Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlage 4 Natuur onderzoek aamvullend.pdf
Tekst van het document
Aanvullend natuuronderzoek Rijksweg 82-84 in Voorthuizen In opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV
Colofon Aanvullend natuuronderzoek Rijksweg 82-84 in Voorthuizen
Opdrachtgever Contactpersoon
De Bunte Vastgoed Oost BV Dhr. E. Prosman
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum:
2256 Ing. R. Top Ing. R. Boerboom 12 maart 2021
Foto voorblad
Steenuil (archieffoto: R. Top)
Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 8 3.1
Onderzoeksmethode ............................................................................................ 8
3.2
Resultaten .......................................................................................................... 12
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 18 4.1
Steenuil .............................................................................................................. 18
4.2
Kleine marterachtigen ......................................................................................... 20
4.3
Eekhoorn ............................................................................................................ 21
5
Conclusie ................................................................................................................... 22
6
Bijlagen ...................................................................................................................... 23
Bijlage 1 Resultaten natuuronderzoek .............................................................................. 24 Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 28
Samenvatting Uit het gericht onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen en steenuil blijkt dat de geplande sloop van opstallen en realisatie van woningen in het plangebied Rijksweg 82-84 in Voorthuizen een negatief effect heeft op de steenuil. Het aanvragen van een ontheffing is noodzakelijk ten aanzien van deze soort. Voor kleine marterachtigen is het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen niet noodzakelijk. Tijdens een eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets is vastgesteld dat er geen negatieve effecten op beschermde soorten van overige soortgroepen verwacht worden (SA rapportnummer 2127). Er moet wel rekening gehouden worden met overige broedvogels. Verstorende werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) worden uitgevoerd. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om op het perceel Rijksweg 82-84 een deel van de huidige opstallen te slopen en op de vrijgekomen grond vier woningen te bouwen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV.
Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde gericht veldonderzoek uit op de locatie.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Er zijn plannen voor woningbouw op het perceel Rijksweg 82-84 in Voorthuizen. Uit de door Staring Advies uitgevoerde quickscan natuurtoets (SA rapport 2127) is gebleken dat voor onderstaande beschermde soort(groep)en gericht onderzoek noodzakelijk is: • •
Steenuil Kleine marterachtigen
Het gericht onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of deze beschermde soort(groep)en voorkomen binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen en om vervolgens te beoordelen in hoeverre sprake is van negatieve effecten op de betreffende soorten. De heer Prosman van De Bunte Vastgoed Oost BV is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van dit aanvullende onderzoek.
1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van bovenstaande soorten. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, mits rekening wordt gehouden met broedvogels. Verstorende werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart en 15 juli) worden uitgevoerd. Bezette nesten buiten deze periode zijn ook beschermd.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Rijksweg 82-84 Voorthuizen Barneveld Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een gecombineerd erf met twee woonhuizen en het achterliggende terrein. Het terrein achter de woonhuizen betreft een voormalige veehouderij met diverse agrarische opstallen. Tussen de opstallen is deels sprake van verhard terrein, deels braakliggend terrein, deels grasland en deels opslag van puin en van geruimde bosschages. De opstallen variëren in aard, grootte en bouwwijze. Een deel van de opstallen is leeg en enkele opstallen worden nog als opslag gebruikt voor goederen. Verspreid over het terrein bevinden zich enkele bomen en bomenrijen. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Voorthuizen, in de gemeente Barneveld (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Rijksweg aan de zuidzijde en agrarische percelen aan de overige zijden. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit de beide woningen met bijbehorende tuinen en verder landbouwpercelen (zie figuur 2).
2.3 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen voor de sloop van een deel van de bestaande opstallen (zie figuur 3) en het realiseren van vier woningen op de vrijgekomen grond. Uitgangspunt is dat de bestaande bomen en bomenrijen behouden blijven.
Pagina 5
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2021).
Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2021).
Pagina 6
Figuur 3. Plattegrond van het plangebied met de te behouden woningen (groen), de te behouden schuur (blauw) en de te slopen opstallen (rood). Bron: Provincie Gelderland (2021).
Pagina 7
3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het veldonderzoek besproken.
3.1
Onderzoeksmethode
Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Steenuil Conform de richtlijnen uit de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), van het Netwerk Groene Bureaus, en het Kennisdocument Steenuil van BIJ12 (versie 1.0, juli 2017) zijn hiervoor 3 avondronden en één dagbezoek (zoeken naar sporen en nestplekken) in de periode 1 februari tot en met 30 april uitgevoerd. De veldbezoeken zijn bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Ook is navraag gedaan bij de bewoners van de woningen aan de Rijksweg 82 en 84 en is de NDFF geraadpleegd. Onderzoeker(s)
Ronde
Datum
Begintijd
Weersomstandigheden
R. Top
Avondronde 1
1-2-2021
17:45 uur
Onbewolkt, droog, 1°C, wind 1-2 Bft
R. Top
Avondronde 2 19-2-2021
18:00 uur
Half bewolkt, droog, 8°C, wind 2 Bft
R. Top
Avondronde 3
4-3-2021
18:30 uur
Bewolkt, droog, 4°C, wind 2-3 Bft
R. Top
Dagbezoek
4-3-2021
16:15 uur
Bewolkt, droog, 5°C, wind 2-3 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek steenuil.
Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen zijn door hun verborgen leefwijze en lage dichtheden lastig op te sporen. Het plangebied voldoet plaatselijk aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing, hermelijn en wezel. Het gaat met name om de randen aan de west- en noordzijde en het noordelijke deel van het terrein, waar bosschages, puinhopen, verharding en ruigte elkaar afwisselen. De geplande werkzaamheden in het plangebied kunnen leiden tot aantasting van (de functionaliteit van) een vaste rust- en verblijfplaats. Hiervoor zal een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document 'Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel, december 2019). Voor de provincie Gelderland is een dergelijk onderzoeksprotocol nog niet beschikbaar. Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken. De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren. Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de
Pagina 8
impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen dienen gedurende de looptijd van het onderzoek ingezet te worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen en bosranden. Om de aanwezigheid in het plangebied vast te stellen is gebruik gemaakt van een combinatie van de volgende methoden (zie foto 1 en 2): • •
1x Wildcamera op strategische locatie voor specifiek bunzing en mogelijk hermelijn en wezel 1x Marterbox (type 'Mostela') voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing
De camera en marterbox zijn 6 weken in het gebied geplaatst (zie figuur 4 en tabel 2). Tijdens deze periode zijn ze zo min mogelijk beroerd om verstoring te voorkomen. Na afronding van het onderzoek zijn de cameravallen opgehaald en zijn de fotobeelden van de cameraval en de camera in de marterbox geanalyseerd en de aangetroffen zoogdieren op naam gebracht.
Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
R. Top
Plaatsen cameravallen
15-7-2021
R. Top
Controleren cameravallen
5-8-2021
R. Top
Controleren cameravallen
10-8-2021
R. Top
Ophalen cameravallen
2-9-2021
Tabel 2. Veldonderzoek kleine marters.
Pagina 9
Foto 1. Geplaatste marterbox in het plangebied (foto: R. Top).
Foto 2. Geplaatste cameraval in het plangebied (foto: R. Top).
Pagina 10
Figuur 4. Locaties cameravallen in het plangebied (rood).
Marterbox Cameraval
Pagina 11
3.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar de steenuil en kleine marterachtigen besproken.
3.2.1 Steenuil Literatuuronderzoek Op basis van waarnemingen van roepende steenuilen in de periode 2010-2021 bevinden zich mogelijk meerdere territoria van steenuilen in de omgeving van het plangebied. Roepende steenuilen zijn waargenomen vanaf locaties nabij de Rijksweg 73, Rijksweg 69, Nijkerkerweg 183 en op grotere afstand op enkele percelen langs de Verbindingsweg in Voorthuizen (bron: NDFF) (zie bijlage 1). Uit navraag bij de bewoners van zowel Rijksweg 82 als Rijksweg 84 blijkt dat men wel van medewerkers van De Bunte Vastgoed BV heeft gehoord dat er steenuilen in de omgeving leven, maar dat men niet goed weet hoe deze te herkennen. De bewoonster van Rijksweg 82 gaf wel aan dat ze dacht dat ze één keer een steenuil had gehoord. Veldonderzoek Tijdens het gericht steenuilenonderzoek is een territorium vastgesteld, waar het plangebied deel van uitmaakt. Ook is vastgesteld dat er zich in één van de te slopen schuren in het plangebied één of twee verblijfplaatsen van de steenuil bevinden, waarvan één mogelijk ook functioneert als nestlocatie. In deze schuur zijn op meerdere plaatsen veel schijtsporen, braakballen, veren en voedselresten van de steenuil aangetroffen (zie foto 3).
Foto 3. Braakballen, schijtsporen en veren van steenuil in het plangebied (foto: R. Top).
Pagina 12
De verblijfplaatsen (en mogelijke nestlocatie) bevinden zich hier in de dakconstructie tussen de isolatie en het golfplaten dak, en tussen de dakconstructie en een in deze schuur aangebrachte houten werkruimte. Deze laatste verblijfplaats is toegankelijk voor inspectie en tijdens het sporenonderzoek is hier behalve schijtsporen en veren ook een eischaal aangetroffen (zie foto 4), wat een aanwijzing is voor de aanwezigheid van een nestlocatie.
Foto 4. Schijtsporen, veren en een eischaal (links in beeld) in één van de verblijfplaatsen van de steenuil in het plangebied (foto: R. Top).
Tijdens het eerste veldbezoek op 1 februari 2021 is tevens een steenuil waargenomen op de nok van de betreffende schuur. Ook zijn twee roepende steenuilen gehoord vanaf de grens tussen het plangebied en het perceel ten westen van het plangebied. Tijdens het tweede veldbezoek is een roepende steenuil waargenomen vanaf de bebouwing op het perceel dat westelijk ligt van het plangebied. Tijdens het derde veldbezoek op 4 maart 2021 is een roepende steenuil gezien en gehoord welke zich bevond op het dak van een schuur, welke direct grenst aan de eerder genoemde schuur (zie bijlage 1). Tijdens dit veldbezoek is de steenuil ook roepend waargenomen vanaf een locatie aan de noordoostzijde van het plangebied. Tijdens alle veldbezoeken zijn ook roepende steenuilen op grotere afstand gehoord, met name ten noordoosten van het plangebied. Deze individu(en) heeft of hebben waarschijnlijk geen binding met het plangebied maar vertegenwoordigen een ander territorium.
Pagina 13
Op basis van de resultaten van het veldbezoek kan worden gesteld dat het plangebied deel uitmaakt van een steenuilterritorium en behoort tot het functioneel leefgebied van de steenuil. Verblijfplaatsen behorende bij dit territorium bevinden zich in één van de schuren in het plangebied en waarschijnlijk ook in de bebouwing op het naastgelegen perceel (buiten het plangebied). De geplande werkzaamheden kunnen een negatief effect hebben op de functionaliteit van de verblijfplaats en het functioneel leefgebied van de steenuil. In hoofdstuk 4 wordt dit beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming.
3.2.2 Kleine marterachtigen Uit de directe omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de bunzing bekend (zie bijlage 1). De waarnemingen zijn gedaan op een afstand vanaf circa 600 meter van het plangebied en betreffen allemaal verkeersslachtoffers op de A1 en de afrit van de A1 (bron: NDFF). Het plangebied, bestaande uit een relatief klein agrarisch perceel met veel gradiënten, zoals elkaar afwisselende delen met bebouwing, een koeienweide, struweel, ruigten en bosschages, is geschikt als leefgebied voor bunzing en andere kleine marterachtigen als hermelijn en wezel. Geschikte verblijfplaatsen van deze soorten zijn aanwezig in de vorm van steenhopen, zoogdierholen, ruigten en dichte struwelen. Cameraval Op de beelden van de cameraval zijn geen kleine marterachtigen waargenomen. Wel is er twee keer een eekhoorn voor de camera te zien (zie bijlage 1 en foto 1). Verder zijn regelmatig bruine ratten en hazen vastgelegd op camera, alsmede enkele huiskatten en vogels zoals houtduif, merel en groene specht (zie foto 5 t/m 8).
Foto 5. Haas bij de cameraval.
Pagina 14
Foto 6. Eekhoorn bij de cameraval.
Foto 7. Groene specht bij de cameraval.
Pagina 15
Foto 8. Bruine rat bij de cameraval (links in beeld).
Marterbox Op de beelden van de marterbox zijn uitsluitend bosmuizen te zien (zie foto 9). Op de beelden van de camera in de marterbox zijn geen kleine marterachtigen waargenomen. Op basis van het ontbreken van waarnemingen kan gesteld worden dat het plangebied niet in gebruik is als functioneel leefgebied door kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel. Een vaste rust- en verblijfplaats wordt niet waarschijnlijk geacht.
Foto 9. Bosmuis in de marterbox.
Pagina 16
Eekhoorn De waargenomen eekhoorn in het plangebied betreft vermoedelijk een zwervend exemplaar dat in het plangebied geen verblijfplaatsen of vast leefgebied heeft. Het typische leefgebied van de eekhoorn bestaat uit bos of parken, houtwallen en tuinen in de buurt van bos (bron: De Zoogdiervereniging). Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarische opstallen met enkele bomen en sluit niet aan op bossen. Derhalve voldoet het plangebied niet aan de eisen van het leefgebied van de eekhoorn. Bovendien is de eekhoorn van de gehele periode dat de camera in het plangebied is opgesteld geweest, slechts kortstondig in beeld geweest op 20 juli 2020 en 23 juli 2020. Bovendien gaven de toenmalige bewoners van Rijksweg 82 tijdens één van de veldbezoeken aan dat zij op dit erf nooit eerder eekhoorns hadden gezien. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen vast leefgebied van de eekhoorn betreft en dat de waargenomen eekhoorn een incidentele waarneming van een zwervend exemplaar betreft.
Pagina 17
4 Wet natuurbescherming De effecten op aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 2). Binnen de invloedsfeer van de geplande woningbouw zijn de strikt beschermde steenuil en eekhoorn vastgesteld. Kleine marterachtigen zijn niet aangetroffen.
4.1 Steenuil 4.1.1 Beschermde status Alle vogelsoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Daarnaast staat de steenuil ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dit houdt in dat de steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Ook het leefgebied dat van belang is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld essentiële foerageergebieden, schuilgelegenheden, uitkijkposten etc. ook beschermd zijn. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats of het functioneel leefgebied aangetast wordt, dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.
4.1.2 Gebruik van het plangebied In het plangebied bevinden zich twee verblijfplaatsen van de steenuil, waarvan één mogelijk ook dient als nestlocatie. Voor de functionaliteit van een vaste rust- en verblijfplaats heeft een steenuil verschillende functies nodig binnen de directe omgeving van de nestlocatie. Behalve de sloop van de schuur kunnen ook andere ruimtelijke ingrepen binnen het territorium door verlies van functioneel leefgebied (bijvoorbeeld foerageergebied) een negatief effect hebben op de steenuil en mogelijk leiden tot verminderd broedsucces of het verlaten van het territorium. Het plangebied maakt deel uit van een territorium van een steenuil of steenuilenpaar (zie figuur 5 en bijlage 1). In de omgeving zijn meerdere steenuilterritoria aanwezig, maar omdat de territoria van steenuilen niet of slechts een voor klein deel aan de randen overlappen, worden geen andere steenuilterritoria in het plangebied verwacht. Analyse territorium De gemiddelde territoriumgrootte is circa 5 – 30 hectare (bron: Soortenstandaard Steenuil, Ministerie van Economische Zaken). De foerageergebieden liggen, met name in het broedseizoen, binnen 300 meter afstand van de nestlocatie (bron: Soortenstandaard Steenuil, Ministerie van Economische Zaken).
Op basis van de waargenomen roepende steenuilen tijdens het veldonderzoek, de habitateisen van de steenuil en de locatie van de verblijfplaatsen is een inschatting
Pagina 18
gemaakt van het gebiedsgebruik en de territoriumomvang van de territoria in en om het plangebied (zie figuur 5). Binnen het territorium bevinden zich door de kleinschalige afwisseling tussen dierenweiden, gazons, bermen, fruitboomgaarden, ruigtestroken, bebouwing en opgaand groen een aantal optimaal geschikte foerageergebieden voor de steenuil. Deze gebieden bevinden zich zowel binnen als buiten het plangebied. Marginaal geschikt leefgebied voor de steenuil betreft de meer grootschalige agrarische graslanden.
Figuur 5. Indicatieve territoria steenuilen (blauw) nabij het plangebied (rood). Van het territorium waarvan het plangebied deel uitmaakt zijn tevens de verblijfplaatsen aangegeven (groen).
De geplande sloop van een deel van de in het plangebied aanwezige opstallen heeft betrekking op een deel van het territorium van de aanwezige steenuilen en op twee van de verblijfplaatsen, waaronder mogelijk een nestlocatie. De schuur waarin zich twee verblijfplaatsen bevindt, zal volgens de geplande werkzaamheden gesloopt worden ten behoeve van woningbouw. Het gehele plangebied behoort tot het territorium van de steenuilen en de geplande herinrichting van het terrein kan ook invloed hebben op het functioneel leefgebied van de steenuilen. Geschikt foerageergebied binnen het plangebied, zoals de ruigte aan de westzijde van het plangebied, worden verwijderd en opnieuw ingericht en verliezen zodoende mogelijk hun geschiktheid als foerageergebied.
Pagina 19
Conclusie effectbeoordeling steenuil Op basis van de ligging van de verblijfplaatsen/nestlocatie van de steenuil in het plangebied, en de redelijk goede kwaliteit van het plangebied als leefgebied wordt gesteld dat de sloop van de opstallen en realisatie van vier woningen een aantasting van zowel de verblijfplaatsen/nestlocatie als de functionaliteit van het leefgebied van deze steenuilen vormt. Naast het verlies van de verblijfplaatsen is tijdens de bouwfase mogelijk sprake van tijdelijke verstoring door bijvoorbeeld geluid, trillingen en een toename van menselijke activiteit. De functionaliteit van het vastgestelde territorium zal worden aangetast door de geplande werkzaamheden en mogelijk zal de kwaliteit van het leefgebied in de uiteindelijke situatie minder hoog zijn. De aantasting van verblijfplaatsen en het functioneel leefgebied van de steenuil is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiervoor is ontheffing noodzakelijk en dient een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden.
Door de relatief kleine oppervlakte van het plangebied in relatie tot de territoriumgrootte van de steenuil, de aanwezigheid van diverse te behouden opstallen en opgaand groen in het plangebied en de directe omgeving hiervan, en door rekening te houden met de steenuil bij de herinrichting van het plangebied, zijn er voldoende mogelijkheden om aan de hand van een mitigatie- en compensatieplan het territorium van de steenuilen te behouden.
4.2 Kleine marterachtigen 4.2.1 Beschermde status De kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel zijn beschermd via de Wet natuurbescherming, onder de categorie ‘andere soorten’. Dit wil zeggen dat de soort nationaal beschermd is. Voor deze soorten geldt dat het niet is toegestaan om: • •
individuen opzettelijk te doden of te vangen. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
In een aantal provincies geldt vrijstelling van bovenstaande verbodsbepalingen voor (vrij) algemene zoogdiersoorten, waaronder kleine marterachtigen. In de Gelderland is die vrijstelling echter opgeheven voor kleine marterachtigen, waardoor de vaste rust- en verblijfplaatsen strikt beschermd zijn. Het voorkomen is ontheffingsplichtig wanneer de functionaliteit van deze vaste verblijfplaatsen aangetast wordt. Wanneer negatieve effecten door werkzaamheden niet voorkomen kunnen worden, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan sprake is van een overtreding van artikel 3.10: Beschermingsregime andere soorten, lid 1 en/of 2.
4.2.2 Gebruik van het plangebied In het plangebied bevinden zich geen verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel. Het aanvragen van een ontheffing en het
Pagina 20
treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soortgroep.
4.3 Eekhoorn 4.3.1 Beschermde status De eekhoorn is beschermd via de Wet natuurbescherming, onder de categorie ‘andere soorten’. Dit wil zeggen dat de soort nationaal beschermd is. Voor deze soorten geldt dat het niet is toegestaan om: • •
individuen opzettelijk te doden of te vangen. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Wanneer negatieve effecten door werkzaamheden niet voorkomen kunnen worden, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan sprake is van een overtreding van artikel 3.10: Beschermingsregime andere soorten, lid 1 en/of 2.
4.3.2 Gebruik van het plangebied In het plangebied is twee maal een eekhoorn waargenomen middels een cameraval. Eekhoorns gebruiken boomholten of zelfgebouwde nesten als verblijfplaats. Deze nesten worden in de regel gebouwd in bomen in bossen. Bij uitzondering komen, vooral in stedelijk gebied, nesten in gebouwen voor. In het plangebied bevindt zich geen geschikt leefgebied door de geïsoleerde ligging ten opzichte van bospercelen en het gebrek aan bomen in het plangebied. Daardoor zijn ook vaste verblijfplaatsen voor de eekhoorn in het plangebied uit te sluiten. Deze zijn ook niet aangetroffen in de aanwezige bomen in het plangebied. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort.
Pagina 21
5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat er zich één of twee verblijfplaatsen van de steenuil in het plangebied bevinden. Tevens maakt het plangebied deel uit van het functioneel leefgebied van de steenuil. De geplande werkzaamheden zullen de verblijfplaatsen en het functioneel leefgebied van de steenuil aantasten. Het aanvragen van een ontheffing is derhalve noodzakelijk ten aanzien van de steenuil. Voor kleine marterachtigen en de in het plangebied aangetroffen eekhoorn is het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen niet noodzakelijk.
Pagina 22
6 Bijlagen 1 2
Resultaten natuuronderzoek Wettelijk kader
Pagina 23
Bijlage 1 Resultaten natuuronderzoek
Resultaten veldonderzoek steenuil
Zichtwaarneming steenuil Roepende steenuil Afspeellocatie steenuilengeluid
Pagina 24
Resultaten bronnenonderzoek steenuil
Waarnemingen 2010-2021 steenuil roepend Waarnemingen 2010-2021 steenuil ter plaatse (gedrag niet nader aangeduid)
Pagina 25
Resultaten veldonderzoek kleine marterachtigen
Eekhoorn
Pagina 26
Resultaten bronnenonderzoek kleine marterachtigen
Bunzing (verkeersslachtoffers)
Pagina 27
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 28
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 29
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 30
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 31
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 32
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 33
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;
Pagina 34
b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •
•
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 35
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 36