Rubensstraat II_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Rubensstraat II
(juli 2023) bestemmingsplan Plannr. 1701
Rubensstraat II
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 INLEIDING
5
Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen
6 6 6
Hoofdstuk 3
8
PLANBESCHRIJVING
Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Waterschap 4.5 Gemeente
10 10 10 11 13 14
Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Ontplofbare oorlogsresten 5.14 Veiligheid 5.15 Verkeer 5.16 Water
18 18 19 21 24 25 26 26 27 27 27 29 29 31 31 32 32
Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Inleiding 6.2 Inleidende regels 6.3 Bestemmingsregels 6.4 Algemene regels 6.5 Overgangs- en slotregels 6.6 Handhaving
34 34 34 35 36 37 37
Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Kostenverhaal en zekerstelling
39 39
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Participatie 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.3 Inspraak 8.4 Zienswijzen
40 40 40 41 41
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
2
Archeologie, advies
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Bijlage 2
Archeologie, aanvullend onderzoek
Bijlage 3
Bodemonderzoek
Bijlage 4
Onderzoek stikstofdepositie
Bijlage 5
Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 6
Onderzoek Das
Bijlage 7
Hydrologisch onderzoek
Bijlage 8
Verslag inloop 14 maart 2023
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
3
Rubensstraat II
4
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Toelichting Hoofdstuk 1
INLEIDING
De gemeente Barneveld heeft het plan opgevat begraafplaats Diepenbosch, aan de Rubensstraat 67, Voorthuizen, uit te breiden. De uitbreiding is nodig om voor de langere termijn te kunnen voldoen aan de benodigde capaciteit vanwege de demografische samenstelling van Voorthuizen. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
Afbeelding: ligging locatie Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
5
Rubensstraat II
Hoofdstuk 2 2.1
BESTAANDE SITUATIE
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de Rubensstraat 67 nabij de kern Voorthuizen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een park met recreatiewoningen. Aan de oostzijde vormt Rubensstraat/Voorthuizerstraat de grens van het plangebied. De grens aan de zuid- en westzijde wordt gevormd door de Heuvelrandweg en De Voortse Ring. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
afbeelding: begrenzing locatie
2.2
Geldende bestemmingen
Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. Tevens geldt het bestemmingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" (inpassingsplan provincie Gelderland). De gronden hebben de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Groen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Beplanting en Verkaveling' 'Waarde - Openheid, Reliëf' en 'Waterstaat - Waterhuishouding' en 'Waarde - Archeologie 2'. Realisatie van de uitbreiding van de begraafplaats is binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Groen' niet toegestaan.
6
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
afbeelding: geldende bestemmingen
In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
7
Rubensstraat II
Hoofdstuk 3
PLANBESCHRIJVING
Capaciteitsbepaling begraafplaats De gemeente Barneveld beheert vijf gemeentelijke begraafplaatsen en voldoet hiermee aan de wettelijke plicht voor het beschikbaar stellen van begraafplaatsen op grond van de Wet op de lijkbezorging. Om de continuïteit van het begraafproces te waarborgen, heeft adviesbureau Kybys in 2016 een onderzoek gedaan naar de begraafbehoefte en het benodigde ruimtebeslag voor de komende jaren in de gemeente Barneveld. In mei 2016 is de raad geïnformeerd over de capaciteitsplanning begraafplaatsen. In april 2020 is adviesbureau Kybys gevraagd om het onderzoeksrapport naar begraafcapaciteit daarom te actualiseren en specifiek toe te spitsen op begraafplaats Diepenbosch, Voorthuizen. Het onderzoek geeft aan wat de huidige capaciteit van deze begraafplaats is en hoeveel ruimte er nodig is tot het jaar 2060. De conclusie is dat een uitbreiding van circa 9.000 m2 nodig is. Op dit moment zijn er 80 nieuwe graven beschikbaar op begraafplaats Diepenbosch. Daarnaast zijn er nog 88 bestaande graven beschikbaar die opnieuw uitgegeven kunnen worden. Dus in totaal zijn er nog 168 graven beschikbaar. Jaarlijks worden rechthebbende waarvan de grafrechten dat jaar verlopen aangeschreven. Over het algemeen doen jaarlijks 5 tot 10 rechthebbende afstand van een graf.
In het onderzoeksrapport van Kybys wordt uitgegaan van een gemiddeld aantal nieuw uit te geven graven van 33 graven per jaar. Met 168 vrije graven blijft begraven dus mogelijk tot juni 2026. Het blijft dus voorlopig mogelijk om op begraafplaats Diepenbosch te begraven. Na 2024 kan dat alleen nog in een bestaand graf. Om ook na 2026 voldoende begraafruimte te behouden moet nu gestart worden met het uitbreiden van de begraafplaats.
Ontwerp begraafplaats De uitbreiding van de begraafplaats ligt zowel aan de westzijde als aan de zuidzijde, ingeklemd tussen de bestaande begraafplaats en de nieuwe rondweg langs de westzijde van Voorthuizen. De delen aan de westzijde liggen een stuk lager dan de bestaande begraafplaats en zullen vlink worden opgehoogd. De groene middenas wordt doorgetrokken en versterkt evenals de groenstructuur langs de randen van de begraafplaats.
afbeelding: weergave beoogd toekomstbeeld van de gehele begraafplaats 8
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Bovendien is het groen en de padenstructuur op de huidige begraafplaats op een aantal plekken verouderd. Het is dus wenselijk om een totaalontwerp te maken voor zowel de uitbreiding als de renovatie van de bestaande begraafplaats. Het streefbeeld daarbij is een groen, statig en bio divers ontwerp, waarbij historische context en de nieuwe inrichting vloeiend in elkaar over gaan. Bijzonder aandachtspunt daarbij is de inpassing van de diverse oude beplantingsstructuren.
afbeelding: sfeerbeelden van te verwachten inrichting en te behouden inrichting
De bestaande voorzieningen, parkeerplaatsen en aula blijven gehandhaafd. Op de uitbreiding wordt geen bebouwing gerealiseerd.
Om te kunnen voldoen aan de wettelijke eis voor het voldoen aan het beschikbar stellen van voldoende begraafplaatsen is een uitbreiding van de begraafplaats nodig. Hiervoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. In de navolgende onderdelen in deze toelichting wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, naast dat met de uitvoering van dit plan ook sprake is van een maatschappelijk belang.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
9
Rubensstraat II
Hoofdstuk 4 4.1
BELEIDSKADER
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Doorwerking De uitbreiding van de begraafplaats wordt als een kleine ontwikkeling aangemerkt waarbij geen rekening hoeft worden gehouden met de genoemde prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
4.2.2
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.
Doorwerking in plangebied 10
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.2.3
Crisis- en herstelwet
Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd. De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I (van de Wet) bedoelde projecten ten aanzien van wegen. De uitbreiding van de begraafplaats valt niet onder één van de drie genoemde ontwikkelingen.
Doorwerking in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 dan wel 2023 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
11
Rubensstraat II
4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat. Van de genoemde zeven onderwerpen wordt op het aspect klimaatadaptatie ingegaan vanwege het provinciale belang. Dit plan voorziet in een kleine ontwikkeling waarbij goed rekening gehouden kan worden met het binnen het plangebied opvangen van hemelwater. Het aspect verharding speelt een verwaarloosbare rol omdat het hemelwater dat op de paden valt direct ernaast in de bodem kan wegzakken.
Voor het overige hebben de genoemde aspecten geen betrekking op de uitbreiding van de begraafplaats.
Doorwerking in plangebied In dit geval is er voor wat betreft klimaatadaptatie een geringe doorwerking van de Omgevingsvisie in het plangebied.
4.3.1.2
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. In de Omgevingsverordening is het onderhavige plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 2: Regels Glastuinbouw Kaart 9: Regels Water en Milieu Van de bij de Omgevingsvergunning opgenomen kaarten vallen er aanduidingen van kaart 2 en 9 over het plangebied. Het betreffen de onderwerpen: glastuinbouw: er vindt geen glastuinbouw binnen het plangebied plaatst; waterintrekgebied: in een intrekgebied is het niet toegestaan handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie, daarvan is in dit plan geen sprake. Vanuit deze kaarten behorend bij de Omgevingsverordening volgen geen specifieke aanduidingen die relevant zijn voor het plan.
12
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Klimaatadaptatie In artikel 2.65b van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Dit artikel is al in werking getreden (sinds 1 februari 2022) en daar moet bij plannen (in de toelichting) al op worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. b. c. d.
waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte.
Vanwege de aard van het plan is het niet aannemelijk dat de waterveilighied en/of wateroverlast in het geding komt. Daarnaast is het niet aannemelijk dat het plan invloed heeft op droogte- en hittevorming. Het doortrekken van de hoofdroute wordt verhard. Voor het overige wordt er geen verarding en/of bebouwing gerealiseerd. De uitbreiding wordt met groenaanplant omzoomd. Het hemelwater kan in het plngebied voldoende in de bodem wegtrekken.
Doorwerking in plangebied Nu er vanuit de kaarten geen regels worden gesteld, is het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
4.4
Waterschap
4.4.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.4.2
BOP 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) door vertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
13
Rubensstraat II
Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.
Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.5
Gemeente
4.5.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld, Kernen Barneveld 2022
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie Buitengebied Barneveld bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied. De visie voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Ten tijde van de opstelling van de Structuurvisie Buitengebied Barneveld was het bestemmingsplan “Rondweg Voorthuizen N303” nog niet opgesteld. Het plangebied lag destijds in het buitengebied. Met het vaststelling van het bestemmingsplan voor de rondweg moet het plangebied nadrukkelijker als onderdeel van de kern Voorthuizen worden aangemerkt. Met deze reden worden verder niet ingegaan op de aangehaalde structuurvisie.
14
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Afbeelding: Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld, met aangegeven het plangebied
Omdat de uitbreiding van de begraafplaats een zelfstandige ontwikkeling op deze locatie is en buiten de reikwijdte van de structuurvisie Kernen Barneveld 2022 valt, wordt deze in dit plan buiten beschouwing gelaten.
Doorwerking plangebied De aangehaalde visies hebben geen doorwerking in de voorgenomen uitbreiding van de begraafplaats.
4.5.2
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en "Rubensstraat II" (vastgesteld)
15
Rubensstraat II bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.5.3
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, bij voorkeur uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.
Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de lengte en breedte van wegen en paden zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de aanleg wordt alleen de hoofdroute verhard. de overige paaden worden voornamelijk uitgevoerd met gras. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt. In dit plan wordt het verhard oppervlak beperkt tot het doortrekken van het hoofdpad.
Het daarop vallende hemelwater trekt naast het pad de bodem in. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de (openbare) ruimte in relatie tot de positionering van gebouwen en de productie van zonne-energie op daken van gebouwen kan het microklimaat in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. De uitbreiding van de begraafplaats betreft alleen delen die bedoelt zijn voor begraven. Een groot deel van de uitbreiding wordt opgehoogd. Er vindt geen nieuwbouw van gebouwen plaats in het uit te breiden deel.
Doorwerking in plangebied 16
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II De aspecten klimaat en energie vormen geen belemmering voor de uitvoering van de uitbreiding.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
17
Rubensstraat II
Hoofdstuk 5
RANDVOORWAARDEN
5.1
Bodem
5.1.1
Bodemkwaliteit
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.
afbeelding: te onderscheiden deelgebieden
Ter plaatse van de deelgebied 2 en 4 heeft in het (recente) verleden een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Uit de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken blijkt dat plaatselijk in de zintuiglijk schone bovengrond een licht verhoogd gehalte aan lood is gemeten. In de eveneens zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, chroom en/of zink. Uit ons bodeminformatiesysteem blijkt dat ter plaatse van deelgebied 3 nog geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Voor zover bekend hebben er ter plaatse van dit betreffende deelgebied echter geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en is het altijd agrarisch (akker/weiland) in gebruik geweest. Het betreft daarom een onverdacht perceel/gebied. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei bevindt dit betreffende deelgebied zich binnen de kwaliteitszone landbouw/natuur. Voor de voorgenomen omzetting van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Maatschappelijk' is geen bodemonderzoek vereist. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik van het perceel. Dit in overeenstemming met de conclusies van de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken ter plaatse van perceel 2 en 3.
Deelgebied 1 maakt geen onderdeel uit van dit plan, op dit gebied wordt daarom niet verder ingegaan. (In Bijlage 3 is het onderzoek te vinden.)
18
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Conclusie De aspecten bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie hoge verwachting
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm Er worden voorwaarden gesteld voor de omgang met archeologie bij de vergunningverlening (waaronder de omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden).
afbeelding: Archeologie, met aangegeven de verschillende deelgebieden (zie uitleg onder Advies)
Advies
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
19
Rubensstraat II
Archeologisch vervolgonderzoek in deelgebied 'Paardenwei', maar ook in deelgebied 'Paardenwei-West', is een kostbare aangelegenheid vanwege de zeer waarschijnlijke aanwezigheid van vindplaatsen uit de Midden-Steentijd. Indien besloten wordt de deelgebieden 'Zuidwest', 'Paardenwei' en 'Paardenwei-West' op te hogen om in te richten als begraafplaats, dan is er geen archeologisch onderzoek meer noodzakelijk. De archeologische resten blijven dan in de bodem bewaard. Van belang is wel dat er ter voorbereiding op het ophogen in het kader van grondverbetering niet dieper dan 30 cm -Mv wordt (af)gegraven. Vanwege de lage ligging ten opzichte van de bestaande begraafplaats wordt er voor gekozen het uit te breiden deel, ten westen van de begraafplaats aanzienlijk op te hogen. Het inrichten van de 'Driehoek' als begraafplaats leidt niet tot archeologisch onderzoek, omdat er hier sprake is van een lage verwachting (in de huidige situatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2'). (Zie advies in Bijlage 1)
Aanvullend onderzoek Voor het deel 'Zuidwest' is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). Gebleken is dat de buitenste zone, zuidwest rand, diep is verstoord. Voor het op de afbeelding hieronder met blauw aangegeven deel geldt dat hierop de archeologische dubbelbestemming ('Waarde - Archeologie 5') moet worden opgenomen. Voor het overige deel, dat is gelegen binnen het plangebied moet de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' behouden blijven. Omdat het plangebied wordt opgehoogd, zodat het aansluit met de bestaande begraafplaats, is het voldoende om een diepte van 15 cm aan te houden als te beschermen ondergrond, waar dit anders 30 cm is. Het is hier 15 cm inclusief een buffer van 20 cm. De buffer van 20 cm heeft geleid tot een diepte van 15 cm -mv als te beschermen grond. Er wordt namelijk opgehoogd. De diepte van 15 cm vs 30 cm in de overige delen van het plangebied heeft te maken met het feit dat de te beschermen archeologie zich in de verschillende plangebieden op verschillende diepten bevindt.
afbeelding: nader onderzocht zuidwestelijk deel
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van de uitbreiding, mits de ophoging wordt uitgevoerd en de genoemde dubbelbestemming wordt opgenomen.
20
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
5.2.1.2
Historische kern/Historisch boerenerf
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat het perceel voor de uitbreiding van de begraafplaats aan de Rubensstraat 67 niet binnen een historische kern/historisch boerenerf valt
5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedenbouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedenbouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Binnen het bestaande begraafplaats is het oude deel als monument aangemerkt. De voorliggende uitbreiding maakt geen onderdeel van dit gebied.
5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als een hoge waarde en zeer hoge waarde zonder waardering. Hoog gewaardeerde landschappen (waarde 4) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan, mits ze aan zeer hoog gewaardeerde landschappen grenzen. Het is de bedoeling dat de waarden worden gehandhaafd dan wel versterkt. Met de aanleg van de rondweg is het plangebied afgesneden van het aangrenzende buitengebied, waarvoor de genoemde waarde geldt. Het plangebied ligt tussen de rondweg, bestaande begraafplaats en de aangrenzende bebouwing van Voorthuizen. De toegekende dubbelbestemmingen 'Waarde - beplanting en verkaveling' en 'Waarde - openheid en reliëf' hebben hier geen toegevoegde werking meer.
Conclusie De uitvoering van dit bestemmingsplan vormt geen strijdigheid met de genoemde waarderingen.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als "Rubensstraat II" (vastgesteld)
21
Rubensstraat II speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd.
Stikstof Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Themakaart Natuur- en landschapsbeleid van de Omgevingsvisie). Wel is in het kader van de ruimtelijke procedure voor het beoogde plan tot uitbreiding van begraafplaats Diepenbosch in Voorthuizen is een onderzoek (zie Bijlage 4) uitgevoerd naar de depositie van stikstof als gevolg van stikstofemissies. Op basis van de berekende stikstofemissies tijdens de aanlegfase kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in beginsel niet worden uitgesloten. Door middel van intern salderen is aanvullend bepaald of er sprake is van significante effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Uit de verschilberekening blijkt dat daar geen sprake van is.
5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd en een nader onderzoek naar de Das. De onderzoeken zijn beoordeeld door een flora- en faunacontroleur.
Uit onderzoek (zie Bijlage 5) is gebleken dat in de nabijheid en op de begraafplaats een aantal vogelsoorten voorkomen, of soorten waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze er rustplaatsen en- of broedplaatsen hebben. Het gaat hierbij om ransuilen, buizerd, boomvalk, slechtvalk en de zwarte kraai. Mochten er in de toekomst bomen met holtes en gaten (en spleten) gekapt worden, dan dienen deze nader onderzocht te worden op fauna (vogels maar ook gebouw- en boomwonende vleermuizen en marters). Er kan niet worden uitgesloten dat de hazelworm voorkomt in het gebeid.
Het uitgangspunt voor de uitbreiding van de begraafplaats is om de bestaande bomen te behouden en ook nieuwe bomen aan te planten. Van het verwijderen van bomen is geen sprake. Het handhaven en versterken van het bestaande groen in de vorm van struweel en houtwallen komt ten goede van de boommarter, steenmarter, wezel, das en hazelworm.
Naar de das is afzonderlijk onderzoek verricht waarbij Das&Boom (stichting) betrokken is (zie Bijlage 6). Geconstateerd is dat de das voorkomt op het bestaande deel van de begraafplaats in de nabijheid van de aula.
22
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
afbeelding: dassenburcht en route das
De foerageermogelijkheden kunnen voor de das binnen het bestaande foerageergebied verbeterd worden door aangepast beheer om een optimale wormenstand te bereiken en door het gras kort te houden. Tot maximaal 5 cm hoogte zijn de foerageermogelijkheden veel beter dan bij langer gras. Dat is een van de mogelijkheden om het eventuele verlies aan foerageergebied op een goed bereikbare locatie voor de das te kunnen compenseren. De aanleg en/of behoud van hagen maakt het bestaande foerageergebied ook aantrekkelijker voor de das, omdat zij door de extra dekking een groter gebied van een weiland kunnen gebruiken dan bij een kale vlakte. Ze kunnen dan langer ongestoord op een grotere oppervlakte foerageren, waardoor de netto opbrengst aan wormen vergroot wordt. Wanneer de uitbreidingsplannen meer concreet zijn uitgewerkt kan nader onderzocht worden hoe en waar de noodzakelijke compensatie kan worden bereikt. De route van de dassenburcht naar de foerageergebieden, buiten de begraafplaats, kan op de begraafplaats verbeterd worden, ook omdat er sprake is van aanpassingen nabij een andere route voor de das, die langs de rand (nu deels ruigtegebied) van de begraafplaats gaat.
Wanneer de paden op de begraafplaats worden aangepast zou dat mogelijk gecombineerd kunnen worden met het aanbieden van een beschutte route over de begraafplaats, waar de dassen dan 's nachts gebruik van zouden kunnen maken. Bij de herinrichting van de begraafplaats wordt rondom de begraafplaats een stevige groenstrook aangeplant. Met deze groenstrook worden de beschutte routes voor de das uitgebreid.
Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
23
Rubensstraat II
5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde, want er worden geen bomen gekapt.
Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat.
5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO.
Conclusie Het ecologie vormt geen belemmering voor de uitbreiding van de begraafplaats.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord.
Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
24
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
25
Rubensstraat II binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De uitbreiding van de begraafplaats wordt niet aangemerkt als een geluidgevoelige ontwikkeling. Er is daarom geen onderzoek uitgevoerd.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen, Daarnaast wordt de uitbreiding van de begraafplaats niet als een geurgevoelig object aangemerkt.
Conclusie Het aspect deur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. 26
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van de uitbreiding van de begraafplaats valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.
Conclusie Het aspect duurzame verstedelijking is niet van toepassing op dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht.
Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden.
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
27
Rubensstraat II
Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 9.000 m² begraafplaats. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
Conclusie 28
"Rubensstraat II" (vastgesteld)
Rubensstraat II
Voor de uitbreiding van de begraafplaats is geen milieueffectrapportage nodig.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Het onderhavige plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Liander heeft op 17 augustus 2022 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.
Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Op de 'afbeelding: bestaande groenstructuren' is de huidige situatie weergegeven. Van noord naar zuid is westelijke deel van de beoogde uitbreiding ingericht als grasland waar nu nog paarden rondlopen. Van oost naar west ligt een groenstrook, welke behouden moet blijven om als drager voor de nieuwe inrichting te dienen. Het zuidelijke deel ligt, evenals de paardenwei, ook lager dan de huidige begraafplaats en is de laatste tijd niet onderhouden, waardoor het er nu als ruig en met veel begroeiing bij ligt.