Speulderbosweg IV_Toelichting_Bijlage 5 Quickscan
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Speulderbosweg 6 te Garderen
Nijverdal, 7 juni 2022 Projectnummer 22.46
COLOFON
Door:
Telefoonnummer: E-mail: Internet: Project: Auteur/ veldinventarisatie: Gecontroleerd door: Datum: Status:
Otte Groenadvies BV Brilsweg 1a 7441 BV Nijverdal 06 - 18 95 19 55 tjitske@ottegroenadvies.nl www.ottegroenadvies.nl 22.46 T.M. Stam – Propedeuse Hoger Beroepsonderwijs Bos en Natuurbeheer Ing. P. Otte 7 juni 2022 Definitief
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding.......................................................................................................... 4 1.1. Aanleiding en doelstelling ........................................................................ 4 1.2. Methodiek ............................................................................................... 4 2. Wetgeving ...................................................................................................... 6 3. Gebiedsomschrijving ...................................................................................... 7 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving ................................................... 7
6.3. Advies en aanbevelingen........................................................................ 15 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid .................................................................. 16 8. Bibliografie ................................................................................................... 17 Bijlage .............................................................................................................. 18 BIJLAGE 1: Wettelijk kader Wet natuurbescherming - Soortbescherming ....... 18
3.2. Projectvoornemen .................................................................................... 7 3.3. Foto impressie planlocatie........................................................................ 8 4. Gebiedsbescherming ...................................................................................... 9 4.1. Natura 2000 ............................................................................................ 9 4.2. Gelders Netwerk Nederland (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)... 10 4.3. Weidevogelgebied ................................................................................. 10 5. Beschermde flora en fauna ........................................................................... 11 5.1. Flora ...................................................................................................... 11 5.2. Fauna - Zoogdieren ................................................................................ 11 5.3. Fauna - Vleermuizen .............................................................................. 12 5.4. Fauna - Vogels ....................................................................................... 13 5.5. Fauna - Overige soorten ......................................................................... 13 6. Conclusies.....................................................................................................
14 6.1. Overzicht beschermde gebieden ............................................................. 14 6.2. Overzicht beschermde soorten ............................................................... 14 3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, realisatie van een nieuwe woning, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Speulderbosweg 6 te Garderen.
1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft de initiatiefnemer besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wnb. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingswijzigingen en ontheffings- of vergunningsaanvragen in het kader van de Wnb.
worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt er gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op de Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een moment opname betreft, kan geen rekening gehouden worden met de dynamische aspecten van natuur, zoals mitigatie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en -beheer na afloop van het onderzoek.
In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en -beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veld- en bureau onderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht 4
1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 13 mei 2022 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de directe aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken e.d.). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en fotocamera. De weersomstandigheden waren licht bewolkt, droog, 15°C (KNMI, z.d.). Tijdens het onderzoek waaruit dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op de beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en dierensoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.
5
2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van het in het wild voorkomende planten en dieren en de bescherming van gebieden. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11).
vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien:
De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel in de Wnb. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten, zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes:
Zie bijlage 1 voor het wettelijk kader van de soortenbescherming in de Wnb.
• • •
• • •
Er geen bevredigend alternatief is; Er is geen sprake is van een wettelijk belang; Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstig staat van instandhouding van de soort.
De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten (Overheid, 2020).
Vogelrichtlijnsoorten; Habitatrichtlijnsoorten; Andere soorten.
De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders. De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een 6
3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie ligt in Garderen, in de Gemeente Barneveld en op de Veluwe. De planlocatie ligt op de overgang van relicten van het es- en brinkdorpenlandschap naar een bos- en heidelandschap. Op de Veluwe liggen in het bos- en heidelandschap twee kernen, Kootwijk en Garderen. Direct rondom Garderen kan het landschap getypeerd worden als esdorpernlandschap. Garderen wordt gekenmerkt als een kernesdorp, een dorp midden op de es. Op enkele plekken is er sprake van agrarische gebruik. Dit is rondom de kleinere kernen zoals Garderen het geval. Daarbij kent Garderen een bijzondere authentieke radiale ontsluiting (Brons partners, 2005). Ten noorden van de planlocatie ligt buurtschap Houtdorp met daarachter het Speulderbos en een groot heideveld, ten oosten en zuidoosten liggen voornamelijk agrarische percelen en ten zuiden ligt de bebouwde kom van Garderen. De onderzoekslocatie betreft een braakliggend perceel met aan weerzijde woningen. Op het perceel staan enkele bomen, er is geen verharding aanwezig.
3.2. Projectvoornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt er een woning op een agrarisch perceel geplaatst. Hiervoor wordt de huidige bestemming van het agrarische perceel gewijzigd naar een woonbestemming. Ten behoeve van de ontwikkelingen worden enkele bomen gekapt, na realisatie wordt het terrein landschappelijk ingericht.
Afbeelding 1&2. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.) 7
3.3. Foto impressie planlocatie
Planlocatie oostzijde
Planlocatie oostzijde
Planlocatie zuidzijde
Planlocatie noordzijde
Planlocatie noordwestzijde
8
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 Onderstaande informatie in paragraaf 4.1 is gebaseerd op de volgende informatiebronnen: (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.) (BIJ12, z.d.), (Rijksoverheid, 2021) & (Pdok, z.d.). De Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden wordt de flora en fauna in combinatie met hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit in stand te houden of te verbeteren. Om te voorkomen dat de natuur in Europa zijn biodiversiteit verliest zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgericht. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen, namelijk de soorten- en gebiedsbescherming. Voorwaarden voor het uitvoeren van een project zijn onder andere: • De natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast; • In geval van een negatieve impact een alternatief of milderende maatregelen worden voorzien die de negatieve impact tenietdoen; • Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. In de omgeving van de planlocatie ligt een Natura 2000 gebied, namelijk: • De Veluwe (gebiedsnummer 57) op circa 300 meter ten noordoosten en circa 350 ten noordwesten van de planlocatie.
Afbeelding 3. Locatie plangebied (rood) N2000 (groen) Effectenbeoordeling Per 1 juli 2021 heeft er een wetswijziging plaatsgevonden, de wetgeving heeft betrekking op de partiële vrijstelling bouwen, slopen en aanleggen. De aanlegfase bij het bouwen en slopen van diverse bouwwerken is vrijgesteld van vergunningplicht voor wat betreft stikstof. Het opstellen van AERIUS-berekeningen voor de aanlegfase is niet meer nodig.
9
4.2. Gelders Netwerk Nederland (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)
Het GNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker (Rijksoverheid, z.d.). De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten is met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook terrein voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen, bedrijven en weidevogelgebieden. Met de GO wil de provincie de ontwikkeling van functiecombinaties van natuur met andere functies mogelijk maken wanneer deze substantieel bijdragen aan versterking van de ecologische samenhang (Provincie Gelderland, z.d.) De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het GNN en GO. De dichtstbijzijnde gebieden liggen op circa 300 meter van de planlocatie. De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig (Provincie Gelderland, z.d.).
Afbeelding 4. Locatie plangebied (rood) GNN (donkergroen) GO (lichtgroen) (Provincie Gelderland, z.d.) (Google, z.d.)
4.3. Weidevogelgebied Met betrekking tot het weidevogelgebied en beschermde landschapselementen geldt dat de planlocatie niet ligt binnen het beschermde gebied. Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkelingen zijn negatieve effecten op weidevogelgebieden niet te verwachten (Provincie Gelderland, z.d.).
10
5. Beschermde flora en fauna Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt medebepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen.
Algemene Plaatselijke Verordening (APV) In gemeente Barneveld is de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van kracht. Hierin worden o.a. richtlijnen beschreven m.b.t. het vellen van houtopstanden (Overheid, 2017)
In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/ verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wnb optreden.
Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig.
Daarnaast wordt er in dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
5.1. Flora
Het perceel bestaat uit een grasperceel met daarop enkele berken en coniferen. Er is geen struiklaag aanwezig, in de kruidlaag staan soorten als rode klaver, madeliefjes en paardenbloem.
5.2. Fauna - Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. In en rondom de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van beschermde soorten. Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis, haas en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied voor. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, 11
bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde.
5.3. Fauna - Vleermuizen Tijdens de veldinventarisatie is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2021) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Netwerk Groene Bureaus, 2021) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011). Verblijfplaatsen De voorgenomen ingreep heeft betrekking op voor vleermuizen geschikte bomen. Soorten als rosse vleermuis, grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis kunnen in bomen voorkomen.
De te kappen bomen zijn niet geschikt voor overwegend boombewonende soorten. Deze soorten komen mogelijk wel in de omgeving voor maar zullen niet gevestigd zijn in/nabij de onderzoekslocatie. Daarvoor missen de bomen geschikte holten, stamschuren of zwaardere dode stammen/takken. De aanwezigheid van vaste, jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen is, voor wat betreft de bomen, uitgesloten. Foerageergebied Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Vlieg- en migratie routes Vlieg en migratie routes zijn veelal rechtlijnige elementen als bosranden, (water) wegen, bospaden en bomen rijen bij voorkeur in open gebied. Het betreffen rechtlijnige elementen waar vleermuizen in een rechtlijnige vlucht snel kunnen verplaatsen. Bij vliegroutes spreken we veelal over het verplaatsen van en na tijdelijke verblijfplaats naar foerageergebieden. Migratieroutes bestaan veelal uit grote elementen waarlangs wordt gemitigeerd van zomer naar winter verblijfplaats en visa versa.
Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen.
12
Effectenbeoordeling Op basis van het veldbezoek is de inschatting dat de vleermuizen geen gebruik maken van het perceel. Nader onderzoek is niet nodig (Netwerk Groene Bureaus, 2021).
5.4. Fauna - Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Ransuil De ransuil leeft in een gevarieerde gebieden, van open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogveen tot moerasgebieden. In een groot, aaneengesloten bos ontbreekt hij. De ransuil jaagt bij voorkeur in een open veld, langs de wegberm en op open plekken met een kaalslag in bos. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, wat zorgt voor dekking. Daarnaast zit hij graag in houtwallen, boomgroepen, hagen en solitaire bomen (Vogelbescherming, z.d.). Op de planlocatie staan een aantal coniferen die worden gekapt, de helft van de bomen zijn dood of in slechte staat. Ten tijde van het onderzoek zijn de coniferen geïnspecteerd op aanwezige nesten of sporen van de ransuil. Er zijn geen nesten, uilenballen of krijtstrepen waargenomen. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Overige jaarrond beschermde nestplaatsen Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Geschikte bebouwing voor huismus, gierzwaluw en uil ontbreken op de planlocatie, waardoor nestlocaties zijn uitgesloten in het plangebied. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestlocaties.
Tijdens de inventarisatie zijn geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten op de planlocatie aangetroffen.
Effectenbeoordeling De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wnb een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wnb wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.
5.5. Fauna - Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemene soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. 13
6. Conclusies 6.1. Overzicht beschermde gebieden Gebiedsbescherming Natura 2000- zuurstofgevoeligheid Overige onderdelen GNN & GO
Aanwezigheid op 300 m op 300 m
Effecten mogelijk geen
Aanbevelingen AERIUS- berekening/Overleg bevoegd gezag geen
Aanbevelingen geen geen geen geen zorgplicht zorgplicht geen zorgplicht geen zorgplicht geen zorgplicht
Mits
6.2. Overzicht beschermde soorten Soortengroepen Flora – beschermde soorten Beschermde- en monumentale bomen Zoogdieren- beschermde soorten Vleermuizen- verblijfplaatsen Vleermuizen- vliegroute/foerageergebied Zoogdieren- vrijgestelde soorten Vogels- jaarrond beschermde nesten Vogels- algemene broedvogels Amfibieën/vissen- beschermde soorten Amfibieën/vissen- vrijgestelde soorten Reptielen/ongewervelden- besch. soort Reptielen/ongewervelden- vrijgest. soort
Aanwezigheid niet niet niet niet mogelijk mogelijk niet mogelijk niet mogelijk niet mogelijk
Effecten geen geen geen geen beperkt beperkt geen beperkt geen beperkt geen beperkt
beperkt met lichtbelasting wordt omgegaan
14
6.3. Advies en aanbevelingen Gebiedsbescherming • N2000: Wijziging beleidsvoering: U dient de gemeente te raadplegen of een AERIUS-berekening uitgevoerd moet worden, zo ja: Voer een AERIUS-berekening uit om aan te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op N2000 gebied plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan nul Mol/ha/jaar is kan een vergunning worden verleend. Flora •
Fauna •
•
Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig.
houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan; •
Goedgekeurde gedragscode, Soortenbescherming voor gemeenten van de Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. Deze gedragscode kan worden toegepast tijdens de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden op locaties met wettelijk beschermde soorten. De gedragscode is opgesteld voor de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en bestendig beheer of onderhoud en geeft invulling aan aantoonbaar zorgvuldig handelen. Behoud en herstel van biodiversiteit staat hierin centraal (Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland, 2020).
Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen; Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;
Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit 15
7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies BV hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
16
8. Bibliografie
BIJ12. (z.d.). Vergunning aanvragen of niet? Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-ennatura2000/vergunningen-en-toestemmingsbesluiten/vergunningaanvragen-of-niet/ Brons partners. (2005, september). Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.leusden.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documente n/Bestuur_en_organisatie/Pepperflow/Domein_Ruimte/Landschapsont wikkelingsplan_Gelderse_Vallei.pdf Google. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.google.nl/maps Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Tirion Natuur. KNMI. (z.d.). Weerstation. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.knmi.nl/nederland-nu/weer/waarnemingen Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. (2020, Juli 7). Gedragscode Soortenbescherming voor gemeenten. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/08/Gedragscode%20SW%2 0EIndconcept%2020200709%20v1.0.pdf Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Natura 2000 gebieden. Opgeroepen op 24 mei 10, 2022, van https://www.natura2000.nl/gebieden Netwerk Groene Bureaus. (2021, januari 1). Vleermuisprotocol 2021. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werkenaan-kwaliteit/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2017).
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR372624/5 Overheid. (2020, januari 1). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://app.pdok.nl/viewer/?origin=pdoknl Provincie Gelderland. (z.d.). Omgevingsverodening. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://gldanders.planoview.nl/planoview/NL.IMRO.9925.PVOmgverord
eningvst1?s=SAAXIYAKQgF7vzJFhERCBAN4P4P_______wP38wJiAMdOCzhy3q gpM4ZOGbcCBA Rijksoverheid. (2021, Juli 01). De Bouwvrijstelling gaat in op 1 juli 2021. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/07/01/debouwvrijstelling-gaat-in-op-1-juli-2021 Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit Vogelbescherming. (z.d.). Ransuil. Opgeroepen op 24 mei 2022, van https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/ransuil
17
Bijlage BIJLAGE 1: Wettelijk kader Wet natuurbescherming Soortbescherming
De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing (Overheid, 2020). Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1).
Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • Bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • Bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • Bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • Bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen: Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4).
Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten 18
aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan
bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt.
Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden.
19
Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitat; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4.
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing
of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang.
Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvgb) aan bij het bevoegd gezag 20
Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd (Overheid, 2020).
21