CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Speulderbosweg III_Toelichting_Bijlage 2 Quick scan flora_fauna.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Speulderbosweg III12.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuur realisatie woning Speulderbosweg 33 Garderen

Opdrachtgever

Dhr. P. Bronkhorst E.J. Hoegenhof 10 3886 KL Garderen

Contactpersoon

Richard Huisman richard@huismanruimte.nl

Uitvoering

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer

2020-114

Versie

Mrt.21-v3

Behandeld door

Lex Groenewold

Datum

26 maart 2021

Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90 • Bank: NL26 INGB 0673 0025 27

Inhoudsopgave 1 2

Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 2.1 Omschrijving gebied .............................................................................................. 3 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 4 Aanpak onderzoek ........................................................................................................ 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 5 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 5 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 6 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 6 5.2 Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen ................................................................

6 5.3 Zoogdieren ............................................................................................................ 6 5.3.1 Vleermuizen ................................................................................................... 6 5.4 Vogels ................................................................................................................... 7 5.4.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 7 5.5 Overige soorten ..................................................................................................... 7 6 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 8 6.2 Stikstofdepositie .................................................................................................... 8 6.2.1 Uitspraak PAS Raad van State ....................................................................... 8 6.2.2 Gevolgen woningbouw ................................................................................... 9 6.2.3 Spoedwet stikstof ................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

6.2.4 Beleidsregels intern en extern salderen ........................................................ 10 6.2.5 Situatie Speulderbosweg 33 ......................................................................... 10 7 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) .................................. 11 7.1 Beleid Groene ontwikkelzone .............................................................................. 11 7.2 Kernkwaliteiten GO Garderen .............................................................................. 11 7.3 Beschermingsregime GO..................................................................................... 12 7.4 (Mogelijke) Effecten plan op kernkwaliteiten ........................................................ 12 8 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 14 8.1 Algemeen ............................................................................................................ 14 8.2 Beschermde soorten............................................................................................ 14 8.3 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 14 8.4 Gelders natuurnetwerk / Groene Ontwikkelzone ..................................................

15 8.5 Voorbehoud en zorgplicht .................................................................................... 15 8.6 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ...................................................... 16 9 Advies ......................................................................................................................... 17 10 Literatuur ................................................................................................................. 18 Bijlagen .............................................................................................................................. 18

Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeeld voorzieningen 5. Uitdraai NDFF nabijgelegen perceel 6. Aeriusberekening

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

2

Versie: 25 maart 2021

1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft het voornemen een woning te realiseren op het perceel Speulderbosweg 33 te Garderen, gemeente Barneveld. Hiervoor heeft de gemeente een quickscan natuur gevraagd om te bepalen of er beschermde soorten aanwezig zijn of dat er gevolgen zijn voor beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd dit onderzoek uit te voeren.

2 Beschrijving situatie 2.1

Omschrijving gebied

Een overzicht van de situatie is weergegeven op de figuren in de bijlage en hieronder. Het betreft een stuk grasland aan de Speulderbosweg 33 in het bebouwde kom van Garderen. Het perceel bestaat uit twee delen. Achter op het perceel staat een loods. Die blijft behouden. Plan is op het voorste deel aan de Speulderbosweg een levensloopbestendige woning te realiseren voor eigen gebruik. Voor de planwijziging moet onder meer worden aangetoond of er gevolgen zijn voor beschermde soorten of gebieden, zoals beschreven in de Wet natuurbescherming.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

3

Versie: 26 maart 2021

3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.

Als door het treffen van maatregelen tijdens de werkzaamheden en na de realisatie van het project, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding, dan is er geen ontheffing nodig. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Als het plan invloed heeft op Natura 2000 gebied of gelegen is in het Nationaal natuurnetwerk moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Ook hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.

4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofdstuk 5). Als er effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

4

Versie: 26 maart 2021

4.1

Gewenste ontwikkeling

Het plan omvat de realisatie van een nieuwe woning. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan is onderzoek nodig om te bepalen of er beschermde soorten of verblijfplaatsen aanwezig zijn. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - bouwrijp maken - bouw nieuwe woning - aanleg tuin - gebruik woning

4.2

Bronnenonderzoek

De te slopen gebouwen liggen in kilometerhok x:176/y:472. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het natuurloket en waarneming.nl. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst). Hierbij is ook gebruik gemaakt van een uitdraai van de NDFF van een perceel uit de nabije omgeving.

4.3

Locatiebezoek

Tijdens het locatiebezoek op 20 oktober 2020 is het perceel en de directe omgeving opgenomen. Het bezoek levert informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

5

Versie: 26 maart 2021

5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.

5.1

Vaatplanten

Het plangebied bestaat uit grasland met algemene soorten, zoals duizendblad, ronde ooievaarsbek, brandnetel, witte dovenetel en diverse grassen. Langs de oprit is een aantal sparren aanwezig. Vlak langs de oostgrens staan diverse bomen en struiken op het perceel van Speulderbosweg 31. Er zijn alleen algemene soorten aangetroffen. Er is bij de realisatie van de woning geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.

5.2

Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Het gebied bestaat uit grasland zonder open water. Beschermde soorten uit deze soortgroepen zijn hier niet te verwachten. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig.

5.3

Zoogdieren

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Behoudens een enkel muizenholletje zijn geen aanwijzingen, sporen, holen, poepsporen e.d. van zoogdieren gevonden. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van beschermde zoogdieren zoals kleine marters. De sparren langs de oprit zijn onderzocht op holtes en/of (oude) nesten. Deze zijn niet aangetroffen. De andere bomen staan allemaal buiten het perceel en blijven behouden. Overigens zijn vanaf de zijde van het perceel geen holtes of nesten gezien welke duiden op verblijfplaatsen van beschermde soorten. 5.3.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en de laatvlieger. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. Het perceel bestaat uit grasland. Op basis daarvan is de conclusie dat er met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen verdwijnen bij realisatie van de woning. Nader onderzoek is niet nodig.

Wellicht is in de nieuwbouw rekening te houden met deze insectenetende soortgroep door enige toegangen te maken in loze ruimtes. Vanuit de zorgplicht is aan te bevelen onnodige verlichting richting de bomenrij langs de Speulderbosweg te voorkomen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

6

Versie: 26 maart 2021

5.4

Vogels

Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende vogels rond het gebied gehoord en/of gezien: koolmees, merel, spreeuw en vink. Er is onder de sparren gezocht naar aanwijzingen voor roestende ransuilen. Deze zijn niet gevonden. Er verdwijnen met de realisatie van de woning geen beschermde verblijfplaatsen. In de gegevens van de NDFF wordt verder melding gemaakt van de aanwezigheid van bosuil, kerkuil en ransuil. De omgeving is op zich wel geschikt voor deze soorten, met name voor bosuil en ransuil. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn met zekerheid niet op of vlak rond het terrein aanwezig. Het aanvragen van een ontheffing Wnb is voor vogels niet nodig. 5.4.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5).

Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.

5.5

Overige soorten

Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

7

Versie: 26 maart 2021

6 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt aan de noordwestzijde in de bebouwde kom van Garderen. Artikel 2.1 Wnb vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Wnb sluit aan bij de Europese gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000 gebieden.

6.1

Natura 2000

Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen hiervoor de onderliggende basis. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Het plan ligt op vlak bij een uitloper van Natura2000 gebied Veluwe (zie figuur hiernaast PDOK oktober 2020). Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor o.a. het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel en Kamsalamander. Relevante vogelsoorten zijn o.a. Wespendief, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Nachtzwaluw en IJsvogel. Gezien de aard van het plan en de ligging t.o.v. de Natura 2000 gebieden zijn met zekerheid geen effecten van het plan te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen en habitattypen.

6.2

Stikstofdepositie

De Veluwe heeft diverse habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Daarom moet bij nieuwe plannen ook worden bekeken of de plannen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. 6.2.1 Uitspraak PAS Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

8

Versie: 26 maart 2021

De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend.

De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet natuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoordeling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk. 6.2.2 Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie.

Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvonden en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van die agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

9

Versie: 26 maart 2021

6.2.3 Beleidsregels intern en extern salderen Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben beleidsregels vastgesteld voor in- en extern salderen. Deze beleidsregels gelden voor de het verlenen van vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming vanwege de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Activiteiten waarbij niks veranderd, behouden hun vergunning. Voor activiteiten waarvoor wel een vergunning nodig is, moet gezorgd worden dat de neerslag van stikstof in Natura 2000-gebieden per saldo niet toeneemt. De nieuwe beleidsregels stellen met name voorwaarden aan intern en extern salderen: 

Intern salderen: Bedrijf mag een bepaalde hoeveel stikstof uitstoten. Nieuwe activiteiten of bestaande activiteiten veranderen is mogelijk. De stikstofdepositie moet afnemen of tenminste niet toenemen. Alleen de al gerealiseerde capaciteit van de vergunning kan gebruikt worden. Extern salderen: Bedrijf maakt gebruik van de vergunning van een ander bedrijf dat wordt beëindigd. Slechts 70% van de gerealiseerde capaciteit mag gebruikt worden.

Deze beleidsregels gelden alleen voor het verlenen van vergunningen door gedeputeerde staten, niet voor het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenteraden. 6.2.4 Situatie Speulderbosweg 33 In de voorliggende situatie zijn met behulp van het rekenprogramma Aerius (versie 2020) berekeningen gemaakt van de te verwachten stikstofdepositie in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Hoewel het hier, in de zin van de Wnb, primair gaat om de beoordeling van een plan, is voor de berekening toch aangesloten bij de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen. Op die wijze is het mogelijk om tegelijkertijd ook de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect inzichtelijk te maken. De nieuwe situatie betreft een gasloos uitgevoerde vrjistaande woning met warmtepomp. Daardoor is alleen sprake emissie van voertuigbewegingen. Op basis de CROW publicatie 381 is voor een vrijstaande woning, weinig stedelijk en rest bebouwde kom, uitgegaan van 7.8-8.6 (gem. 8.2) bewegingen per etmaal. De uitrit komt uit de op de Speulderbosweg en alle verkeer gaat richting centrum Garderen. De situatie is ingevoerd in het rekenprogramma Aerius 2020. Daarmee is geen depositie berekend boven de 0.00 mol/ha/jaar. De gebruiksfase levert daarmee geen bijdrage aan de stikstofdepositie. Ook de aanlegfase moet in beeld worden gebracht.

Dat bestaat hier uit het bouwrijp maken van het perceel en de aanleg van een nieuwe vrijstaande woning en tuin. De uitgangspunten hiervoor zijn opgenomen in de bijlage. De gegevens zijn ingevoerd in Aerius 2020. Uit de rekenresultaten blijkt dan bij de aanleg een stikstofdepositie van 0.01 mol/ha/jaar op 3 hexagonen van een voor stikstof gevoelig habitattype. Het gaat hier om een kleine bijdrage kleiner dan 0.05 mol/ha/jaar en korter dan 2 jaar. Daarmee zal het project niet leiden tot significant negatieve effecten en is een vergunning Wnb niet nodig (conform beleid provincies – zie ook BIJ12.nl). Nader onderzoek of een Wnb-vergunning is niet nodig.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

10

Versie: 26 maart 2021

7 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) Naast toetsing op Natura 2000 gebied vindt separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur. Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan invloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn Groene Ontwikkelzones (GO) aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang. Het plangebied ligt buiten het GNN en binnen de GO (zie figuur resp. groen en bruin). Planrealisatie heeft geen effecten op de natuurwaarden van het GNN. Verder onderzoek of een ontheffing wordt niet nodig geacht.

7.1

Beleid Groene ontwikkelzone

De provincie Gelderland heeft bij de uitwerking van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelzone (GO) beleid vastgesteld. Voor beide zijn kernkwaliteiten benoemd waaraan toetsing plaatsvindt bij relevante ontwikkelingen. Voor het GNN geldt het ‘Nee, tenzij’ principe, voor de GO geldt ‘Ja mits’. Dat geldt dan voor functies die in het gebied thuishoren en als de ontwikkeling ook een impuls geeft aan de natuurkwaliteit. Het gebied is onderdeel van het Veluwemassief, het grootste aaneengesloten groene gebied van Nederland. De westzijde van de Veluwe is meer open met een afwisseling van heide, bos, stuifzand en agrarische enclaves. Aan de oostkant liggen de meer gesloten bosgebieden. Naast de natuurwaarden zijn ook de cultuurhistorische waarden van belang, zoals oude nederzettingen tot uit de Vroege Middeleeuwen (o.a. in Garderen).

7.2

Kernkwaliteiten GO Garderen

Als kernkwaliteiten van natuur en landschap zijn voor Garderen de volgende voor het plangebied relevante aspecten in het beleid benoemd:        

agrarische enclave op de Veluwe met dorp en oude enk; droge voedselarme bossen met restanten heide en veel verblijfsrecreatie onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe onderdeel van Natura 2000-gebied Veluwe met de bijbehorende habitats en soorten groot wild: m.n. edelherten, wilde zwijnen (agrarische enclave Garderen - Speuld - Elspeet Uddel geen wilde zwijnen) leefgebied das ecosysteemdiensten: recreatie, rust, drinkwater, militair oefenterrein houtproductie alle door de Wet natuurbescherming beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied

Mede op basis van deze kernkwaliteiten zijn voor zowel het GNN als voor de GO ontwikkeldoelen opgesteld.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

11

Versie: 26 maart 2021

De voor het plangebied relevante ontwikkeldoelen voor natuur en landschap binnen de GO zijn:    

ontwikkeling natuurlijke bosranden ontwikkeling droge, schrale graslanden ontwikkeling ecologische waarden van cultuurgrond in de ontginningen ontwikkeling cultuurhistorie en beleefbaarheid

De 20m brede strook aan de noordzijde heeft bestemming tuin en kan daarmee bijdragen aan een natuurlijke overgang van bebouwing naar groen.

7.3

Beschermingsregime GO

Binnen de GO zijn grootschalige ontwikkelingen die de kernkwaliteiten aantasten in principe niet mogelijk. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als versterking van de onderlinge samenhang van de kernkwaliteiten in het bestemmingsplan is geborgd. Uitbreiding van bestaande functies binnen de GO met ten hoogste 30% kan volgens het provinciaal beleid mogelijk worden gemaakt mits: a. uit de toelichting blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en b. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, c. gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan De provincie heeft de procedure in een stappenplan gezet.

7.4

(Mogelijke) Effecten plan op kernkwaliteiten

Het perceel heeft een oppervlakte van ca. 2.600 m2. De beoogde locatie van de woning heeft woonbestemming. Voor het GO betreft dit een nieuwe functie. De bebouwing ligt in een lijn met omliggende woningen en de woning schermt de bedrijfsbebouwing richting bosgebied af. Het betreft een inbreidingslocatie van een woning in de bebouwde kom, gelegen tussen een bedrijfspand en andere woningen. Gezien de kleinschalige ingreep en in relatie tot de omliggende percelen is een significant negatief effect van de woning op de kernkwaliteiten van de GO uit te sluiten. Daarmee is op basis van het stappenplan van de provincie de locatiekeuze akkoord.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

12

Versie: 26 maart 2021

Er is separaat wel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Daarin is opgenomen dat de bestaande structuren worden versterkt, zoals het aanbrengen van meer gelaagdheid langs de randen, het aanbrengen van een haagstructuur op het voorerf en de aanplant van enkele beeldbepalende bomen. Hierbij worden inheemse en bij het gebied passende soorten toegepast. De overgang van woning richting Speulderbosweg en GNN wordt daarmee geheel ingepast in het landschap. De landschapselementen ondersteunen de kernkwaliteiten van de GO en er vindt een verbetering plaats ten opzichte van de bestaande situatie. Het gebied ten noorden van de Speulderbosweg behoort tot het GNN. Ter plaatse is er een bomenrij aanwezig langs de Speulderbosweg en ligt een weiland aan de noordzijde van het perceel. Daarmee is een significant effect op de kernkwaliteiten van het GNN uit te sluiten. De Speulderbosweg is wel onderdeel van een lanenstructuur. Lijnelementen zijn o.a. van belang voor vleermuizen. Het plan tast de lijnstructuur overigens in het geheel niet aan. Nu ook de tuin zoals hierboven beschreven geheel groen wordt ingepast en met een afstand tot de weg van 20m, is vanuit het voorzorgprincipe het voorkomen van onnodig uitstralende verlichting vrij eenvoudig realiseerbaar. Een soortgroep als de vleermuizen, kan hiervan profiteren in samenhang met de aanwezige en te realiseren laanbeplanting.

Afgezet tegen de bestaande situatie zal de beoogde nieuwe woning daarmee niet leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN of de GO voor Garderen.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

13

Versie: 26 maart 2021

8 Conclusies en aanbevelingen 8.1

Algemeen

Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significante negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd voor realisatie van een nieuwe woning aan de Speulderbosweg 33 te Garderen, gemeente Barneveld.

8.2

Beschermde soorten

Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen gevonden of te verwachten. Specifiek is gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van uilen en marters. Deze zijn niet aangetroffen. Op basis van de locatiekenmerken zijn deze soorten ook niet te verwachten. Het plangebied bestaat uit kort gemaaid grasland. Er verdwijnen door realisatie van de woning dan ook met zekerheid geen vaste beschermde verblijfplaatsen. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Een ontheffing Wnb voor soorten is niet nodig.

8.3

Gebiedsbescherming

Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat de ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is de Veluwe. Het perceel grenst aan de noordwestzijde met een punt vrijwel aan een uitloper daarvan. Het dichtstbijzijnde voor verzuring gevoelig habitat ligt op ca. 245m te noorden van het plangebied. Er is voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase een berekening uitgevoerd met Aerius 2020. De nieuwe activiteiten bestaan uit één vrijstaande gasloos uitgevoerde woning, met een 8 bewegingen per etmaal. In de gebruiksfase is er daarmee geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. De aanlegfase bestaat uit het bouwrijp maken van de woningen en de bouw van de woning. Uitgangspunt is dat de aannemer modern materieel gebruikt (Stage IV/V) van maximaal 3 jaar oud. Er is dan een tijdelijke bijdrage berekend van 0.01 mol/ha/jaar op 3 hexagonen. Tijdelijke deposities kleiner dan 0.05 mol/ha/jaar en die korter duren dan 2 jaar, zijn niet vergunningplichtig. Daarmee is een Wnb vergunning voor gebieden niet nodig.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

14

Versie: 26 maart 2021

8.4

Gelders natuurnetwerk / Groene Ontwikkelzone

Het plan ligt buiten de begrenzing van het GNN, maar binnen de contour van de GO. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzing van het GNN mag worden aangenomen dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. De geplande woning ligt in de bebouwde kom van Garderen, tussen andere bebouwing en komt op dezelfde rooilijn als de beide woningen aan weerszijden. Er is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt dat aansluit op en bijdraagt aan de ontwikkeldoelen van de GO. Hiermee zijn er geen significant negatieve effecten t.o.v. de bestaande situatie. Op basis van het Ja, mits… principe zijn er daarmee geen bedenkingen tegen de realisatie van het plan.

8.5

Voorbehoud en zorgplicht

De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Algemene zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli-huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Beschermde soorten Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen, dan moeten de werkzaamheden worden stilgelegd en dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen. Er is dan overleg nodig met het bevoegd gezag.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

15

Versie: 26 maart 2021

8.6

Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen

Overigens zijn in de nieuwe woning relatief eenvoudig extra voorzieningen te realiseren voor vogels en/of vleermuizen. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kieren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. De maatregelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. De gemeente Barneveld heeft hiervoor beleid in voorbereiding. Bijvoorbeeld een speciale nestkast of plank voor gierzwaluwen (eten veel muggen). Eén of meer duurzame kasten voor vleermuizen, bij voorkeur op minimaal 3m hoog en op het noorden of oosten. Het realiseren van openingen in een dakoverstek is ook een goede maatregel. Te overwegen is langs de oost- en/of westgrens van het perceel een aantal takkenrillen re realiseren. Dat verhoogt de aantrekkingskracht voor diverse soortgroepen (vogels, insecten, zoogdieren). Bij inplanten van nieuwe struiken aansluiting zoeken bij inheemse bossoorten, zoals bijv. sporkehout, hazelaar en lijsterbes. Het aanbieden van water (vijver of drinkbak) heeft ook grote aantrekkingskracht op diverse soorten vogels.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

16

Versie: 26 maart 2021

9 Advies 

 

 

Uit oogpunt van zorgvuldig handelen de uitvoering van de werkzaamheden laten plaatsvinden buiten de broedperiode. Overigens mogen eventuele vroege of late legsels niet worden verstoord. De beste tijd voor de werkzaamheden is dan tussen juli en februari. Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten. Verblijfplaatsen van marters, uilen en vleermuizen zijn uit te sluiten. Voor aanvang van de werkzaamheden is een ontheffing Wnb soorten niet nodig. De stikstofdepositie is in de gebruiksfase niet hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. In de aanlegfase is de berekende depositie tijdelijk maximaal 0.01 mol/ha/jr op een aantal hexagonen. Dit heeft geen significant negatieve effecten. Daarmee is er geen vergunningplicht gebieden op basis van de Wnb. Het plan ligt buiten de begrenzing van het GNN en binnen de GO. Het perceel wordt landschappelijk ingepast, conform het opgestelde inpassingsplan en daarmee bijdragend aan de ontwikkeldoelen van de GO. Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

17

Versie: 26 maart 2021

10 Literatuur            

 

  

Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van & F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van natuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018

www.gegevensautoriteitnatuur.nl http://geodata2.prv.gelderland.nl/

www.infomil.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/ www.Natuurloket.nl

www.RAVON.nl

www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl

   

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeeld voorzieningen Uitdraai NDFF nabijgelegen perceel Aeriusberekening

FF Speulderbosweg 33 Garderen Mrt.21-v3.doc

18

Versie: 26 maart 2021

Bijlage 1 Overzicht situatie

GNN (groen) en Groene Ontwikkelzone (bruin)

Bijlage 2 Foto’s plangebied

Stuifzwammen

Vinken

Merel

Spreeuw

Duizendblad

Smalbladige weegbree

Witte dovenetel

Ooievaarsbek

Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving

Samenvatting Wet Natuurbescherming Versie januari 2021

Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.

Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wetten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Natuurvisie op.

Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvullende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t (medio 2019) in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.

Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provincie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daarnaast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken’. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.

Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden ingediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omgevingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2019). Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omgevingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.

Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele ontheffing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevingsvergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af.

Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)

Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvisie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming wijkt de Wet natuurbescherming af van de voorheen geldende Flora- en Faunawet. Er zijn drie beschermingsniveaus te onderscheiden, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Daarmee wijzigt ook een aantal definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk’

toegevoegd. Het opzettelijk doden, vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situatie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is.

Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbescherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algemene zorgplicht. De indeling in de Tabel 1, 2 en 3 soorten uit de Flora- en Faunawet is verdwenen. Daarvoor in de plaats kunnen de provincies een vrijstellingsverordening opstellen. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau is minder bescherming nodig. Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en strafrechtelijke verboden.

Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaardelijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bijzondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsregeling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verboden genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10. Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar.

3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn:

- in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aantoonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode.

De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorgvuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedragscode conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of beschadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alternatieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de mogelijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan.

In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur

Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur

De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Vooralsnog is de verwachting dat de indeling van de jaarrond beschermde nesten niet zal wijzigen onder de Wet natuurbescherming. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken. Verstoring

In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om nader en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).

Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).

Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebieden behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale landschappen. Deze laatste twee zijn nieuw t.o.v. de wetgeving voor 1 januari 2017. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 164 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in principe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag.

De vergunningaanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente. Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (PAS, Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen’. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=9a169920-d1ba-4e76-85e3-6f45053eb36a