdat meerdere turbines meer geluid produceren dan een enkele en dus een grotere afstand tussen windturbines en geluidgevoelige objecten aangehouden moet worden.

•

Uit een analyse van potentieel geschikte gebieden met als uitgangspunt 4x rotordiameter als aan te houden afstand tot geluidgevoelige objecten (dus een afstand van 4x120=480 meter of 4x150=600 meter), komen erg weinig potentieel geschikte locaties naar voren. In bijlage 3 van dit MER is ook deze potentie op kaart weergegeven. Daarnaast blijkt dat deze afstand tot geluidgevoelige bestemmingen in de praktijk niet per sé nodig is om aan de geluidnorm te kunnen voldoen. Als uitgangspunt voor de selectie van locaties is een dergelijke afstand (dus van 480 of 600 meter) dan ook niet reëel, omdat potentieel geschikte locaties zo niet in beeld komen.

Kortom, het bovenstaande leest als een gevoeligheidsanalyse en onderbouwt waarom het uitgangspunt is gehanteerd van een afstand van 400 meter tot geluidgevoelige objecten, zonder dat er sprake is van molenaarswoningen. De voorgaande analyse laat zien dat er verschillen kunnen bestaan in de exacte afbakening van potentieel geschikte locaties tussen de in dit MER ten behoeve van de structuurvisie aangeduide locaties en de in de praktijk geschikte locaties. Dat is inherent aan het abstractieniveau van de structuurvisie, waarvoor dit MER is opgesteld.

9

Voor een aantal turbinetypes als de Vestas V117-4.2MW, Senvion 3.2M122 en de Enercon E-115 3.2MW variëren de afstanden tot de 47 dB Lden-contour tussen de 250 en 275 meter. 10 Voor een aantal turbinetypes als de Vestas V150-4.2MW, Senvion 3.4M140 en de Nordex N149/4800 variëren de afstanden tot de 47 dB Lden-contour tussen de 270 en 285 meter.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

22

Figuur 3.4 Potentieel geschikte gebieden voor windenergie

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

23

Mogelijkheden buurtmolens In de volgende figuur is weergegeven welke gebieden in potentie geschikt zijn voor een buurtmolen. Het uitgangspunt is dat deze turbine kleiner is dan de hiervoor beschouwde turbines (namelijk met een maximale tiphoogte van 100 meter). Omdat deze turbine kleiner is en in absolute zin minder geluid produceert dan de grotere turbines, zijn er meer locaties mogelijk in Barneveld, zeker ook omdat het bij een postcoderoosproject als de buurtmolen het veelal zal gaan om een enkele turbine. Omdat vele locaties mogelijk zijn en het gaat om een specifieke situatie waarbij huishoudens in de nabijheid van de turbine de elektriciteit afnemen van de turbine, worden niet alle potentiële locaties voor de buurtmolen verder in dit MER op effecten beschouwd. Wel zal bij het aspect landschap aandacht worden besteed aan de landschappelijke impact en beeldkwaliteit, als naast grote turbines ook buurtmolens worden gepositioneerd die aanmerkelijk kleiner zijn. Ook voor het aspect leefomgeving en ecologie wordt ingegaan op het effect van een buurtmolen.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

24

Figuur 3.5 Potentieel geschikte locaties voor turbines met een tiphoogte van 100 meter (buurtmolen)

Vergelijking aangedragen locaties en locaties uit technische-ruimtelijke analyse Figuur 3.6 laat zien waar de door de technisch-ruimtelijke analyse naar voren gekomen locatiealternatieven overlappen met de locaties die door burgers of organisaties zijn aangedragen. 2 van de 13 te onderzoeken locatiealternatieven in het MER overlappen met de

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

25

door burgers en maatschappelijke organisaties aangedragen locaties, met name de locaties 5 en 9. De overige aangedragen locaties uit Figuur 3.3 voldoen niet aan de technisch-ruimtelijke criteria die gehanteerd zijn in bijlage 3. Om die reden vallen die aangedragen locaties buiten beschouwing van deze plan-m.e.r. Vaak is de reden daarbij dat er woningen zijn gelegen binnen korte afstand van de locatie, zodat windturbines daar weinig kansrijk zijn in verband met de geluidwetgeving. Figuur 3.6 Overlap aangedragen locaties met locatiealternatieven uit analyse

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

26

Selectie locaties op basis van harde uitgangspunten en belemmeringen Op basis van het voorgaande zijn 13 locaties in potentie geschikt voor windturbines, op basis van harde uitgangspunten en belemmeringen. Deze gebieden zijn in Figuur 3.4 weergegeven. Om een indicatie te geven van de potentie van de gebieden én om de effecten beter te kunnen bepalen, zijn turbines in deze potentieel geschikte locaties bepaald in figuur 3.7. Hierbij is het uitgangspunt genomen van een turbine met een ashoogte en rotordiameter van 120 meter. De reden om dit uitgangspunt te nemen is dat zo meer turbines per locatie opgenomen kunnen worden in vergelijking met turbines die groter zijn en effecten zo minder snel onderschat worden. Uiteraard wordt ook gekeken naar optimalisatie van de locaties, bijvoorbeeld door minder maar grotere windturbines te plaatsen. De locaties zijn ‘gevuld’ met turbines door een onderlinge afstand van circa 4x de rotordiameter (120 meter) aan te houden, maar er is verder nog geen rekening gehouden met andere aspecten, zoals grondeigendom en aanvoerroutes. Dit is maatwerk dat per locatie zal moeten plaatsvinden, indien de locatie mogelijk wordt gemaakt in de structuurvisie. In de volgende tabel is het aantal turbines weergegeven dat in potentie geplaatst kan worden in de potentieel geschikte locaties. Tabel 3.1 Specificaties van locaties Aantal turbines van 120 meter

#

Naam

Locatie 1:

Zwartebroek

3

Locatie 2:

Kallenbroek

1

Locatie 3:

Havikhorst

1

Locatie 4:

Moorsterbeek

3

Locatie 5:

Harselaar

8

Locatie 6:

Boeschoterbosch

1

Locatie 7:

Boeschoten

2

Locatie 8:

Garderbroek

1

Locatie 9:

Stroese Zand

6

Locatie 10:

Garderen

3

Locatie 11:

Kootwijk

1

Locatie 12:

Essener Broek

1

Locatie 13:

Vossen

1

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

ashoogte en 120 meter rotordiameter

Pondera Consult

27

Figuur 3.7 Turbineposities ter indicatie

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

28

Referentiesituatie De referentiesituatie (nulalternatief) is de huidige situatie met de autonome ontwikkeling11. Dit is de situatie waarbij er geen structuurvisie wordt opgesteld en er geen windturbines worden gerealiseerd. Het gebied zal zich dan ontwikkelen conform vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder realisatie van de windturbines. Deze situatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving. De volgende ontwikkelingen zijn voorzien in Barneveld: •

Woningbouwontwikkeling aan de zuidzijde van de gemeente Barneveld (zie A in de volgende figuur);

•

Woningbouwontwikkeling Barneveld-noord (B in de volgende figuur);

•

Uitbreiding Harselaar Zuid (C in de volgende figuur);

•

Woningbouwontwikkeling Voorthuizen (deels als vastgesteld bestemmingsplan Holzenbosch, D in de volgende figuur);

•

Nieuwe rondweg aan de oostzijde van Barneveld.

Omdat voor de ruimtelijke ontwikkelingen voor woningbouw nog niet bekend is waar precies geluidgevoelige objecten (woningen) worden gerealiseerd, is in de technisch-ruimtelijke analyse nog geen contour om deze ontwikkelingen voor woningbouw gelegd. Op basis van de in de “Structuurvisie kernen Barneveld 2022” (2011) hiervoor aangewezen zoekgebieden zijn er geen consequenties te verwachten voor wat betreft in de analyse naar voren gekomen potentiële zoekgebieden voor windenergie. Eventuele hier nog te ontwikkelende geluidsgevoelige objecten vallen naar verwachting binnen reeds bestaande contouren voor harde belemmeringen. De structuurvisie wijst daarnaast echter een vlak aan als mogelijk uitbreidingsgebied voor bedrijven dat wel invloed zou kunnen hebben op een van de zoekgebieden uit de analyse omdat het daarbinnen zou vallen. Sprake is hier van de uitbreiding Harselaar Zuid (zie C in Figuur 3.8). Gezien bedrijventerreinen normaliter geen gevoelige objecten huisvesten en de harde belemmeringen zich daarmee over het algemeen beperken tot externe veiligheid, is er momenteel geen reden om nu al afstand te nemen van hierdoor eventueel getroffen zoekgebieden voor potentiële windenergie. Echter vormen deze ontwikkelingen wel aandachtspunten voor de uitwerking van de locaties na de structuurvisie.

11

Autonome ontwikkelingen zijn op zichzelf staande ontwikkelingen die onafhankelijk van de structuurvisie plaatsvinden en waarover al een besluit is genomen (bijvoorbeeld bestemmingsplan, structuurvisie of waarvoor een vergunning is verleend).

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

29

Figuur 3.8 Ruimtelijke ontwikkelingen in Barneveld

Voorkeursalternatief Het college van B&W van de gemeente Barneveld zal een voorstel doen voor rangschikking van locaties geschikt voor windenergie op basis van de resultaten van het MER, gecombineerd met eventuele andere overwegingen ten behoeve van de structuurvisie. De gemeenteraad van Barneveld zal erover besluiten.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

30

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

31

WERKWIJZE EN AANPAK MILIEUBEOORDELING Inleiding Effecten op het milieu ontstaan door het uitvoeren van de werkzaamheden om de windturbine en de bijbehorende voorzieningen te installeren, door het ruimtegebruik van de windturbines en het in gebruik zijn van de windturbines. Het MER onderzoekt deze effecten tijdens de aanleg, de exploitatie (gebruik, onderhoud, reparaties) en verwijdering van het windpark. De effecten tijdens de aanleg en verwijdering zijn over het algemeen klein vergeleken met de effecten tijdens de exploitatie, voornamelijk omdat de aanleg- en verwijderingsfase slechts een korte periode beslaat en de exploitatie 20 jaar of langer kan zijn. Dit MER richt zich dan ook vooral op het beoordelen van de effecten tijdens de exploitatie. Voor een aantal milieuaspecten waar dit relevant is, waaronder natuur, zijn ook de effecten tijdens de aanlegfase beschreven. Plan- en studiegebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de voorgenomen activiteit, de opwekking van windenergie in Barneveld, kan worden gerealiseerd. Het is dus de locatie van windturbines en de daarbij horende infrastructuur. In dit planMER zijn locatiealternatieven onderscheiden, dus het plangebied bestaat uit deze locaties (zie paragraaf 3.2.6). Het studiegebied is het gebied waarbinnen de milieugevolgen moeten worden bekeken.

De omvang van het studiegebied verschilt per plangebied, per milieuaspect, maar is over het algemeen groter dan het plangebied. Zo draagt het geluid vaak verder dan het plangebied.

Werkwijze De Commissie voor de m.e.r. heeft op basis van de concept-NRD geadviseerd om een aantal stappen in het MER te doorlopen, om zo tot een transparante afweging van locaties en randvoorwaarden te komen. In deze paragraaf gaan we in hoe deze stappen een plek in dit rapport hebben gekregen. Stap 0: Vaststellen van uitgangspunten In paragraaf 3.1 van dit MER zijn de afmetingen van de te onderzoeken windturbines toegelicht. In paragraaf 3.2 is onder de noemer ‘buurtmolen’ ingegaan hoe wordt omgegaan met lokale en kleinschalige initiatieven. Omdat vele locaties mogelijk zijn voor deze lokale en kleinschalige initiatieven, worden niet alle potentiële locaties voor de buurtmolen verder in dit MER op effecten beschouwd. Wel zal in het hoofdstuk over landschap, leefomgeving en ecologie aandacht worden besteed aan de effecten als naast grote turbines ook buurtmolens worden gepositioneerd die aanmerkelijk lager zijn. Om locaties te kunnen beoordelen, is uitgegaan van de plaatsing van turbines van circa 120 meter rotordiameter en 120 meter ashoogte, zie ook paragraaf 3.2.5. Stap 1: Selectie van locaties op basis van harde uitgangspunten en belemmeringen In paragraaf 3.2 zijn 13 locaties geselecteerd op basis van de harde uitgangspunten en belemmeringen.

De nadere onderbouwing van deze uitgangspunten en belemmeringen is te vinden in bijlage 3, waarin de technisch-ruimtelijke analyse is opgenomen.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

32

Stap 2: Verdere selectie op basis van randvoorwaarden waarbinnen afwegingsruimte beschikbaar is Het aantal locaties uit de vorige stap is verder in te perken aan de hand van randvoorwaarden waarbinnen afwegingsruimte bestaat. Het is te overwegen om locaties te laten afvallen, waar op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebied Veluwe optreden. Echter is in dit planMER gekozen om alle 13 locaties te beschouwen op het detailniveau van een planMER en dus geen locaties op voorhand te laten afvallen. Dat levert namelijk een integraal beeld op van deze 13 locaties. Op deze manier kan een betere afweging gemaakt worden over locaties, ook indien deze locaties op voorhand minder kansrijk zijn als het gaat om effecten op natuur. Stap 3: Onderzoeken van effecten en robuustheid van locaties In deze stap worden per potentieel geschikte locatie effecten in beeld gebracht op het gebied van leefomgeving (zie hoofdstuk 6), landschap (zie hoofdstuk 9) en natuur (zie hoofdstuk 8). Ook wordt beschouwd hoe locaties zo optimaal mogelijk kunnen worden benut voor zowel windenergie als het voorkomen van milieueffecten. Dit vindt per effecthoofdstuk plaats, zoals in paragraaf 6.7 waar ingegaan wordt op optimalisatiemogelijkheden vanuit het aspect leefomgeving.

Stap 4: Onderzoek naar effecten van de samenhang tussen deze locaties Naast de effecten per locatie worden de effecten van de samenhang op leefomgeving, landschap en natuur in beeld gebracht. Dat wordt per aspect gedaan onder ‘cumulatie’.

Beoordelingskader In dit MER is op basis van regelgeving en beleid een beoordelingskader ontwikkeld waarmee de effecten van de locatiealternatieven beoordeeld zijn. De effecten zijn per milieuaspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Tabel 4.1 geeft per milieuaspect weer welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). Dit is in hoofdstukken 5 tot en met 14 per aspect toegelicht. Tabel 4.1 Beoordelingsaspecten en –criteria MER Aspecten Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies

Beoordelingscriteria* •

Opbrengst

•

CO2-emissiereductie

•

SO2-emissiereductie

•

NOx-emissiereductie

•

Geluid o Aantal ernstig gehinderden door geluid o Stiltegebied

Leefomgeving

•

o

Laagfrequent geluid

o

Cumulatieve geluidbelasting

Kwantitatief, resp. in MWh, Kton en Kton

Kwantitatief Laagfrequent geluid en cumulatief geluid kwalitatief

Slagschaduw o Aantal woningen en bedrijven van derden binnen 12 maal de rotorafstand

Kwantitatief

Effect van windturbines op gezondheid

Kwalitatief

Windturbines en gezondheid

•

Landschap

A. Criteria m.b.t. effecten op bestaande landschappelijke waarden

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Effectbeoordeling

Kwalitatief

Pondera Consult

33

Aspecten

Beoordelingscriteria*

Effectbeoordeling

1. Invloed op de openheid 2. Aansluiting op de landschappelijke structuur B. Criteria m.b.t. effecten op de opstelling als herkenbaar en samenhangend geheel 3. Regelmatig beeld 4. Herkenbaarheid van de opstelling en interferentie met andere hoge landschapselementen C. Criteria m.b.t. effecten op waarneming en beleving 5. Zichtbaarheid 6. Invloed op de visuele rust 7. Verlichting Cultuurhistorie en archeologie

Natuur

Waterhuishouding en bodem

Veiligheid

Ruimtegebruik

Economie

•

Aantasting cultuurhistorische waarden

•

Aantasting archeologische waarden

•

Oprichting: effect op beschermde gebieden

•

Exploitatie: effect op beschermde gebieden

•

Oprichting: effect op beschermde soorten

•

Exploitatie: effect op beschermde soorten

•

Watersysteem (waterkwantiteit en waterkwaliteit)

•

Watergangen

•

Hemelwaterafvoer

•

Bodemkwaliteit

•

(Beperkt) kwetsbare objecten

•

Infrastructuur

•

Industrie en inrichtingen

•

Huidige functies

•

Luchtvaart

•

Laagvlieggebied en defensieradar

•

Straalpaden

•

Participatiemogelijkheden

•

Invloed op vastgoedschade en planschade

•

Effect op recreatieve en toeristische mogelijkheden

Kwalitatief

Kwalitatief en kwantitatief (soorten en gebieden, stikstof)

Kwalitatief

Kwantitatief (aantal objecten binnen de toetsafstand)

Kwalitatief

kwalitatief

* Dit beoordelingskader is gebaseerd op het beoordelingskader uit de NRD en is (beperkt) aangepast naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de m.e.r. en om locaties beter te kunnen vergelijken.

De effectbeoordeling is kwalitatief en kwantitatief: waar mogelijk en zinvol wordt het met cijfers onderbouwd. Indien het niet mogelijk of zinvol is om de effecten te kwantificeren, is de beschrijving kwalitatief. De effecten zijn per milieuaspect beoordeeld aan de hand van de criteria in Tabel 4.1. Soms is dit een harde parameterwaarde die wettelijk is aangewezen als een norm (getal), bijvoorbeeld de norm voor geluidhinder. Soms zijn parameters geen hard getal of norm, en zijn deze herleid uit het beleid, zoals bij landschap. Voor sommige aspecten is

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

34

naast de wettelijke norm, ook naar effecten onder de norm gekeken, voorbeelden hiervan zijn geluid en slagschaduw. Naast effecten tijdens de gebruiksfase wordt ook aandacht besteed aan effecten tijdens de aanlegfase, waar zinvol. Ook is, waar van toepassing, aangegeven of cumulatie kan optreden. Schaal voor effectbeoordeling Om de effecten van de locatiealternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / - schaal beoordeeld ten opzichte van de referentievariant. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gebruikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel. De beoordeling wordt gemotiveerd. Tabel 4.2 Beoordelingsschaal MER Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

--

Negatief

Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering

-

Licht negatief

Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering

0

Neutraal

Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie

+

Licht positief

Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering

++

Positief

Het voornemen leidt tot een sterk merkbare positieve verandering

Indien de effecten marginaal zijn, wordt dit in de voorkomende gevallen aangeduid met 0/+ (marginaal positief) of 0/- (marginaal negatief). Per aspect is een nadere uitleg van de beoordeling gegeven. Gebruikte windturbinetypes Voor een aantal berekeningen die worden uitgevoerd om milieueffecten in beeld te brengen, is een windturbinetype nodig. Natuurlijk zal de structuurvisie, waarvoor dit MER wordt opgesteld, niet voorschrijven welk turbinetype geplaatst moet worden. Die flexibiliteit wordt aan een concreet initiatief overgelaten. Maar om het onderzoek in dit MER reproduceerbaar te maken, wordt expliciet aangegeven welk turbinetype uitgangspunt is voor de berekeningen in de effecthoofdstukken. Om de effecten in beeld te brengen worden de locaties beoordeeld wanneer er windturbines van 120 meter ashoogte en 120 meter rotordiameter (type I) worden geplaatst. In de praktijk kunnen ook windturbines met andere afmetingen op de locaties worden geplaatst, maar om locaties te kunnen vergelijken wordt voor elke locatie hetzelfde uitgangspunt gehanteerd. Leemten in kennis en evaluatie In hoofdstuk 15 is aangegeven welke leemten in kennis er bestaan en wat de betekenis voor de besluitvorming is. Het bevoegd gezag evalueert de werkelijk optredende milieugevolgen en neemt zo nodig maatregelen om de gevolgen voor het milieu te beperken.

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

35

ELEKTRICITEITSOPBRENGST EN VERMEDEN EMISSIES Beleid, wetgeving en beoordelingscriteria Regelgeving in Nederland De productie van elektriciteit is het primaire doel van een windturbine. Windenergie is een duurzame vorm van elektriciteitsproductie waarmee significant minder uitstoot van schadelijke stoffen plaatsvindt dan bij de opwekking van grijze stroom. Bij een toenemend marktaandeel windenergie kan worden bespaard op de totale hoeveelheid schadelijke stoffen die in Nederland worden uitgestoten. De voornaamste schadelijke stoffen zijn: •

Koolstofdioxide (CO2): grootste veroorzaker van het broeikaseffect dat vrijkomt bij o.a. fossiele brandstoffen als kolen en gas;

•

Stikstofoxiden (NOx): verzamelnaam voor stikstofverbindingen die bij hoge temperaturen gevormd worden door de oxidatie van stikstof. NOx draagt bij aan ozonvorming en het broeikaseffect;

•

Zwaveldioxide (SO2): een kleurloos gas dat vrijkomt bij verbranding van zwavelhoudende brandstoffen o.a. in de zware industrie en raffinaderijen. Een hoge concentratie SO2 kan leiden tot ademhalingsproblemen en verzuring van het milieu;

•

Fijnstof (PM10): luchtdeeltjes die kleiner zijn dan 10 micrometer (De ‘10’ is de maximale grootte). Fijnstof veroorzaakt gezondheidsproblemen en versterkt het broeikaseffect.

Voor elk locatiealternatief wordt aangegeven hoeveel turbines er geplaatst kunnen worden en wat de elektriciteitsopbrengst is in MWh per jaar en hoeveel reductie ten opzichte van fossiele opwekking van elektriciteit dit tot gevolg heeft voor de stoffen die het broeikaseffect en dus de klimaatverandering veroorzaken.

Beoordelingskader Om te bepalen wat het potentieel op te stellen vermogen per gebied is, is met een GIS-analyse bekeken hoeveel windturbines (en MW) met een onderlinge afstand van viermaal de rotordiameter van de referentiewindturbine (480 meter) er maximaal in het gebied passen. Deze afstand is gebaseerd op technische en economische12 afwegingen13. Hierbij wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die vanuit de verschillende milieutechnische aspecten naar voren komen. Vermenigvuldigd met het vermogen per windturbine van 2,75 MW – hetgeen representatief is voor een turbine van 120 meter rotordiameter - geeft dit het bruto plaatsingspotentieel. De vermeden emissie is daarvan een afgeleide.

12

Windturbines veroorzaken turbulentie die leidt tot verschil in krachten die op de bladen van de volgende windturbine worden uitgeoefend, waardoor de materialen snel wisselende belasting te verduren krijgen. Doordat windturbines elkaars wind afvangen, heeft de volgende windturbine in de rij een lagere energieopbrengst. Hiermee is in het ontwerp van de windturbine rekening gehouden, maar om de effecten van turbulentie te beperken worden de windturbines op een minimale afstand uit elkaar gezet. Een optimum is projectafhankelijk, de hier gehanteerde vier maal de rotordiameter is een gebruikelijke afstand. 13 In een verdere uitwerking in de vervolgfase van de plannen per gebied kan een initiatiefnemer op dit vlak andere keuzes maken.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

36

Om een globale inschatting te maken van de energieopbrengst is een berekening uitgevoerd op basis van de vermogenscurve van een referentiewindturbine en het te verwachten windklimaat in de omgeving. Als referentiewindturbine is de GE 2.75-120 windturbine gekozen met een vermogen van 2,75 MW en een rotordiameter en ashoogte van beide 120 m. Deze windturbine is geschikt voor het lokale windklimaat (IEC 314) en past tevens binnen de bandbreedtes voor mogelijk te realiseren windturbines. Het windklimaat is bepaald op basis van de gemiddelde windsnelheid op ashoogte via de RVO Windviewer SDE+15. Volgens de Windviewer varieert de gemiddelde windsnelheid op 120 m hoogte tussen de verschillende zoekgebieden in Barneveld tussen 6,54 en 7,07 m/s. De gemiddelde windsnelheden per locatie zijn aangegeven in onderstaande tabel. Daarnaast geeft de tabel de maximale hoeveelheid turbines weer die geplaatst kunnen worden per locatie. Om de energieopbrengst uit te drukken in een netto opbrengst is een waarde aangenomen voor mogelijke verliezen. Verliezen kunnen optreden door bijvoorbeeld niet-beschikbaarheid, elektrische verliezen en stilstand door mitigerende maatregelen. Voor deze verliezen wordt voor alle locaties een percentage van 7,1% aangenomen, exclusief verliezen door zog-effecten. Wanneer er meer windturbines geplaatst worden, treden naar verwachting ook meer zogeffecten op.

Daarom is additioneel bij de 7,1% aan algemene verliezen per locatie ook gekeken naar een adequaat percentage van verliezen veroorzaakt door zog-effecten. Dit percentage is per locatie weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5.1 Aantal turbines per locatie

Locatie

Naam

Totaal

Aantal turbines

vermogen per

van 120 meter

locatie

ashoogte en

(MW)

rotordiameter

Verliezen door zogeffecten tussen de turbines

Windsnelheid (gemiddeld) op 120 meter hoogte (m/s)

Locatie 1:

Zwartebroek

8,25

3

2,40%

6,87

Locatie 2:

Kallenbroek

2,75

1

-

7,03

Locatie 3:

Havikhorst

2,75

1

-

7,07

Locatie 4:

Moorsterbeek

8,25

3

2,00%

7,06

Locatie 5:

Harselaar

22

8

6,10%

6,94

Locatie 6:

Boeschoterbosch

2,75

1

-

6,65

Locatie 7:

Boeschoten

5,5

2

2,40%

6,60

Locatie 8:

Garderbroek

2,75

1

-

6,92

Locatie 9:

Stroese Zand

16,5

6

7,40%

6,61

Locatie 10:

Garderen

8,25

3

3,70 %

6,54

Locatie 11:

Kootwijk

2,75

1

-

6,47

Locatie 12:

Essener Broek

2,75

1

-

6,83

Locatie 13:

Vossen

2,75

1

-

6,54

Deze analyse voor bepaling van de energieopbrengst is indicatief van aard. Een meer concrete inschatting van de energieopbrengst is mede afhankelijk van een zorgvuldige bepaling van het 14 15

De IEC klasse geeft aan wat voor soort windklimaat op een locatie (en een bepaalde hoogte) voorkomt. Te raadplegen via: https://windviewer.rvo.nl/Html5Viewer/Index.html?viewer=WindViewer

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

37

windklimaat (door bijvoorbeeld ter plekke windmetingen uit te voeren), selectie van het type windturbine, bepaling windturbine opstelling, het meenemen van specifieke factoren (obstakels, ruwheid en hoogte van de omgeving) en nauwkeurige verliesposten in de berekening. De volgende indeling voor de hoogte van de energieopbrengst is bij het bepalen van de scores gehanteerd: Tabel 5.2 Bepaling score energieopbrengst Beoordeling

Score

Energieopbrengst per onderzoeksgebied = < 10 GWh

+

10 –25 GWh

+/++

> 25 GWh

++

Vermeden emissies Indien bepaald is wat de potentiële elektriciteitsopbrengst is per locatie, kan ook bepaald worden hoeveel emissies van CO2, NOx en SO2 jaarlijks bespaard kan worden. De jaarlijkse CO2-, NOx- en SO2-reductie wordt uitgedrukt in ton per jaar. De cijfers die worden gepresenteerd zijn indicatief van aard, aangezien de opbrengst erg afhankelijk is van het type windturbine en de uitgangspunten bij het bepalen van de windsnelheid. De bijdrage van het windpark aan de reductie van CO2, NOx en SO2 is recht evenredig met de netto energieopbrengst. De reductie van CO2, NOx en SO2 wordt bepaald aan de hand van de elektriciteitsopbrengst en emissiefactoren per hoeveelheid geproduceerde energie. De in dit hoofdstuk gebruikte kentallen en toelichting zijn weergegeven in tabel 5.3. Tabel 5.3 Kentallen en toelichting Kentallen

Waarde

Toelichting 16

Elektriciteitsverbruik per woning

2910 kWh/j

Woning is gedefinieerd als BAG-object met woonfunctie. Referentiejaar 2016.

Rendement elektriciteitscentrales

42,8 % 17

Elektrisch rendement op primaire fossiele energie (Lower Heating Value). Referentiejaar 2016.

Emissiefactor CO2

74,6 kg/GJ18

Uitstoot per GJ geproduceerde primaire energie door

Emissiefactor NOx

0,04 kg/GJ19

Uitstoot per GJ geproduceerde primaire energie door centrale, stationaire energiebronnen. Referentiejaar 2016.

Emissiefactor SO2

0,03 kg/GJ20

Uitstoot per GJ geproduceerde primaire energie door centrale, stationaire energiebronnen. Referentiejaar 2016.

centrale, stationaire energiebronnen. Referentiejaar 2016.

16

CBS (2016). Gemiddeld elektriciteitsverbruik particuliere woningen CBS (2018a). Rendementen en CO2 emissie elektriciteitsproductie 2016. URL: www.cbs.nl/nlnl/achtergrond/2018/04/rendementen-en-co2-emissie-elektriciteitsproductie-2016 18 Idem. 19 CBS (2018b). Emissies van luchtverontreinigende stoffen volgens NEC richtlijnen 20 CBS (2018b). Emissies van luchtverontreinigende stoffen volgens NEC richtlijnen 17

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

38

Referentiesituatie De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling. Huidige situatie In de huidige situatie staan er geen (>1 MW) turbines in Barneveld en wordt er geen duurzame elektriciteit opgewekt door grote windturbines. De elektriciteit wordt in de huidige situatie voornamelijk op een voor Nederland conventionele wijze opgewekt (gas- en kolencentrales). Autonome ontwikkelingen Er zijn geen autonome ontwikkelingen in het plangebied die relevant zijn voor het aspect elektriciteitsopbrengst.

Beoordeling effecten per alternatief In Tabel 5.4 is per locatiealternatief de globale inschatting van de jaarlijkse elektriciteitsproductie weergegeven. Dit is de netto elektriciteitsproductie. De emissiereductie van CO2, NOx en SO2 zijn hieruit afgeleid. De jaarlijkse reductie is uitgedrukt in ton per jaar. Om de energieproductie in perspectief te plaatsen is het aantal huishoudens vermeld die hiermee van stroom kunnen worden voorzien. In totaal is de plaatsingspotentie 290,4 GWh/jaar, hetgeen overeenkomt met 1.045 TJ. Dit geeft de maximale potentie voor wind in de gemeente Barneveld weer. Tabel 5.4 Beoordeling alternatieven ElektriciteitsLocatie

productie (GWh/jaar)

Vermeden (bruto) emissies Elektriciteitsverbruik aantal huishoudens

CO2

NOx

SO2

(ton/j)

(ton/j)

(ton/j)

Score

1

28,2

9.691

17.702

8,65

6,29

++

2

10

3.436

6.277

3,07

2,23

+/++

3

10,1

3.471

6.340

3,10

2,25

+/++

4

29,7

10.206

18.644

9,11

6,63

++

5

73,8

25.361

46.328

22,63

16,47

++

6

9,1

3.127

5.712

2,79

2,03

+

7

17,5

6.014

10.986

5,37

3,90

+/++

8

9,7

3.333

6.089

2,97

2,16

+

9

49,7

17.079

31.199

15,24

11,09

++

10

25,5

8.763

16.007

7,82

5,69

++

11

8,7

2.990

5.461

2,67

1,94

+

12

9,6

3.299

6.026

2,94

2,14

+

13

8,8

3.024

5.524

2,70

1,96

+

Totaal

290,4

99.794

182.297

89

65

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

39

Effecten aanlegfase en netaansluiting Aanlegfase Hoewel windenergie een hernieuwbare vorm van energieopwekking is, is het aanleggen van windenergie niet vrij van CO2-uitstoot. De productie, transport, installatie, onderhoud en ontmanteling van een windturbine kost immers energie. Hoeveel energie dit kost, varieert per windturbinetype en per situatie. Uit onderzoek van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC)21 blijkt dat de hoeveelheid gebruikte energie na 3,4 tot 8,5 maanden is terugverdiend. De gemiddelde energetische terugverdientijd is 23 weken. Het IPCC onderzocht tevens de daarmee corresponderende CO2-uitstoot van windturbines. Uit de vergelijking van twintig levenscyclusanalyses van moderne windturbines en –parken blijkt dat de gemiddelde uitstoot ongeveer 8 tot 20 gram CO2 per kWh is, verdisconteerd over de gehele levensduur van een windturbine. Deze waarden geven een indicatie van de CO2-uitstoot van windturbines: de daadwerkelijke uitstoot is afhankelijk van verschillende factoren zoals type en verwachte levensduur van de windturbine. De eerder berekende vermeden emissies worden zodoende verminderd met (de maximale) 20 gram CO2 per kWh. De netto reductie is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5.5 Netto reductie CO2-emissie ElektriciteitsLocatie

productie (GWh/jaar)

CO2 emissie (ton/j) Elektriciteitsverbruik aantal huishoudens

Bruto reductie

Productie

Netto

Score

reductie

1

28,2

9.691

17.702

564

17.138

++

2

10

3.436

6.277

200

6.077

+/++

3

10,1

3.471

6.340

202

6.138

+/++

4

29,7

10.206

18.644

594

18.050

++

5

73,8

25.361

46.328

1.476

44.852

++

6

9,1

3.127

5.712

182

5.530

+

7

17,5

6.014

10.986

350

10.636

+/++

8

9,7

3.333

6.089

194

5.895

+

9

49,7

17.079

31.199

994

30.205

++

10

25,5

8.763

16.007

510

15.497

++

11

8,7

2.990

5.461

174

5.287

+

12

9,6

3.299

6.026

192

5.834

+ +

13

8,8

3.024

5.524

176

5.348

Totaal

290,4

99.794

182.297

5.808

176.489

21

Intergovernmental Panel on Climate Change (2012). Renewable Energy Sources and Climate Mitigation. http://www.ipcc.ch/report/srren/. Cambridge University Press.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

40

Er is niet voldoende data beschikbaar om de geproduceerde uitstoot van NOx en SO2 te berekenen voor de aanleg van windturbines. In het algemeen kan worden gesteld dat de uitstoot een terugverdientijd heeft tussen circa 4 en 9 maanden22.

Netaansluiting Vanwege de interne weerstand in de kabels treden energieverliezen op. Hoe groter de afstand tot het elektrische aansluitingspunt is, hoe groter de verliezen zullen zijn. Omdat de locaties voor windenergie relatief dicht bij elkaar liggen, zullen de locaties niet wezenlijk anders scoren. Aan te bevelen is om contact te leggen met de lokale netbeheerder, om zo te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor de aansluiting van de windturbines op het hoogspanningsnet.

Cumulatie Voor het aspect elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies is cumulatie niet aan de orde.

Mitigerende maatregelen en optimalisatiemogelijkheden Voornamelijk maatregelen om geluid te reduceren, slagschaduw te verminderen en eventueel vogelslachtoffers of vleermuisslachtoffers te voorkomen, kunnen een effect hebben op de elektriciteitsopbrengst van de windturbines. In het algemeen zal dit hoogstens enkele procenten zijn en daarmee niet wezenlijk onderscheidend voor de verschillende locaties. Voor wat betreft optimalisatie van de energieopbrengst van de 13 locatiealternatieven, is aan te merken dat er per locatie reeds het maximum aantal turbines geprojecteerd wordt met een nodige onderlinge turbineafstand van 4 x rotordiameter (=480 meter) als vuistregel. Gezien deze aan te houden onderlinge afstand, is er bij het maximaal mogelijke turbine-aantal binnen de gebieden waarop deze geplaatst kunnen worden (volgens milieutechnische aspecten), geen ruimte om meer turbines te kunnen plaatsen. Daarnaast kan er eventueel per locatie meer opbrengst behaald worden door micro-siting, dus door de positie van de turbines nauwkeurig in te passen aan de specifieke randvoorwaarden op de desbetreffende locatie. Hierbij valt te denken aan het zorgvuldige bepalen van het windklimaat (door bijvoorbeeld ter plekke windmetingen uit te voeren), een selectie van het meest geschikte type windturbine voor de specifieke locatie en de bepaling van de windturbine opstelling.

Dit betreft maatwerk en komt pas in een later ontwikkelstadium van een windpark aan bod.

22

Das Grűne Emissionshaus, augustus 2003; http://guidedtour.windpower.org/en/tour/. N.B. De kans is groot dat moderne windturbines hun uitstoot sneller hebben terugverdiend.

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

41

LEEFOMGEVING Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het effect van geluid en van slagschaduw. Het effect op gezondheid, hetgeen hier een sterke relatie mee heeft, komt in hoofdstuk 7 aan de orde. Voor het bepalen van de effecten van geluid en slagschaduw zijn berekeningen uitgevoerd, welke zijn opgenomen in bijlage 4. Voor meer informatie over de uitgevoerde berekeningen wordt naar deze bijlage verwezen.

Beleid, wetgeving en beoordelingscriteria geluid Geluid van windturbines Net als alle mechanische installaties produceren windturbines geluid, dat meestal wordt omschreven als suizend of zoevend. Windturbines produceren zowel mechanisch als aerodynamisch geluid. Het mechanische geluid is afkomstig uit het overbrengen van de energie vanuit de wieken naar de generator en uit de generator zelf. Het aerodynamische geluid is afkomstig van de hoge snelheid waarmee de wieken door de lucht snijden. Het mechanische geluid is meestal vele malen lager dan het aerodynamische geluid. Er is veel onderzoek gedaan naar geluid en de effecten van blootstelling aan geluid en op basis hiervan zijn relaties bepaald tussen de hinderbeleving en de blootstelling aan geluidniveaus. Dit zijn dosis-effect relaties waarbij met de mate van blootstelling een bepaalde mate van effect gepaard gaat. Deze relaties vormen de basis voor de geluidwetgeving in Nederland.

Geluidwetgeving in Nederland Het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, 2008, het Activiteitenbesluit) is het kader voor de toetsing van geluid van windturbines. In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid getoetst aan de waarden Lden=47 dB en Lnight=41 dB. Deze norm geldt voor geluidgevoelige objecten, waar woningen van derden en kwetsbare locaties zoals scholen en ziekenhuizen onder worden verstaan. De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat om de geluidsbelasting door omgevingslawaai uit te drukken. Hierbij wordt de geluidsbelasting die optreedt gedurende de nacht en de avond zwaarder meegewogen dan geluid overdag. Met ingang van 2004 is het gebruik van de Lden in alle Europese landen verplicht. Voor Lnight=41 dB geldt een lagere toegestane geluidsbelasting, omdat in de nacht over het algemeen minder achtergrondgeluid optreedt. De Lnight=41 dB is onderdeel van de Lden=47 dB, wat betekent dat indien aan de Lden=47 dB wordt voldaan, ook vrijwel altijd voldaan wordt aan de Lnight=41 dB.

Omdat de turbinelocaties indicatief zijn, het specifieke windturbinetype dat geplaatst gaat worden in dit stadium van de planMER voor de structuurvisie niet bekend is én er reeds 400 meter wordt aangehouden tussen de windturbinelocaties en geluidgevoelige objecten, is toetsing aan de norm weinig onderscheidend tussen locaties en relevant in dit stadium. Daarom wordt voor geluid een ander beoordelingscriterium toegepast, namelijk het te verwachten aantal gehinderden per locatie op basis van een dosis-effectrelatie23. Op basis van ervaringen van mensen die wonen nabij windturbines is een dosis-effectrelatie vastgesteld waarmee aan de 23

Hinder door geluid van windturbines, TNO, 2008-D-R1051/B

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

42

hand van de geluidbelasting in dB Lden iets kan worden gezegd over de kans dat iemand ernstige hinder ondervindt van windturbinegeluid. De hier gebruikte methodiek is vooral bedoeld om locaties te vergelijken, en niet zozeer om een exact aantal (ernstig) gehinderden te voorspellen (ondanks dat er wel specifieke aantallen worden genoemd). Per locatiealternatief is voor de voorbeeldopstelling een geluidberekening gemaakt uitgaande van een voor geluid representatieve windturbine. Op basis van de verschillende geluidcontouren (van Lden>47 dB , 42<Lden<=47 dB en 37<Lden<=42 dB) is het percentage van te verwachten ernstig gehinderden bepaald aan de hand van een dosis-effectrelatie24. Vervolgens is dit percentage van te verwachten ernstig gehinderden vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal inwoners van 2,2 per woning en het aantal woningen in de geluidcontour. Door alle verwachte ernstig gehinderden bij elkaar op te tellen per locatie kunnen de diverse locaties met elkaar worden vergeleken. Omdat bij locaties met meerdere windturbines logischerwijs meer geluid ontstaat en daardoor meer hinder wordt veroorzaakt, is het tevens mogelijk om het aantal te verwachten ernstig gehinderden te delen door het aantal windturbines van die specifieke locatie en door de verwachte elektriciteitsopbrengst.

24

Hinder door geluid van windturbines, TNO, 2008-D-R1051/B

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

43

Kader 6.1 De hinderbeleving van windturbines De norm voor windturbinegeluid is gebaseerd op een dosis-hinderrelatie op basis van duizenden omwonenden welke zijn geënquêteerd naar de hinderbeleving welke zij ondervonden. Op deze wijze zijn alle karakteristieke eigenschappen van windturbinegeluid welke een effect hebben op de hinderbeleving impliciet meegenomen in de norm, zoals bijvoorbeeld mogelijkerwijs amplitudemodulatie of laagfrequent geluid. Het geluid van windturbines blijkt, wegens zijn specifieke karakteristieke eigenschappen, bij hetzelfde geluidniveau gemiddeld als hinderlijker te worden ervaren dan het geluid van andere geluidbronnen. Echter is daarmee door de wetgever rekening gehouden in de keuze van de normstelling. Uit de beantwoording van Kamervragen TK 31209 nr. 135 blijkt dat de wetgever bij de keuze van de normen voor windturbinegeluid een afweging gemaakt tussen de bescherming tegen hinder en het maatschappelijk belang dat wordt gediend met de aanleg van windturbines. Daarbij biedt volgens de wetgever de voorgestelde normering een hogere mate van bescherming tegen hinder dan de maximaal toelaatbare waarden van andere geluidbronnen zoals wegverkeer, vliegverkeer, railverkeer en industrie. De normering van windturbines wijkt af van die van andere geluidbronnen in die zin dat voor windturbinegeluid één grenswaarde geldt.

Indien het geluidniveau onder deze grenswaarde ligt dan wordt aan de norm voldaan, boven deze grenswaarde wordt niet voldaan. Bij de andere geluidbronnen is sprake van twee grenswaarden: een zogenaamde ‘voorkeursgrenswaarde’, waaronder altijd aan de norm wordt voldaan, en een ‘maximale grenswaarde’, welke onder geen omstandigheid mag worden overschreden. In de onderstaande tabel zijn ter illustratie van het bovenstaande de hinderpercentages weergegeven van de diverse geluidbronnen bij de wettelijk vastgestelde grenswaarde voor elke bron. Tabel: Percentage ernstig gehinderden bij de wettelijk grenswaarden van verschillende geluidbronnen Snelwegen

Spoorwegen

Industrie

Luchtvaart

Windturbines

Voorkeursgrenswaarde

2%

4%

2%

30%

--

Maximaal toelaatbare

14%

16%

9%

54%

9%

waarde

Tabel 6.1 Bepaling score criterium aantal ernstig gehinderden Criterium

Beoordeling

Score

Aantal ernstig gehinderden

Aantal ernstig gehinderden per turbine minder dan 2

0

Aantal ernstig gehinderden per turbine tussen 2 en 4

0/-

Aantal ernstig gehinderden per turbine tussen 5 en 7

-

Aantal ernstig gehinderden per turbine tussen 7 en 9

-/--

Aantal ernstig gehinderden per turbine meer dan 9

--

Stiltegebieden Voor de stiltegebieden wordt gekeken naar de aanwezigheid van stiltegebieden in of in de nabijheid van het onderzoeksgebied en wordt een kwalitatieve inschatting gemaakt van de kans op effecten op het stiltegebied als gevolg van het geluid van de windturbines.

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

44

Tabel 6.2 Bepaling score criterium stiltegebied Criterium

Beoordeling

Score

Geluidsbelasting op stiltegebieden (kwalitatief)

Stiltegebied in de nabijheid – kans op effect

-

Geen stiltegebied in nabijheid onderzoeksgebied

0

Cumulatieve effecten Voor het deelaspect cumulatie van geluid wordt een kwalitatieve analyse van de akoestische situatie van het gebied gemaakt om te bepalen of cumulatie kan optreden met overige geluidsbronnen in de nabije omgeving. Denk hierbij aan de aanwezigheid van bijvoorbeeld snelwegen, industrie of het spoor. Hierbij is niet specifiek rekening gehouden met achtergrondgeluid, omdat de invloed daarvan op windturbinegeluid erg afhankelijk is van de geluidsbron en omgeving. Er wordt opgemerkt dat onder bepaalde omstandigheden het windturbinegeluid ook minder hoorbaar kan zijn, vanwege de geluidsproductie van andere geluidsbronnen in de omgeving. In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid getoetst aan de waarden Lden=47 dB. Deze norm geldt voor geluidgevoelige objecten (woningen van derden en kwetsbare locaties zoals scholen en ziekenhuizen). Om mogelijke cumulatieve effecten in beeld te brengen wordt in plaats van de 47 dB Lden geluidcontour naar een groter gebied gekeken en wel naar de 37 dB Lden geluidcontour voor de locatiealternatieven. Deze contour heeft een grotere reikwijdte dan de 47 dB Lden contour. Cumulatie van geluid treedt namelijk ook op met lagere waarden, maar onder 37 dB Lden is cumulatie minder relevant.

Indien de 37 dB Lden contour niet overlapt met de contouren van andere geluidsbronnen kan (significante) cumulatie van de desbetreffende windenergielocatie met de overige onderzochte geluidbronnen worden uitgesloten. In dit MER wordt een locatie waar de 37 dB Lden geluidcontour van de windturbines overlapt met een geluidcontour van overige geluidbronnen, negatiever beoordeeld dan een locatie waar nog geen geluidbelasting van andere bronnen optreedt. Indien er geluidgevoelige objecten (bv. woningen) binnen de overlappende delen van geluidcontouren van windturbines met geluidcontouren van overige geluidbronnen gelegen zijn, dan weegt het aantal geluidgevoelige objecten ook mee in het beoordelingsschema, zie hiervoor ook onderstaande tabel. Tabel 6.3 Bepaling score cumulatie overige geluidsbronnen Criterium

Beoordelingscriterium Geen overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande

Gecumuleerde geluidsbelasting windturbines met overige geluidsbronnen op omgeving (kwalitatief)

geluidbronnen Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen, maar geen geluidgevoelige objecten Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen en 1-5 geluidgevoelige objecten Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen en 5-10 geluidgevoelige objecten

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Score 0

0/-

-

-/--

Pondera Consult

45

Criterium

Beoordelingscriterium

Score

Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen en >10 geluidgevoelige objecten

--

Laagfrequent geluid Bij de norm voor windturbinegeluid van Lden=47 dB is uitgegaan van windturbinegeluid en de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren op basis van empirisch onderzoek. Daarbij is ook rekening gehouden met het optreden van laagfrequent geluid, dat altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid is. Nederland heeft geen specifieke vastgestelde norm voor laagfrequent geluid waaraan moet worden getoetst. Kader 6.2 Laagfrequent geluid Het bereik van het menselijk gehoor ligt tussen 20 en 20.000 Hertz (Hz). Geluid onder de 100 Hz is voor veel mensen moeilijker te horen. Laagfrequent geluid is geluid met een frequentie beneden 200 Hz. Bijna alle geluidbronnen produceren (ook) laagfrequent geluid. In de meeste gevallen wordt dit overstemd door hoger frequent geluid en dus niet als zodanig gehoord. Het is meestal mechanisch gegeneerd geluid. Laagfrequent geluid wordt op verschillende manieren opgewekt. Bekende bronnen zijn gasturbines, transformatoren, wegverkeer en windturbines. Laagfrequent geluid dempt door gevels en op grotere afstand minder uit dan normaal geluid, op meer dan 5 kilometer afstand van sterke geluidbronnen blijft alleen laagfrequent geluid over. Ook kan in woningen en gebouwen versterking van het geluid ontstaan (zogenaamde ‘resonantie’).

Er is geen Nederlandse wettelijke norm voor laagfrequent geluid van windturbine, de wettelijk norm van L den=47 dB houdt hier rekening met laagfrequent geluid. In Denemarken geldt sinds januari 2012 een aparte geluidnorm van 20dB (A) voor laag frequent geluid. In enkele projecten, zoals Windpark Lage Weide is getoetst aan de Deense norm voor laagfrequent geluid en hieruit blijkt dat met toepassing van de Lden=47 dB norm ook afdoende bescherming tegen laagfrequent geluid wordt geboden. Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), factsheet laag frequent geluid, juni 2013

Het RIVM heeft op verzoek van de GGD’en25 de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht26. Hierin wordt gesproken over het laagfrequente geluid vanwege windturbines en dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is. Er is geen aparte beoordeling nodig boven op de bescherming die de A-gewogen (een weging van de verschillende frequenties die past bij het menselijk oor) normstelling op basis van dosiseffectrelatie reeds biedt. De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek27 naar laagfrequent geluid van windturbines van RVO (voorheen Agentschap NL). Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu concludeert in een brief28 over laagfrequent geluid het volgende: “Laagfrequent geluid draagt inderdaad voor een klein deel bij in de hinderervaring van windturbinegeluid. Echter, GGD staat voor Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst. De GGD’en vormen een landelijk dekkend netwerk. 26 Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden, GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013.

27 Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines, LBP Sight in opdracht van Agentschap NL, projectnummer DENB 138006 september 2013. 28 http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/documenten-en publicaties/kamerstukken/2014/04/01/laagfrequent-geluid-van-windturbines.html 25

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

46

deze hinder acht ik op een verantwoorde manier voldoende beperkt door de huidige norm.” Dit is de reden dat nader onderzoek naar specifiek laagfrequent geluid voor Barneveld niet verder in dit MER wordt beschouwd.

Beleid, wetgeving en beoordelingscriteria slagschaduw De draaiende rotorbladen van windturbines werpen een bewegende schaduw op hun omgeving. Deze zogenaamde slagschaduw kan onder bepaalde omstandigheden hinderlijk zijn doordat ze ervaren worden als ‘flikkering’. De mate van hinder is onder meer afhankelijk van de frequentie en de intensiteit van de ‘flikkering’. De afstand van de blootgestelde locatie tot de windturbine, de stand van de zon, de weersomstandigheden en het al dan niet draaien van de windturbine zijn daarbij bepalende factoren. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is gesteld dat flikkerfrequenties (aantal schaduwbladen per minuut) tussen 2,5 en 14 Hz als zeer hinderlijk worden ervaren. De moderne windturbines hebben een lager toerental, waardoor dergelijke zeer hinderlijke flikkering niet optreedt. De Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Rarim, 2007) meldt dat windturbines voorzien moeten worden van een automatische stilstandvoorziening indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, voor zover: •

De afstand tussen de woningen of andere gevoelige objecten minder bedraagt dan 12 maal de rotordiameter.

•

En gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden.

Omdat de exacte windturbineposities voor de onderzoeksgebieden in een latere fase bekend worden, zijn in dit planMER geen berekeningen van aantal uur slagschaduw per jaar gemaakt op basis van windturbineposities. Voor het beoordelen van de slagschaduweffecten voor de verschillende potentieel geschikte locaties is het aantal woningen beschouwd binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter die enige vorm van slagschaduwhinder kunnen ondervinden, ofwel binnen 1.440 meter (voor de referentieturbine). Om te voldoen aan de wettelijke geluidnorm, kunnen turbines stilgezet worden op specifieke dagen en tijden. Doordat bij de selectie van locaties reeds rekening is gehouden met een afstand van 400 meter tussen turbines en woningen, kan gesteld worden dat eventueel met toepassing van een dergelijke stilstandvoorziening voldaan kan worden aan de geluidnorm. Daarom kunnen locaties onderling vergeleken worden door het aantal woningen binnen 12 maal de rotordiameter op te tellen, wetende dat alle locaties aan de slagschaduwnormen kunnen voldoen (al dan niet met een stilstandvoorziening). Tabel 6.4 Bepaling score slagschaduw Beoordelingscriterium

Score

Aantal gevoelige objecten met slagschaduw tussen 0 en 40 per turbine

0

Aantal gevoelige objecten met slagschaduw tussen 40 en 80 per turbine

0/-

Aantal gevoelige objecten met slagschaduw tussen 80 en 120 per turbine

-

Aantal gevoelige objecten met slagschaduw tussen 120 en 160 per turbine

-/--

Aantal gevoelige objecten met slagschaduw meer dan 160 per turbine

--

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

47

Referentiesituatie De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling. In deze situatie worden geen windturbines gerealiseerd en is er dus geen sprake van geluid of slagschaduw van windturbines.

Beoordeling effecten per alternatief Aantal ernstig gehinderden door geluid en woningen met slagschaduw In de volgende tabel is het aantal ernstig gehinderden (geluid) en het aantal woningen met slagschaduw per locatie weergegeven. Tabel 6.5 Aantal ernstig gehinderden van geluid en aantal woningen met slagschaduw per locatie Aantal ernstig gehinderden (geluid)

Aantal woningen met slagschaduw

Totaal

Per turbine

Totaal

Per turbine

1

16

5

507

169

2

1

1

66

66

3

1

1

68

68

4

8

3

171

57

5

50

6

1119

140

6

1

1

58

58

7

3

1

62

31

8

4

4

136

136

9

6

1

64

11

10

37

12

727

242

11

3

3

93

93

12

2

2

95

95

13

0

0

10

10

Locatie

Het aantal gehinderden (geluid) per locatie varieert van 0 tot 50 en per turbine tussen 0 en 12. Het aantal woningen met slagschaduw varieert van 10 tot 1119 en per turbine tussen 10 en 242. In de volgende tabel worden de locaties van een score voorzien op basis van het beoordelingskader. Tabel 6.6 Beoordeling locaties geluid en slagschaduw Aantal ernstig gehinderden (geluid)

Aantal woningen met slagschaduw

Per turbine

Score

Per turbine

Score

1

5

-

169

--

2

1

0

66

0/-

3

1

0

68

0/-

4

3

0/-

57

0/-

Locatie

Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld | 717123 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

48

Aantal ernstig gehinderden (geluid)

Aantal woningen met slagschaduw

Per turbine

Score

Per turbine

Score

5

6

-

140

-/--

6

1

0

58

0/-

7

1

0

31

0

8

4

0/-

136

-/--

9

1

0

11

0

10

12

--

242

--

11

3

0/-

93

-

12

2

0/-

95

-

13

0

0

10

0

Locatie

Stiltegebieden Er ligt geen door de Provincie Gelderland aangewezen stiltegebied in de nabijheid van de onderzoeksgebieden. Het meest nabije stiltegebied is Noordoost Veluwe op meer dan 2 kilometer afstand ten noordoosten van de gemeentegrens Barneveld. De kans op effecten op het stiltegebied is niet aanwezig en de beoordeling is om die reden neutraal voor alle locaties (0).

717123 | Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie in Barneveld 18 december 2019 | Definitief

Pondera Consult

49

Figuur 6.1 Stiltegebieden Provinciale Omgevingsverordening Gelderland

Cumulatie Cumulatie met overige geluidbronnen De volgende figuur geeft de bestaande situatie van de belangrijkste geluidbronnen in de gemeente Barneveld weer, met name spoorwegen, de snelwegen A1 en A30 en industrielawaai die wordt veroorzaakt door een mengvoederfabriek in Barneveld-Centrum, een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=0b2db7b0-8dc3-4dd6-a2de-8493b2d6cf1b