CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012’ (in Voorthuizen).16.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart wel/geen bijzondere waarde(n). Er komen binnen het plangebied geen bouwkundige monumenten in de vorm van rijks- en gemeentelijke monumenten voor.

5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige ontginningen met een waarde 1. De cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de huidige ontwikkelingen binnen het plangebied.

Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. "Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

27

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

afbeelding: ligging plangebied ten opzichte van het natura 2000-gebied "Veluwe"

Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied, de afstand is ongeveer 6 km.

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een quickscan natuurtoets (zie Bijlage 3) uitgevoerd in de vorm van een literatuurstudie een gericht veldonderzoek. Het onderzoek (zie Bijlage 4) is beoordeeld door de flora- en faunacontroleur. Naar aanleiding van de beoordeling is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de steenuil, kleine marterachtigen en de eekhoorn. Uit de conclusie uit het aanvullend blijkt dat er zich één of twee verblijfplaatsen van de steenuil in het plangebied bevinden. Verder maakt het plangebied deel uit van het functioneel leefgebied van de steenuil. De geplande werkzaamheden zullen de verblijfplaatsen en het functioneel leefgebied van de steenuil aantasten. Het aanvragen van een ontheffing is daarom noodzakelijk ten aanzien van de steenuil.

Voor kleine marterachtigen en de in het plangebied aangetroffen eekhoorn is het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen niet noodzakelijk.

afbeelding: waarnemingen steenuil 28

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Op 2 april 2021 is bij Gedeputeerde Staten de ontheffing/vergunning Wnb Rijksweg 82 Voorthuizen Barneveldaangevraagd (Bijlage 5).

Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. In het plangebied staan enkele bomen, struiken en heesters, alsmede een rij van 8 kronkelwilgen, maar van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is geen sprake. Bovendien is de intentie om de betreffende bomen te sparen tijdens de uitvoering van de plannen. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde. Op de meest oostelijke kavelgrens komt een Elzenbeplanting welke als herplantplicht wordt gerealiseerd. deze herplant is in februrai 2021 gerealiseerd. de overige nieuwe beplanting betreft landschappelijke inpassing, hierop wordt in paragraaf 5.12 op ingegaan.

Conclusie Na afgifte van de ontheffing Wet natuurbescherming kan uitvoering van het onderhavige plan onbelemmerd plaatsvinden.

5.3.1.4

Stikstof

Op grond van artikel 2.7 eerste lid Wet Natuurbescherming dient het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Barneveld, zich te verzekeren van het feit dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Om dit in beeld te krijgen is een beoordelingsraportage opgesteld ter beoordeling van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebieden, waarvan het gebied de Veluwe het meest dichtbij is gelegen (bijlage 6). De rapportage staat stil bij de uitgangspunten voor de Aerius-berekeningen van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De aanlegfase betreft het bouw- en woonrijp maken van de planlocatie, het (beperkt) hijsen van bouwmateriaal voor de woningen en de vervoersbewegingen, samenhangende met de aanvoer van materiaal, alsmede bouwend personeel. Ten aanzien van de gebruiksfase worden de verkeersbewegingen van toekomstige bewoners beoordeeld. De woningen worden gasloos gebouwd en het is algemeen bekend dat deze daarmee als emissieloos beschouwd mogen worden – en dat feitelijk ook zijn. Op grond van de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden.

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

29

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Conclusie Het aspect Stikstof vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO.

afbeelding: ligging plangebied te opzichte van GNN (donker groen) en GO (licht groen)

Conclusie Het aspect GNN en/of GO vormen geen belemmering voor het plan.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot 30

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. In het kader van Externe Veiligheid is getoetst of het plan op zich zelf een risicobron vormt voor de omgeving of dat er in de omgeving risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plan. Dit blijkt niet het geval. Ten aanzien van Externe Veiligheid zijn dan ook geen nadere voorwaarden van toepassing. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

31

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009".

Voor het buitengebied geldt voor de Rijsweg en de Lankerenseweg een zone van 250 meter aan weerzijden van de weg, waarbinnen een onderzoeksplicht geldt naar de geluidsbelasting. Uit het onderzoek (Bijlage 7) komt naar voren dat de hoogste geluidsbelasting afkomstig is van de Rijksweg. Op vier punten wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden tot maximaal 52 dB. Hiermee wordt de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB, uit de Wet geluidhinder, niet overschreden. Er vindt geen overschrijding afkomstig van de Lankerenseweg plaats. In het gemeentelijke geluidbeleid ‘Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld, d.d. 22 december 2009, ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder. Echter de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, dan wel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn.

32

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

afbeelding: uitkomsten akoestisch onderzoek

De nieuwe woningen worden gebouwd als vervanging van de bestaande agrarische bebouwing op het perceel. Hierdoor is er sprake van een criterium uit het geluidbeleid te weten: ‘De woningen worden gesitueerd als vervanging van bestaande bebouwing’. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid kan de gemeente Barneveld een hogere waarde verlenen voor de woningen W01 en W04 de geluidsbelasting van 52 dB afkomstig van de Rijksweg. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een seperat hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan, wel moet een hogere waarde verleend worden voor de genoemde punten.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied ligt het bedrijf aan de Lankerenseweg 11-13 op ruim 185 meter afstand en vormt geen belemmering voor een goed leefklimaat. Mede omdat het bedrijf aan de Lankerenseweg 8 inmiddels is beëindigd is voor wat betreft de achtergrondbelasting van agrarische geurhinder, sprake van "Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

33

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 een redelijk goed woon- en leefklimaat.

afbeelding: beoordeling leefklimaat ten aanzien van de geurhinder

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Uit vaste jurisprudentie blijkt dat er 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De ontwikkeling van vier woningen valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.

Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor het plan.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

34

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor het plan.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. In het kader van een goede ruimtelijk ordening is gekeken naar de achtergrondconcentraties voor de luchtkwaliteit. Als worstcase punt is ter indicatie een punt genomen langs de Rijksweg. Dit punt kan als representatief worden gezien voor de luchtkwaliteit op de Bakkersweg. Uit de achtergrondconcentraties blijkt dat deze zich ruim onder de grenswaarden bevinden. De achtergrondconcentratie blijft onder de norm. Er kan dus gesteld worden dat binnen het plangebied sprake is van een goed woon en leefklimaat.

afbeelding: luchtkwaliteit

Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. "Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

35

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen.

In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.

Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. 36

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In dit geval is het plan niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Ook blijkt uit de uitgevoerde onderzoeken dat de milieugevolgen zo gering zijn dat er ook geen sprake is van belangrijke milieugevolgen als bedoeld in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer).

Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

Conclusie Voor dit plan hoeft geen milieueffectrapportage opgesteld te worden.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Rondom het plangebied zijn geen bestemmingen aanwezig die op basis van de VNG richtafstand voor geluid een knelpunt vormen voor het plangebied. Er is dan ook geen onderzoek industrielawaai voor bedrijven in de omgeving noodzakelijk.

Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Het onderhavige plan voldoet ruimschoots aan de voorgeschreven afstand omdat er geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig is. Liander heeft op 12 maart 2021 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

37

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

De huidige agrarische gebouwen liggen in een (diffuus) broek- en heideontginningslandschap. De verkaveling is rechthoekig in een vlak landschap. Het landschap is redelijk grootschalig en open. In het verlden was het landschap besloten door houtwallen en houtsingels op de hogere delen en knotbomen in de lagere gebieden. Boerderijen en woningen staan verspreid in het landschap. De voorgevels zijn op de weg gericht, de bijgebouwen staan achter het woongedeelte van de boerderij.

afbeelding: landschapsanalyse

Op de historische kaart van omstreeks 1925, is te zien dat er in het verleden een robuust netwek van groenstructuren aanwezig was. De groenstructuren volgden de beken en de verkavelingspatronen.

afbeelding: historische groenstructuur rond 1925

De bestaande groenstructuur bestaat aan de noordkant, langs de watergang, uit een fraaie elzensingel. Aan de westkant, langs een andere watergang, ligt ook een gedeelte van een elzensingel. Langs de toegangsweg van de bedrijfswoningen staat een bomenrij. Midden op het terrein, aan de noordkant, staat een bomenrij met jonge knotwilgen. De Rijksweg heeft aan weerskanten bomenrijen van eiken.

38

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

afbeelding: uitsnede landschappelijke inpassing

Conclusie Met het inpassingsplan wordt een goede invulling gegeven aan de landschappelijke inpassing.

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

In de Wet veiligheidsregio’s worden eisen gesteld aan de opkomsttijden van de brandweer. Deze zijn als norm vastgelegd in het bijbehorende Besluit. De opkomsttijd is de totale tijd die verstrijkt vanaf het moment dat de brandweer gealarmeerd wordt tot het moment dat de brandweer bij het betreffende adres arriveert. De maximale opkomsttijd is gerelateerd aan de gebruiksfunctie. De opkomstnorm voor een standaardfunctie is maximaal 8 minuten. De werkelijke opkomsttijd voor Rijksweg 82-84 Voorthuizen bedraagt minder dan 8 minuten.

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

39

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

De werkelijke opkomsttijd van de brandweer valt in dit geval binnen de norm zoals die in het Besluit veiligheidsregio’s is vastgelegd. Daarom zijn er geen aanvullende voorwaarden noodzakelijk.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Voor een goede bereikbaarheid dient de infrastructuur te voldoen aan de specifieke kenmerken van brandweervoertuigen, te weten: Een vrije breedte van minimaal 3,5 meter, waarvan minimaal 3 meter verhard; Een vrije hoogte van minimaal 4,2 meter; Een aslast van 10 ton; En een totale last van 30 ton; Binnenbochtstraal van >R5,5 en buitenbochtstraal van >R10. De toegangsweg richting de nieuw te bouwen woningen dient te voldoen aan de voorwaarden zoals hierboven vermeld. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Bluswatervoorziening Voor een adequate brandbestrijding dient de brandweer tijdig over voldoende bluswater te kunnen beschikken. Ook hiervoor zijn voorwaarden gesteld. Primair Voor dit plan betekent dat, dat het brandweervoertuig de hoofdtoegang tot maximaal 40 meter moet kunnen naderen (opstelplaats). Vervolgens dient de brandweer binnen een afstand van maximaal 100 meter vanaf de opstelplaats over een primaire bluswatervoorziening (brandkraan) met een capaciteit van minimaal 60 m3 per uur te kunnen beschikken.

In dit plan bevindt de dichtstbijzijnde primaire bluswatervoorziening, in de vorm van een ondergondse brandkraan met een capaciteit van 60 m3 per uur, zich op een afstand van ongeveer 150 meter. De primaire bluswatervoorziening voldoet voor wat betreft de maximale afstand niet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. In dit specifieke geval ziet de brandweer echter geen reden om aanvullende eisen te stellen aan de bluswatervoorziening.

Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Het parkeren vindt binnen het plangebied plaats parkeren, De ontsluiting gaat op de Rijksweg plaatsvinden. De huidige twee ontsluitingen komen te vervallen, hiervoor komt één ontsluiting tussen Rijksweg 82 en 84 in de plaats. Vanuit oogpunt van verkeersveiligheid treedt er met de afname van een onsluitinge en verplaasting, verder van de rotonde, er een verbetering op.

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het plan

5.15

Water

Planontwikkeling en toetsing De planontwikkeling (het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en het realiseren van vier nieuwe woningen) is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en

40

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Veluwe. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt.

Hemelwater Door de realisatie van dit plan, waarvoor circa 3.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en ongeveer 1.600 m2 aan terreinverharding wordt verwijderd, komen vier woningen met verharding voor infrastructuur met een totale oppervlakte van 2.675 m2 terug. Er is sprake van een afname van verhard oppervlak (bebouwing en terrein) in vergelijking met de huidige situatie. Vanwege de afname van het verhard oppervlak is er geen verplichting waterberging op het eigen terrein te realiseren. Het hemelwater van de daken moet wel op het eigen terrein infiltreren. Voor de waterberging is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voldoen aan een capaciteit van 30 mm maal het verhard oppervlak en/of het afstromen over het maaiveld. Waterberging kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in de vorm van infiltratiekratten, een bergingsvijver, zinksloot, wadi, of laagte in de tuin/landschap, waarbij een overloopmogelijkheid wordt toegepast naar maaiveld of naar een naastgelegen C-watergang met toepassing van een uitstroomvoorziening/taludbescherming.

In het Waterhuishoudkundig plan (Bijlage 8) is beschreven hoe het hemel- en vuilwaterafvoer wordt afgevoerd. Op de opgenomen inrichtingstekening is onder andere de oude en nieuwe situatie met oppervlakten van bebouwing en verhard terrein duidelijk aangegeven.

Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het aanwezige drukriool. De drukriolering is aanwezig langs de Rijksweg. De exacte locatie en manier van aansluiten wordt in overleg bepaald. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het drukriool, zoals beschreven onder het kopje 'Hemelwater'.

Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). In het Waterhuishoudkundig plan (Bijlage 8) wordt hierop uitvoerig ingegaan.

Oppervlaktewater Langs de planlocatie zijn meerdere C-watergangen aanwezig. Deze bestaande watergangen worden in stand gehouden. De aanwezige watergangen worden benut voor de overloop bij hevige regenval om het oppervlakte water op af te voeren. Op de tekening in het Waterhuishoudkundige plan (Bijlage 8) is aangeven hoe de bestaande waterstructuur er uit komt te zien.

Bouwmaterialen In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde waterkwaliteit worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast.

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

41

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Inleiding

Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

6.3

Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en de gebiedsaanduiding 'reconstructiezone verwevingsgebied GV' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd in die zin dat het agrarisch bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' is komen te vervallen en de bestemming 'Wonen' aan de verbeeldig is toegevoegd. Verder is een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.

6.4

Algemene regels

In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven 42

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1

Schakelbepaling

Er is in de regels een schakelbepaling opgenomen. In deze schakelbepaling, Artikel 4 van de planregels bij deze partiële herziening, is nader aangegeven wat er op de verbeelding en/of in de regels wijzigt.

Dit is in paragraaf 6.3 van de toelichting van deze partiële herziening ook toegelicht. 6.4.2

Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduiding gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting'. 6.4.2.1

Voorwaardelijke verplichting

Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die verband houdt met de landschappelijke inpassing en de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen.

6.5

Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.

6.6

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. "Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

43

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

44

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Tijdens haar vergadering van 27 april 2010 heeft de gemeenteraad de bevoegdheden tot het al dan niet vaststellen van een exploitatieplan bij een besluit tot wijzigen van het bestemmingsplan gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

45

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 26 november 2020 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende patiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.

8.1

Participatie

De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met buren en belanghebbenden. Hierbij zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Dit plan is gebaseerd op het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 en voldoet daar ook aan. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.

8.3

Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 23 april tot en met 3 juni 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn twee reacties ingediend. Deze reacties hebben geleid tot een aanpassing van het plan. In de bijlage 9 bij deze partiële herziening is de Nota Zienswijzen bijgevoegd.

46

"Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=ce1dd909-8c33-4396-bc93-de68afc2da3d