Schooneng_Toelichting_Bijlage 2 Activiteitenplan aanvraag ontheffing Wnb Schoonengweg 6 (2018)
Tekst van het document
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag
Gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en huismus project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen
Rapportnummer: Status rapport: Datum rapport:
20170372/rap03 versie 3 27 maart 2018
Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:
L. Veen P.I. (Pim) Godschalk P.I. (Pim) Godschalk
Opdrachtgever:
De Bunte Vastgoed Oost B.V. T.a.v. de heer W. van den Top Postbus 8029 6710 AA Ede
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 1 1.2 Doel rapport ................................................................................................................................... 1 1.3 Leeswijzer en documentwijzer ....................................................................................................... 1 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ........................................................................................... 3 2.1 Beschrijving huidige situatie .......................................................................................................... 3 2.2 Werkzaamheden, planning en toekomstige situatie ...................................................................... 4 3 AANWEZIGHEID VLEERMUIZEN EN HUISMUS, EFFECTEN EN MAATREGELEN....................... 6 3.1 Aanwezigheid vleermuizen en huismus......................................................................................... 6 3.2 Mogelijke effecten en maatregelen gewone dwergvleermuis ........................................................
8 3.3 Mogelijke effecten en maatregelen rosse vleermuis ................................................................... 11 3.4 Mogelijke effecten en maatregelen laatvlieger ............................................................................ 12 3.5 Mogelijke effecten en maatregelen huismus ............................................................................... 13 3.6 Planning - Samenvattend ............................................................................................................ 15 4 WETTELIJK BELANG EN ALTERNATIEVENAFWEGING.............................................................. 17 4.1 Wettelijk belang ............................................................................................................................ 17 4.2 Alternatievenafweging.................................................................................................................. 17 4.2.1 Locatie .................................................................................................................................... 17 4.2.2 Wijze van uitvoering ............................................................................................................... 17 4.2.3 Periode van uitvoering............................................................................................................
17 5 DESKUNDIGE EN VERANTWOORDING GEGEVENS .................................................................... 18 5.1 Deskundige .................................................................................................................................. 18 5.2 Verantwoording gegevens ........................................................................................................... 18 6 LITERATUUR ..................................................................................................................................... 19 Bijlagen: - Figuur 2-3. Projectlocatie Schoonengweg 6 - Spierts, I.L.Y.: Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen (ATKB-rapport met kenmerk 20170372/rap01, versie 3 d.d. 9 juni 2017). - Spierts, I.L.Y.: Nader onderzoek naar broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën - Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen (ATKB-rapport met kenmerk 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017) - Machtiging De Bunte Vastgoed Oost B.V. aan ATKB B.V. !! SECTIE EINDE NIET VERWIJDEREN !!
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De Bunte Vastgoed Oost B.V. heeft het voornemen om de locatie Schoonengweg 6 te Voorthuizen te ontwikkelen voor woningbouw. Hierbij worden de bestaande opstallen op één na gesloopt en een deel van de beplanting verwijderd. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden op beschermde planten en dieren. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de natuurwetgeving, heeft ATKB in 2017 een quickscan uitgevoerd naar beschermde flora en fauna en is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de soorten huismus, sperwer, buizerd, spreeuw, das, vleermuizen en heikikker in het plangebied (zie Spierts, 9 juni 2017 en 23 november 2017). Uit het uitgevoerde ecologische onderzoek blijkt dat rekening gehouden moet worden met de volgende beschermde waarden: 2 nestlocaties van huismus (cat. 1 t/m 4, woonhuis en noordwestelijk gelegen schuur); 1 (zomer) verblijfplaats van een rosse vleermuis in een oude eik (zuidoostzijde van het erf); 1 kraamverblijf van (ongeveer 15) laatvliegers (sterk verouderde kippenschuur noordzijde plangebied); 2 paarverblijven van gewone dwergvleermuizen en een mogelijke winterrustplaats; een (deel van een) vliegroute van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger; foerageergebied van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger.
Omdat het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming (Wnb) onvermijdelijk is bij uitvoering van de plannen, is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Omdat voor de omgang met de Laatvlieger geen standaard werkwijze voorhanden is en de opdrachtgever geen stagnatie van het project wil, is in overleg met het bevoegd gezag (de Provincie Gelderland) besloten de ontheffing voor de Laatvlieger apart aan te vragen en sloop van de kippenschuur waar deze kolonie in huist en kap van het bosje rond deze schuur los te koppelen van de overige geplande activiteiten. Het onderhavige mitigatieplan en de bijbehorende ontheffingsaanvraag betreffen dus alleen de overige activiteiten. Mogelijke effecten van deze overige activiteiten op de laatvlieger worden in dit mitigatieplan wel meegenomen. 1.2 Doel rapport Dit rapport dient als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag voor de gewone dwergvleermuis, de rosse vleermuis en de huismus. In dit document wordt de beschikbare informatie waar nodig samengevat. Tevens wordt beschreven hoe de werkzaamheden worden uitgevoerd, welke mitigerende maatregelen worden genomen, welke compenserende maatregelen worden genomen dan wel reeds zijn uitgevoerd, welk wettelijk belang van toepassing is en worden alternatieven afgewogen. Op basis van deze informatie moet de beoordeling door het bevoegd gezag kunnen plaatsvinden.
1.3 Leeswijzer en documentwijzer In hoofdstuk 2 wordt het plangebied beknopt beschreven, in hoofdstuk 3 worden de aanwezigheid van de verschillende vleermuissoorten en de huismus, effecten van het voornemen en maatregelen benoemd. In hoofdstuk 4 van dit activiteitenplan wordt het wettelijk belang onderbouwd en wordt de alternatievenafweging gemaakt. Hoofdstuk 5 tenslotte is een verantwoording van de deskundigheid van het betrokken adviesbureau en medewerkers. De volgende documenten zijn relevant bij dit project: - Structuurvisie kernen Barneveld 2020 - Spierts, I.L.Y.: Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen (ATKB-rapport met kenmerk 20170372/rap01, versie 3 d.d. 9 juni 2017).
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 1 van 19
- Spierts, I.L.Y.: Nader onderzoek naar broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën - Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen (ATKB-rapport met kenmerk 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017) Deze zijn als bijlagen toegevoegd aan de ontheffingsaanvraag.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 2 van 19
2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Beschrijving huidige situatie De projectlocatie bestaat uit een graslandperceel met enkele opstallen (een woning, een garage, een deels open opstal met paardenverblijven, een manege en vier schuren/stallen (waarvan een deels open) en een paardenrijbaan (zand). Het oppervlak waarop de opstallen en het woonhuis zijn gesitueerd is verhard. De woning heeft aangrenzend een tuin met een klimophaag, welke is omgeven door groenstructuren. Op het perceel is weinig verlichting aanwezig. Het terrein is (deels) begrensd door watergangen en bomenrijen. Het plan voor de Schoonengweg 6 is onderdeel van een groter woningbouwplan (voor begrenzing en overige plannen, zie figuur 2-1).
Figuur 2-1. Projectlocatie Schoonengweg 6 (rood omlijnd). De aan het plangebied grenzende percelen worden ook ontwikkeld tot woningbouwlocatie (groen en blauw omlijnd). Binnen het blauw omlijnde gebied is inmiddels gestart met het realiseren van woningen. Hier is in een separaat project al eerder ecologisch onderzoek uitgevoerd. Ten westen van het plangebied worden op dit moment ook woningen gerealiseerd. Ten noorden van het blauwomlijnde gebied is ook woningbouw voorzien. De projectlocatie Schoonengweg 6 (roodomlijnd) wordt als laatste ontwikkeld. Bron onderliggende kaart: www.bing.com/maps.
Figuur 2-2. Projectlocatie Schoonengweg 6, impressie.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 3 van 19
Figuur 2-3. Projectlocatie Schoonengweg 6, opstallen en (een groot deel van) de groenstructuren. Het perceel met bebouwing A2 (rood diagonale lijnen) behoort niet tot het plangebied. Sloop van opstal G (rood omlijnd, kraamkolonie laatvlieger) is geen onderdeel van de ontheffingsvraag waar dit mitigatieplan bij hoort. Het zuidelijke deel van A1 blijft behouden. De overige bebouwing in het plangebied (niet rood omlijnd) wordt gesloopt. Voor een grotere kaart, zie bijlage 1.
2.2 Werkzaamheden, planning en toekomstige situatie Het plan behelst de realisatie van een nieuwbouwwijk. Door de zuidzijde van het plangebied komt een weg te liggen. Alle opstallen, met uitzondering van het zuidelijk deel van de boerderij (A1) zullen gesloopt worden*. De bomen en het struweel en overige beplanting wordt voor een deel gerooid*, de groenstructuren aan de buitenrand langs de Schoonengweg blijven gehandhaafd. (zie figuur 2-4). Er zijn geen sloten of ander oppervlaktewater aanwezig die gedempt of vergraven worden. * de sloop van de kippenschuur (zie fig. 2-3: G, schuur) en kap van het omliggende bosje maken geen onderdeel uit van deze ontheffingsaanvraag, voor deze activiteiten wordt separaat ontheffing aangevraagd. Mogelijk blijven meer bomen staan. Planning
De sloop van de gebouwen (m.u.v. de kippenschuur en de te handhaven bebouwing) wordt uitgevoerd nadat onderhavige ontheffing is verkregen en na het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen (tijdelijk en /of permanent), inclusief de gewenningsperioden en met inachtneming van eventuele kwetsbare periodes, zoals omschreven in onderhavig activiteitenplan. Hetzelfde geldt voor kappen of rooien van groen. Starten met de bouwwerkzaamheden zal naar verwachting aanvangen in 2019 (niet eerder).
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 4 van 19
Figuur 2-4. Concept-Plankaart Schoonengweg 6, d.d. 3 oktober 2017. Bron: De Bunte Vastgoed Oost BV. Uiteindelijke situatie na sloop en nieuwbouw van alle onderdelen.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 5 van 19
3 AANWEZIGHEID VLEERMUIZEN EN HUISMUS, EFFECTEN EN MAATREGELEN 3.1 Aanwezigheid vleermuizen en huismus Methode Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het landelijk vastgestelde protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017). In totaal zijn 5 bezoeken afgelegd, 3 in de kraamperiode en 2 in de paarperiode. Zie tabel 3-1. Het nader onderzoek naar huismussen heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen van het kennisdocument huismus Passer domesticus (BIJ12, versie 1.0, juli 2017). Er zijn 3 gerichte inventarisaties uitgevoerd binnen de vereiste periode. Zie tabel 3-1. Voor nadere details over de methode, zie de rapportage van het aanvullend onderzoek (Spierts, 23 november 2017). Tabel 3-1. Weerdata en overige gegevens van de uitgevoerde onderzoeken. Datum 12 mei 2017
29 mei 2017 29 mei 2017
Tijd
Zon Weersomstandigheden op/onder * Onderzoek is uitgevoerd bij gunstige weersomstandigheden conform het geldende kennisdocumenten van BIJ12 Zie * 21:30 - 23:30 21:47 21°C, bewolkt, droog, ~2 Bft
10 juni 2017 29 juni 2017
Zie * 3:30 - 5:25
5:23
16°C, bewolkt, droog, ~1 Bft
14 juli 2017
21:45 - 23:45
21:54
14°C, bewolkt, droog, ~2 Bft
2 september 2017
23:00 - 1:00
20:24
10°C, bewolkt, droog, ~0 Bft
26 september 2017
21:00 - 23:00
19:28
11°C, bewolkt, droog, ~1 Bft
Onderzoek gericht op huismus
huismus Vleermuizen: kraam- en zomerverblijven, vliegroutes, foerageergebied huismus Vleermuizen: kraam- en zomerverblijven, vliegroutes, foerageergebied Vleermuizen: kraam- en zomerverblijven, vliegroutes, foerageergebied Vleermuizen (paarverblijven, najaars zwermen als indicatie voor winterverblijven, vliegroutes, foerageergebied) Vleermuizen (paarverblijven, vliegroutes, foerageergebied)
Resultaten gewone dwergvleermuis In de kraamperiode zijn geen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis gevonden. In het najaar (2 en 26 september 2017) is op twee plekken een aantikkende gewone dwergvleermuis waargenomen nabij de dakrand van de bedrijfswoning A1 (zie de paarse driehoekjes in figuur 3-1). Tijdens beide onderzoeken in het najaar is er telkens hooguit 1 gewone dwergvleermuis tegelijk waargenomen, die in beide gevallen veelvuldig sociale geluiden uitte. Vermoedelijk gaat het hierbij om paarverblijfplaatsen op een zeer suboptimale locatie in het lokale netwerk van de gewone dwergvleermuizen. De paarverblijven van deze vleermuizen bevinden zich zeer waarschijnlijk tussen de dakpannen en het dakbeschot. Er zijn geen indicaties gevonden voor winterverblijfplaatsen van dwergvleermuizen. Het is echter niet uit te sluiten dat de gewone dwergvleermuis die in het najaar gebruik maakte van het hoofdgebouw hier ook gedurende de winter aanwezig is (individueel winterverblijf). Gedurende alle zomeronderzoeken is de noordelijke bomenlaan en het bosje rond de oude kippenschuur (zie figuur 3-1) intensief gebruikt door gewone dwergvleermuizen als vliegroute en foerageergebied. Op piekmomenten zijn minimaal 8 foeragerende gewone dwergvleermuizen op zicht geteld, maar mogelijk waren het er meer. De vliegroute loopt langs de Schoonengweg.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 6 van 19
Concluderend kan gesteld worden dat wat betreft de gewone dwergvleermuis rekening moet worden gehouden met: - max. 2 (vermoedelijke) paarverblijven in de bedrijfswoning A1; - mogelijk individuele winterverblijfplaats in de bedrijfswoning A1; - vliegroute aan de noordzijde van het plangebied langs de Schoonengweg; - het bosje bij de kippenschuur als onderdeel van het foerageergebied; Deelgebied 1: Schoonengweg 6
Figuur 3-1. Samenvatting resultaten nader onderzoek naar vogels cat. 1 t/m 5 en vleermuizen. ES: Eptesicus serotinus (laatvlieger); PP: Pipistrellus pipistrellus (gewone dwergvleermuis), en NN: Nyctalus noctula (rosse vleermuis). Bron ondergrond: PDOK services.
Resultaten rosse vleermuis Tijdens de eerste avondronde (29 mei 2017) is een roepende rosse vleermuis vanuit een holte in een eik aan de zuidoostzijde van het erf waargenomen (zie rode stip in figuur 3-1). Deze is ongeveer 10 minuten na zonsondergang uitgevlogen. Overige waarnemingen van de soort ontbreken. De eik doet dienst als zomerverblijfplaats van de rosse vleermuis. Resultaten laatvlieger Tijdens alle avondonderzoeken in de zomer (29 mei, 29 juni en 14 juli 2017) is een kraamkolonie van ongeveer 15 laatvliegers vastgesteld in de kippenschuur die tegenwoordig dienst doet als opslag voor haardhout (zie rode rechthoek in figuur 3-1, gebouw G). Gedurende alle zomeronderzoeken is de noordelijke bomenlaan en het bosje bij de oude kippenschuur intensief gebruikt door laatvliegers als vliegroute en foerageergebied. Op piekmomenten zijn 4 laatvliegers op zicht geteld (foeragerend), maar mogelijk waren het er meer. Resultaten huismus Er zijn op drie verschillende plekken binnen en op 1 plek net buiten het plangebied zingende mannetjes van huismus waargenomen. Dit indiceert de aanwezigheid van nestplaatsen van de huismus (zie gele driehoeken in figuur 3-1). De nesten bevinden zicht onder de dakpannen van de 2 woonhuizen (resp. 1 en 2 nesten, gebouw A2 en A1) en in de noordwestelijk gelegen schuur (1 nest, gebouw H). Gebouw A2 valt buiten het projectgebied.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 7 van 19
3.2 Mogelijke effecten en maatregelen gewone dwergvleermuis Staat van instandhouding De gewone dwergvleermuis komt in Nederland algemeen voor (schattingen zijn minimaal 300.000 individuen) en wordt in heel Nederland waargenomen. Het is de meest algemene vleermuissoort in Nederland. Hij komt vooral in de bebouwde omgeving voor, zowel in het stedelijk gebied als op het platteland. Er zijn geen uitspraken te doen over aantalsontwikkelingen: er zijn geen aanwijzingen voor een af- dan wel toename in aantallen. Mogelijk neemt het aanbod van geschikte verblijfplaatsen wel af vanwege de toenemende na-isolatie van gebouwen en het dichten van kieren en gaten in gebouwen. (BIJ12, 2017). Mogelijke effecten De bedrijfswoning waar de gewone dwergvleermuis verblijfplaatsen in heeft (A1, zie figuren 2-3 en 31) wordt gedeeltelijk gesloopt, waardoor 1 van de 2 verblijfplaatsen verdwijnt. Zodoende wordt artikel 3.5 lid 4 (beschadigen en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming overtreden.
Vanwege het minimale belang van het plangebied voor de lokale populatie gewone dwergvleermuizen (er is slechts tweemaal één individu waargenomen), de brede landelijke verspreiding en de gunstige staat van instandhouding van de soort in Nederland, kan ervan worden uitgegaan dat uitvoering van de plannen geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. Door het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen worden nadelige effecten zoveel mogelijk voorkomen. Effecten op langere termijn zijn waarschijnlijk positief (zie ‘maatregelen’). Daarnaast kunnen de genoemde werkzaamheden leiden tot het doden van vleermuizen en tot het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens de werkzaamheden. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden van dieren) en artikel 3.5 lid 2 (opzettelijke verstoring van dieren) van de Wet natuurbescherming. Deze overtreding wordt voorkomen door het treffen van voorzorgsmaatregelen (zie ‘maatregelen’). De bomenrij aan de noordzijde van het plangebied wordt gebruikt als vliegroute. Deze blijft gehandhaafd. Eventuele nadelige effecten door verstoring worden door het nemen van maatregelen voorkomen (zie ‘maatregelen’). Het bosje rond de kippenschuur waar gefoerageerd wordt, zal bij uitvoering van de plannen op termijn verdwijnen.
Deze activiteit maakt geen onderdeel uit van deze ontheffingsaanvraag, omdat kap van het bosje meegenomen wordt bij de ontheffingsaanvraag voor sloop van de kippenschuur waar de kraamkolonie van de laatvlieger is vastgesteld. Wel kan al aangegeven worden dat het bosje vanwege de beperkte oppervlakte niet van wezenlijke waarde is voor de gewone dwergvleermuis: gewone dwergvleermuizen foerageren over het algemeen binnen 5 kilometer van hun verblijfplaats (BIJ12, 2017) en in de omgeving is ruim aanbod van foerageergebied: de omgeving van Voorthuizen is landelijk, met veel bomenrijen. Ook is er bos en water in de omgeving (zie figuur 3.2). Er is alleen sprake van overtreding van de Wnb wanneer foerageergebied dusdanig wordt aangetast dat er kans is op het niet meer kunnen functioneren van een verblijfplaats. Bij kap van het bosje wordt de Wnb niet overtreden wat de gewone dwergvleermuis betreft vanwege het ruime aanbod aan alternatieven.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 8 van 19
Figuur 3-2. Ligging plangebied in de omgeving Rode stip: plangebied Meetlat: 5 kilometer, de straal waarbinnen het jachtbiotoop van de gewone dwergvleermuis valt
Maatregelen Als bron voor de voorgestelde maatregelen is gebruik gemaakt van het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017). Maatregelen om het doden en het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens de werkzaamheden te voorkomen (doden) dan wel zoveel mogelijk te verminderen (verstoren) zijn: Werken buiten de kwetsbare periode In de paarperiode (half augustus - half oktober) en in de winterrustperiode (december-maart met een uitloop in de maanden november en april, afhankelijk van de weersomstandigheden) is er kans op gewone dwergvleermuizen in het betreffende gebouw. Door het gebouw(deel) te slopen buiten deze periode (in april - half augustus of half oktober - november) wordt de kans op nadelige effecten verkleind. Wanneer toch binnen de kwetsbare periode wordt gesloopt, wordt de woning vooraf, buiten de kwetsbare periode, ongeschikt gemaakt voor vleermuizen. Controle op aanwezigheid van vleermuizen voordat gesloopt wordt Omdat de woning in het najaar en mogelijk in de winter gebruikt wordt door gewone dwergvleermuizen, is de kans aanwezig dat in andere perioden, ondanks dat dit tijdens het onderzoek niet kon worden vastgesteld, gebruik wordt gemaakt van het gebouw door een beperkt aantal individuen. Om deze reden wordt zekerheidshalve vlak voor de sloop (maximaal een week van tevoren) gecontroleerd of vleermuizen gebruik maken van de woning.
Als dat niet het geval is, kan de sloop zonder verdere maatregelen doorgang vinden. Is er wel sprake van vleermuizen, dan wordt de woning eerst ongeschikt gemaakt. Ongeschikt maken van de woning Deze maatregel wordt alleen genomen buiten de periode half augustus - half oktober (buiten de kwetsbare periode), om individuen passief te verjagen of om slopen in het paarseizoen mogelijk te maken. Ongeschikt maken gebeurt op aanwijzing van een ecoloog, en bestaat uit het toepassen van exclusion flaps op alle plekken waar invliegen door vleermuizen mogelijk is (stukken plastic die het mogelijk maken voor vleermuizen om de verblijfplaats kruipend te verlaten, maar invliegen verhinderen) in het te slopen gedeelte van de woning. Indien mogelijk en praktisch wordt dit gecombineerd met het verwijderen van dakpannen. De effectiviteit van de maatregel wordt onderzocht door middel van een vleermuischeck door een ecoloog (inventarisatie tijdens uitvliegtijd of invliegtijd).
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 9 van 19
Als het nodig is worden aanvullende maatregelen getroffen. De verantwoordelijkheden van aannemer en ecoloog worden te zijner tijd in een ecologisch werkprotocol vastgelegd. Voor elke verblijfplaats die zijn functie niet meer kan vervullen, worden meerdere nieuwe alternatieve verblijfplaatsen gecreëerd. Tijdelijke maatregelen om nadelige effecten van het verdwijnen van de verblijfplaatsen te verkleinen: Het tijdig ophangen van 4 vleermuiskasten aan de te handhaven bomen langs de Schoonengweg, aan de buitenranden van het plangebied. Paarverblijven kunnen zo goed gemitigeerd worden. Model A uit het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12) volstaat. Dit is een kleine kast (50 centimeter hoog, 20-30 centimeter breed, 1 - 2 compartimenten) van bijvoorbeeld Schwegler 1FF, Vivara Oekraïne, Boshamer of vergelijkbaar. Vervangende kasten zijn 22 februari 2018 opgehangen. Sloop van de verblijfplaatsen vindt niet plaats voor eind oktober 2018, zodat nagenoeg voldaan wordt aan de vereiste minimale gewenningsperiode van 6 maanden voorafgaand aan het paarseizoen en de kwetsbare periode (in dit geval de paarperiode) ontzien wordt (de periode is 7 dagen korter, maar omdat dit maar een paar dagen betreft en gezien de koude februarimaand heeft dit geen enkele nadelige invloed op de kans van slagen van de maatregel). Sloop vindt eveneens niet plaats in de winterslaapperiode.
Permanente maatregelen om nadelige effecten van het verdwijnen van de verblijfplaats te verkleinen: Op 8 plaatsen worden inpandige voorzieningen getroffen voor de gewone dwergvleermuis. In overleg met de ontwikkelaar/architect worden één of meer van onderstaande mogelijkheden toegepast: Verblijfplaatsen realiseren in spouwmuren Duurzame potentiële verblijfplaatsen kunnen in een spouwmuur worden gerealiseerd door deze toegankelijk en geschikt te houden voor vleermuizen. Het Bouwbesluit staat dit toe. Spouwmuren zijn onder meer geschikt als de gewone dwergvleermuis, afhankelijk van de temperatuur, de keuze heeft om of aan de zijde van de buitenmuur of aan de zijde van de binnenmuur te zitten. Is de vrije ruimte tussen isolatiemateriaal (inclusief platen) en de buitenmuur minder dan 1,5 tot 2 centimeter dan raken ze altijd de buitenmuur, hetgeen niet gunstig is omdat ze zich dan niet kunnen verplaatsen binnen deze ruimte. In nieuwbouw kunnen invliegopeningen worden gecreëerd door middel van stootvoegen van 1,5 tot 2 centimeter hoog, bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte. Bij voorkeur hebben deze verblijfplaatsen een grootte van minimaal 50 x 80 centimeter en worden ze op de hoek van het gebouw gepositioneerd, zodat de vleermuis zich binnendoor van de ene naar de andere gevelzijde kan verplaatsen afhankelijk van de klimaatomstandigheden.
Het aanbieden van verblijfplaatsen die verschillend georiënteerd zijn is ook een mogelijkheid. Bij gebruik van isolatieplaten in de spouw is het relevant deze platen op te ruwen of stevig duurzaam kunststof gaas met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter te bevestigen. Als glaswol (en dergelijke) als isolatie wordt gebruikt, is het nodig dunne ruwe platen tegen het isolatiemateriaal aan te brengen, bijvoorbeeld houtwolcement. Bij voorkeur hebben deze verblijfplaatsen een grootte van minimaal 50 x 80 centimeter en worden ze op de hoek van het gebouw gepositioneerd, zodat de vleermuis zich binnendoor van de ene naar de andere gevelzijde kan verplaatsen afhankelijk van de klimaatomstandigheden. Verblijfplaatsen realiseren achter gevelbetimmering Verblijfplaatsen kunnen ook worden gerealiseerd door het aanbrengen van bij voorkeur meerlaagse gevelbetimmering of een plaat tegen de gevel zodat een ruimte van enkele vierkante meters wordt gecreëerd. Zowel de buitenmuur als de binnenzijde van de plaat of planken moeten ruw zijn. Als het een gladde buitenmuur betreft moet eerst een ruwe achterwand bevestigd worden. Met latjes kan/kunnen plaat/planken zodanig worden bevestigd, dat aan de onderzijde een ruimte ontstaat van ongeveer 3 centimeter en aan de bovenzijde 1,5 centimeter. Het materiaal moet eveneens op voldoende hoogte (minimaal 3 meter) worden aangebracht.
Verblijfplaatsen realiseren achter boeiboorden of sierlijsten Ook achter boeiboorden of sierlijsten kunnen gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen hebben. De hierboven omschreven criteria zijn hiervoor eveneens van belang. Het heeft een grote meerwaarde als de ruimte achter de boeiboorden van verschillende gevels met elkaar in verbinding staan, zodat vleermuizen overdag, afhankelijk van de temperatuur, van locatie kunnen wisselen. Een eenvoudige manier is om bij dakconstructies gebruik te maken van boeiboorden met een ruimte Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 10 van 19
van 1 centimeter die toegang geven tot het dak. Ook kunnen speciale dakpannen en dergelijke worden toegepast. Er is onvoldoende ervaring met de zogenaamde vleermuisvide (een soort van verticale vogelvide) voor aan de rand van het dak, daar waar de dakpannen over de gevel heen hangen. Experimenteel, met monitoren van de resultaten, zou dit kunnen worden toegepast. Verblijfplaatsen in muren door middel van inmetselkasten Inmetselkasten moeten gekoppeld kunnen worden zodat een grote ruimte ontstaat waardoor de vleermuizen zich kunnen verplaatsen van de ene naar de andere kast. Het functioneren van de vliegroute van de gewone dwergvleermuis wordt gewaarborgd door de bomenrij aan de noordzijde van het plangebied te handhaven en geen verstorende verlichting toe te passen. 3.3 Mogelijke effecten en maatregelen rosse vleermuis Staat van instandhouding De rosse vleermuis komt verspreid in Nederland voor. Concentraties van kolonies zijn te vinden op plaatsen waar oud bos en open, waterrijke gebieden aanwezig zijn. De rosse vleermuis is in ons land een vrij algemeen voorkomende soort. In 1993 werd de populatie in Nederland op 6.000 tot 8.000 dieren geschat. De verspreiding van de rosse vleermuis lijkt de laatste vijftig jaar vrij stabiel geweest te zijn, maar is ten opzichte van de periode vóór de Tweede Wereldoorlog achteruitgegaan.
Dit laatste moet worden toegeschreven aan een afname van het aantal geschikte holle bomen in oude bossen in een waterrijke omgeving, afronding van jonge veldontginningen, ruilverkavelingen met verbeterde ontwatering en het bebouwen van gebieden in west Nederland. Momenteel lijken de aantallen (fors) af te nemen, maar cijfers ontbreken. De soort staat op de Rode Lijst als kwetsbaar (“matig afgenomen en nu vrij tot zeer zeldzaam, of sterk tot zeer sterk afgenomen en nu vrij zeldzaam”). Opgemerkt moet worden dat deze soort als kwetsbaar is aangemerkt omdat er nauwelijks winterwaarnemingen zijn. Bovendien zijn op veel plaatsen waar eerder veel rosse vleermuizen werden waargenomen, steeds minder waarnemingen. Vooral het aantal roepende mannetjes neemt af. (tekst: BIJ12, 2017). Ook regionaal, in Gelderland komt de soort verspreid voor. Lokaal is de soort bekend van het nabijgelegen Wilbrinkbos, ten noordwesten van het plangebied, waar een kraamkolonie en baltsplaatsen zijn aangetoond (Krekels et al., 2012). Mogelijke effecten De eik waarin de rosse vleermuis is waargenomen wordt misschien gekapt. Op dit moment wordt nagegaan of de boom en de omliggende bomen opgenomen kunnen worden in een groenvoorziening in de wijk, door de plannen iets aan te passen.
In geval van kap wordt artikel 3.5 lid 4 (beschadigen en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming overtreden. Wanneer de boom niet wordt gekapt kan de functionaliteit van de verblijfplaats verloren gaan door sterke verandering van de omgeving. Vanwege het minimale belang van het plangebied voor de lokale populatie rosse vleermuizen (er is slechts eenmaal een individu waargenomen), kan ervan worden uitgegaan dat kap geen afbreuk doet aan de staat van instandhouding van de lokale populatie van de rosse vleermuis. Door het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen worden eventuele nadelige effecten zoveel mogelijk voorkomen (zie ‘maatregelen’). Daarnaast kunnen kapwerkzaamheden leiden tot het doden van vleermuizen en tot het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens de kap. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden van dieren) en artikel 3.5 lid 2 (opzettelijke verstoring van dieren) van de Wet natuurbescherming. Deze overtreding wordt voorkomen door het bij kap treffen van voorzorgsmaatregelen, zie bij ‘maatregelen’. Maatregelen Als bron voor de voorgestelde maatregelen is gebruik gemaakt van het Kennisdocument rosse vleermuis (BIJ12, 2017).
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 11 van 19
In de directe omgeving, aan te handhaven bomen aan de buitenranden van het plangebied worden 4 vleermuiskasten aangeboden. Deze dienen zowel als tijdelijke als permanente maatregel: het gebruik van kasten als zomerverblijfplaats door rosse vleermuizen is bewezen effectief. De volgende randvoorwaarden gelden; De kasten worden dichtbij de oorspronkelijke verblijfplaats en in ieder geval binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats opgehangen; De kasten die worden toegepast zijn cilindervormige (bolle) houtbetonnen vleermuiskasten (Schwegler, Vleermuiskast 2F universeel) De invliegopening moet 2 tot 2.5 centimeter hoog zijn; Nadat de kasten zijn opgehangen, wordt minimaal 3 maanden gewacht met kap van de boom, zodat de kasten ontdekt kunnen worden vanuit de huidige verblijfplaats (gewenningsperiode). Op 22 februari 2018 zijn 4 kasten opgehangen in de bomen die aan de rand van het plangebied staan. Maatregelen om het doden en het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens eventuele kap te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te verminderen (verstoren) zijn: Werken buiten de kwetsbare periode Omdat de boom als zomerverblijfplaats werd gebruikt, is er altijd kans op aanwezigheid van een individu.
In de winterperiode (globaal van december t/m februari, afhankelijk van de buitentemperatuur) kan dit niet altijd worden vastgesteld omdat dieren dan niet altijd uitvliegen. Door de boom te kappen buiten deze periode (in maart - eind november) wordt de kans op nadelige effecten verkleind. Wanneer toch binnen de kwetsbare periode wordt gekapt, wordt de boomholte vooraf, buiten de kwetsbare periode, ontoegankelijk gemaakt voor vleermuizen. Controle op aanwezigheid van vleermuizen voordat gekapt wordt en ontoegankelijk maken van de boom Voordat de boom wordt gekapt, wordt gecontroleerd of vleermuizen gebruik maken van de boom (in eerste instantie met een camera, wanneer dit niet genoeg duidelijkheid geeft doordat de holte niet goed te overzien is, wordt ’s avonds een controle gedaan op uitvliegende dieren. Direct na de controle, mits er geen dieren aanwezig zijn (of, wanneer er wel één of meer dieren aanwezig zijn, ’s avonds na uitvliegtijd), wordt de holte ontoegankelijk gemaakt met een exclusion flap (waardoor dieren wel naar buiten kunnen, maar niet meer invliegen). 3.4 Mogelijke effecten en maatregelen laatvlieger Staat van instandhouding De laatvlieger komt verspreid in Nederland voor en is vrij algemeen. De soort staat op de Rode Lijst als ‘gevoelig’, vanwege een vermoedde forse achteruitgang (Zoogdiervereniging 2007).
Omdat er teveel kennis ontbreekt over deze soort, onder andere over effectiviteit van maatregelen, bestaat er geen kennisdocument van deze soort. Mogelijke effecten Bij uitvoering van de plannen rondom het gebouw waar de kraamkolonie zich bevindt en het omliggende bosje kan verstoring optreden. Door het nemen van maatregelen blijven nadelige effecten achterwege. Maatregelen Maatregelen om het (opzettelijk) verstoren van de laatvlieger tijdens de werkzaamheden te voorkomen: Werken buiten de kwetsbare periode De laatvlieger maakt in de kraamperiode gebruik van het gebouw. Buiten deze periode (van mei t/m juli) kunnen werkzaamheden in het omliggende gebied gewoon plaatsvinden zonder de laatvlieger te verstoren. Mogelijk verstorende werkzaamheden zijn in dit kader werkzaamheden die veel geluid en/of trillingen voortbrengen (zoals heien). Deze worden niet uitgevoerd in de kraamperiode. Verstoring door licht voorkomen De verblijfplaats, het bosje rondom de verblijfplaats en de bomenrij die als vliegroute wordt gebruikt, worden niet verstoord door extra verlichting tijdens de werkzaamheden. Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 12 van 19
3.5 Mogelijke effecten en maatregelen huismus Staat van instandhouding Huismussen worden nagenoeg overal in Nederland aangetroffen waar geschikt broedgebied aanwezig is. De hoogste dichtheden komen voor in min of meer kleinschalig cultuurlandschap met verspreide bebouwing, vooral op de hoge gronden (BIJ12, 2017). In de omgeving van Voorthuizen komt de huismus verspreid voor. De huismus is een algemene broedvogel, die de laatste decennia enorm achteruit is gegaan (meer dan 50%), vermoedelijk door afname van broedgelegenheid (onder andere door renovatie en isolatie van oude woningen), in combinatie met een afgenomen voedselaanbod, minder dekking en een toename aan predatie. Het aantal geschikte nestplaatsen in nieuwbouwwijken is in vergelijking met oude bebouwingsvormen veel lager. De broedmogelijkheden in nieuwbouwwijken worden beperkt door een veranderde bouwstijl. Zo is bij de tegenwoordig gangbare daken de ruimte bij de onderste rij dakpannen ontoegankelijk gemaakt voor huismussen. Mogelijke effecten 2 gebouwen met een huismusnest worden geheel of gedeeltelijk gesloopt, waardoor 2 nestplaatsen verdwijnen. Zodoende wordt artikel 3.1 lid 2 (het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen) van de Wet natuurbescherming overtreden.
Aan de staat van instandhouding van de lokale populatie van de huismus wordt geen afbreuk gedaan, vanwege de (kleine) schaal van het project en omdat de soort nog steeds algemeen voorkomt. Door het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen worden nadelige effecten zoveel mogelijk voorkomen (zie ‘maatregelen’). Daarnaast kunnen de genoemde werkzaamheden leiden tot het doden van huismussen. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.1 lid 1 van de Wet natuurbescherming. Deze overtreding wordt voorkomen door het treffen van voorzorgsmaatregelen, zie bij ‘maatregelen’. Ook kan sprake zijn van verstoring (artikel 3.1 lid 4). Dit is verder niet van toepassing omdat de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1, lid 5). Maatregelen Als bron voor de voorgestelde maatregelen is gebruik gemaakt van het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Maatregelen om het doden en het (opzettelijk) verstoren van de huismus tijdens de werkzaamheden te voorkomen: Werken buiten de kwetsbare periode Huismussen zijn jaarrond aanwezig. De meest kwetsbare periode is de broedtijd. Deze loopt globaal van maart tot en met augustus (met een mogelijke uitloop in september). Aanvullend worden periodes met extreme kou ook aangemerkt als kwetsbare periode: sloop kan dan niet plaatsvinden.
Door de gebouwen waar de huismus is vastgesteld te slopen buiten deze periodes wordt de kans op nadelige effecten verkleind. Wanneer toch binnen kwetsbare periodes wordt gesloopt, moeten de gebouwen vooraf, buiten de voortplantingsperiode/periode van extreme kou, ongeschikt worden gemaakt voor huismussen. Ongeschikt maken van de gebouwen Deze maatregel wordt alleen genomen buiten de kwetsbare periodes, om sloop binnen kwetsbare periodes mogelijk te maken. Ongeschikt maken gebeurt op aanwijzing van een ecoloog, en bestaat uit het dichten van plekken waar invliegen mogelijk is en/of het verwijderen van dakpannen. Als het nodig is worden aanvullende maatregelen getroffen. Voor elke nestplaats die zijn functie niet meer kan vervullen, worden meerdere nieuwe alternatieve nestplaatsen gecreëerd.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 13 van 19
Tijdelijke maatregelen om nadelige effecten van het verdwijnen van de verblijfplaats te verkleinen: Het ophangen van huismuskasten aan het te handhaven gedeelte van het gebouw A1 in het plangebied. Per verblijfplaats die verdwijnt worden 3 nieuwe verblijfplaatsen aangeboden in het plangebied: in totaal worden dus minimaal 6 nieuwe verblijfplaatsen aangeboden. Er geldt een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden voor start van de werkzaamheden. De nestkasten zijn al opgehangen, op 22 februari 2018.
Permanente maatregelen om nadelige effecten van het verdwijnen van de verblijfplaats te verkleinen: In de nieuwbouw worden minimaal 8 permanente, duurzame verblijfplaatsen voor huismussen aangeboden, die voldoen aan de voorwaarden als genoemd in het ‘kennisdocument huismus’ (BIJ12) In overleg met de ontwikkelaar/architect wordt een keuze gemaakt tussen vogeldakpannen, inmetselstenen, mussenpotten, dakvoetsystemen (waaronder vogelvides) of vergelijkbare voorzieningen. Maatregelen om aanbod aan geschikt habitat zoveel mogelijk te waarborgen Het grootschalig verwijderen van groen (kruiden en bomen en struweel) wordt buiten de broedtijd van de huismus gedaan. Op dit moment wordt bekeken of een deel van het bestaand groen geïntegreerd kan worden in het plan. Door het handhaven van de boombeplanting langs de grenzen van het plangebied, blijven voldoende schuilmogelijkheden en foerageermogelijkheden bestaan. Tijdens de ontwikkeling van het gebied blijven delen onberoerd (braak laten liggen) zodat ruimte ontstaat voor spontane vegetatieontwikkeling, waar huismussen kunnen foerageren. In de nieuwe situatie is een park voorzien en een groenstrook aan de zuidzijde van de nieuwe weg.
Het te realiseren groen is gericht op: - voldoende foerageergebied voor huismussen (overhoekjes of stroken met een spontane ontwikkeling van ruigtekruiden) - voldoende dekking, bijvoorbeeld door doornige struiken als vuurdoorn en meidoorn en groenblijvende heesters, klimplanten als klimop of wingerd en beukenhagen.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 14 van 19
3.6 Planning - Samenvattend Realisatie tijdelijke voorzieningen: Ophangen vleermuiskasten gewone dwergvleermuis (ongeveer 6 maanden gewenning tot aanvang paarperiode) (is uitgevoerd op 22 februari 2018) Ophangen vleermuiskasten rosse vleermuis: 3 maanden voor kap eik in de actieve periode (april - half oktober) (is uitgevoerd op 22 februari 2018) Ophangen nestkasten huismus: 3 maanden voor sloop (is uitgevoerd op 22 februari 2018) Tabel 3-2: Natuurkalender per soort/soortgroep. In rood: werken (na)bij verblijfplaatsen is niet toegestaan (tenzij verblijfplaatsen in de oranje periode ongeschikt zijn gemaakt). In oranje: werken nabij verblijfplaatsen mogelijk met voorzorgsmaatregelen, wanneer onderzoek uitwijst dat van gebruik van verblijfplaatsen geen sprake is of wanneer door maatregelen dieren passief zijn verjaagd. Voor de laatvlieger geldt dat de verblijfplaats niet aangetast mag worden: in de periode mei t/m juli mogen individuen in de verblijfplaats niet worden verstoord. In groen: werken toegestaan zonder speciale voorzorgsmaatregelen (wat deze groep betreft). jan feb mrt apr mei jun jul aug sept okt nov Huismus Gewone * * dwergvleermuis Rosse vleermuis * * Laatvlieger** Overige broedvogels * weersafhankelijk ** kalender m.b.t. werken nabij de verblijfplaats van de laatvlieger. De verblijfplaats zelf mag niet worden aangetast.
dec
Figuur 3-3: gebouwen in het plangebied Binnen roodtransparante lijnen: onderdeel dat buiten deze ontheffingsaanvraag valt en niet verstoord mag worden door licht of geluid in de periode mei, juni en juli (gebouw I kan wel al worden gesloopt). Te slopen gebouw C, D, E, F1, F2, I H A1 noord
Soortspecifieke maatregelen Nee Ja, voor huismus Ja, voor gewone dwergvleermuis en huismus
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Te nemen maatregelen algemeen binnen broedseizoen eerst check binnen broedseizoen eerst check binnen broedseizoen eerst check
Blz. 15 van 19
Werken buiten de kwetsbare periode De laatvlieger maakt in de kraamperiode gebruik van gebouw G. Buiten deze periode (van mei t/m juli) kunnen werkzaamheden in het omliggende gebied gewoon plaatsvinden zonder de laatvlieger te verstoren. Mogelijk verstorende werkzaamheden zijn werkzaamheden die veel geluid en/of trillingen voortbrengen (zoals heien). Verstoring door licht voorkomen De verblijfplaats, het bosje rondom de verblijfplaats en de bomenrij die als vliegroute wordt gebruikt, worden niet verstoord door verlichting. De te nemen maatregelen worden door een ecoloog in een ecologisch werkprotocol weergegeven, welke aantoonbaar gebruikt wordt door de uitvoerders. Het project wordt wat de maatregelen betreft uitgevoerd door een ecoloog dan wel ecologisch begeleid. De aannemer legt de genomen maatregelen en andere relevante zaken vast in een logboek (bijvoorbeeld in het dagrapport).
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 16 van 19
4 WETTELIJK BELANG EN ALTERNATIEVENAFWEGING 4.1 Wettelijk belang De ontheffing wordt aangevraagd op basis van de belangen dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis); volksgezondheid of de openbare veiligheid (huismus). Dwingende reden van groot openbaar belang De verwachting is dat de gemeente Barneveld in de periode tot 2030 zal groeien van ca. 57.220 naar circa 65.000 tot 70.000 inwoners. Het aantal potentiële vestigers is om vier redenen hoog. In de eerste plaats is het geboorteoverschot in Barneveld hoog. In de tweede plaats is de gebondenheid (sociale binding) van de huidige inwoners aan de eigen gemeente hoog. Door de relatief jonge bevolking zal hieruit de komende jaren nog een forse woningbehoefte voortkomen. In de derde plaats kent Barneveld langs de A1 en de A30 een goede bereikbaarheid, die in de toekomst mogelijk een extra overloop van 'het westen des lands' tot gevolg kan hebben. In de vierde plaats zal een toename van de werkgelegenheid (o.a. als gevolg van Food Valley), zoals deze in Barneveld is gepland, extra woningzoekenden kunnen aantrekken. Deze autonome groei van het aantal huishoudens, de mogelijke 'overloop' uit het westen en de toename van het aantal werkenden in Barneveld, verklaart de extra groeipotentie.
Daarom wordt in deze structuurvisie naast het accommoderen van de natuurlijke bevolkingsgroei ruimte gezocht voor 'een plus'. Volksgezondheid of de openbare veiligheid De opstallen in het plangebied zijn oud en aan vervanging toe. Instortingsgevaar is voor sommige opstallen aanwezig. Bovendien is sprake van verontreiniging met asbest. 4.2 Alternatievenafweging 4.2.1 Locatie Om de concentratie van bebouwing in en direct rond de kernen te bevorderen en om het buitengebied te behoeden voor verdere verdichting met onnodige bebouwing is het concentratiebeleid voor woonen bedrijfsbebouwing en voorzieningen in de onderscheiden kernen uitgangspunt. In beginsel dient de behoefte aan wonen, werken en voorzieningen dus op kernniveau geaccommodeerd te worden. In het landelijke gebied wordt de bebouwing dus zoveel als mogelijk geconcentreerd in de woonkernen. Kern-overstijgende ontwikkelingen worden primair in het bundelingsgebied Barneveld - Harselaar Voorthuizen ondergebracht, met dien verstande dat voor wat betreft Voorthuizen de maat en schaal van deze voorzieningen moeten passen bij deze kern. Op de schaal van de hele gemeente wordt de extra groei vooral geconcentreerd in de as Barneveld - Voorthuizen. Op deze wijze wordt de landschappelijke aantasting geminimaliseerd.
4.2.2 Wijze van uitvoering Door het nemen van soortgerichte maatregelen worden nadelige effecten op de betreffende soorten zoveel mogelijk voorkomen. De maatregelen voldoen aan de voorwaarden uit de kennisdocumenten van BIJ12. De wijze van uitvoering is op deze manier optimaal voor de betreffende soorten.
4.2.3 Periode van uitvoering Door te werken buiten de meest kwetsbare periodes van aanwezige soorten wordt reeds het meest gunstige alternatief gebruikt waarbij de mate van verstoring van individuen zoveel als mogelijk wordt beperkt. Het alternatief is werken binnen de meest kwetsbare periode, met dus grotere negatieve effecten. Dit is geen reëel alternatief.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 17 van 19
5 DESKUNDIGE EN VERANTWOORDING GEGEVENS 5.1 Deskundige Milieuadviesbureau ATKB B.V. is betrokken als ecologisch adviseur van dit project. De heer P.I. (Pim) Godschalk is als projectleider betrokken bij dit project. Hij heeft een opleiding Biologie, specialisatie Ecologie afgerond aan de Wageningen Universiteit, is actief bij de KNNV en het bedrijf waar hij werkzaam is, is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de kwalificaties die gesteld worden aan een ‘erkend ecoloog’. Sinds 2011 is hij betrokken bij vleermuis- en vogelonderzoek en advisering en in de loop van de jaren heeft hij diverse ontheffingen voor onder andere gewone dwergvleermuis en huismus aangevraagd en verkregen. Mevr. L. (Lieselotte) Veen is als adviseur van ATKB B.V. betrokken bij dit project. Zij heeft een Hboopleiding Diermanagement gevolgd en is ongeveer 16 jaar werkzaam als ecologisch adviseur en in die hoedanigheid betrokken bij een veelheid aan projecten betreffende beschermde soorten, waaronder vleermuizen en huismussen. Averti Ecologie is een ecologisch adviesbureau uit Bennekom. Averti Ecologie is kandidaatlid van Netwerk Groene Bureau’s. Het aanvullend veldwerk is uitgevoerd G. Lelieveld MSc. en A. Nieuwenhuis MSc. De heer G. (Glenn) Lelieveld, is sinds maart 2016 tevens gedetacheerd bij het RVO team Advisering Natuurwetgeving.
5.2 Verantwoording gegevens De quickscan en de rapportages en advisering zijn uitgevoerd door ATKB B.V., het veldwerk voor het nader ecologisch onderzoek is uitgevoerd door Averti ecologie. Zie paragraaf 5.1 voor een verantwoording van de deskundigheid van deze bureaus.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 18 van 19
6 LITERATUUR Gemeente Barneveld: Structuurvisie kernen Barneveld 2020, projectnr. 2.0203.003, september 2011 Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, BIJ12, juli 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, BIJ12, juli 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula, versie 1.0, BIJ12, juli 2017. Krekels, R.F.M. & P. van Hoof, 2012. N303 Voorthuizen. Activiteitenplan en Natuurcompensatie 2012, in kader van Natuurwetgeving. Bureau Natuurbalans - Limes Divergens BV, Nijmegen. NDFF uitvoerportaal (Nationale Databank Flora en Fauna) – ndff.ecogrid.nl Spierts, I.L.Y.: Quickscan Wet natuurbescherming Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen, ATKB-rapport met kenmerk 20170372/rap01, versie 3 d.d. 9 juni 2017. Spierts, I.L.Y.: Nader onderzoek naar broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën - Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen, ATKB-rapport met kenmerk 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging. Vleermuisprotocol 2017. Maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl Zoogdiervereniging VZZ. Basisrapport voor de Rode Lijst Zoogdieren volgens Nederlandse en IUCNcriteria. VZZ rapport 2006.027. Tweede, herziene druk. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem, 2007.
* als bijlage bij de ontheffingsvraag meegestuurd
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag project ‘Schoonengweg 6’ te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap03, versie 3, d.d. 27 maart 2018
Blz. 19 van 19