Schooneng_Toelichting_Bijlage 5 Archeologisch veldonderzoek (2011)
Tekst van het document
6500 voor Chr.
RAAP-RAPPORT 2267
Plangebied Voorthuizen-Zuid
3750 voor Chr.. 37
Gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
2200 voor Chr.
700 voor Chr.
150 na Chr.
320 na Chr.
Archeologisch
Adviesbureau 250 na Chr.
1650 na Chr.
RAAP-RAPPORT 2267
Plangebied Voorthuizen-Zuid Gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
E.I. Schuurman
RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2011
Colofon Opdrachtgever: gemeente Barneveld Titel: Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) Status: eindversie Datum: 21 juli 2011 Auteur: drs. E.I. Schuurman Projectcode: BANL3 Bestandsnaam: RA2267_BANL3 Projectleider: drs. E.I. Schuurman Projectmedewerkers: D. te Kiefte, J.-E. Pruim & H. Ringenier ARCHIS-vondstmeldingsnummer: 417568 ARCHIS-waarnemingsnummer: 428715 ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 45453 Autorisatie: drs. M.L. Schabbink Bevoegd gezag: gemeente Barneveld ISSN: 0925-6229 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b 1382 LV Weesp
telefoon: 0294-491 500
Postbus 5069
telefax: 0294-491 519
1380 GB Weesp
E-mail: raap@raap.nl
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2011 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Samenvatting In opdracht van de gemeente Barneveld heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in maart 2011 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in verband met de geplande nieuwbouw ter hoogte van het plangebied Voorthuizen-Zuid in de gemeente Barneveld. Het betreft het vervolg op een eerdere fase van het inventariserende onderzoek dat bestond uit een bureauonderzoek en een booronderzoek (verkennende en karterende fase). Het primaire doel van het proefsleuvenonderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzochte gebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen. Teneinde een goed afgewogen beslissing (selectiebesluit) door het bevoegd gezag mogelijk te maken, diende het onderzoek zich tevens te richten op de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aanwezige archeologische grondsporen en resten. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische resten of grondsporen waargenomen die erop wijzen dat zich ter hoogte van het onderzochte gebied een middeleeuwse voorganger van het erf Wixeler (nu Holzenbosch) bevindt. Het lijkt erop dat de boerderij eeuwenlang op dezelfde plaats heeft gestaan.
Ook aanwijzingen voor een vindplaats uit een vroegere archeologische periode zijn niet gevonden. Ter hoogte van het plangebied zijn omvangrijke bodemverstoringen aangetroffen. Het gaat hierbij zowel om verstoringen die op grond van het vondstmateriaal gedateerd kunnen worden in de 17e en 18e eeuw als om verstoringen die zeer recent van aard zijn. In een groot deel van de proefsleuven in het oosten van het plangebied zijn greppels aanwezig, die ter ontginning van het land gediend hebben. Er zijn ook zones zonder verstoringen waargenomen; hier konden in het profiel nog restanten van een podzolbodem opgetekend worden, zoals dat overeenkomt met de resultaten van het booronderzoek. Dat de verstoringen niet zijn vastgesteld tijdens het booronderzoek heeft er mogelijk mee te maken dat het waarschijnlijk zeer lokale verstoringen betreft en verstoringen die doorgaans in een boor slecht als zodanig te herkennen zijn. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).
4
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Inhoud
Samenvatting ........................................................................................................................................ 4 1 Inleiding ............................................................................................................................................ 6 1.1 Kader ............................................................................................................................................... 6 1.2 Administratieve gegevens ................................................................................................................. 7
2 Voorgaand onderzoek .................................................................................................................. 9 3 Doel van het onderzoek ............................................................................................................ 10 4 Methoden ........................................................................................................................................ 13 5 Resultaten ...................................................................................................................................... 14 5.1 Fysisch-geografisch onderzoek ....................................................................................................... 14 5.2 Archeologie .................................................................................................................................... 18
6 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................ 28 6.1 Conclusies ..................................................................................................................................... 28 6.2 Aanbevelingen ................................................................................................................................ 29
Literatuur .............................................................................................................................................. 31 Gebruikte afkortingen ..................................................................................................................... 31 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................... 31 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................ 32 Bijlage 1. Sporenlijst ....................................................................................................................... 34 Bijlage 2. Vondstenlijst ................................................................................................................... 38
5
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
1 Inleiding
1.1 Kader In opdracht van de gemeente Barneveld heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in maart 2011 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in verband met de geplande nieuwbouw ter hoogte van het plangebied Voorthuizen-Zuid in de gemeente Barneveld (figuur 1). Het betreft het vervolg op een eerdere fase van het inventariserende onderzoek dat bestond uit een bureauonderzoek en een booronderzoek (verkennende en karterende fase). Op 169
Wilbrinksbo
at
467
467
170 tra ss en b Ru
Re mb ra
ndt stra at
N344
Voorthuizen Voorthuizen
Na ge lls tra at
466
466
Eikhorst
Bos
Ba ro n
va n
Woeste Hof
N303
465
Zeumere 465
© Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2011
Gr Sloot Zeumeren
A1
169
170
Figuur 1. Ligging van het plangebied Voorthuizen zuid (zwart omlijnd) met daarin het door middel van proefsleuven onderzochte gebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland.
6
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
grond van de resultaten daarvan werd geconcludeerd dat er mogelijk archeologische resten aanwezig zijn in een deel van het plangebied. Naar aanleiding hiervan werd aanbevolen om dit door middel van proefsleuven te laten vaststellen. Voorafgaand aan de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek is, conform de Kwaliteitsnorm voor de Archeologie (KNA; www.sikb.nl) een Programma van Eisen (PvE) opgesteld (Jager, 2010). Het veldwerk is uitgevoerd tussen 7 en 10 maart 2011. Tijdens het onderzoek is op een prettige wijze samengewerkt met de archeologisch adviseur van de gemeente Barneveld, dhr. drs. P. Schut, regioarcheoloog van De Vallei. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen te zijner tijd worden overgedragen aan het depot van de provincie Gelderland. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde geologische en archeologische perioden.
Enkele vaktermen worden achter in dit rapport beschreven (zie verklarende woordenlijst).
1.2 Administratieve gegevens Gemeente: Barneveld Plaats: Voorthuizen Plangebied: Voorthuizen-Zuid Centrumcoördinaten: 169.551/465.683 ARCHIS-vondstmeldingsnummer: 417568 ARCHIS-waarnemingsnummer: 428715 ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 45453 RAAP vindplaatsnummer: vindplaats 1 (Van der Veen & Goossens, 2010) RAAP objectnummer: BANL 1 (Van der Veen & Goossens, 2010)
7
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Geologische perioden Tijdvak
Chronozone
Archeologische perioden Datering
Datering
Tijdperk
Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C) Laat Subatlanticum
Nieuwe tijd
B
- 1650
A Laat
- 1150 na Chr.
Vol Karolingisch Merovingisch laat Merovingisch vroeg
Vroeg Subatlanticum
Laat
Romeinse tijd
Holoceen
Ottoons Vroeg
Middeleeuwen
Midden Vroeg
-0
Laat
IJzertijd
- 450 voor Chr.
Midden Vroeg Laat
Bronstijd
Subboreaal
Midden Vroeg
Neolithicum
- 3700
(Nieuwe Steentijd)
Laat Glaciaal
Preboreaal Late Dryas Allerød Vroege Dryas Bølling
Laat Vroeg
Midden
Denekamp
Vroeg Glaciaal
Pleistoceen
Weichselien Pleniglaciaal
Vroegste Dryas
- 7300
Mesolithicum
- 8700
(Midden Steentijd)
- 9700
Midden Laat Midden Vroeg
- 1500 - 1250 - 1050 - 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700
- 11.050 - 11.500
Laat
- 12.000
Jong B
- 12.500 - 13.500 - 30.500
Prehistorie
Boreaal
- 12.500 - 16.000
Jong A
- 35.000
Hengelo
- 60.000 Moershoofd Odderade
Paleolithicum (Oude Steentijd)
- 71.000
Midden Brørup
Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I Belvedère/Holsteinien Glaciaal x Holsteinien Elsterien
Laat Vroeg
Atlanticum
- 1795
- 114.000 - 126.000 - 236.000 - 241.000
- 250.000
- 322.000 - 336.000 Oud
- 384.000 - 416.000 463.000
tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2010
Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.
8
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
2 Voorgaand onderzoek In augustus 2010 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in opdracht van de gemeente Barneveld ter hoogte van het plangebied een archeologisch en cultuurhistorisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de geplande nieuwbouw van een woonwijk te Voorthuizen-Zuid. Het doel van dit onderzoek was om de geologische, bodemkundige en landschappelijke kenmerken alsmede de bekende en verwachte archeologische waarden van het plangebied te inventariseren. Uit het inventariserend veldonderzoek bleek dat zich ter hoogte van het plangebied het erf Wixeler (nu Holzenbosch) bevindt. Uit historische bronnen blijkt dat de boerderij van voor het midden van de 16e eeuw dateert. Tijdens het booronderzoek is een aantal fragmenten aardewerk aangetroffen, op basis waarvan geconcludeerd is dat ter hoogte van het plangebied al vanaf de Volle Middeleeuwen bewoning is geweest (figuur 2). Omdat het aangetroffen aardewerk niet exact gedateerd kon worden (te fragiel en zonder diagnostische kenmerken), is voor de vindplaats vooralsnog een datering vanaf de IJzertijd t/m de Nieuwe tijd aangehouden.
Op basis hiervan werd aanbevolen om in dit deel van het plangebied Voorthuizen-Zuid een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren met het doel de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventuele archeologische grondsporen/resten te bepalen teneinde de daadwerkelijke waarde van de vindplaats vast te kunnen stellen. Dit onderzoek diende plaats te vinden ter hoogte en rondom het erf Wixeler. Op grond van historisch bronnenmateriaal, landschappelijke overwegingen en archeologische vondsten die bij het booronderzoek aan het licht zijn gebracht, was de verwachting dat zich hier sporen zouden bevinden die verband houden met het historische erf. Op grond van de boorgegevens werden deze verwacht in de top van de C-horizont, die veelal onder een menglaag is aangetroffen. Op een aantal plekken wordt de C-horizont afgedekt door een restant van een podzolbodem. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de bodem tot diep in de C-horziont is verstoord en (diepere) grondsporen kunnen daarom niet worden uitgesloten. Wel wordt opgemerkt dat ook de mogelijkheid bestaat dat de boerderij al die eeuwen min of meer op dezelfde plaats heeft gestaan. In dat geval kunnen de vondsten die bij het booronderzoek zijn aangetroffen, als ‘strooivondsten’ worden beschouwd.
9
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
3 Doel van het onderzoek Het onderzoek in de vorm van proefsleuven werd aanbevolen naar aanleiding van de resultaten van het booronderzoek (zie hoofdstuk 2), met het doel te bepalen wat de aard, omvang, datering, kwaliteit en diepteligging van de mogelijk aanwezige archeologische grondsporen/resten is. De resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn bepalend voor de vraag hoe verder met deze archeologische resten dient te worden omgegaan. Indien de vindplaatsen behoudenswaardig blijken te zijn, zal moeten worden beoordeeld of deze bij de inrichting van het terrein kunnen worden ingepast. Indien een dergelijke conserverende inrichting niet mogelijk is, dan komen de vindplaatsen mogelijk voor een opgraving in aanmerking. Het voornaamste doel van het proefsleuvenonderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting met betrekking tot het onderzochte gebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen. Teneinde een goed afgewogen beslissing (selectiebesluit) door het bevoegd gezag mogelijk te maken, diende het onderzoek zicht tevens te richten op een aantal aanvullende aspecten ten aanzien van de archeologische grondsporen/resten.
In het PvE zijn hiervoor specifieke onderzoeksvragen geformuleerd die door middel van het proefsleuvenonderzoek beantwoord dienen te worden: 1.
Zijn in het onderzoeksgebied archeologische grondsporen aanwezig die (mogelijk) bedreigd worden door de herinrichting van het gebied? Zo ja:
1a. Wat is de aard en datering (periodisering) daarvan? 1b. Wat is de verspreiding daarvan? 1c. Wat is de diepteligging daarvan? 1d. Wat is de gaafheid en conservering daarvan? 1e. Is binnen de vindplaats onderscheid te maken tussen kerngebied(en) en perifere activiteiten? 2.
Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig, wat is de vondstdichtheid en hoe is de conser veringstoestand?
3.
Kunnen er structuren worden onderscheiden die verband houden met het erf Wickeler? Zo ja, kunnen er op grond van deze waarnemingen uitspraken worden gedaan omtrent de geschiedenis van het erf Wixeler (in tijd en ruimte)? Zo ja, welke zijn dat en welke betekenis kan hieraan worden toegekend?
10
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
4.
Kunnen er specifieke activiteitenzones worden onderscheiden. Zo ja, waaruit bestaan die dan?
5.
Wat is de natuurlijke bodemgesteldheid en in welke mate is het onderzoeksgebied verstoord?
6.
Is in het onderzoeksgebied vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Anders gesteld: op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische waarden te worden omgegaan?
11
465800
465700
465600
LBS1/banl3_fig2
12
169400
162 162 162 162 162 162 162
555555 33333
6666
129 129 129 129 129 129 129 129
99999
130 130 130 130 130 130 130 130
23 23 23 23 23
169500
777777
10 10 10 10 10 10
143 143 143 143 143 143 143 143
132 132 132 132 132 132 132 132
0
11 11 11 11 11 11
131 131 131 131 131 131 131 131
16 16 16 16 16 16
141 141 141 141 141 141 141 141
21 21 21 21 21 21
136 136 136 136 136 136 136 136
135 135 135 135 135 135 135 135
12 12 12
133 133 133 133 133 133 133 133
17 17 17 17 17 17
100
134 134 134 134 134 134 134 134
22 22 22 22 22 22
169600
m
142 142 142 142 142 142 142 142
138 138 138 138 138 138 138 138
200
13 13 13 13 13 13
18 18 18
137 137 137 137 137 137 137 137
1:7500
300
19 19 19 19 19 19
139 139 139 139 139 139 139 139
23 23 23 23
140 140 140 140 140 140 140 140
24 24 24 24 24 24
169700
169700
465600
161 161 161 161 161 161 161 161
222222
144 144 144 144 144 144 144 144
127 127 127 127 127 127 127 127
88888
15 15 15 15 15 15
20 20 20 20 20 20
169600
465700
160 160 160 160 160 160 160 160
111111
444444
128 128 128 128 128 128 128 128
11
14 14 14 14 14 14
169500
465800
465500
169400
boornummer
met archeologische indicator(en)
boring
55
11
overig
22 224
2011
werkputnummer
aangelegde werkput
geplande werkput
grens plangebied Colck
2 223
vindplaatsnummer
vindplaats
boerderij
verstoord
restant pleistoceen smeltwaterdal
dekzandwelvingen
dekzandvlakten
geomorfologie
53
boringen
legenda
RAAP-RAPPORT 2267
Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
465500
Figuur 2. Het plangebied met aangelegde en niet aangelegde proefsleuven geprojecteerd op de resultaten uit het karterend booronderzoek (bron: Goossens & Van der Veen, 2010).
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
4 Methoden Afwijkingen en aanpassingen van de onderzoeksstrategie Het PvE voorzag in de aanleg van zes putten ter hoogte van het huidige erf. Deze sleuven maakten uiteindelijk geen deel uit van onderhavig onderzoek, aangezien besloten werd om het gebied ter hoogte van het huidige erf in een later stadium middels een archeologische begeleiding te onderzoeken. Verder is put 5 te ver in het zuidwesten komen te liggen door een fout in het meetsysteem (figuur 2). De putten 7, 13, 18, 19, 23 en 24 zijn op grond van de resultaten uit de overige putten in overleg met dhr. P. Schut, regioarcheoloog van De Vallei, komen te vervallen. Wel is er langs de westrand van het perceel waarop de boerderij ligt een extra sleuf aangelegd (put 23). De optionele putten 1, 2 en 3 zijn niet aangelegd.
Aantal proefsleuven/proefputten en afmetingen In totaal zijn er zestien proefsleuven aangelegd met een lengte van 15 m en een breedte van 4 m, met een gezamenlijke oppervlakte van 960 m². Oorspronkelijk zou 1.260 m² aangelegd worden, hetgeen overeenkomt met een dekking van circa 3,4%. De dekking bedraagt nu circa 2,6%. Met de gehanteerde methode kunnen middelgrote vindplaatsen met een gemiddelde sporendichtheid in kaart worden gebracht (Borsboom & Verhagen, 2009).
Plaatsing van de proefsleuven De proefsleuven zijn conform het PvE in een stelsel van noord-zuid gerichte proefsleuven volgens de stippellijnmethode aangelegd. De onderlinge afstand tussen de proefsleuven en ook tussen de raaien bedroeg 30 m.
Opgravingsvlakken en profielen In alle proefsleuven is één opgravingsvlak aangelegd. Het vlak is aangelegd in de top van de ongestoorde ondergrond. De diepte van de sleuven bedroeg 0,4 tot 0,8 m -Mv. De sporen zijn in een reeks genummerd. Ook de bodemlagen zijn in een reeks genummerd, waarbij begonnen is bij spoornummer 1000. Er is in elke put aan de west- of oostzijde een profielopname met een lengte van 1 m gemaakt. De profielen zijn gefotografeerd, gedocumenteerd en, indien, relevant, getekend. Alle vlakken zijn getekend met behulp van een GPS.
Afwerking en behandeling van sporen en vondsten De grondsporen zijn ingemeten met een GPS. Vervolgens zijn enkele, waarschijnlijk niet tot grotere structuren behorende grondsporen gecoupeerd en, indien relevant, in profiel getekend.
Bemonstering Gezien de aard van de grondsporen (grotendeels bestaande uit recente verstoringen) geen aanleiding gezien om van deze monsters te nemen voor macrobotanisch onderzoek.
13
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
5 Resultaten
5.1 Fysisch-geografisch onderzoek 5.1.1 Geologie en geomorfologie Het plangebied is in de Gelderse Vallei gelegen. De Gelderse Vallei wordt aan de oostkant begrensd door de Veluwe stuwwal en aan de westzijde door de Utrechtse Heuvelrug. Vanaf beide stuwwallen zijn gedurende het Weichselien dikke pakketten met grof zand en grind in de Gelderse Vallei afgezet. Deze afzettingen betreffen smeltwaterafzettingen en variëren plaatselijk in dikte. Over deze smeltwaterafzettingen is gedurende het Laat Glaciaal een pakket dekzand afgezet. In de dekzandafzettingen kunnen naar gelang de gradiënt en ligging verschillende typen worden onderscheiden: dekzandruggen, -koppen, -welvingen, -vlakten en -laagten. Volgens de bodemkaart wordt het plangebied in het zuiden en westen gekenmerkt door beekeerdgronden (code pZg23, grondwatertrap III; Van het Loo & Kloosterhuis, 1997) en in noorden en oosten door laarpodzolgronden met zwak lemig, fijn zand en grondwatertrap VI (code cHn21). Uit het booronderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied voornamelijk deel uitmaakt van een zone met dekzandwelvingen (figuur 2). Langs de zuidrand van het plangebied liggen afzettingen die tot een dekzandvlakte behoren. In het uiterste westen kunnen de afzettingen waarschijnlijk gerelateerd worden aan een dagzomende opduiking van smeltwaterafzettingen (Goossens & Van der Veen, 2010).
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in het noorden en westen van het plangebied grindrijke afzettingen in de proefsleuven waargenomen. Aangezien het aangetroffen zand als dekzand geïnterpreteerd is, wordt aangenomen dat het hier om verspoeld dekzand gaat.
5.1.2 Bodemopbouw Tijdens het veldonderzoek zijn verschillen bodemprofielen waargenomen. In het westen van het plangebied zijn in drie werkputten (4, 5 en 9) diepe verstoringen aangetroffen die zich over de hele putlengte voortstrekken (figuur 3). De verstoring wordt gekenmerkt door een menglaag die onder de bouwvoor (Ap-horizont; dikte: 20-40 cm) is aangetroffen. De menglaag is lichtbruingeel met bruine vlekken en heeft een dikte van 20-50 cm. De aanwezigheid van grind in deze laag doet vermoeden dat het om deels opgebrachte grond gaat, die vermengd is geraakt met het cultuurdek. Onder deze menglaag zijn recente verstoringen vastgesteld in de vorm van (ontginnings)greppels en andere bodemverstoringen. Hieronder is de natuurlijke ondergrond, de C-horizont vastgesteld. Afhankelijk van de diepte van de verstoring is de top van de C-horizont aangetroffen tussen 50 en 80 cm -Mv. Ter hoogte van werkput 17 is onder de circa 25 cm dikke bouwvoor een restant van een plaggendek (Aa-horizont) waargenomen (figuur 4). Deze laag, met een gemiddelde dikte van circa 25 cm,
14
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 3. Verstoord bodemprofiel ter hoogte van werkput 5.
Figuur 4. Deels intact plaggendek zoals aangetroffen ter hoogte van werkput 17.
15
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 5. Profielopname van een AC-profiel (werkput 21).
is donkerbruingrijs van kleur, sterk humeus en bevat vlekken, wat betekent dat het dek verploegd is. Hieronder is een intact restant van de basis van het plaggendek gevonden. Deze laag is bruingrijs van kleur en circa 20 cm dik. De ongestoorde ondergrond is op een diepte van circa 70 cm -Mv vastgesteld. Vier werkputten (11, 12, 15, 21 en 22) worden gekenmerkt door een AC-profiel (figuur 5). Hier ligt de bouwvoor direct op de C-horizont, die op gemiddeld 35 cm -Mv is aangetroffen. Dergelijke profielen wijzen op bodemverstoringen door middel van afgravingen. Ter hoogte van de werkputten 15, 21 en 22 wordt het hele vlak gekenmerkt door ontginningsgreppels. Deze zijn tot in de C-horizont aangelegd en lopen tot gemiddeld 80 cm -Mv door (figuur 6). Tussen de greppels in wordt het bodemprofiel ter hoogte van deze putten gekenmerkt door een AC-profiel, waarbij de top van de C-horizont op 30-50 cm -Mv is vastgesteld. Restanten van een podzolbodem zijn ter hoogte van werkputten 6, 8, 10, 14, 16, 20 en 23 opgetekend. De profielen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een (verploegde) B- of BChorizont. Alleen ter hoogte van werkput 14 is zowel een B-horizont (inspoelingslaag) als ook een BC-horizont (overgangslaag naar de C-horizont) waargenomen (figuur 7). De restanten van de podzolbodem zijn onder de bouwvoor of onder een menglaag vastgesteld.
De B-horizont is bruin tot bruingrijs van kleur, ijzerrijk en 10-20 cm dik. De BC-horizont is geelgrijs tot grijsbruin en licht ijzerhoudend. De dikte van deze horizont is 10-20 cm. Het ongestoorde moedermateriaal is op een diepte van gemiddeld 45 cm -Mv gevonden.
16
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 6. Twee ontginningsgreppels in het profiel. Gedocumenteerd ter hoogte van werkput 22.
Figuur 7. Restant van een podzolbodem ter hoogte van werkput 14.
17
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Samengevat kan gesteld worden dat in het plangebied uiteenlopende bodemprofielen zijn aangetroffen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat bijna alle profielen het gevolg zijn van bodemverstoringen. In een aantal werkputten zijn wel restanten voor een podzolbodem waargenomen. Ter hoogte van werkput 14 is deze voor een groot deel intact. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor diepe bodemverstoringen aangetroffen. Deze zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek wel vastgesteld. Opvallend is dat geen enkele proefsleuf ter hoogte van een boring aangelegd is en er dus ook geen boring ter hoogte van een van de vastgestelde verstoringen is gezet. Het lijkt dat de verstoringen die tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn waargenomen lokaal zijn en niet zijn meegenomen in het 30 x 35 m grid waarbinnen de boringen zijn gezet. Verder zijn grootschalige verstoringen zoals ontginningsgreppels moeilijk te achterhalen in een boor; deze verstoring kan ook gezien worden als een plaggendek dat direct op de C-horizont rust. De tijdens het booronderzoek aangetroffen bodemopbouw laat wel zien dat er ter hoogte van het onderzochte gebied sprake is geweest van (landbouw)activiteiten die in ieder geval de bovengrond deels hebben verstoord (aanwezigheid van een menglaag).
Er is destijds echter geen aanleiding gezien om van diepere bodemverstoringen uit te gaan, ook omdat er op een aantal plekken aanwijzingen zijn gevonden voor een restant van een podzolbodem.
5.2 Archeologie 5.2.1 Grondsporen In de opgravingsvlakken is een grote hoeveelheid bodemverkleuringen waargenomen. In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de aantallen per categorie. In de meeste gevallen gaat het om sporen van vergravingen uit de Nieuwe tijd. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen (ontginnings)greppels, paalkuilen, kuilen, spitssporen en andersoortige vergravingen. De overige verkleu-
spoorcategorie
aantal nummers per categorie
greppel
12
kuil
6
paalkuil
33
ploegspoor
6
spitspoor
4
vervallen
1
bouwvoor, recent
2
cultuurdek
5
menglaag
4
natuurlijke laag
10
natuurlijke verstoring
2
verstoring recent
44
totaal
129
Tabel 2. Aantal sporen per categorie.
18
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 8. Vlakopname van werkput 22 met de noordoost-zuidwest georiënteerde ontginningsgreppel.
Figuur 9. Het vlak ter hoogte van werkput 21. De greppels zijn verploegd, te zien aan de banen die de greppels kruisen.
19
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
ringen betreffen natuurlijke bodemverkleuringen, veroorzaakt door bodemvorming. Er zijn geen andere archeologische grondsporen aangetroffen.
Greppels Er kan onderscheid gemaakt worden tussen ontginningsgreppels en greppels die mogelijk als perceelgrenzen gefungeerd hebben. De ontginningsgreppels zijn aangetroffen ter hoogte van de werkputten 4, 14, 15 en 20 t/m 22 en zijn over het algemeen in het hele vlak waargenomen (figuren 8 en 9). De oriëntatie van de greppel verschilt per put (kaartbijlage 1). De breedte van de greppels verschilt. Zo zijn de greppels in werkput 4 slechts 20 cm breed, terwijl er in put 22 greppels met een breedte van minimaal 80 cm zijn opgemeten. Niet alle afzonderlijke greppels zijn getekend. In kaartbijlage 1 zijn ter hoogte van de betreffende putten enkele greppels afgebeeld en is verder de zone waarin de greppels zijn aangetroffen en de oriëntatie van de greppels weergegeven. De ontginningsgreppels zijn in het verleden aangelegd om het land bruikbaar te maken voor de akkerbouw. Naast de ontginningsgreppels zijn er tien andere greppels aangetroffen. Op grond van het aangetroffen materiaal zijn deze grotendeels te dateren in de 19e en 20e eeuw. Drie greppels (S17, S21 en S48) lijken iets ouder te zijn. Hierin is materiaal waargenomen dat in de 17e en 18e eeuw gedateerd kan worden. Een aantal greppels is gecoupeerd (figuren 10 en 11; zie bijlage 1 voor de diepte). S48 in werkput 12 lijkt goed aan te sluiten op de perceelgrenzen die uit 1832 bekend zijn (figuur 12).
Ook in de werkputten 8 en 11 lijken greppels min of meer overeen te komen met oudere perceelsscheidingen.
Figuur 10. Coupe door S48, een diepe greppel in werkput 12.
20
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
169400
169450
169500
169550
169600
14
465750
465750
20
21
15
465700
465700
22
16
17 8
23
Figuur 11. Dwarsdoorsnee van S21 in werkput 6. 465650
4
9
465650
18
12
11
13 465600
465600
1
2
6
10
5 7
465550
465550
3
0
LBS1/banl3_figs 169400
169450
169500
25
50
m
1:1250
2011 169550
169600
Figuur 12. Resultaten van het proefsleuvenonderzoek op een uitsnede van de kadastrale minuut uit 1832 (bron: www.watwaswaar.nl). In blauw zijn de greppels weergegeven.
21
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 13. Vlakopname van werkput 23. Ter hoogte van het fotoboord bevindt zich S100, een greppel met een breedte van ruim 3,5 m.
Figuur 14. Coupes van drie paalkuilen die langs de greppel (S48) in werkput 12 zijn aangetroffen.
22
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Ter hoogte van werkput 23 is een greppel (S100) aangetroffen met een breedte van ruim 3,5 m (figuur 13). De greppel lijkt van het erf af te lopen. De diepte van de greppel is door middel van een gutsboring bepaald en bedraagt maximaal 80 cm onder het vlak. Op grond van het aangetroffen vondstmateriaal wordt deze greppel gedateerd in de 19e eeuw.
Paalkuilen Er zijn in totaal 33 paalkuilen opgetekend. Een aantal hiervan is gecoupeerd (figuur 14; kaartbijlage 1; voor de diepte van de paalkuilen wordt naar bijlage 1 verwezen). Op grond van de over het algemeen donkere kleur en vaak hoekige vorm van de kuilen lijkt het om recente paalkuilen te gaan. Tijdens het couperen zijn dan ook geen oudere archeologische resten aangetroffen.
Kuilen Naast paalkuilen zijn er zes kuilen waargenomen. Met uitzondering van één kuil zijn deze op grond van hun uiterlijke kenmerken of de aangetroffen vondsten in de Nieuwe tijd gedateerd. Twee kuilen zijn gecoupeerd (zie kaartbijlage 1). Dit leverde bij S12 naast fragmenten uit de 19e/20e eeuw ook een fragment aardewerk uit de Late Middeleeuwen op. Aangezien dit fragment samen met recenter materiaal aangetroffen is kan hier geen verdere betekenis aan gegeven worden. Wat de functie van de kuilen is geweest, is niet duidelijk. Het couperen van de twee kuilen leverde relatief weinig vondsten op.
Ploeg- en spitsporen Tijdens het onderzoek zijn in meerdere putten ploeg- of spitsporen aangetroffen die, evenals de ontginningsgreppels, te maken hebben met het bruikbaar maken of bewerken van het land. Deze zijn in de C-horizont aangetroffen. Er zijn geen vondsten aangetroffen, maar aangenomen mag worden dat deze sporen niet ouder zijn dan de andere sporen die in het plangebied zijn aan getroffen.
Recente verstoringen Onder deze kop vallen alle sporen die niet in de bovenstaande categorieën zijn geplaatst. Het gaat hierbij veelal om grote verstoringen waarin (veel) recent puin is aangetroffen. De verstoringen ter hoogte van de werkputten 4 en 5 hebben mogelijk te maken met de aanleg of juist ontmanteling van de spoorlijn die hier tussen 1901 en 1937 gelopen heeft.
5.2.2 Vondsten Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn 109 vondsten verzameld. Het merendeel bestaat uit aardewerk: 98 stuks. Tevens is er glas, metaal, een fragment dierlijk bot en een schelp aangetroffen (zie bijlage 2). Twee vondsten zijn komen te vervallen (vondstnummer 17). Het betreft twee concreties.
Aardewerk Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn 98 fragmenten aardewerk aangetroffen: 91 fragmenten aardewerk en zeven fragmenten bouwpuin.
23
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Het bouwpuin dateert uit de Nieuwe tijd (17e tot 20e eeuw) en is gevonden in de proefsleuven die in het westen van het plangebied het dichtst tegen het erf van de boerderij aanliggen (putten 6, 8, 9 en 23). Dit maakt het waarschijnlijk dat het puin afkomstig is van voormalige gebouwen op het erf. Aanwijzingen voor gebouwen ter hoogte van de proefsleuven zijn niet gevonden. Het betreft fragmenten puin en min of meer complete bakstenen (bijvoorbeeld vondstnr. 22). Met uitzondering van één fragment aardewerk zijn alle scherven te dateren in de Nieuwe tijd. Het aardewerk bestaat uit rood- en witbakkend aardwerk, steengoed, aardewerk met tinglazuur, porselein en industrieel wit aardewerk. Het industrieel wit aardewerk is met 36 stuks het best vertegenwoordigd. Het betreft scherven van vooral borden en kommen, maar ook bijna complete bordjes behorende bij een theeservies. De vondsten zijn vooral in het westen van het plangebied gedaan (werkputten 4, 5, 8 en 23) en ter hoogte van werkput 17 in het oosten van het plangebied. Industrieel wit aardewerk wordt vanaf de 19e eeuw geproduceerd. Er zijn acht fragmenten porselein gevonden. Het betreft onderdelen van borden en kopjes. Eén fragment lijkt afkomstig te zijn van een grote vaas. De scherf heeft een dikte van wel 1,5 cm. Al het materiaal is gedateerd in de 19e en 20e eeuw.
Van het roodbakkend aardewerk zijn in totaal 25 fragmenten aangetroffen. Het betreft grotendeels sterk gefragmenteerd materiaal, wat een verdere determinatie van het materiaal moeilijk maakt. Op een groot aantal fragmenten is de glazuur (nog) aanwezig. Er is één fragment aangetroffen dat met een gele slibboog versierd is (vondstnr. 21). Ook is er een handvat van een bakpan verzameld (vondstnr. 7). De overige fragmenten lijken afkomstig te zijn van kommen en/of schalen en borden. De datering van het roodbakkend aardewerk loopt uiteen van de 16e tot de 20e eeuw. Het is verspreid over het hele plangebied waargenomen. Er zijn in totaal negen fragmenten steengoed aangetroffen, waaronder een fragment ongeglazuurd (vondstnr. 10). Met een datering in de Late Middeleeuwen (15e eeuw) is dit de oudste vondst van het onderzoek. Het fragment is gevonden ter hoogte van werkput 9 in een kuil waarin ook roodbakkend aardwerk uit de 18/19e eeuw is aangetroffen. Het overige steengoed is geglazuurd en duidelijk van latere oorsprong. De oudere scherf is te gefragmenteerd om het aan een gebruiksvoorwerp te koppelen. De andere fragmenten zijn vermoedelijk afkomstig van kommen. Het steengoed is in het westen van het plangebied gevonden. Aardewerk met tinglazuur is vertegenwoordigd met acht scherven. Dit aardewerk komt voor met blauwe versieringen en met een bloemmotief.
Het aardwerk is sterk gefragmenteerd. Op grond van de geringe kromming van de scherven betreft het waarschijnlijk onderdelen van borden. De scherven zijn hoofdzakelijk in de 17e en 18e eeuw gedateerd. Twee fragmenten zijn met een datering in de 19e eeuw net iets jonger. Het materiaal is in het westen (werkputten 9 en 23) en in het zuiden (werkput 11) gevonden. Er zijn vijf scherven witbakkend aardwerk aangetroffen. Vier scherven hebben een gele glazuur. Zij lijken onderdeel geweest te zijn van een kopje of een kom. De vijfde scherf maakt deel uit van een bord.
24
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 15. De knoop met de afbeelding van een trein. Gevonden in werkput 4.
Metaal Tijdens de aanleg van de proefsleuven is met behulp van een metaaldetector, afgezien van een aantal recente spijkers, een stuk metaal gevonden. Het gaat om een koperen knoop met een treinafbeelding (figuur 15). Een leuke bijkomstigheid is dat de knoop in werkput 4 is aangetroffen, een van de twee sleuven die ter hoogte van de voormalige spoorlijn liggen. De knoop is afkomstig van het uniform van een machinist of conducteur.
Glas Er zijn twee fragmenten glas gevonden en drie complete flessen. De vondsten zijn alle afkomstig uit recente verstoringen. Een van de flessen is afkomstig van ‘Geels Distilleerderij De Krekel’ in Hilversum. Deze distilleerderij is in 1926 opgezet en in 1974 afgebrand. Aan de andere flessen en de twee fragmenten kan geen verdere informatie ontleend worden.
Bot Het proefsleuvenonderzoek heeft een botfragment opgeleverd. Dit is aangetroffen in werkput 4 in een recente verstoring. Het betreft het bovengewricht van een scheenbeen van een rund of paard. Het betreft vermoedelijk slachtafval. Het bot wordt in de Nieuwe tijd gedateerd. Schelp In dezelfde verstoring als het bot is ook een oester aangetroffen. Ook deze vondst kan als etensrest gezien worden, al betreft het niet alledaags voedsel.
Ruimtelijke verspreiding van de vondsten Het meeste materiaal is afkomstig uit de proefsleuven ten westen van het erf. Veel van de verstoringen hier hebben zeer waarschijnlijk te maken met de aanleg of de ontmanteling van de spoorlijn. Het geringe aantal vondsten in het overige plangebied en met name in de zone ten oosten van het plangebied doet vermoeden dat hier voornamelijk landbouwactiviteiten hebben plaatsgevonden. Dat verstoringen die met de ontginning en bewerking van het land te maken hebben (de ontginningsgreppels) vooral in de oostelijke helft te vinden zijn, bevestigen dit beeld. Op het kaartbeeld
25
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
uit 1832 is te zien dat de oostelijke helft van het plangebied in deze periode inderdaad grotendeels in gebruik is geweest als bouwland en voor een klein deel als weide. De westelijke helft van het plangebied kent een meer divers gebruik; hier was het land voor een klein deel in gebruik als bouwland, maar ook als bos, weide en heide (Goossens & Van der Veen, 2010).
5.2.3 De vindplaats Interpretatie Op basis van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat ter hoogte van het plangebied geen aanwijzingen zijn aangetroffen voor de aanwezigheid van een vindplaats rondom het historische erf Wixeler. Er zijn geen archeologische resten of grondsporen waargenomen die erop wijzen dat zich ter hoogte van het onderzochte gebied een middeleeuwse voorganger van het erf bevindt. Er is slechts één scherf uit de Late Middeleeuwen verzameld. Aangezien deze in een kuil is aangetroffen waarin zich ook materiaal uit de Nieuwe tijd bevond, kan aan deze scherf geen verdere betekenis gegeven worden. Ook aanwijzingen voor een vindplaats uit een vroegere archeologische periode zijn niet gevonden. Er zijn geen archeologische grondsporen of vondsten aangetroffen die erop wijzen dat hier al vanaf de IJzertijd bewoning heeft plaatsgevonden. Tijdens het booronderzoek is wel een aantal fragmenten aardewerk aangetroffen die gedateerd zijn in de periode IJzertijd-Middeleeuwen. Het gaat om hierbij om gruis, oftewel kleine, fragiele scherven (kleiner dan 1 cm) zonder diagnostische kenmerken die in de zeef zijn aangetroffen. Dergelijke kleine fragmenten worden tijdens proefsleuvenonderzoeken of opgravingen niet aangetroffen, aangezien het materiaal over het algemeen dan niet wordt gezeefd.
Uit de resultaten van het booronderzoek kwam al naar voren dat het plangebied grotendeels ter hoogte van dekzandwelvingen ligt. Het zuiden maakt zelfs deel uit van een dekzandvlakte. Deze gegevens zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek grotendeels bevestigd, waarbij opgemerkt wordt dat niet alleen het zuiden van het plangebied maar ook de noordelijke helft deels gekenmerkt wordt door verspoeld dekzand. In het zuiden bestaat de natuurlijke ondergrond uit sterk kleiig zand. Deze gegevens doen vermoeden dat het plangebied in het verleden minder geschikt is geweest voor (langdurige) bewoning. Het proefsleuvenonderzoek leverde geen concrete aanwijzingen voor de pleistocene smeltwaterafzettingen. Op grond van deze resultaten kan gesteld worden dat zich ter hoogte van het plangebied geen archeologische vindplaatsen bevinden. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Middeleeuwen of vroegere archeologische perioden. Het lijkt erop dat de boerderij eeuwenlang al op dezelfde plaats heeft gestaan en dat de tijdens het booronderzoek aangetroffen aardewerkfragmenten als strooivondsten beschouwd moeten worden. Het kan niet uitgesloten worden dat ter hoogte van het huidige erf nog een voorganger van het erf Wixeler schuilgaat. In 2008 heeft ter hoogte van het erf een booronderzoek plaatsgevonden (Helmich, 2008).
Tijdens het onderzoek zijn geen vondsten gedaan, maar is wel (in tegenstelling tot het aangrenzende gebied) een plaggendek vastgesteld. Door deze afdekkende laag zijn eventuele archeologische resten mogelijk goed bewaard gebleven.
26
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Gaafheid van de vindplaats In het plangebied zijn omvangrijke bodemverstoringen aangetroffen. Het gaat hierbij om verstoringen die op grond van vondstmateriaal gedateerd kunnen worden in de 17e en 18e eeuw (S14 en S17), maar ook verstoringen die zeer recent van aard zijn zoals waargenomen in de putten 4, 5 en 12. Een groot deel van de proefsleuven in het oosten van het plangebied wordt gekenmerkt door greppels die ter ontginning van het land gediend hebben. Er zijn ook zones zonder verstoringen waargenomen; hier konden in het profiel nog restanten van een podzolbodem opgetekend worden, wat overeenkomt met de resultaten van het booronderzoek. Geconcludeerd kan worden dat er grootschalige bodemverstoringen zijn geconstateerd. Als er al een vindplaats aanwezig geweest zou zijn, zou deze ter hoogte van de onverstoorde zones opgemerkt zijn of had dit moeten blijken uit het vondstenspectrum.
Conservering van de vindplaats Het vlak waarin zich archeologische grondsporen kunnen aftekenen (de top van de C-horizont) is op een diepte van 35-60 cm -Mv vastgesteld. Uitzondering hierop zijn de zones waar diepe bodemverstoringen hebben plaatsgevonden; hier is de natuurlijke ondergrond op minimaal 80 cm -Mv aangetroffen. De menglagen die verspreid over het plangebied zijn waargenomen tonen aan dat er in het verleden al diepere ploegwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Een dik plaggendek is niet aangetroffen, wat betekent dat eventuele archeologische sporen door de landbouwactiviteiten aangetast kunnen zijn. Dieper grondsporen kunnen nog wel deels intact zijn.
Waardering Aangezien in het plangebied geen vindplaats is aangetroffen, is een waardering niet zinvol.
27
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
6 Conclusies en aanbevelingen
6.1 Conclusies Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek in het plangebied Voorthuizen-Zuid in de gemeente Barneveld is vastgesteld dat er geen sprake is van een vindplaats. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een middeleeuwse voorganger van het erf Wixeler. De boerderij ligt mogelijk al eeuwenlang op de huidige locatie. Een eventuele middeleeuwse voorganger moet dan ook gezocht worden ter hoogte van het huidige erf. De afwezigheid van grondsporen en vondsten uit vroegere archeologische perioden doen vermoeden dat het plangebied tot op heden nog geen bewoning heeft gekend. Op de specifieke onderzoeksvragen in het PvE worden de volgende antwoorden gegeven: 1. Zijn in het onderzoeksgebied archeologische grondsporen aanwezig die (mogelijk) bedreigd worden door de herinrichting van het gebied? Nee, er zijn geen archeologische grondsporen aangetroffen die bedreigd worden door de herinrichting van het gebied. Alle grondsporen die zijn aangetroffen, zijn te dateren in de Nieuwe tijd en hebben grotendeels te maken met de activiteiten rondom het erf. In het westen van het plan gebied zijn verstoringen aangetroffen die te maken hebben met de spoorlijn, die hier tussen 1901 en 1937 heeft gelopen. In het oosten van het plangebied zijn sporen aangetroffen die vooral te maken hebben met de ontginning of gebruik van het land.
Aangezien er geen archeologische grondsporen zijn aangetroffen, vervallen de onderzoeksvragen 1a t/m 1e. 2. Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig, wat is de vondstdichtheid en hoe is de conserveringstoestand? Tijdens het onderzoek zijn verschillende materiaalcategorieën verzameld. Het betreft aardewerk, glas, metaal, bot en een schelp. Met uitzondering van een scherf zijn alle vondsten in de Nieuwe tijd gedateerd. Een scherf steengoed wordt gedateerd in de Late Middeleeuwen. De conserveringstoestand van al het vondstmateriaal is goed. 3. Kunnen er structuren worden onderscheiden die verband houden met het erf Wickeler? Zo ja, kunnen er op grond van deze waarnemingen uitspraken worden gedaan omtrent de geschiedenis van het erf Wixeler (in tijd en ruimte)? Zo ja, welke zijn dat en welke betekenis kan hieraan worden toegekend? Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn o.a. (ontginnings)greppels, paalkuilen, kuilen en ploegsporen gevonden. Het grootste deel van deze sporen lijkt verband te houden met activiteiten rondom het erf Wixeler (nu Holzenbosch) in de Nieuwe tijd. In werkput 12 is een greppel vastge-
28
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
steld die overeen lijkt te komen met een perceelsgrens opgetekend in 1832. Ook ter hoogte van de putten 8 en 11 lijken greppels min of meer overeen te komen met de perceelsscheidingen van destijds. 4. Kunnen er specifieke activiteitenzones worden onderscheiden. Zo ja, waaruit bestaan die dan? Aangezien het vondstmateriaal vooral ten westen van het erf is aangetroffen, is het waarschijnlijk dat dit deel van het plangebied intensiever is gebruikt met betrekking tot de dagelijkse activiteiten rondom het erf. De aanwezigheid van esgreppels in een groot aantal proefsleuven in het oosten van het plangebied wijst erop dat dit deel van het plangebied vooral onderhavig is geweest aan landbouwactiviteiten. Het historische kaartbeeld uit 1832 lijkt dit gebruik te bevestigen. 5. Wat is de natuurlijke bodemgesteldheid en in welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? Verspreid over het plangebied zijn diepe bodemverstoringen vastgesteld die tot in de natuurlijke ondergrond doorlopen. Ook zijn er aanwijzingen voor vergravingen waargenomen. Ter hoogte van een aantal werkputten is een AC-profiel opgetekend. Ook is er in meerdere werkputten een menglaag vastgesteld. Een aantal profielen wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een (restant van een) podzolbodem in de vorm van een B- en/of BC-horizont.
Op enkele plekken wordt de natuurlijke ondergrond gekenmerkt door verspoeld dekzand, wat erop wijst dat er in het verleden relatief natte omstandigheden hebben geheerst. In het zuiden van het plangebied bestaat de natuurlijke ondergrond uit kleiig zand. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor diepe bodemverstoringen aangetroffen. Het lijkt erop dat de verstoringen die tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn waargenomen lokaal van aard zijn en in het gehanteerde boorgrid zijn gemist, Grootschalige verstoringen zoals de ontginningsgreppels zijn doorgaans lastig vast te stellen in de boor. Er zijn wel aanwijzingen gevonden dat de bovengrond onderhevig is geweest aan (landbouw)activiteiten in het verleden, maar de interpretatie van de boorgegevens was zodanig dat niet uitgesloten kon worden dat zich ter hoogte van het onderzochte gebied nog (intacte) grondsporen zouden kunnen bevinden. 6. Is in het onderzoeksgebied vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Anders gesteld: op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische waarden te worden omgegaan? Ter hoogte van het plangebied wordt op grond van de onderzoeksresultaten geen noodzaak gezien voor een vervolgonderzoek.
Er zijn geen archeologische grondsporen aangetroffen of andere archeologische resten die erop wijzen dat zich ter hoogte van het plangebied de middeleeuwse voorganger van het erf Wixeler bevindt. Ook de aanwezigheid van een vindplaats uit een vroegere archeologische periode wordt zeer onwaarschijnlijk geacht.
6.2 Aanbevelingen Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van waardevolle archeo logische resten in het onderzoeksgebied. Derhalve wordt vanuit archeologisch oogpunt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Ter hoogte van het erf kunnen nog wel archeologische resten worden aangetroffen die in direct verband staan met een voorganger van het huidige erf. Deze
29
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
mogelijke resten zullen in een later stadium tijdens een archeologische begeleiding onderzocht worden. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).
30
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Literatuur Borsboom, A.J. & J.W.H.P. Verhagen, 2009. KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek, deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). KNA Leidraad, Gouda. Goossens, E. & S. van der Veen, 2010. Plangebied Voorthuizen Zuid, gemeente Barneveld: archeologisch vooronderzoek: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek: verkennende en karterende fase. RAAP-rapport 2193. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Helmich, C., 2008. Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Baron van Nagell 49 te Voorthuizen. Becker & Van der Graaf-rapport. Becker & Van der Graaf, Zevenaar. Jager, S.W., 2010. Programma van Eisen proefsleuven en archeologische begeleiding sloop voormalige boerderij locatie Wixeler, gemeente Barneveld. RAAP-PvE 888. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Loo, van het H. & J.L. Kloosterhuis, 1997. Bodemkaart van Nederland 1:50 000, blad 32 Amersfoort Oost. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen.
Gebruikte afkortingen ARCHIS
ARCHeologisch Informatie Systeem
GPS
Global Positioning System
KNA
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
-Mv
beneden maaiveld
NAP
Normaal Amsterdams Peil
PvE
Programma van Eisen
S
spoornummer
Verklarende woordenlijst AC-profiel Bodemprofiel waarin een humusrijke A-horizont direct gelegen is op het ongeroerde moedermateriaal (C-horizont). afzetting Neerslag of bezinking van materiaal. cultuurdek 30 tot 50 cm dikke cultuurlaag (bodemhorizont met sporen van menselijke activiteiten maar zonder duidelijke bewoningssporen), soms opgebracht, soms ontstaan door diepploegen.
31
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
dagzomen Aan de oppervlakte komen, zichtbaar worden van gesteenten (met inbegrip van zand, klei, etc.). dekzand Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Saalien: Formatie van Eindhoven; Weichselien: Formatie van Twente). eerdgrond Donkere, min of meer rulle grond, met organische en anorganische bestanddelen. grondspoor Alle door de mens veroorzaakte veranderingen van de oorspronkelijke bodemopbouw, zoals verstoringen (kuilen) of toevoegingen (ophogingen). grondwatertrap Traject tussen de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand. horizont Een bodemlaag waarin zich bepaalde bodemkundige processen afspelen. leem Grondsoort die wordt gekenmerkt door een hoog siltgehalte (bodemdeeltjes tussen 0,002 en 0,05 mm). podzol Bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (B-horizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vorming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd. smeltwater Water dat ontstaat bij smelting van sneeuw en van gletsjerijs. stuwwal (bekken) Door de druk van het landijs in het Saalien opgedrukte rug van scheefgestelde preglaciale sedimenten. vindplaats Plaats waar archeologisch materiaal is verzameld of te verzamelen is.
Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen Figuur 1. Ligging van het plangebied Voorthuizen zuid (zwart omlijnd) met daarin het door middel van proefsleuven onderzochte gebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland. Figuur 2. Het plangebied met aangelegde en niet aangelegde proefsleuven geprojecteerd op de resultaten uit het karterend booronderzoek (bron: Goossens & Van der Veen, 2010). Figuur 3. Verstoord bodemprofiel ter hoogte van werkput 5. Figuur 4. Deels intact plaggendek zoals aangetroffen ter hoogte van werkput 17. Figuur 5. Profielopname van een AC-profiel (werkput 21). Figuur 6. Twee ontginningsgreppels in het profiel. Gedocumenteerd ter hoogte van werkput 22. Figuur 7. Restant van een podzolbodem ter hoogte van werkput 14.
32
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Figuur 8. Vlakopname van werkput 22 met de noordoost-zuidwest georiënteerde ontginningsgreppel. Figuur 9. Het vlak ter hoogte van werkput 21. De greppels zijn verploegd, te zien aan de banen die de greppels kruisen. Figuur 10. Coupe door S48, een diepe greppel in werkput 12. Figuur 11. Dwarsdoorsnee van S21 in werkput 6. Figuur 12. Resultaten van het proefsleuvenonderzoek op een uitsnede van de kadastrale minuut uit 1832 (bron: www.watwaswaar.nl). In blauw zijn de greppels weergegeven. Figuur 13. Vlakopname van werkput 23. Ter hoogte van het fotoboord bevindt zich S100, een greppel met een breedte van ruim 3,5 m. Figuur 14. Coupes van drie paalkuilen die langs de greppel (S48) in werkput 12 zijn aangetroffen. Figuur 15. De knoop met de afbeelding van een trein. Gevonden in werkput 4. Tabel 1.
Geologische en archeologische tijdschaal.
Bijlage 1. Sporenlijst. Bijlage 2. Vondstenlijst. Kaartbijlage 1. Resultaten proefsleuvenonderzoek.
33
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Bijlage 1. Sporenlijst gebruikte codes in tabel: textuur: KS4 = klei uiterst siltig; Z = Zand; Zs1 = zand zwak siltig; Zs2 = zand matig siltig; Zs3 = zand sterk siltig; ZS4 = zand uiterst siltig mediaan: - = niet van toepassing; MF = matig fijn; ZF = zeer fijn bijmenging humus: - = geen bijmenging; h1 = zwak humeus; h2 = matig humeus; h3 = sterk humeus ijzer: - = geen bijmengsels; FE1 = enkele Fe-vlekken; FE2 = veel Fe-vlekken Spoor
Put
Vlak
Vorm
Gecou-
Vorm
peerd
coupe
Diepte
Interpretatie
Begin-
Eind-
datering
datering
Textuur
Mediaan
Bijmen-
Kleur
Gevlekt
IJzer
ging
1
20
1
onregelmatig
J
hoek
4
greppel
ZS1
MF
h1
bruingrijs
1
20
1
onregelmatig
J
hoek
4
greppel
ZS1
MF
-
grijsbruin
1
20
1
onregelmatig
J
hoek
4
greppel
ZS1
MF
H1
grijsbruin
2
8
1
langwerpig/lineair
J
hoek
34
greppel
ZS1
MF
h1
bruingrijs
lichtbruin
-
2
8
1
langwerpig/lineair
J
hoek
34
greppel
ZS1
MF
-
bruin
DYU
-
3
8
1
langwerpig/lineair
N
greppel
RECENT
Z
MF
h2
bruingrijs
lichtbruin
-
4
8
1
ovaal
N
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
NT
Zs1
MF
h2
donkergrijs
bruin
-
5
8
1
ovaal
N
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
NT
Zs1
MF
h2
donkergrijs
lichtbruin
-
6
8
1
ovaal
J
hoek
8
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
NT
Zs2
MF
h3
donkergrijs
donkerbruin
-
7
8
1
rond
J
hoek
6
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
NT
Zs2
MF
h3
donkergrijs
donkerbruin
-
8
5
1
langwerpig/lineair
N
greppel
Zs2
MF
h1
donkerbruingrijs
9
4
1
rechthoekig
N
spitspoor
Zs1
MF
-
donkergrijs
10
4
1
langwerpig/lineair
N
ploegspoor
Zs2
MF
h1
donkerbruingrijs
11
9
1
rond
N
kuil
ZS1
MF
-
bruingrijs
lichtgrijs
FE1
12
9
1
rond
J
kuil
ZS2
MF
h2
bruingrijs
donkerbruin
FE1
13
9
1
langwerpig/lineair
N
verstoring recent
ZS1
MF
-
bruingrijs
donkerbruin
FE1
14
9
1
onregelmatig
N
verstoring recent
ZS1
MF
-
zwart
15
9
1
langwerpig/lineair
N
verstoring recent
ZS1
MF
-
bruingrijs
lichtbruingrijs
FE1
16
9
1
langwerpig/lineair
N
verstoring recent
ZS1
MF
-
lichtbruin
donkerbruingrijs
FE2
17
9
1
rechthoekig
J
hoek
-4
verstoring recent
NT
ZS1
MF
-
lichtbruin
bruin
FE1
18
6
1
ovaal
J
onr
-2
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
NT
ZS1
MF
-
grijsbruin
lichtgrijs
-
19
6
1
ovaal
J
kom
-1
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
NT
ZS1
MF
-
grijsbruin
-
20
6
1
ovaal
N
verstoring recent
ZS1
MF
-
donkerbruingrijs
-
21
6
1
onregelmatig
J
greppel
ZS1
MF
-
donkerbruingrijs
-
22
6
1
ovaal
N
kuil
ZS1
MF
-
bruingrijs
lichtbruingrijs
FE2
23
6
1
rond
N
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
ZS1
MF
-
bruingrijs
lichtgrijs
-
24
6
1
onregelmatig
N
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
ZS1
MF
-
bruingrijs
lichtgrijs
FE1
25
10
1
rechthoekig
J
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
Zs3
MF
-
grijs
lichtgrijs
FE1
26
10
1
rechthoekig
N
paalkuil: grondspoor kuil voormalige paal
Zs3
MF
-
grijs
lichtgrijs
FE1
27
10
1
onregelmatig
J
kom
3
kuil
KS4
-
-
donkergrijs
28
11
1
langwerpig/lineair
J
kom
-1
spitspoor
ZS2
MF
-
lichtgeelbruin
kom
-4
kom
-2
hoek
-3
34
NT
lichtgrijs
-
FE1 lichtbruin
-
-
FE1 bruingrijs
FE1
RAAP-RAPPORT 2267 Plangebied Voorthuizen-Zuid, gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven)
Spoor
Put
Vlak
Vorm
Gecou-
Vorm
peerd
coupe
29
11
1
vierkant
N
30
11
1
langwerpig/lineair