CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Schooneng_Toelichting_Bijlage 33 Quickscan ecologie Schoonengweg (2019)

Gemeenteraad 29 mei 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Schooneng (Voorthuizen)7.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming

Schoonengweg te Voorthuizen

Rapportnummer: Status rapport: Datum rapport:

20190461/rap01 versie 1 29 mei 2019

Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:

Bastiaan van de Wetering Pim Godschalk Pim Godschalk

Opdrachtgever:

De Bunte Vastgoed Oost bv T.a.v. de heer E. Prosman Amsterdamseweg 34a Postbus 8029 6710 AA EDE

Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 1 1.2 Wet natuurbescherming ................................................................................................................. 1 1.2.1 Soortenbescherming ................................................................................................................ 1 1.2.2 Bescherming Natura 2000-gebieden ....................................................................................... 2 1.2.3 Bescherming houtopstanden ................................................................................................... 2 1.3 Overige gebiedenbescherming ...................................................................................................... 2 1.4 Doel ................................................................................................................................................ 3 1.5 Kwaliteitsborging ............................................................................................................................

3 1.6 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 3 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ........................................................................................... 4 2.1 Beschrijving huidige situatie .......................................................................................................... 4 2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie ...................................................................................... 5 3 METHODE ............................................................................................................................................ 6 3.1 Opzet onderzoek ............................................................................................................................ 6 3.2 Literatuuronderzoek ....................................................................................................................... 6 3.3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 6 4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK ....................................................................

9 4.1 Flora ............................................................................................................................................... 9 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) ....................................................... 9 4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) .................... 9 4.4 Algemene broedvogels ................................................................................................................ 10 4.5 Vleermuizen ................................................................................................................................. 10 4.6 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 11 4.7 Amfibieën ..................................................................................................................................... 11 4.8 Reptielen ...................................................................................................................................... 11 4.9 Vissen .......................................................................................................................................... 12 4.10 Vlinders, libellen en overige ongewervelden .............................................................................

12 4.11 Samenvatting resultaten ............................................................................................................ 12 5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN .................................................................................... 13 5.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 13 5.2 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) ........................................................ 13 5.3 Algemene broedvogels ................................................................................................................ 13 5.3.1 Effecten .................................................................................................................................. 13 5.3.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 13 5.4 Vleermuizen ................................................................................................................................. 14 5.4.1 Effecten ..................................................................................................................................

14 5.4.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 14 5.5 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 14 5.5.1 Effecten .................................................................................................................................. 14 5.5.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 14 5.6 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) ................................................... 14 6 GEBIEDENBESCHERMING .............................................................................................................. 16 6.1 Natura 2000 ................................................................................................................................. 16 6.2 Planologische gebiedenbescherming .......................................................................................... 17 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.............................................................................................. 18 7.1 Soortenbescherming ....................................................................................................................

18 7.2 Gebiedenbescherming ................................................................................................................. 19

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De Bunte Vastgoed heeft het voornemen om een grasland en paardenweide bouwrijp te maken ten behoeve van de dorpsuitbreiding van Voorthuizen. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. 1.2 Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1.

Vrijstelling binnen provincie Gelderland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Gelderland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, en woelrat (bron: Wijziging Omgevingsverordening Gelderland vanwege vaststelling Natuurparagraaf, d.d. 27 januari 2017). Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding).

Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen.

1

In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a. opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 1 van 19

Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Gelderland, de uitvoerende instantie is de provincie zelf). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats)? • Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 Bescherming Natura 2000-gebieden Via de Wnb is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De gebiedenbescherming houdt samengevat in dat een ingreep geen significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten van Natura 2000-gebieden mag hebben. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: •

Bij plannen op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden kunnen nadelige effecten optreden door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van 0,05 mol/ha/jr is meldings- of vergunningplichtig.

•

Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).

1.2.3 Bescherming houtopstanden Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 rijen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is. Voor dit project is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden niet van toepassing. 1.3 Overige gebiedenbescherming Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd.

Naast de bescherming van het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden (ook wel belangrijke weidevogelgebieden, weidevogelleefgebieden en weidevogelkerngebieden genoemd) aangewezen. Binnen dergelijke gebieden geldt doorgaans (evenals het geval is voor het NNN) het Nee, tenzij-regime. Voor dit project is de bescherming van weidevogelgebieden niet van toepassing, aangezien binnen de provincie Gelderland geen belangrijke weidevogelgebieden zijn aangewezen.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 2 van 19

1.4 Doel De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb (soortenbescherming en bescherming Natura 2000gebieden) of planologische gebiedenbescherming optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk 2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming (voortoets, verslechteringstoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzij-toets) noodzakelijk? 1.5 Kwaliteitsborging De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB.

De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. 1.6 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. In hoofdstuk 3 wordt de methode, waarop een quickscan soortenbescherming wordt uitgevoerd, beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.4) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.

2

In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 3 van 19

2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Beschrijving huidige situatie Het plangebied is gelegen ten zuiden van het dorp Voorthuizen, grenzend aan de bebouwde kom. Het plangebied bestaat uit twee graslanden. Het westelijke grasland doet dienst als productiegras het oostelijke grasland omvat een paardenweide. De graslanden worden aan de zuidzijde omzoomd door een bomenrij bestaande uit elzen. Deze bomen bevatten geen holtes of grote nesten. De bomen aan die kant van het plangebied vormen geen gesloten lijnvormig element op zich, maar vormen wel onderdeel van het lijnvormig element aan de zuidzijde van de Schoonengweg. Tussen de twee graslanden bevindt zich een smalle bosschage met enkele bomen en struiken. Aan de oostzijde van het plangebied zijn twee gebouwen aanwezig welke beiden dienst doen als paardenstal. Eén gebouwtje is een kleine, houten, enkelwandige paardenstal met een dak van golfplaten. De andere paardenstal is groter, bevat meerdere boxen en een halfopen zolder. In deze stal is een steenuilkast aanwezig. De dakrand is van hout en bevat een holle ruimte. De nok van het gebouw is open en is een smalle toegang naar de binnenzijde van het gebouw. Aan de zuidzijde van het plangebied loopt een greppel welke ten tijde van de quickscan droog stond. De greppel is niet permanent watervoerend en loopt alleen bij zware regenbuien vol water.

Binnen het plangebied is alleen verlichting van de omgeving aan de randen. Rondom de paardenstallen zijn enkele lampen aanwezig.

Figuur 2-1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) met aan de zuidzijde de doorlopende bomenrij. (bron: google.nl/maps)

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 4 van 19

Figuur 2-2. Huidige situatie plangebied met op de foto linksboven het bosje in het midden van het plangebied. De foto rechtsboven toont het productiegrasland. De foto linksonder toont de grote paardenstal met de houten dakrand onder de golfplaten en de foto rechtsonder toont de paardeweide met op de achtergrond de bebouwing van Voorthuizen.

2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie Om het terrein bouwrijp te maken worden de aanwezige bomen en struiken verwijderd. Het grasland wordt gemaaid en afgegraven. De aanwezige kleine stal en grote stal worden gesloopt en afgevoerd. De bomenrij aan de zuidzijde van het plangebied die onderdeel uitmaakt van de beplanting van de Schoonengweg blijft behouden. In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht als woonwijk. De planning van de werkzaamheden is nog niet bekend.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 5 van 19

3 METHODE 3.1 Opzet onderzoek Een quickscan Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) is een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn in de regel 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig.

3.2 Literatuuronderzoek Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnbbeschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Ten aanzien van flora is een zoekgebied van circa 10 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. Voor fauna is een zoekgebied van circa 3 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. De NDFF is geraadpleegd op 1 mei 2019. Hierbij zijn waarnemingen tot 3 jaar terug ingezien. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit projecten van ATKB in de omgeving (projecten: 20150301, 20170372 en 20181155) en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). 3.3 Veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 2 mei 2019 is het veldbezoek uitgevoerd; hierbij was sprake van bewolkte, met een windkracht van weersomstandigheden. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten.

Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen). De bepaling van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd: Flora Het plangebied wordt beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten. Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar).

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 6 van 19

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek bepalen we of in het plangebied vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast wordt gezocht naar sporen van jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte wordt beoordeeld of het plangebied mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt. Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort.

Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of in het plangebied nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast zoeken we ook naar sporen van deze nesten, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen op de grond of muren, territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of binnen het plangebied broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals winterkoning, heggenmus en vink. Tevens letten we op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen wordt bepaald of gebouwen en/of bomen in het plangebied geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: Gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren.

Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen van binnen geïnspecteerd; Boombewonende vleermuizen (o.a. ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen worden met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken. Tevens wordt tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij wordt bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens wordt (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte wordt bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, wordt tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 7 van 19

Grondgebonden zoogdieren Het gebied wordt beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij wordt gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens worden eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt. Bij aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat wordt direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat wordt (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.).

Vissen Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of oppervlaktewater (indien aanwezig) geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij wordt gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie. Bij ogenschijnlijke geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen). Hierbij wordt o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek wordt direct gelet op aanwijzingen van gebruik van het plangebied door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen). Bij aanwezigheid van potentieel geschikte watergang/poel (voor beschermde libellen, waterkevers en platte schijfhoren) wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 8 van 19

4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK 4.1 Flora Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: glad biggenkruid, grote leeuwenklauw, kartuizer anjer, korensla, lange zonnedauw, rozenkransje, smalle raai en spits havikskruid. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied intensief beweid wordt, er sprake is van regelmatig gemaaid grasland en er is sprake van overschaduwing aan de randen . Hierdoor is het ongeschikt als groeiplaats voor beschermde vaatplanten. 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 broedvogels) voorkomen: buizerd, gierzwaluw, huismus, kerkuil, ooievaar, steenuil, roek en sperwer. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van bebouwing met dakpannen/golfplaten met geschikte kieren ongeschikt is als broedplaats voor huismus en gierzwaluw. Door het ontbreken van grote nesten op gebouwen of grote nesten in bomen is het plangebied ongeschikt als broedplaats voor buizerd, ooievaar, roek en sperwer. Door het ontbreken van een grote invliegopening en/of geschikte broedplaats in de beide paardenstallen zijn deze ongeschikt als broedplaats voor kerkuil.

Buiten het plangebied zijn aan de rand van de bebouwing wel enkele huismussen gehoord, gezien de aanwezigheid van de vele tuinen met dichte struiken (conifeer en laurierkers) wordt het gebruik van de struiken binnen het plangebied als essentiële rustplaats uitgesloten. Door het ontbreken van holtes in de kleine paardenstal is deze ongeschikt als broedplaats voor steenuil. De grote paardenstal heeft potentie als broedplaats voor steenuil. Volgens de eigenaar van de paardenstal, rommelde de steenuil in de open nok van de paardenschuur, maar is het nooit tot broeden gekomen. De balken hebben een open structuur wat het als nestplaats ongeschikt maakt. De steenuilkast bevatte veel spinrag voor de invliegopening, wat wijst op een langdurige leegstand. Verder is de schuur klein en wordt deze dagelijks gebruikt door de paardenverzorg(st)ers, waardoor verstoring vaak optreedt. Tevens zijn onder de nok geen braakballen of poepsporen gevonden wat erop wijst dat de steenuil geen vaste rustplaats heeft. Rondom de bouwlamp aan de zijkant van de schuur zijn wel enkele poepsporen gevonden. Mogelijk is de schuur onderdeel van het territorium van de steenuil aan de Zeumerseweg (onderzoek ATKB, project 20181155, afstand 450 meter) en mogelijk is de lamp ooit gebruikt als roepplaats.

Tijdens het onderzoek naar steenuilen dat aansluitend is uitgevoerd op 200 meter van het plangebied (in 2019), aan de Schoonengweg nummer 8 is geen (roep)activiteit waargenomen vanuit het plangebied. We concluderen op basis van voorgaande dat het plangebied geen essentieel onderdeel vormt van het leefgebied van de steenuil, maar hooguit incidenteel wordt bezocht. Deze soort wordt daarom verder niet behandeld in deze quickscan. 4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) voor (kunnen) komen: boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, ekster, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte roodstaart. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van holtes in bomen en oevers ongeschikt is als broedplaats voor broedvogels met niet-jaarrond beschermd nesten. De paardenstallen zijn onder de nok wel geschikt als broedplaats voor boerenzwaluw (sporen van een oud nest aangetroffen). De bomen binnen het plangebied kunnen in de toekomst gebruikt worden als nestplaats voor ekster en zwarte kraai. Al zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten van zwarte kraai en ekster aangetroffen.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 9 van 19

4.4 Algemene broedvogels Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: vink, winterkoning, grasmus, meerkoet en kauw. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bomen en bosschages binnen het plangebied geschikt zijn als broedplaats voor soorten als houtduif, tjiftjaf en merel. 4.5 Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Uit het veldonderzoek blijkt dat door het ontbreken van boomholtes het plangebied ongeschikt is voor boombewonende vleermuizen. De paardenstallen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen door het ontbreken van binnenbeplating onder het golfplaten daken en het ontbreken van een spouwmuur. Tevens is de stal ongeschikt voor vrijhangende soorten zoals laatvlieger en gewone grootoorvleermuis door de frequente aanwezigheid van mensen. De houten betimmering aan de zijkant van de grote paardenstal bevat een holle ruimte, maar deze is ongeschikt als verblijfplaats. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bomenrij op de zuidelijke rand van het plangebied, parallel aan de Schoonengweg, onderdeel uitmaakt van een lijnvormig element.

Uit het nader onderzoek wat uitgevoerd is aan de Schoonengweg nummer 6 is gebleken dat de bomenrij aan de zuidzijde van het plangebied essentieel is als vliegroute voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Aangezien deze bomen behouden blijven, treden geen nadelige effecten op ten aanzien van het verdwijnen of ongeschikt maken van een vliegroute of foerageergebied van vleermuizen. Het grasland is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Echter door het ontbreken van structuur in het grasland (en dus een laag insectenaanbod) zal geen sprake zijn van essentieel foerageergebied. De omliggende tuinen en bomenrijen, vormen voldoende alternatief foerageergebied (zie figuur 4-1).

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 10 van 19

Figuur 4-1: De omgeving biedt, ten opzichte van het plangebied (geel omlijnd), voldoende alternatief foerageergebied in de vorm van tuinen, openbaar groen en bomenrijen (rood). (bron: PDOK)

4.6 Grondgebonden zoogdieren Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: boommarter, das, eekhoorn, hermelijn, wezel en steenmarter. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door de ligging tegen de bebouwde kom, waar de greppels in uitlopen, ongeschikt is als primaire verbindingsroute voor boommarter, das, wezel, hermelijn of steenmarter. Door het ontbreken van holtes en nesten in bomen en holtes in de grond zijn verblijfplaatsen van boommarter, das en eekhoorn uitgesloten. De steenmarter wordt gezien het ontbreken van uitwerpselen, lage toegangen zoals kapotte deuren en ramen niet verwacht in de kleine en de regelmatig gebruikte paardenstal. De houtstapels en rommelhoeken nabij de paardenstal vormen echter wel een geschikte verblijfplaats voor bunzing, wezel en hermelijn. 4.7 Amfibieën Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de heikikker als beschermd amfibie voor (kan) komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van kleine waterpartijen ongeschikt is als voorplantingshabitat voor de heikikker. Door het ontbreken van bos(achtige omgeving) is een winterverblijf binnen het plangebied uitgesloten.

4.8 Reptielen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde reptielen voor (kunnen) komen: levendbarende hagedis en muurhagedis. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van dood hout en structuurrijke vegetaties ongeschikt is voor levendbarende hagedis.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 11 van 19

Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de muurhagedis door het ontbreken van ophopingen van stenen (bovendien zijn de waarnemingen in de omgeving alleen afkomstig van een uitgezette populatie bij Barneveld). 4.9 Vissen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissen voor komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat door het ontbreken van watergangen, beschermde vissen binnen het plangebied ook niet worden verwacht. 4.10 Vlinders, libellen en overige ongewervelden Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelden voor komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door de monotone graslanden ongeschikt is als leefgebied voor beschermde ongewervelden. Deze soortgroep stelt vaak hoge specifieke eisen aan zijn leefgebied. 4.11 Samenvatting resultaten In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuur- en veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied. Tabel 4-1. Mogelijk aanwezige beschermde soorten. (Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Soortgroep Ja

Nee

Flora

x

Broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)

x

Broedvogels niet jaarrond, inventarisatie gewenst beschermd (cat. 5)

x

Algemene broedvogels

x

Vleermuizen (vliegroute)

x

Vleermuizen (verblijfplaatsen en foerageergebied) Zoogdieren (grondgebonden)

x x

Amfibieën

x

Reptielen

x

Vissen

x

Vlinders, libellen en overige ongewervelden

x

Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Gelderland) van bescherming vrijgestelde soorten. Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen flora, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 12 van 19

5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN 5.1 Inleiding De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.5 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.11) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.6 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven. 5.2 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Het plangebied is geschikt voor boerenzwaluw, deze soort kan nesten maken aan de houten aftimmering van de paardenstallen. De bomen zijn geschikt als nestplaats voor ekster en zwarte kraai. Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland.

Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.3. 5.3 Algemene broedvogels 5.3.1 Effecten De bosschages binnen het plangebied zijn geschikt als broedplaats voor soorten zoals: houtduif, tjiftjaf en merel. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb echter wel overtreden. 5.3.2 Maatregelen Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -

Werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 13 van 19

-

Indien de werkzaamheden in het reguliere broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o

voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Dit is vooral van toepassing als langdurig werkzaamheden in het reguliere broedseizoen worden uitgevoerd.

5.4 Vleermuizen 5.4.1 Effecten Uit het nader onderzoek wat uitgevoerd is aan de Schoonengweg nummer 6 is gebleken dat de bomenrij aan de zuidzijde van het plangebied essentieel is als vliegroute en foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Tijdens langdurige bouwprojecten, is licht consequent aanwezig op de bouwplaats. Aangezien de vliegroute tegen het plangebied aan ligt, kan verstoring door licht optreden. 5.4.2 Maatregelen Om te voorkomen dat de vliegroute ongeschikt wordt door verstoring van licht, moeten gebruik gemaakt worden van gerichte armaturen welke geen uitstraling veroorzaken naar de omgeving. Hiervoor kunnen langs de bomenrij rode bouwlampen gebruikt worden om de verstoring van licht tot het minimum te beperken. 5.5 Grondgebonden zoogdieren 5.5.1 Effecten Het plangebied kan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor bunzing, wezel en hermelijn. Het grasland en de greppels vormen geschikt foerageergebied. Als gevolg van het verwijderen van de houtstapels en de rommelhoekjes en de voorgenomen bebouwing worden mogelijke verblijfplaatsen vernietigd en gaat essentieel leefgebied verloren. Hierdoor is sprake van overtreding van de Wnb (artikel 3.10). 5.5.2 Maatregelen Om vast te stellen of de houtstapels en overige elementen in gebruik zijn door de kleine marterachtigen, dient een nader onderzoek plaats te vinden.

Zodoende kan een beeld verkregen worden van het gebruik van het plangebied of afwezigheid van de soorten. Dit nader onderzoek kan worden uitgevoerd door het toepassen van een Mostela’s (voor wezel en hermelijn) en een cameraval met Jiggler (lokmiddel) voor de bunzing. . 5.6 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • •

Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten;

Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: •

Vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen;

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 14 van 19

•

Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pioniersituaties gaan broeden (bijvoorbeeld de kleine plevier en scholekster). Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt (zie tevens paragraaf 5.3). Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten, regelmatige betreding door man met hond e.d.).

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 15 van 19

6 GEBIEDENBESCHERMING 6.1 Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur 6-1), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 5000 meter, zie figuur 6-1) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Gezien de grootte van het bouwproject zijn negatieve effecten als gevolg van de extra stikstof die, als gevolg van het project, vrijkomt niet uit te sluiten3. Aanbevolen wordt om een AERIUS-berekening uit te voeren, zover dat nog niet gedaan is voor de algehele uitbreiding van het dorp Voorthuizen.

Figuur 6-1. Ligging plangebied (rood, bij benadering weergegeven) ten opzichte van het Natura 2000gebied ‘Veluwe’. Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/GoogleMapsZoek2.aspx

Op basis van bovenstaande is toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel gebieden niet van toepassing, met uitzondering van de mogelijke AERIUS berekening.

3

Recente ervaring leert echter dat de provincies in toenemende mate een aanvullende onderbouwing van de afwezigheid van stikstofeffecten (op stikstofgevoelige habitats en/of soorten in beschermde natuurgebieden) willen. Het oordeel over het al dan niet noodzakelijk zijn van een stikstofberekening (middels gebruik van het programma AERIUS) ligt bij de provincie.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 16 van 19

6.2 Planologische gebiedenbescherming Het plangebied ligt niet in het NNN (zie figuur 6-2). Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 1700 meter) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de planologische gebiedenbescherming van het NNN niet van toepassing.

Figuur 6-2. Ligging plangebied (rood) ten opzichte van het NNN Bron: http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=92d4c54aed8147ae8aa704c312f719 bc

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 17 van 19

7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten, algemene broedvogels, vleermuizen (vliegroute net buiten het plangebied), wezel en hermelijn S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Vernietiging van nesten van broedvogels en vernietiging van verblijfplaatsen van vleermuizen en verstoring van een vliegroute van vleermuizen, vernietiging verblijfplaatsen en mogelijk essentieel leefgebied kleine marterachtigen. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Ja, naar bunzing, wezel en hermelijn S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? In onderstaande tabel zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. Voor de volledigheid is aan deze tabel tevens de eventuele noodzaak van aanvullend ecologisch onderzoek opgenomen. Tabel 7-1. Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen. (Mogelijk) aanwezige soort(groep)en

Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10) -

Werken buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli)

-

Indien de werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de struiken en bomen rooien. Voorafgaand aan het rooien dient men contact op te nemen met een ecoloog; o als de struiken en bomen niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen met behulp van endoscoop Verlichting nabij Schoonengweg beperken tot het strikt noodzakelijke Nader onderzoek naar verblijfplaatsen met behulp van Mostela’s en cameraval+Jiggler

Vogels

Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren

-

Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) -

Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; Vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen; Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pioniersituaties gaan broeden (bijvoorbeeld de kleine plevier en scholekster).

S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Dat hangt af van de resultaten van het vervolgonderzoek naar vleermuizen, wezel en hermelijn.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 18 van 19

7.2 Gebiedenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN? Niet binnen het NNN, wel op 5 km afstand van de Veluwe. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Het is mogelijk dat er wel negatieve effecten op treden door de extra uitstoot van stikstof tijdens de werkzaamheden en in de gebruikersfase.. G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Er wordt aanbevolen een AERIUS-berekening uit te laten voeren indien dit nog niet gebeurd is.

Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg te Voorthuizen Kenmerk: 20190461/rap01, versie 1, d.d. 29 mei 2019

Blz. 19 van 19

ATKB kan u tevens van dienst zijn met:

ECOLOGIE

• Soortgericht onderzoek (o.a. vleermuizen, amfibieën, kleine marterachtigen)

BODEM

• Verkennend en nader bodemonderzoek • Partijkeuringen grond, baggerspecie en niet vormgegeven bouwstof

• Opstellen saneringsplannen en bestekken conventionele, in-situ landbodemsaneringen • Begeleiding en evaluatie van conventionele en in-situ landbodemsanering • (3D)-grondradaronderzoek • Arbitrage en juridisch advies bodemzaken • Civieltechnisch onderzoek naar asfalt, zand en klei • Coördinatie archeologisch onderzoek

Integrale dienstverlening

• Toetsingen aan natuurwetgeving • Ecologisch werkprotocol en begeleiding • Vegetatiekarteringen • Hydrobiologisch onderzoek • Waterplantenonderzoek en Ecoscans • Visstandbemonstering • Vismigratieonderzoek (vistelemetrie, pit-tag) • Actief Biologisch Beheer • Visserijmanagement • Visbeheerplannen • Schouw en kwaliteitsbeoordeling nieuwe natuur • SNL-monitoring en gebiedsanalyses

WATER&RUIMTE

•M  onitoring grondwater/oppervlaktewater

(meetstrategie, inrichting/beheer meetnet, kwaliteit & kwantiteit) • Waterbodemonderzoek (NEN 5717, NEN 5720) • Kwantitatief waterbodemonderzoek • V oorbereiding en begeleiding van baggerwerken, inclusief waterbodemsaneringen • Baggerplan en werkplan • Bemalingsadvies • Ondersteuning en advies bij (stedelijk) waterbeheer • O ndersteuning en advies bij wettelijke procedures, inclusief vergunningen en meldingen

• Asbestinventarisatie gebouwen en objecten • Risicobeoordeling asbest in gebouwen NEN2991 • Opstellen en onderhouden asbestbeheersplan • Begeleiding, directievoering, saneringsonderzoek bij asbestverwijdering • Bewijsmateriaal duurzaamheidscertificering onder BREEAM-NL (diverse milieukundige credits onder Nieuwbouw en renovatie, In Use, Gebiedsontwikkeling en Sloop) • Beleidsondersteuning • Beleidsstudies, beheerplannen en adviezen • Second opinions • Monitoring en nazorg • Directievoering & toezicht • Uitvoeringsbegeleiding • Coördinatie • Detachering

ATKB Assen Weiersloop 9 9401 DZ Assen

ATKB Middelharnis Prins Bernhardlaan 147 3241 TA Middelharnis

ATKB Waardenburg Koeweistraat 7 4181 CD Waardenburg

ATKB Zoetermeer Baron de Coubertinlaan 3 2719 EN Zoetermeer

T 088 11 53 200 www.at-kb.nl info@at-kb.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6d564502-3b6b-42c9-90a4-2aae64b96a7f