CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Stroeërweg II_Toelichting_Bijlage 3 Nader ecologisch onderzoek, Groenewold, september 2020.pdf

Gemeenteraad 26 mei 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Stroeërweg II (in Stroe).4.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek vleermuizen en huismus functiewijziging Stroeërweg 69-71 Stroe

Aannemersbedrijf Aalten bv Broekermolenweg 4 3882 MG Putten Frits Bos advies@oramba.nl

Opdrachtgever

Contactpersoon

Uitvoering

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer

2020-004

Versie

Sep.20-v1

Behandeld door

Lex Groenewold

Datum

25 september 2020

Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90 • Bank: NL26 INGB 0673 0025 27

Inhoudsopgave 1 2

Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 2.1 Omschrijving gebied .............................................................................................. 3 2.2 Aanpak nader onderzoek ....................................................................................... 3 2.3 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 3 Mogelijke effecten sloop voor vleermuizen.................................................................... 4 3.1 Gewone dwergvleermuis ....................................................................................... 4 3.2 Ruige dwergvleermuis ........................................................................................... 5 3.3 Laatvlieger ............................................................................................................. 6 3.4 Vleermuisprotocol .................................................................................................. 6 3.5 Locatiebezoeken ...................................................................................................

7 3.6 Conclusie vleermuizen........................................................................................... 8 4 Mogelijke effecten sloop voor de huismus..................................................................... 9 4.1 Ecologie huismus................................................................................................... 9 4.2 Effecten sloop pand op de huismus ..................................................................... 10 4.3 Huismusnesten .................................................................................................... 10 4.4 Aanvullende bezoeken huismus .......................................................................... 11 5 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 12 5.1 Algemeen ............................................................................................................ 12 5.2 Vleermuizen......................................................................................................... 12 5.3 Huismus .............................................................................................................. 12 6 Advies .........................................................................................................................

13 7 Literatuur .................................................................................................................... 14 Bijlagen .............................................................................................................................. 14

Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Voorbeeld voorzieningen

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

2

Versie: 25 september 2020

1 Aanleiding en doel 2 Beschrijving situatie 2.1

Omschrijving gebied

Een overzicht van de situatie is weergegeven op de figuren in de bijlage en hieronder. Het betreft de realisatie van een woongebouw met appartementen, bestaande uit een kelder en 3 bouwlagen aan de Stroeërweg 69-71 te Stroe, gemeente Barneveld. In de huidige situatie is hier Machinebouw Jansen gevestigd. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen. De bedrijfsfunctie wijzigt dan in een woonfunctie.

2.2

Aanpak nader onderzoek

Op basis van een aantal locatiebezoeken gericht op huismussen en vleermuizen is de planlocatie nader onderzocht. Er is bekeken welke functie het plangebied heeft en welke effecten zijn te verwachten door de sloop of renovatie van de gebouwen.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

3

Versie: 25 september 2020

Voor de verschillende soortgroepen bestaan kennisdocumenten en soortprotocollen. De aanwijzingen hieruit zijn zoveel mogelijk gevolgd. De soortprotocollen staan niet in de Wet maar worden bij procedures in de regel wel gevolgd. Bij voldoen aan de protocollen wordt een initiatiefnemer geacht voldoende inspanning te hebben gedaan, om de aanwezigheid van beschermde soorten aan te tonen of uit te sluiten.

2.3

Gewenste ontwikkeling

Het omvat de sloop van de bestaande opstallen, bouwrijp maken en realisatie van een appartementengebouw en tuinen. Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het slopen van de bestaande bebouwing - het verwijderen van vegetatie en opslag - het bouwrijp maken van het terrein - het realiseren van een appartementengebouw - het aanleggen van verharding en tuinen

3 Mogelijke effecten sloop voor vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. In de gebouwen zijn rosse vleermuizen niet te verwachten. De rosse vleermuis is een boombewonende soort. Het onderzoek richt zich met name op de gewone en ruige dwergvleermuis en de laatvlieger, al zullen eventuele waarnemingen van andere soorten uiteraard ook worden meegenomen.

3.1

Gewone dwergvleermuis

De gewone dwergvleermuis is de meest zichtbare en meest algemeen voorkomende vleermuis in Nederland en tevens één van de kleinste. Ze wegen 3,5 tot 8 gram en hebben een spanwijdte van 18 tot 24 centimeter. De vlucht is zeer beweeglijk en fladderend. De gewone dwergvleermuis gebruikt een netwerk van verblijfplaatsen en is te vinden in zowel gebouwen als holle bomen. Overwegend wordt gebruik gemaakt van gebouwen, vooral als kraamplaats. De gewone dwergvleermuis is een sociale vleermuis. Ze leven in kolonies van sociaal samenhangende genetisch verwante groepen vrouwtjes. Vanuit de verblijfplaatsen vliegen gewone dwergvleermuizen achter elkaar aan richting foerageergebied. Ze zijn vanaf de schemering en ’s nachts actief. Kwetsbare perioden, zoals tijdens de winterrust, worden vaak in grote groepen bijeen doorgebracht. Gewone dwergvleermuizen zijn over het algemeen standvleermuizen. Ze zijn doorgaans plaatstrouw waarbij ze meerdere verblijfplaatsen gebruiken en kunnen wanneer daar aanleiding toe is regelmatig verhuizen. Migratie naar winterverblijfplaatsen over een afstand

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

4

Versie: 25 september 2020

van 100 tot 200 kilometer is bekend, maar gebruikelijker is een afstand van 35 – 60 kilometer. Nieuwe verblijfplaatsen worden maar beperkt al op korte termijn in gebruik genomen. De snelheid van in gebruik name lijkt af te hangen van het feit of de plek al bij vleermuizen bekend is of niet. De verblijfplaatsen bevinden zich in gebouwen in spouwmuren, achter gevelbetimmering, daklijsten en vensterluiken. Ook zijn ze soms te vinden in sluizen of viaducten, onder dakpannen, expansievoegen e.d. en in bomen. Het betreffen met name spleetvormige ruimtes. De vrouwtjes krijgen doorgaans één jong per jaar. Na ongeveer 6 weken na de geboorte is het jong zelfstandig. Natuurlijke vijanden van de gewone dwergvleermuis zijn vooral huisdieren (met name katten). Verder ook sperwer, boomvalk en uilen. Gewone dwergvleermuizen jagen in gesloten tot half open landschap. Ze vliegen op een hoogte van gemiddeld 2 – 5 meter, maar soms wel tot 15 meter. Het voedsel van de gewone dwergvleermuis bestaat uit muggen, dansmuggen, schietmotten, maar ook haften, gaasvliegen, nachtvlinders en soms ook kevers. Ze vangen deze prooien in de vlucht. Een gemiddelde kraamkolonie van 50 dieren vangt in een jaar meer dan 10 miljoen muggen.

De gewone dwergvleermuis maakt jaarrond gebruik van gebouwen en kan daar op allerlei plekken voorkomen: in spouwmuren, achter daklijsten, onder dakpannen, spleten en nissen in muren, enz. De verblijfplaats moet voldoende bewegingsruimte hebben om zich te kunnen verplaatsen, bijvoorbeeld om dichter naar de opening te kunnen gaan bij hitte of een stukje verder er vanaf om juist warmte op te kunnen zoeken. Ze zoeken telkens de optimale plek waar ze zo veel mogelijk energie kunnen besparen. Ze lijken een voorkeur te hebben voor een ‘groene omgeving’. Vooral in gebieden met bebouwing nabij parken, loofbossen, houtwallen en beschutte waterpartijen komen ze veel voor. De soort wordt in veel mindere mate waargenomen in grootschalige agrarische gebieden, dit alleen als het geschikt foerageergebied betreft

3.2

Ruige dwergvleermuis

De ruige dwergvleermuis is een kleine vleermuis, met een lengte van circa 5,5 centimeter en een spanwijdte van 23 tot 25 centimeter. De ruige dwergvleermuis weegt 6 tot 15,5 gram. Het is een donkerbruine tot roodbruine vleermuis met kleine, zwarte, ronde oren. De ruige dwergvleermuis trekt veel. In de zomer zijn in ons land vooral mannetjes. De meeste vrouwtjes gaan naar Oost-Europa waar ze hun jongen krijgen. Er zijn nauwelijks kraamplaatsen gevonden in Nederland. Ongeveer vanaf midden augustus en in september trekken de wijfjes en de jongen naar het zuiden en door Nederland. Tijdens de trek bezoeken de vrouwtjes de paarkwartieren. Men stelde vast dat de dagelijkse trekafstand tussen de 42 en de 80 kilometer ligt. De paarterritoria van de mannetjes liggen geclusterd bij elkaar op traditionele locaties op de trekroutes van de vrouwtjes. Ze betrekken deze vanaf eind juli tot half oktober. In Nederland zijn de mannetjes vooral in augustus en september actief. De mannetjes blijven trouw aan hun paargebied. In het vroege zomerseizoen zitten op goede locaties meerdere mannetjes in één boom bijeen; kleinere verblijfplaatsen zijn te vinden in nissen en spleten in gebouwen. Ruige dwergvleermuizen overwinteren in boomholten, achter boomschors, in stapels brandhout, houtloodsen, spouwmuren en achter stootvoegen van gebouwen. Meestal vind

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

5

Versie: 25 september 2020

je ze daar alleen, maar soms ook in kleine groepjes. Ze slapen niet vast, waardoor ze tijdens relatief warme perioden in de winter nog wel eens actiever worden. Na inval van strenge vorst kunnen ze verhuizen van bijvoorbeeld een houtstapel naar een gebouw. Ruige dwergvleermuizen bewonen een netwerk aan verblijfplaatsen. Voor verschillende functies gebruikt een ruige dwergvleermuis binnen het netwerk meerdere verblijfplaatsen en wisselt regelmatig tussen deze verblijfplaatsen die geschikt zijn voor dezelfde functie. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen tijdelijk niet bewoond zijn of op verschillende momenten door verschillende aantallen worden bewoond. Het microklimaat, geen lichtbron vlak bij en een vrije invliegopening zijn van belang voor een verblijfplaats. Ongeveer 50 minuten na zonsondergang vertrekken de ruige dwergvleermuizen op jacht. Ze jagen in een relatief snelle, rechtlijnige vlucht op een hoogte van veelal 2 tot 15 meter en bij voorkeur in het open gebied langs bosranden en boven water en ook boven bospaden en wegen. Ruige dwergvleermuizen eten uitsluitend vliegende insecten, waarvan de overgrote meerderheid bestaat uit dansmuggen. De ruige dwergvleermuis is in Nederland vooral een soort van half open, waterrijke landschappen met zowel vochtige loofbossen als coniferenbossen, parken, randen van steden, donkere gazons met alleenstaande bomen.

Nabijheid van water is essentieel. De soort komt het hele jaar ook voor in de stedelijke omgeving.

3.3

Laatvlieger

De laatvlieger (Eptesicus serotinus) is met een spanwijdte van 32-38 cm een van de grootste vleermuizen van Nederland. De rug is koffiebruin en de buik is koffie-met-melkbruin. Het gewicht is zo'n 15-35 gram. De laatvlieger is een echte gebouwenbewoner en vliegt later uit dan de andere grote vleermuis soort, de rosse vleermuis (vroeger ook wel vroegvlieger genoemd). Kenmerkend voor de laatvlieger zijn de relatief trage vleugelslag en de langzame vlucht in lange banen met wijde bochten en plotselinge uitvallen. De sonarsignalen op de batdetector klinken een beetje als een tapdanser. De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt vaak op 5 - 10 m. hoogte, maar soms ook wel hoger tussen de boomtoppen. De laatvlieger jaagt op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. Bij windstil weer wordt het open gebied belangrijker. In dorpen en aan de rand van steden kan men in de schemering laatvliegers rond lantaarnpalen, in tuinen en in parken zien jagen. Soms jagen ze in groepjes. Laatvliegers vangen insecten hoofdzakelijk uit de lucht, maar pakken soms ook prooien van bladeren of van de grond. Ze vangen voornamelijk grotere soorten nachtvlinders, kevers en muggen.

3.4

Vleermuisprotocol

Het vleermuisprotocol van de Groene bureaus geeft richtlijnen over welke onderzoeksinspanning moet worden verricht om verblijfplaatsen te kunnen uitsluiten. Het gaat dan om kraamplaatsen (april-juni), zomerverblijfplaatsen (juni-aug) en paarplaatsen (sept-okt).

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

6

Versie: 25 september 2020

De eerste stap is een inschatting te maken van de mogelijkerwijs te verwachten soorten en de geschiktheid van een eventuele verblijfplaats. Op basis van de bevindingen van de quickscan is vastgesteld dat het gebouw diverse openingen heeft waar vleermuizen in principe toegang zouden kunnen hebben. Nader onderzoek is dan ook nodig om verblijfplaatsen uit te sluiten of aan te tonen. Nader onderzoek gebeurt met behulp van een batdetector, op dagen met geschikte weersomstandigheden en 2x2 uur per functie (voor zonsopkomst of na zonsondergang).

3.5

Locatiebezoeken

Omdat verblijfplaatsen op voorhand niet 100% zijn uit te sluiten is een aantal locatiebezoeken gebracht, met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Daarbij is gebruik gemaakt van een batdetector, type Batlogger-M. Deze slaat alle waarnemingen automatisch op. Met het programma BatExplorer zijn de waarnemingen geanalyseerd. Gezien het warme voorjaar (april/mei) waren de vleermuizen al vroeg in het jaar actief. Ter ondersteuning is gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera Pulsar Helion XQ19F. Er is op alle dagen nauwelijks activiteit van vleermuizen waargenomen. Het betrof vrijwel alleen over- en langs vliegende dieren. Een overzicht van de bezoeken staat in onderstaande Tabel 1. Tabel 1: Overzicht vleermuisbezoeken Stroeërweg 69-71 Datum Tijd Weer 6 mei 2020

21.10-23.10 uur 12°C, droog, bew. 0/8, NO2 Bf

9 juni 2020

03.20-05.20 uur 13°C, droog/vochtig, bew. 8/8, N3 Bf

23 juni 2020

22.00-00.00 uur 22°C, droog, bew. 0/8, O2 Bf

18 aug 2020

04.25-06.25 uur 15°C, droog, bew. 0/8, ZW2 Bf

21 sep 2020

05.20-07.20 uur 10°C, droog, bew. 0/8, NO1 Bf

In totaal zijn rond de Stoeërweg 69-71 de volgende aantallen opnames geregistreerd (overvliegend, jagend, langs vliegend), waarbij aangetekend dat een jagende gewone dwergvleermuis al snel een 3-6 opnames per minuut geeft: Tabel 2: Overzicht registraties rond Stroeërweg 69-71 Soort Aantal registraties Actie Laatvlieger 2 Langs / Overvliegend Rosse vleermuis 15 Overvliegend Gewone dwergvleermuis 69 Foeragerend en langs vliegend

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

7

Versie: 25 september 2020

De rosse vleermuis is alleen hoog overvliegend waargenomen. De laatvlieger vloog alleen langs. De gewone dwergvleermuis is het vaakst waargenomen, zij het dat ook het aantal waarnemingen van deze soort relatief beperkt was. Het betrof meest jagende en langs vliegende dieren. Er zijn geen in- of uitvliegende of zwermende dieren waargenomen. Op 18 augustus is een aantal keer een roepend mannetje in de omgeving gehoord. Geen van de waarnemingen gaf enige indicatie voor een functie van het gebouw als verblijfplaats.

Stroeërweg 69-71 te Stroe: Spectogram Gewone dwergvleermuis 6 mei 2020, 21:34 uur

Op basis van de waarnemingen en conform het vleermuisprotocol is in het gebouw Stroeërweg 69-71 met zekerheid geen kraamkolonie, zomerverblijfplaats of paarplaats aanwezig.

3.6

Conclusie vleermuizen

Tijdens de locatiebezoeken zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen in het te slopen pand Stroeërweg 69-71 te Stroe. Er is met zekerheid geen kraamkolonie, zomerverblijfplaats of paarplaats aanwezig. Overigens zijn in de nieuwbouw met kleine aanpassingen toegangen te creëren voor vleermuizen. Bijv. door de dakoverstek op een aantal plaatsen toegankelijk te maken, of door het plaatsen van een kraamkast. Door in de gebouwen diverse potentiële verblijfplaatsen te creëren is het wellicht mogelijk vleermuizen te verleiden die te gaan gebruiken. Vleermuizen eten zeer veel muggen.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

8

Versie: 25 september 2020

4 Mogelijke effecten sloop voor de huismus Bij de quickscan zijn oude nesten gevonden van de huismus, onder de pannen van de werkplaats. Conform het kennisdocument huismus is nader onderzoek nodig om te bepalen of en zo ja hoeveel nesten er nog aanwezig zijn. Doel van het nader onderzoek is te onderzoeken om hoeveel nesten het gaat en wat de sloop voor gevolgen heeft voor de lokale populatie. Het mag niet leiden tot verslechtering van de gunstige staat van instandhouding. Onder een gunstige staat van instandhouding wordt verstaan dat er een voldoende grote populatie in een voldoende groot natuurlijk habitat aanwezig is en waarschijnlijk zal blijven en dat ook het verspreidingsgebied niet kleiner wordt.

4.1

Ecologie huismus

De huismus is 14 tot 16 centimeter lang en weegt maximaal 35 gram. Het mannetje heeft een grijze kruin en een zwarte bef tot op de bovenborst, bruine veren en een opvallende witte vleugelstreep. Het vrouwtje heeft meer egaal gekleurde veren en een effen lichte borst. Gemiddelde leeftijd is 1-2 jaar, maar ze kunnen ook makkelijk 5-10 jaar worden. Huismussen zijn voor nestplaatsen in de regel afhankelijk van woningen. Ook voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. Huismussen zijn standvogels, die zich meestal niet meer dan enkele honderden meters van de broedplaats verwijderen en in het broedseizoen nog minder ver. Huismussen zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden. Plekken waar voedsel gezocht worden moeten in de directe omgeving van schuil- en vluchtmogelijkheden liggen. Voor het duurzaam overleven is een groepsgrootte van minimaal 10 paar noodzakelijk. De broedtijd is van begin april tot en met augustus, waarbinnen 2 tot 3 legsels worden grootgebracht. De nestbouw begint al in maart. Ook buiten de broedperiode wordt aan het nest gebouwd en wordt het nest ook gebruikt als slaapplaats.

Eén succesvol broedsel per seizoen is niet voldoende om de populatie in stand te houden, daarvoor zijn ook succesvolle vervolglegsels noodzakelijk. Het leefgebied van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal eisen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) moeten liggen. Het betreft een combinatie van nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken; groenblijvende struiken, coniferen en klimplanten, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is het habitat niet geschikt.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

9

Versie: 25 september 2020

4.2

Effecten sloop pand op de huismus

Dit hoofdstuk gaat in op de effecten van de plannen op de huismussen in het gebied. In geval van huismusnesten is een ontheffing nodig voor het vernietigen van nesten, waarvoor de provincie Gelderland het bevoegd gezag is. Een ontheffing kan alleen worden verleend als voldaan wordt aan in de Wet genoemde voorwaarden: • Er is geen andere bevredigende oplossing (locatie, inrichting, werkwijze) • Er is een geldig belang: o volksgezondheid of openbare veiligheid (bijv. asbest) o veiligheid luchtverkeer o bescherming flora en fauna o voorkomen schade • Het mag niet leiden tot verslechtering van de gunstige staat van instandhouding Onder een gunstige staat van instandhouding wordt verstaan dat er een voldoende grote populatie in een voldoende groot natuurlijk habitat aanwezig is en waarschijnlijk zal blijven en dat ook het verspreidingsgebied niet kleiner wordt.

4.3

Huismusnesten

Uit de quickscan leken oude nesten van de huismus aanwezig onder de pannen van de werkplaats. Nesten van de huismus vallen onder categorie 2 van de lijst jaarrond beschermde nesten. Dit staat niet als zodanig in de Wnb, maar betreft een door het ministerie in 2009 aangepaste lijst. Het gaat om koloniebroeders, die honkvast zijn en afhankelijk van bebouwing of biotoop. Het ministerie (EZ / RVO) gaat er van uit dat het verbod op het opzettelijk verstoren of vernietigen van nestplaatsen, art. 3.1 lid 2, betrekking heeft op de functie van de verblijfplaats en over het behoud van de functionaliteit van de verblijfplaats en de leefomgeving. Ook de woning zelf heeft diverse voor mussen toegankelijke plaatsen, onder en tussen de pannen. Conform het kennisdocument huismus heeft het de voorkeur de locatiebezoeken in de broedperiode (april-juni) te brengen. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur onder de volgende omstandigheden plaatsvinden:  goede omstandigheden (b.v.

geen regen, harde wind en/of kou)  op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied)  op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend)  met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

10

Versie: 25 september 2020

4.4

Aanvullende bezoeken huismus

Op 10 en 28 april 2020 zijn na zonsopkomst aanvullende bezoeken gebracht. Doel was om te zien of er broedende mussen aanwezig zijn en hoeveel nesten het betreft. Tabel 2: Overzicht huismusbezoeken Stroeërweg 69-71 Datum Tijd Weer 10 april 2020

7.30-9.00 uur

7°C, droog, bew. 0/8, 0-1 m/s

28 april 2020

7.00-9.00 uur

10°C, droog, bew. 1/8, ZW 1 Bf

Tijdens de bezoeken zijn er geen waarnemingen gedaan van huismussen of roepende mannetjes op het dak of in de goot van de Stroeërweg 69-71. Zowel niet in hoofdgebouw als op bijgebouw (werkplaats). Er foerageren huismussen wel in de tuin aan de noordwestzijde van het perceel. Ook zijn diverse huismussen waargenomen in de struiken langs de Callunaweg. Ook is er volop activiteit en zijn roepende mannetjes gezien en gehoord in de omgeving, te weten Ericaweg 14-16: 2 paar, Callunaweg 1, 3, 5 en 7 roepende mannetjes, Stroeërweg 65, 59, 57 en 80 roepende mannetjes. Hieruit blijkt dat de functionele leefomgeving van de huismus hier prima in orde is. Op basis van de waarnemingen zijn geen nesten waargenomen in het pand Stroeërweg 6971 en is het aanvragen van een Wnb ontheffing soorten voor de huismus niet nodig.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

11

Versie: 25 september 2020

5 Conclusies en aanbevelingen 5.1

Algemeen

Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een nader onderzoek uitgevoerd bij de Stroeërweg 69-71 te Stroe. Uit de quickscan bleek dat verblijfplaatsen van vleermuizen en huismussen niet op voorhand waren uit te sluiten.

5.2

Vleermuizen

Er is een aantal bezoeken uitgevoerd conform het vleermuisprotocol. Bij de bezoeken zijn relatief weinig waarnemingen gedaan in vergelijking met veel andere onderzoeken. De gewone dwergvleermuis is het meest waargenomen. Op basis van de aanvullende bezoeken zijn in of op het gebouw met zekerheid geen verblijfplaatsen (kraamplaats, zomerverblijfplaats en paarplaats) van vleermuizen aanwezig. In de nieuwbouw zijn relatief eenvoudig voorzieningen mee te nemen zodat er potentiële verblijfplaatsen ontstaan voor deze nuttige insectenetende dieren.

5.3

Huismus

Op basis van twee gerichte bezoeken in april is de conclusie dat er bij de sloop geen nestplaatsen van huismussen zullen verdwijnen. Overigens is op basis van de waarnemingen in de omgeving sprake van een stabiele populatie. In de nieuwbouw zijn eenvoudig voorzieningen aan te brengen om zo extra nestplaatsen te creëren.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

12

Versie: 25 september 2020

6 Advies 1) De sloop van het gebouw bij voorkeur uitvoeren buiten het broedseizoen. In de tuinen kunnen anders nog vogels broeden en alle broedende vogels zijn beschermd. De beste periode is dan tussen september en februari. 2) Op basis van de waarnemingen zijn verblijfplaatsen van huismussen in het gebouw uit te sluiten. 3) Op basis van de locatiebezoeken en waarnemingen zijn in gebouw zijn verblijfplaatsen van vleermuizen uit te sluiten. 4) Het verdient aanbeveling bij de nieuwbouw enige potentiële verblijfplaatsen te realiseren voor de huismus en voor vleermuizen. Dat kan door bijvoorbeeld openingen in het dakoverstek, plaatsen van vleermuiskasten op of inmetselkasten in de nieuwbouw of het creëren van ca. 2,5cm grote spleten achter boeidelen.

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

13

Versie: 25 september 2020

7 Literatuur 

Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van & F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van natuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van BiZa, juli 2019, Factsheet woningbouwplannen, stikstof en Natura-2000 gebieden Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000

http://geodata2.prv.gelderland.nl/

           

    

www.gegevensautoriteitnatuur.nl www.infomil.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl

www.RAVON.nl

www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl

    

Bijlagen 1. 2. 3.

Overzicht situatie Foto’s plangebied Voorbeeld voorzieningen vleermuizen

Nader onderzoek Stroeërweg 69-71 Stroe Sep.20-v1.doc

14

Versie: 25 september 2020

Bijlage 1 Overzicht situatie

Bijlage 2 Foto’s plangebied

Bijlage 3 Voorbeeld voorzieningen Voorbeelden verblijfplaatsen (bron: soortenstandaard dwergvleermuis) Voorbeeld van gevelbetimmering welke geschikt is als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen (bron www.vleermuizenindestad.nl).

Verblijfplaatsen realiseren achter boeiboorden of sierlijsten Ook achter boeiboorden of sierlijsten kunnen gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen hebben. De hierboven omschreven criteria zijn hiervoor eveneens van belang. Het heeft een grote meerwaarde wanneer de ruimte achter de boeiboorden van verschillende gevels met elkaar in verbinding staan, zodat vleermuizen overdag, afhankelijk van de temperatuur, van locatie kunnen wisselen. Verblijfplaatsen bij dakconstructies Een eenvoudige manier is om bij dakconstructies gebruik te maken van boeiboorden met een ruimte van 1 centimeter die toegang geven tot het dak. Ook kunnen speciale dakpannen e.d. worden toegepast. Verblijfplaatsen in muren door middel van inmetselkasten In Nederland zijn nog weinig positieve resultaten bekend van het gebruik van inmetselkasten door de gewone dwergvleermuis. Voorbeelden van inmetselkasten (bron: http://www.schwegler-natur.de).

www.checklistgroenbouwen.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=42939255-79fd-4b92-95ae-9491b2959e99