Schooneng_Toelichting_Bijlage 19 Ecologisch onderzoek Schoonengweg 6-7 (2017)
Tekst van het document
Nader onderzoek naar broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen
Rapportnummer: Status rapport: Datum rapport:
20170372/rap02 versie 1 23 november 2017
Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:
I.L.Y. (Igor) Spierts P.I. (Pim) Godschalk P.I. (Pim) Godschalk
Opdrachtgever:
De Bunte Vastgoed Oost B.V. T.a.v. de heer W. van den Top Postbus 8029 6710 AA Ede
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 1 1.2 Doel ................................................................................................................................................ 1 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ........................................................................................... 2 2.1 Huidige situatie .............................................................................................................................. 2 2.1.1 Deelgebied 1 ............................................................................................................................ 2 2.1.2 Deelgebied 2 ............................................................................................................................ 4 2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie ...................................................................................... 6 3 METHODE ............................................................................................................................................
7 3.1 Bezoeken ....................................................................................................................................... 7 3.2 Vogels ............................................................................................................................................ 7 3.2.1 Huismus ................................................................................................................................... 7 3.2.2 Overige vogels ......................................................................................................................... 8 3.3 Vleermuizen ................................................................................................................................... 8 3.4 Grondgebonden zoogdieren .......................................................................................................... 8 3.5 Amfibieën ....................................................................................................................................... 9 4 RESULTATEN ................................................................................................................................... 10 4.1 Deelgebied 1 - Huismus .............................................................................................................. 10 4.2 Deelgebied 1 en 2 - Overige vogels (cat.
1 t/m 4 en 5) ............................................................... 10 4.3 Deelgebied 1 - Vleermuizen ........................................................................................................ 11 4.4 Deelgebied 1 en 2 - Grondgebonden zoogdieren ....................................................................... 11 4.5 Deelgebied 1 en 2 - Amfibieën .................................................................................................... 12 4.6 Samenvatting ............................................................................................................................... 12 5 EFFECTANALYSE EN MITIGERENDE MAATREGELEN ............................................................... 13 5.1 Huismus ....................................................................................................................................... 13 5.2 Gewone dwergvleermuis ............................................................................................................. 13 5.2.1 Verblijven ................................................................................................................................ 13 5.2.2 Vliegroute en foerageergebied ...............................................................................................
14 5.3 Laatvlieger ................................................................................................................................... 14 5.3.1 Verblijven ................................................................................................................................ 14 5.3.2 Vliegroute en foerageergebied ............................................................................................... 15 5.4 Rosse vleermuis .......................................................................................................................... 15 5.5 Ontheffingsaanvraag.................................................................................................................... 15 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.............................................................................................. 16
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De Bunte Vastgoed Oost B.V. heeft het voornemen om de locaties Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen te ontwikkelen voor woningbouw. Op het perceel Schoonengweg 6 (deelgebied 1) worden hierbij alle bestaande opstallen (7 stuks) gesloopt en mogelijk een deel van de beplanting verwijderd. Op het perceel Schoonengweg 7 (deelgebied 2, deels reeds ontwikkeld) wordt een weiland ontwikkeld. De groenstructuren langs de rand dienen hiervoor mogelijk lokaal verwijderd te worden. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden op beschermde planten en dieren. ATKB heeft op 30 maart 2017 een ecologische quickscan op beide locaties Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen. Uit de quickscan (20170372//rap01, versie 3, d.d. 9 juni 2017) blijkt dat het plangebied geschikt is voor broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4: huismus, sperwer en buizerd), vogels niet jaarrond beschermd (categorie 5: spreeuw); gebouwbewonende vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger), grondgebonden zoogdieren (das) en amfibieën (heikikker). 1.2 Doel Het doel van het nader onderzoek is het bepalen van de aan- of afwezigheid van de soorten huismus, sperwer, buizerd, spreeuw, das, vleermuizen en heikikker in het plangebied. Indien de soorten aanwezig zijn bepalen wij ook de functie(s) van het plangebied en hoeveel dieren van de soorten voorkomen.
Tevens adviseren wij welke mitigerende maatregelen nodig zijn en of het noodzakelijk is een ontheffing op de Wet natuurbescherming aan te vragen.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 1 van 16
2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Huidige situatie De projectlocatie bestaat uit twee deelgebieden welke ca. 175 meter uit elkaar liggen. Ze bevinden zich aan de Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen (zie figuur 2-1). De deellocaties worden omgeven door landbouwgrond (akkerbouw) en er liggen woningen, bedrijven en een camping langs de weg. De twee deelgebieden worden in de volgende sub paragrafen toegelicht.
Figuur 2-1. Projectlocatie deelgebied 1 (Schoonengweg 6) is rood omlijnd; deelgebied 2 (Schoonengweg 7) is groen omlijnd. Het blauw omlijnde gebied betreft een deel van deelgebied 2 waar inmiddels gestart is met het realiseren van woningen. Hier is in een separaat project al eerder ecologisch onderzoek uitgevoerd. Bron: www.bing.com/maps.
2.1.1 Deelgebied 1 De ruimtelijke ingreep gaat plaatsvinden op het perceel Schoonengweg 6 te Voorthuizen (zie rood omlijnd terrein in figuur 2-1). Het perceel betreft een ruim terrein bestaande uit een woning, een garage, een deels open opstal met paardenverblijven, een manege en vier schuren / stallen (waarvan een deels open). De te slopen opstallen hebben een schuin dak met asbest platen en deels dakpannen, deels stenen muren zonder spouw en / of deels houten wanden. De opstallen bevatten open stootvoegen, openingen tussen kozijnen en muren, naden en kieren en openingen onder houten dakranden. Deze ruimtes kunnen gebouw bewonende vleermuizen (kleine ruimtes) en broedvogels (grotere ruimtes) mogelijk gebruiken als broed- of nestplaats. Op het perceel is weinig verlichting aanwezig. Een impressie van de bebouwing op het perceel is weergegeven in figuur 2-2. Het oppervlak waarop de opstallen en het woonhuis zijn gesitueerd is verhard. De buiten paardenrijbaan bestaat uit zand. De woning heeft aangrenzend een tuin met een klimophaag, welke is omgeven door groenstructuren. Ten zuiden en oosten van de bebouwing liggen enkele paardenweilanden en een buitenrijbaan voor paarden, allen omgeven door groenstructuren (bomen, deels met holtes, struweel, grasbermen en enkele plekken riet).
Het terrein is (deels) begrensd door watergangen met een breedte variërend van 1-1,5 m en zonder oeverbeschoeiing. Het doorzicht van de wateren is matig en er is geen stroming aanwezig. Een impressie van de groenstructuren en de ondergrond is weergegeven in figuur 2-3.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 2 van 16
Figuur 2-2. Huidige situatie gebouwen deelgebied 1. Van links naar rechts en van boven naar beneden: open opstal (midden) met bedrijfswoning (rechts); bedrijfswoning; manege; vooraanzicht open opstal; vier overige schuren.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 3 van 16
Figuur 2-3. Huidige situatie groenstructuren en oppervlaktes deelgebied 1. Van links naar rechts en van boven naar beneden: tuin met klimophaag; watergang langs de oostzijde met bomen; wateergang met struweel aan de zuidoostzijde en westzijde. Rechtsonder is een deel van de verharde ondergrond te zien.
2.1.2 Deelgebied 2 De ruimtelijke ingreep gaat plaatsvinden op het perceel Schoonengweg 7 te Voorthuizen (zie groen omlijnd terrein in figuur 2-1). Het perceel betreft een (voormalig maïs) akkerland met groenstructuren langs de randen. Het perceel bevat geen gebouwen of verharde ondergrond. Een smalle rand (ca. 75 m) aan de westzijde van de projectlocatie grenst aan een verhard terrein waar inmiddels gestart is met het realiseren van woningen (zie blauw omlijnd terrein in figuur 2-1).
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 4 van 16
Figuur 2-4. Huidige situatie groenstructuren deelgebied 2. Van links naar rechts en van boven naar beneden: zicht op de noordelijke rand van de akker met bomenrij en struweel; strook struweel midden op de akker; uitzicht op de akker in zuidelijke richting; rand van het perceel met watergang; dichte begroeing aan de noordoostelijke zijde van de akker en aarden rand met holen aan de noordzijde.
Deze rand bestaat uit een smalle strook grasland zonder overige groenstructuren. De andere randen van het onderzoeksgebied aan de noord- west- en zuidzijde grenzen aan weilanden en zijn er van gescheiden door watergangen met een breedte van 1-2 m. De wateren hebben geen oeverbeschoeiing, een matig doorzicht en er is geen stroming aanwezig. De randen van de onderzoekslocatie bestaan uit groenstroken (bomen, struweel en grasbermen). Een impressie van de groenstructuren is weergegeven in figuur 2-4.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 5 van 16
2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie Deelgebied 1 De benodigde werkzaamheden zijn: 1) slopen van alle zeven opstallen en mogelijk ook het woonhuis, en 2) deels rooien van bomen en struweel en het verwijderen van beplanting (klimop), gazon, grasbermen en watergangen. Er wordt een hoofdstructuur aangelegd aan de zuidzijde van deelgebied 1. Ten noorden van deze hoofdstructuur worden woningen gerealiseerd (zie figuur 2-5). Deelgebied 2 De benodigde werkzaamheden zijn (her) ontwikkelen van het akkerland tot bebouwing, waarbij mogelijk enkele groenstructuren langs de randen (bomen, struweel en grasbermen) verwijderd dienen te worden. Het gaat dan om een enkele boom of struik, er vindt geen grootschalige kap plaats. De planning van alle werkzaamheden is op het moment van het opstellen van deze rapportage nog niet bekend.
Figuur 2-5. Concept weergave van de geplande aanleg van een hoofdstructuur aan de zuid- en oostzijde van het perceel op Schoonengweg 6 (geel omrand) en de geplande realisatie van woningen (groene en grijze structuren ten noorden van de aan te leggen hoofdstructuur). Rode cirkel: huidige locatie bestaande woonhuis.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 6 van 16
3 METHODE 3.1 Bezoeken In de paragrafen 3.2 tot en met 3.5 wordt per soortgroep de uitgevoerde methodiek voor de veldbezoeken beschreven. Daarbij worden ook mogelijke uitzonderingen op de standaard onderzoeksmethoden verantwoord. In tabel 3-1 is een samenvatting van het uitgevoerde veldwerk en de datums van de onderzoeken weergegeven. Tabel 3-1. Weerdata en overige gegevens van de uitgevoerde onderzoeken. Datum
29 mei 2017
Zon Weersomstandigheden op/onder Onderzoek is uitgevoerd bij gunstige weersomstandigheden conform de geldende kennisdocumenten van BIJ12 en/of onderzoeksprotocollen van Netwerk Groene Bureaus (voor sperwer is het kennisdocument buizerd aangehouden)* Zie *
29 mei 2017
21:30 – 23:30
10 juni 2017
Zie *
29 juni 2017
12 mei 2017
Tijd
21:47
21°C, bewolkt, droog, ~2 Bft
3:30 – 5:25
5:23
16°C, bewolkt, droog, ~1 Bft
14 juli 2017
21:45 – 23:45
21:54
14°C, bewolkt, droog, ~2 Bft
24 augustus 2017 7 september 2017 2 september 2017
18 graden, bewolkt, W2, droog 16 graden, half bewolkt, ZW 3, droog 23:00 – 1:00 20:24 10°C, bewolkt, droog, ~0 Bft
26 september 2017
21:00 – 23:00
19:28
11°C, bewolkt, droog, ~1 Bft
Onderzoek gericht op Broedvogels jaarrond beschermd; huismus, sperwer, buizerd, spreeuw Broedvogels jaarrond beschermd; huismus, sperwer, buizerd, spreeuw Vleermuizen: kraam- en zomerverblijven, vliegroutes, foerageergebied Broedvogels jaarrond beschermd; huismus, sperwer, buizerd, spreeuw Vleermuizen: kraam- en zomerverblijven, vliegroutes, foerageergebied Vleermuizen: kraam- en zomerverblijven, vliegroutes, foerageergebied Heikikker / das Heikikker / das Vleermuizen (paarverblijven, najaars zwermen als indicatie voor winterverblijven, vliegroutes, foerageergebied) Vleermuizen (paarverblijven, vliegroutes, foerageergebied)
3.2 Vogels 3.2.1 Huismus Tijdens de quickscan op 30 maart 2017 zijn in deelgebied 1 onder de dakpannen van het woonhuis huismussen aangetroffen die af en aan vlogen met voedsel. Het nader onderzoek naar huismussen heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen van het kennisdocument Huismus (BIJ12, versie 1.0, juli 2017). Volgens deze standaard dient de afwezigheid bepaald te worden met 2 gerichte inventarisaties (overdag) in de periode 1 april t/m 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni met een tussentijd van 10 dagen. In het nader onderzoek zijn 3 gerichte inventarisaties uitgevoerd binnen de vereiste periode (1e 2 bezoeken; 2 personen, derde bezoek; 1 persoon, allen overdag), met een tussentijd van minimaal 12 dagen (zie tabel 3-1). Tijdens deze bezoeken is actief gelet op activiteit van huismus (zoals foerageren, schuilen) en nestindicerend gedrag van mussen, zoals zingen, vervoeren van veertjes en ander nestmateriaal, vervoeren van voedsel voor de jongen, het gepiep van jongen al dan niet in combinatie met het verdwijnen van volwassen dieren in potentiële nestplekken. Daarbij is ook de omgeving meegenomen om te zien of deze voldoet aan andere habitateisen, zoals stofbaden, schuilmogelijkheden en foerageergebied. Tijdens deze inventarisaties is ook op andere soorten in het plangebied gelet (zie paragraaf 3.2.2).
Met de inventarisatie van 30 maart (quickscan) en 12 mei is feitelijk al voldaan aan de onderzoeksplicht. Met de overige bezoeken is extra zekerheid verkregen over het aantal broedparen huismus.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 7 van 16
3.2.2 Overige vogels Gelijktijdig met de overige inventarisaties is ook gelet op aanwijzingen voor overige broedvogels, en vooral op de aanwezigheid van spreeuw in deelgebied 1 en sperwer en of buizerd in deelgebieden 1 en 2. In deze deelgebieden zijn namelijk enkele verlaten grote nesten aangetroffen tijdens de quickscan op 30 maart 2017 die mogelijk een verblijfplaats bieden voor genoemde soorten. Het nader onderzoek naar buizerd en sperwer heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen van het kennisdocument Buizerd (BIJ12, versie 1.0, juli 2017). De afwezigheid van bewoonde nesten dient bepaald te worden met 2 tot 4 gerichte inventarisaties in de periode van 1 mei tot en met 31 juli met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. In genoemde periode zijn 3 gerichte inventarisaties uitgevoerd ((1e 2 bezoeken; 2 personen, 3e bezoek; 1 persoon, allen overdag, tezamen met het huismussen en spreeuwen onderzoek) waarbij onder anderen gelet is op de aanwezigheid van pluisjes en verse takjes op de nestranden. 3.3 Vleermuizen Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd aan de hand van het landelijk vastgestelde protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017). Dit is een door de Gegevens autoriteit Natuur (GaN) en het Netwerk Groene Bureaus (NGB) goedgekeurde methodiek. ATKB is als lid aangesloten bij het NGB.
Het vleermuisprotocol geeft aan dat meerdere onderzoeksrondes nodig zijn om de verschillende functies van het gebied voor vleermuizen in kaart te brengen. De bezoekrondes moeten worden uitgevoerd in de vleermuis actieve periode tussen april en oktober. Met behulp van een batdetector van het type Pettersson D240x en zichtwaarnemingen kunnen verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen worden vastgesteld. Een batdetector zet de voor mensen onhoorbare geluiden van vleermuizen om in hoorbare geluiden. Aan de hand van frequentie en ritme van de geluiden is het mogelijk om de vleermuissoorten te onderscheiden. Gekoppeld aan de batdetector kunnen met behulp van een opnameapparaat (Edirol R-09HR) opnames gemaakt van in het veld moeilijk te determineren soorten. Tijdens de quickscan op 30 maart 2017 is gebleken dat in deelgebied 1 bebouwing aanwezig is welke geschikt is voor gebouwbewonende vleermuizen (soorten als gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger). Ook zijn geschikte holtes in bomen aangetroffen voor boombewonende vleermuizen (rosse vleermuis). Voor het project zijn daarom 5 onderzoeksrondes uitgevoerd in de periode 15 mei t/m 30 september 2017. In tabel 3-1 zijn de onderzoeksrondes weergegeven. De eerste 2 bezoeken zijn door 2 personen uitgevoerd, de laatste 3 door 1 persoon.
Het veldwerk is door twee personen uitgevoerd vanwege de grootte van het plangebied. Er is voldaan aan de verplichte onderzoeksinspanning door 3 bezoeken in de kraamperiode uit te voeren (15 mei – 15 juli) met een tussenperiode van minimaal 30 dagen (optimaal, protocol 2017), en twee onderzoeken in de paarperiode (15 augustus – 1 oktober) met een tussenperiode van 20 dagen (optimaal, protocol 2017). In de kraamperiode werd 1 ochtendbezoek uitgevoerd (gewone dwergvleermuis, 29 juni 2017) en 2 avondbezoeken (gewone dwergvleermuis en laatvlieger, 29 mei en 14 juli 2017). In de paarperiode werden 2 avondbezoeken (gewone dwergvleermuis en laatvlieger, 2 en 26 september 2017) uitgevoerd. Hiermee wordt ook voldaan aan de eisen voor zomerverblijfplaatsen (2 veldbezoeken) en vliegroutes (2 veldbezoeken waarvan 1 in de kraamperiode en de 2de minimaal 8 weken later). 3.4 Grondgebonden zoogdieren In deelgebied 2 is uit vooronderzoek gebleken dat er een kans is op verblijfplaats van das in de houtwallen / bomenrij aan de oostzijde van het perceel. Op 16 mei 2017 is namelijk een gang en verse graafactiviteiten en vraatsporen gevonden. Het nader onderzoek moest duidelijk maken welke soort mogelijk van de gang/holte gebruik maakt.
Het onderzoek naar het gebruik van een burcht is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het kennisdocument Das (BIJ12, versie 1.0, juli 2017) met behulp van een cameraval, waarbij gelet wordt op aangetroffen zoogdieren, graafactiviteiten en
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 8 van 16
vraatsporen. De cameraval heeft gedurende 2 weken (24 augustus t/m 7 september 2017) bij de aanwezige gang alle bewegingen vastgelegd. 3.5 Amfibieën Binnen deelgebied 1 zijn de watergangen, oevers en struweelranden geschikt als voortplantings- en verblijfplaats voor heikikker. Het nader onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen van het kennisdocument Heikikker (BIJ12, versie 1.0, juli 2017). Het onderzoek toont de aan- of afwezigheid van exemplaren van de heikikker, en voortplantings- en rustplaatsen aan of functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden). De aanwezigheid van juvenielen en volwassen exemplaren kan worden aangetoond met gerichte inventarisaties (in watergangen, langs oevers en houtwallen) in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus. In genoemde periode zijn 2 gerichte inventarisatie uitgevoerd in de avonduren rond de schemering (1 persoon, 24 augustus en 7 september 2017) waarbij gezocht is naar juveniele en adulte exemplaren in het grasland en langs de slootkanten. .
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 9 van 16
4 RESULTATEN 4.1 Deelgebied 1 - Huismus Er zijn op vier verschillende plekken zingende mannetjes van huismus waargenomen, dit indiceert de aanwezigheid van nestplaatsen van de huismus (zie gele driehoeken in figuur 4-1A). Een van de locaties (westelijk) betreft een huis welke net buiten het plangebied zelf valt. 4.2 Deelgebied 1 en 2 - Overige vogels (cat. 1 t/m 4 en 5) Vlakbij één van de locaties waar verblijfplaatsen van huismussen zijn aangetroffen, aan de noordzijde van de noordwestelijk gelegen schuur, nestelt ook een paartje spreeuwen (zie groene driehoek in figuur 4-1A). In de oostelijk gelegen bomenrij is een verlaten nest van een roofvogel waargenomen (buizerd of sperwer). In het plangebied is tijdens de veldbezoeken eenmaal een buizerd gezien, maar deze leek geen verder binding met het plangebied te hebben. Geconcludeerd wordt daarom dat er geen jaarrond beschermde roofvogels in het plangebied broeden. Het ene nest van de spreeuw verdient geen jaarronde bescherming, omdat het geen belangrijke of omvangrijke populatie van een cat. 5 soort betreft. Er zijn bovendien voldoende alternatieve locaties in de omgeving, zodat de spreeuw alleen tijdens het broedseizoen beschermd is. Deelgebied 1: Schoonengweg 6
A
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 10 van 16
B Figuur 4-1. A: Samenvatting resultaten nader onderzoek naar vogels cat. 1 t/m 4 en 5 en vleermuizen. ES: Eptesicus serotinus (laatvlieger); PP: Pipistrellus (gewone dwergvleermuis), en NN: Nyctalus noctua (rosse vleermuis). Bron ondergrond: PDOK services. B: Noordwestelijk gelegen opstal in deelgebied 1 waar de kraamkolonie laatvliegers verblijft.
4.3 Deelgebied 1 - Vleermuizen Het erf in deelgebied 1 biedt vele mogelijkheden voor vleermuizen. Tijdens de eerste avondronde (29 mei 2017) is een roepende rosse vleermuis vanuit een holte in een eik aan de zuidoostzijde van het erf waargenomen. Deze is ongeveer 10 minuten na zonsondergang uitgevlogen (zie rode stip in figuur 4-1A). Verder is tijdens alle avondonderzoeken in de zomer (29 mei, 29 juni en 14 juli 2017) een kraamkolonie van ongeveer 15 laatvliegers vastgesteld in de sterk verouderde kippenschuur die tegenwoordig dienst doet als opslag voor haardhout (zie rode rechthoek in figuur 4-1A en B). In het (asbest) dak zijn veel grote kieren die als toegang tot de schuur dienen. Tijdens het onderzoek zijn geen uitwerpselen gevonden tussen de aanwezige houtblokken. Gedurende alle zomeronderzoeken is de noordelijke bomenlaan en het bosje bij de oude kippenschuur intensief gebruikt door laatvliegers en gewone dwergvleermuizen als vliegroute en foerageergebied. Op piekmomenten zijn 4 laatvliegers en 8 gewone dwergvleermuizen op zicht geteld, maar mogelijk waren het er meer. In het najaar (2 en 26 september 2017) is op twee plekken een aantikkende gewone dwergvleermuis waargenomen nabij de dakrand van het woonhuis (zie de paarse driehoekjes in figuur 4-1|A).
Tijdens beide onderzoeken in het najaar is er telkens hooguit 1 gewone dwergvleermuis tegelijk waargenomen, hoewel dit individu veelvuldig sociale geluiden uitte. Vermoedelijk gaat het hierbij om paarverblijfplaatsen op een zeer suboptimale locatie in het lokale netwerk van de gewone dwergvleermuizen (zie blauwe driehoeken in figuur 4-1A). Er zijn geen indicaties gevonden voor de aanwezigheid van grootoorvleermuizen of winterverblijfplaatsen van dwergvleermuizen. Het is echter niet uit te sluiten dat de gewone dwergvleermuis die in het najaar gebruik maakte van het hoofdgebouw hier ook gedurende de winter aanwezig is (individueel winterverblijf). 4.4 Deelgebied 1 en 2 - Grondgebonden zoogdieren Tijdens de onderzoeksronde van 29 mei 2017 zijn tegelijkertijd 6 individuele hazen gezien op het weiland ten zuiden van het erf in deelgebied 1. In deelgebied 2 is op 16 mei 2017 in een houtwal / bomenrij aan de oostzijde van het plangebied een gang/holte aangetroffen met verse graafsporen. Uit de beelden van de cameraval blijkt dat de gang/holte niet actief in gebruik is. Tevens is geen das
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 11 van 16
waargenomen. Wel is eenmaal een passerende boommarter op de beelden vastgelegd (zie figuur 42). Binnen beide deelgebieden is echter onvoldoende permanent geschikt leefgebied aanwezig voor vaste rust en verblijfplaatsen van deze soort. Deelgebied 2: Schoonengweg 7
A
B
Figuur 4-2. A: exacte locatie van de aangetroffen gang / holte met verse graafsporen; B: passerende boommarter bij de aangetroffen gang / holte (28 augustus 2017, 15:56 uur). Bron: www.bing.com/maps.
4.5 Deelgebied 1 en 2 - Amfibieën In deelgebied 1 en 2 zijn tijdens de twee veldbezoeken geen heikikkers aangetroffen in de onderzochte sloten en greppels (wel de meer algemene bruine kikker in zeer lage aantallen). Hieruit kan geconcludeerd worden dat de heikikker geen vast leefgebied in het plangebied heeft. In de regio wordt de heikikker ook voornamelijk in natuurgebiedjes (doorgaans kleine heiderestanten) gevonden (blijkens de waarnemingen in de NDFF). Het niet aantreffen van de soort in het plangebied is dus in lijn met het ontbreken van waarnemingen in omringend agrarisch landschap. 4.6 Samenvatting In deelgebied 1 zijn de volgende beschermde verblijven aanwezig: - 3 nestlocaties van huismus (cat. 1 t/m 4, woonhuis en noordwestelijk gelegen schuur); - 1 (zomer) verblijfplaats van een rosse vleermuis in een oude eik (zuidoostzijde van het erf); - kraamverblijf van (ongeveer 15) laatvliegers (sterk verouderde kippenschuur noordzijde plangebied). - 2 paarverblijven van gewone dwergvleermuizen. Binnen het plangebied is de bomenrij en het bosje ten noorden van de oude kippenschuur aan de Schoonengweg een essentiële vliegroute en foerageergebied voor de kraamkolonie laatvliegers en voor gewone dwergvleermuizen. In deelgebied 2 zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 12 van 16
5 EFFECTANALYSE EN MITIGERENDE MAATREGELEN 5.1 Huismus In deelgebied 1 zijn 3 nestplaatsen van huismus aanwezig onder de dakpannen van het woonhuis (2 nesten) en in de noordwestelijk gelegen schuur (1 nest). De geplande sloopwerkzaamheden in deelgebied 1 worden aan de opstallen en het woonhuis uitgevoerd. Bij de werkzaamheden is het niet mogelijk om de nesten van de huismussen onder de dakpannen van het woonhuis en onder het dak van de noordwestelijk gelegen opstal te ontzien. De nesten gaan door de werkzaamheden verloren. Omdat huismus nesten vallen onder de bescherming van ´jaarrond beschermde vogels´, wordt bij de genoemde onderdelen van het werk artikel 3.1 lid 2 (opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten) van de Wet natuurbescherming overtreden. Het aanvragen van een ontheffing is hierdoor noodzakelijk. Daarnaast kunnen de genoemde werkzaamheden leiden tot het doden en het (opzettelijk) verstoren van huismussen tijdens de werkzaamheden. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.1 lid 1 (doden van vogels) van de Wet natuurbescherming. Bij het (opzettelijke) verstoren wordt de Wet niet overtreden, aangezien deze verstoring niet van wezenlijke invloed is op de (landelijke) staat van instandhouding van de soort (lid 5). Overtreding van artikel 3.1 lid 1 kan worden voorkomen door de onderstaande voorzorgsmaatregelen te treffen: •
• •
voorkomen dat huismussen (en overige vogels) ten tijde van de werkzaamheden broeden in de te slopen woning en opstallen, door: o de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van huismussen welke loopt van begin maart tot eind augustus. Indien sprake is van late vervolglegsels kan september mogelijk ook aangemerkt worden als voortplantingsperiode. of: o de woning en opstallen vooraf ongeschikt te maken voor huismussen; o het ongeschikt maken dient voor aanvang van het broedseizoen van huismussen en na het tijdig realiseren van vervangende nest- en rustgelegenheid plaats te vinden. Voor elke nestplaats die aangetast of verwijderd wordt dienen minimaal twee nieuwe nestplaatsen te worden aangeboden+ o een ecoloog controleert na/bij het ongeschikt maken of de gekozen methode afdoende is om broedvogels (vooral huismussen) uit te sluiten; de aannemer legt vast in een logboek (bijvoorbeeld in het dagrapport) dat de woning en de opstallen ongeschikt zijn gemaakt, inclusief de methode en overige bijzonderheden; de ecoloog omschrijft de methode van ongeschikt maken voor broedvogels (vooral huismussen) en overige details in een ecologisch werkprotocol.
Doordat de aannemer op deze wijze voorkomt dat er huismussen in de woning en de opstallen broeden als de werkzaamheden daar starten, wordt voorkomen dat huismussen worden gedood en/of opzettelijk worden verstoord. Indien bovenstaande maatregelen worden gevolgd, wordt artikel 3.1 lid 1 niet overtreden. 5.2 Gewone dwergvleermuis 5.2.1 Verblijven De paarverblijven van de gewone dwergvleermuizen (ongeveer 2 exemplaren) in deelgebied 1 bevinden zich in het woonhuis. De vleermuizen vliegen via de openingen tussen de dakpannen en het dakbeschot naar binnen. De paarverblijven van deze vleermuizen bevinden zich zeer waarschijnlijk tussen de dakpannen en het dakbeschot.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 13 van 16
Effecten Bij de bovengenoemde werkzaamheden is het niet mogelijk om de vleermuisverblijven onder het dak te sparen. De aanwezige verblijven gaan door de werkzaamheden verloren. Zodoende wordt bij de genoemde onderdelen van het werk artikel 3.5 lid 4 (beschadigen en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming overtreden. Daarnaast kunnen de genoemde werkzaamheden leiden tot het doden van vleermuizen en tot het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens de werkzaamheden. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden van dieren) en artikel 3.5 lid 2 (opzettelijke verstoring van dieren) van de Wet natuurbescherming.
Deze overtreding kan worden voorkomen door de onderstaande voorzorgsmaatregelen te treffen: • voorkomen dat vleermuizen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn in de woning en opstallen, door: o de woning en opstallen vooraf ongeschikt te maken voor vleermuizen; o het ongeschikt maken dient minimaal 3 dagen voorafgaand aan het werk toegepast te worden; o wanneer in de periode begin november – eind maart gewerkt wordt (de winterslaapperiode van vleermuizen) dienen de woning en opstallen voor half oktober ongeschikt gemaakt te worden; o een ecoloog controleert na/bij het ongeschikt maken of de gekozen methode afdoende is om vleermuizen uit te sluiten; • de aannemer legt vast in een logboek (bijvoorbeeld in het dagrapport) dat de woning en opstallen ongeschikt zijn ingemaakt, inclusief de methode en overige bijzonderheden; • de ecoloog omschrijft de methode van ongeschikt maken voor vleermuizen en overige details in een ecologisch werkprotocol. Doordat de aannemer op deze wijze voorkomt dat er vleermuizen in de woning en opstallen aanwezig zijn als de werkzaamheden daar starten, wordt voorkomen dat vleermuizen worden gedood en/of opzettelijk worden verstoord. Indien bovenstaande maatregelen worden gevolgd, wordt artikel 3.5 lid 1 niet overtreden. In de ontheffingsaanvraag dient een nadere detaillering van de maatregelen te worden opgenomen.
5.2.2 Vliegroute en foerageergebied Binnen deelgebied 1 worden de noordelijke bomenlaan en het bosje bij de oude kippenschuur intensief gebruikt door gewone dwergvleermuizen als vliegroute en foerageergebied. Effecten De werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op een vliegroute en het foerageergebied wanneer grootschalige bomenkap plaatsvindt en/of door een sterke toename van verlichting in de eindsituatie. In de ontheffingsaanvraag dient nader uitgewerkt te worden welke effecten optreden op de vliegroute en het foerageergebied van gewone dwergvleermuizen en welke maatregelen nodig zijn om de negatieve effecten zoveel als mogelijk of geheel te beperken. 5.3 Laatvlieger 5.3.1 Verblijven De kraamverblijven van de laatvliegers (ongeveer 15 exemplaren) in deelgebied 1 bevinden zich in de noordoostelijk van het woonhuis gelegen opstal (zie rode rechthoek in figuur 4.1). De vleermuizen vliegen in de meeste gevallen via de gaten tussen de nokpannen de opstal naar binnen. Aangezien de opstal waar de laatvliegers zich bevinden geen spouwmuur heeft, bevinden de kraamverblijven van deze groep vleermuizen zich zeer waarschijnlijk tussen de dakpannen en het dakbeschot. De werkzaamheden omvatten de sloop van alle op deelgebied 1 aanwezige opstallen.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 14 van 16
Effecten Bij de bovengenoemde werkzaamheden is het niet mogelijk om de vleermuisverblijven onder het dak te sparen. De aanwezige verblijven gaan door de werkzaamheden verloren. Zodoende wordt bij de genoemde onderdelen van het werk artikel 3.5 lid 4 (beschadigen en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming overtreden. Daarnaast kunnen de genoemde werkzaamheden leiden tot het doden van vleermuizen en tot het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens de werkzaamheden. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden van dieren) en artikel 3.5 lid 2 (opzettelijke verstoring van dieren) van de Wet natuurbescherming. Het doden en verwonden kan worden voorkomen door de voorzorgsmaatregelen te treffen zoals beschreven in paragraaf 5.2. In de ontheffingsaanvraag dient een nadere detaillering van de maatregelen te worden opgenomen. 5.3.2 Vliegroute en foerageergebied Binnen deelgebied 1 worden de noordelijke bomenlaan en het bosje bij de oude kippenschuur intensief gebruikt door laatvliegers als vliegroute en foerageergebied. De werkzaamheden kunnen negatieve effecten op een vliegroute en het foerageergebied wanneer grootschalige bomenkap plaatsvindt en/of door een sterke toename van verlichting in de eindsituatie.
In de ontheffingsaanvraag dient nader uitgewerkt te worden welke effecten optreden op de vliegroute en het foerageergebied van laatvliegers en welke maatregelen nodig zijn om de negatieve effecten zoveel als mogelijk of geheel te beperken. 5.4 Rosse vleermuis De zomerverblijfplaats van de rosse vleermuis in deelgebied 1 bevindt zich in een holte in een oude eik aan de zuidoostzijde van het erf. Effecten Bij de bovengenoemde werkzaamheden is het niet mogelijk om het vleermuisverblijf in de oude eik te sparen. Het aanwezige verblijf gaat door de werkzaamheden verloren. Zodoende wordt bij de genoemde onderdelen van het werk artikel 3.5 lid 4 (beschadigen en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming overtreden. Daarnaast kunnen de genoemde werkzaamheden leiden tot het doden van vleermuizen en tot het (opzettelijk) verstoren van vleermuizen tijdens de werkzaamheden. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden van dieren) en artikel 3.5 lid 2 (opzettelijke verstoring van dieren) van de Wet natuurbescherming. Deze overtreding kan worden voorkomen door de voorzorgsmaatregelen te treffen zoals beschreven in paragraaf 5.2 (voor woning en opstal moet dan ‘boom’ worden gelezen). In de ontheffingsaanvraag dient een nadere detaillering van de maatregelen te worden opgenomen.
5.5 Ontheffingsaanvraag Zoals in voorgaande paragrafen beschreven leiden de voorgenomen werkzaamheden tot het beschadigen en vernielen van nesten van de huismus (3 stuks), een kraamverblijf van laatvliegers (15 ex.), twee paarverblijven van de gewone dwergvleermuis en een zomerverblijfplaats van rosse vleermuis. Voor deze overtreding van verbodsbepalingen dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in deze de provincie Gelderland. Voor het aanvragen van de ontheffing is het nodig een activiteitenplan op te stellen waarin o.a. de volgende zaken worden behandeld: - Alternatievenafweging; - Het wettelijk belang van de ingreep (hiertoe dient een belang uit de Vogelrichtlijn te worden onderbouwd)+ - Mitigerende en compenserende maatregelen.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 15 van 16
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Conclusie Binnen deelgebied 1 zijn beschermde verblijfplaatsen aanwezig, namelijk: • 3 nestlocaties van huismus (cat. 1 t/m 4, woonhuis en noordwestelijk gelegen schuur); • 1 (zomer) verblijfplaats van een rosse vleermuis in een oude eik (zuidoostzijde van het erf); • kraamverblijf van (ongeveer 15) laatvliegers (sterk verouderde kippenschuur noordzijde plangebied); • 2 paarverblijven van gewone dwergvleermuizen. Binnen deelgebied 2 komen geen vaste leefgebieden van beschermde soorten voor. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt alleen de zorgplicht als randvoorwaarde. Bij het onderzoek is reeds rekening gehouden dat de boom- en struweelzone langs de randen van dit deelgebied in principe behouden blijven. Ontheffing Door het slopen van alle opstallen en woning in deelgebied 1 en het rooien van de aanwezige bomen worden 3 nesten van huismus, paarverblijven van gewone dwergvleermuis, kraamverblijven van laatvlieger en een zomerverblijf van rosse vleermuis vernield (overtreding artikel 3.5 lid 4 resp. artikel 3.1 lid 2 Wn). Deze negatieve effecten zijn niet te voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor het vernietigen van de nesten en verblijven dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland).
Mitigerende maatregelen Daarnaast zijn maatregelen nodig om het doden van (broedende) huismussen en het doden van vleermuizen te voorkomen. Door het nemen van de onderstaande maatregelen wordt een overtreding van artikel 3.1 lid 1, resp. artikel 3.5 lid 1, voorkomen. •
•
• •
Voorkomen dat huismussen (en overige vogels) ten tijde van de werkzaamheden broeden in de opstallen en woning, door: o de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van huismussen en spreeuwen, welke loopt van begin maart tot eind augustus; of: o de opstallen vooraf ongeschikt te maken voor huismussen; o het ongeschikt maken dient voor aanvang van het broedseizoen van huismussen en spreeuwen plaats te vinden; o een ecoloog controleert na/bij het ongeschikt maken of de gekozen methode afdoende is om broedvogels (vooral huismussen) uit te sluiten; Voorkomen dat vleermuizen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn in de opstallen en woning en boom, door: o de verblijfplaatsen vooraf ongeschikt te maken voor vleermuizen; o het ongeschikt maken dient minimaal 3 dagen voorafgaand aan het werk toegepast te worden; o verblijfplaatsen waarin in de periode begin november – eind maart gewerkt wordt (de winterslaapperiode van vleermuizen) dienen voor half oktober ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen; o een ecoloog controleert na/bij het ongeschikt maken of de gekozen methode afdoende is om vleermuizen uit te sluiten; de aannemer legt vast in een logboek (bijvoorbeeld in het dagrapport) dat de verblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, inclusief de methode en overige bijzonderheden; de ecoloog omschrijft de methode van ongeschikt maken en overige details in een
ecologisch werkprotocol.
In de ontheffingsaanvraag dient een nadere detaillering van de maatregelen en een compensatievoorstel te worden opgenomen.
Rapportage nader onderzoek Schoonengweg 6 en 7 te Voorthuizen Kenmerk: 20170372/rap02, versie 1, d.d. 23 november 2017
Blz. 16 van 16