CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlage 3 Quickscan natuurtoets.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Rijksweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012’ (in Voorthuizen).11.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Rijksweg 82-84 in Voorthuizen In opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV

Colofon Quickscan natuurtoets Rijksweg 82-84 in Voorthuizen

Opdrachtgever Contactpersoon

De Bunte Vastgoed Oost BV Dhr. E. Prosman

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2127 Ing. R. Top Mevr. drs. L.M.A. Witjes 7 september 2020 Plangebied (foto: R. Top)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Beschermde status plangebied .................................................................................... 6 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7

3.3

Natura 2000 .......................................................................................................... 9

3.4

Houtopstanden ................................................................................................... 11

Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 12 4.1

Methode ............................................................................................................. 12

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 13

5

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 21

6

Conclusie ................................................................................................................... 25

Bijlage 1

Impressie plangebied ..................................................................................... 27

Bijlage 2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 29

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 37

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen sloop van de opstallen aan de Rijksweg 82 en 84 in Voorthuizen en het mogelijk verwijderen van opgaande groenstructuren, aanvullend onderzoek naar bunzing, steenmarter en steenuil noodzakelijk is. Aanvullend onderzoek naar de huismus is alleen noodzakelijk indien één specifieke schuur wordt gesloopt. Indien er bomen met holten gekapt of gesnoeid worden is ook aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Uit het aanvullende onderzoek zal blijken of er ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk is. Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde NNN natuurgebieden of Natura 2000-gebieden is niet aan de orde. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om de bebouwing aan de Rijksweg 82 en 84 in Voorthuizen te slopen.

Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van De Bunte Vastgoed Oost BV. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.

Pagina 3

1

Inleiding en doel

1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn plannen om de agrarische opstallen achter de woningen Rijksweg 82 en 84 te slopen en op de vrijgekomen grond woningen te bouwen. De heer Prosman van De Bunte Vastgoed BV is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Rijksweg 82 en 84 Voorthuizen Barneveld Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Voorthuizen, in de gemeente Barneveld (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Rijksweg aan de zuidzijde en agrarische percelen aan de overige zijden. Het plangebied betreft twee erven met agrarische opstallen. De opstallen variëren in aard, grootte en bouwwijze. Een deel van de opstallen is leeg of wordt nog als opslag gebruikt voor goederen of voertuigen. De opstallen achter Rijksweg 82 zijn nog in gebruik als rundveehouderij. Behalve de opstallen bestaat het plangebied uit enkele graslandjes, een bomenrij en verhard terrein (zie figuur 2 en bijlage 1). De directe omgeving van het plangebied bestaat uit de beide woningen met bijbehorende tuinen en verder landbouwpercelen (zie figuur 2).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door woonhuizen met bijbehorende tuinen, agrarische percelen, doorgaande wegen en enkele opgaande groenstructuren (zie figuur 2).

2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om de agrarische opstallen aan de Rijksweg 82-84 te slopen. Op de vrijgekomen grond zullen vier woningen worden gerealiseerd. Uitgangspunt is dat de aanwezige solitaire bomen en bomenrij behouden blijven en niet worden aangetast tijdens de werkzaamheden, maar dit kan op voorhand niet geheel worden uitgesloten.

Pagina 5

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (geel) met daarbinnen het plangebied (rood), bron: Google Earth (2020).

Pagina 6

3

Beschermde status plangebied

3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN/GNN. De kernkwaliteiten van het NNN/GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het

Pagina 7

type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). Op enige afstand ten noorden en westen van het plangebied bevindt zich een gordel van heide-, bos- en natuurgebieden, die een verbindingsgordel vormt tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Dit deelgebied is bekend onder de naam Veldbeek – Oldenaller en bestaat uit zowel bestaande natuur binnen het GNN als ecologische verbindingszone in de vorm van GO’s. Ook op enige afstand ten zuiden van het plangebied, in het buitengebied tussen Voorthuizen en Barneveld, bevinden zich nog enkele natuurgebieden die deel uitmaken van het GNN.

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2020.

Pagina 8

3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe” en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten. Aangezien in het plangebied onder andere een vleeskalverenbedrijf vervangen wordt voor enkele woningen, is er geen sprake van een toename in stikstofdepositie en is verdere toetsing door middel van een AERIUS-berekening niet noodzakelijk.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe” ligt op circa 5,5 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4). Overige Natura 2000-gebieden (o.a. “Arkemheen”, “Veluwerandmeren” en “Eemmeer & Gooimeer Zuidoever”) liggen op grotere afstand, vanaf circa 9,5 km. Door de aard en de beperkte omvang van de werkzaamheden en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied “Veluwe” en overige Natura 2000-gebieden, worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten door de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Stikstofdepositie In veel Natura 2000-gebieden is stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats.

Ook in het nabijgelegen Natura 2000-gebieden “Veluwe” zijn stikstofgevoelige habitattypen

Pagina 9

en/of soorten aanwezig, zoals habitat H4030 droge heide (bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000). De afspraken over stikstof staan in de gebiedsanalyse van het Natura 2000-gebied. Alleen als de hoeveelheid op termijn vermindert, zijn nieuwe bedrijfsactiviteiten met stikstofuitstoot mogelijk. In het plangebied is thans een vleeskalverenbedrijf gevestigd met 600 vleeskalveren, dat als gevolg van de geplande ontwikkelingen van deze locatie verdwijnt. De verwachting is dat de stikstofdepositie door dit veebedrijf hoger is dan de toekomstige stikstofdepositie als gevolg van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen, namelijk het slopen van agrarische opstallen en het bouwen van vier woningen. Van een toename van stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is geen sprake. Dit geldt voor zowel het slopen en bouwen (de aanlegfase) als voor de uitstoot tijdens de gebruiksfase (bijvoorbeeld stikstofuitstoot van extra huishoudens en toename in verkeersbewegingen), mede gezien het feit dat nieuwbouwwoningen tegenwoordig gasloos worden aangesloten. Op voorhand kan worden uitgesloten dat de geplande werkzaamheden een negatief effect hebben op de stikstofgevoelige habitats van het Natura 2000-gebied “Veluwe” en een AERIUSberekening is derhalve niet noodzakelijk om uitsluitsel te bieden omtrent de stikstofdepositie.

Arkemheen

Veluwe

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden “Arkemheen” en “Veluwe” (groen), bron: Provincie Gelderland (2020).

Pagina 10

3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.

3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie figuur 1). In het plangebied staan enkele bomen, struiken en heesters, alsmede een rij van 8 kronkelwilgen, maar van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is geen sprake. Bovendien is de intentie om de betreffende bomen te sparen tijdens de uitvoering van de plannen. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.

Pagina 11

4

Beschermde soorten plangebied

4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Ing. R. Top

1a

8-5-2020

15:15 uur

Ing. R. Top en ing. R. Boerboom

1b

2-9-2020

14:00 uur

Weersomstandigheden Sluierbewolking, droog, 23°C, windkracht 0-1 Bft Zonnig, droog, 20°C, windkracht 0-1 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 12

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen huismus, roek en steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal nationaal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •

Nationaal beschermde soorten: aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis en ree1.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van beschermde amfibieën-, reptielen of vissoorten. Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.

1 Deze soorten, met uitzondering van de bunzing, zijn in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden

als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 13

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied betreft twee erven welke grotendeels bestraat en bebouwd zijn. De bebouwing bestaat uit loodsen, schuren, een kapschuur en veestallen. De stallen zijn divers van grootte, leeftijd en staat van onderhoud. Op het oostelijke deel van het erf staan voornamelijk rundveestallen die nog als zodanig in gebruik zijn. Het erf tussen deze stallen is vrijwel geheel bestraat, op een enkele conifeer na. Op het westelijk deel van het erf bestaat de bebouwing uit diverse oudere en nieuwere schuren, een loods, een kapschuur en oudere veestallen. Tussen deze opstallen bevindt zich nog een weitje, waar ten tijde van het veldbezoek geiten liepen. Langs dit weitje staan enkele loofbomen. Het achterste deel van dit erf ligt braak, hier zijn behalve verharding wat steenhopen en bosschages bestaande uit heesters en opslag van loofbomen. De natuurlijke vegetatie in het plangebied beperkt zich tot algemene soorten als akkerdistel, boterbloem sp, braam, grassoorten, grote brandnetel, kamille sp en paardenbloem sp. Op het grasland aan de noordzijde van het plangebied staat een rij kronkelwilgen en zijn behalve grassoorten onder anderen gewone hoornbloem, grote muur en kruipende boterbloem aangetroffen.

Bijzondere vegetaties met kenmerkende plantensoorten zijn niet in het plangebied aanwezig. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: boerenzwaluw, ekster, houtduif, koolmees, merel, putter, spreeuw, witte kwikstaart en de jaarrond beschermde huismus en roek. De opgaande groenstructuren in het plangebied zijn geschikt als nestlocatie voor enkele van de tijdens het veldbezoek aangetroffen vogelsoorten, waaronder ekster, houtduif, merel en putter. De te slopen bebouwing is verder geschikt als nestlocatie voor de huismus, spreeuw, witte kwikstaart en zwarte roodstaart. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de huismus, roek en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek in mei zijn de huismus en roek in de directe omgeving van het plangebied waargenomen.

Tijdens het veldbezoek in september zijn sporen van de steenuil aangetroffen. Er zijn geen overige jaarrond beschermde vogelsoorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen.

Pagina 14

Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is in de omgeving van de woning Rijksweg 82 een roepende huismus gezien en gehoord. Tijdens het veldbezoek van 2 september 2020 is op circa 50 meter afstand van het plangebied, bij een woonerf aan de Lankerenseweg, ook een groep mussen gehoord. Tijdens het veldbezoek is er in het plangebied zelf geen activiteit van huismussen waargenomen. Van alle te slopen opstallen is er één geschikt als nestlocatie voor huismussen. Dit betreft de oude schuur die direct achter de woning Rijksweg 84 staat (zie bijlage 1, opstal nummer 2). Deze schuur is tijdens het veldbezoek zowel van binnen als van buiten geïnspecteerd, waaruit is gebleken dat het beschikt over een pannendak met openingen welke geschikt zijn voor huismussen. Aan de binnenzijde van het dak is langs lage delen beschot aanwezig, waardoor tussen de pannen en het beschot geschikte nestlocaties kunnen ontstaan. Ook op de balken zijn geschikte nestlocaties voor huismussen mogelijk aanwezig. Op één plaats zijn mogelijke sporen van een mussennest aan de binnenzijde van het dak zichtbaar (zie foto 1 t/m 4).

Foto 1 t/m 4. Schuur met geschikte nestlocaties voor huismussen (foto’s: R. Top).

Pagina 15

Naast deze schuur staat in het plangebied een conifeer die geschikt is als verblijfplaats voor huismussen (zie bijlage 1, nummer 9). Op de erven van de beide woningen Rijksweg 82 en 84 zijn diverse heesters en hagen aanwezig die eveneens geschikt zijn als slaapplaats of verblijfplaats. In het plangebied zijn verder geschikte foerageergebieden aanwezig in de vorm van het weitje en het braakliggende deel achter op het terrein. Ook zijn er mogelijkheden om een stofbad te kunnen nemen. Het plangebied is derhalve geschikt als functioneel leefgebied en nestlocatie voor de huismus. Roek Uit de omgeving van het plangebied is een roekenkolonie bekend van een locatie langs de snelweg A1, ter hoogte van de aansluiting met de snelweg A30 (bron: NDFF). De roeken foerageren hoofdzakelijk op de omliggende agrarische percelen. Tijdens het veldbezoek is een groep van enkele tientallen roeken waargenomen op een agrarisch perceel grenzend aan het plangebied. Deze roeken maken waarschijnlijk deel uit van de kolonie langs de A1. Het plangebied is door het ontbreken van geschikte nestlocaties, zoals forse bomen in bosschages met voldoende rust en dekking, ongeschikt als broedlocatie voor deze soort.

Het grasland dat grenst aan het plangebied is slechts marginaal geschikt als foerageergebied voor de roek en niet van essentieel belang voor de functionaliteit van de nestlocaties van in de omgeving broedende roeken. Steenuil Ter hoogte van Rijksweg 69 in Voorthuizen, op circa 100 meter ten zuiden van het plangebied, is één waarneming uit 2017 van een roepende steenuil bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek op 2 september 2020 zijn in het plangebied veren en (verse) braakballen van de steenuil aangetroffen. Dit betrof diverse plaatsen rond en in de schuur met nummer 5 (zie foto’s 5 t/m 7). In deze schuur is zeer waarschijnlijk een verblijfplaats of nestlocatie van de steenuil aanwezig in de ruimte tussen de golfplaten en de isolatiepanelen. De steenuil is een kenmerkende vogelsoort van erven van burgerwoningen en boerderijen in het agrarische cultuurlandschap. Het ideale leefgebied van de steenuil wordt bepaald door een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie, erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met vee en voldoende nestplaatsen in de vorm van boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen. Verder is het belangrijk dat er een gevarieerd prooiaanbod is in het territorium, dan wel de directe omgeving, zoals muizen, regenwormen en insecten.

Het plangebied en de omgeving hiervan zijn geschikt als leefgebied voor de steenuil, door de aanwezigheid van alle bovengenoemde elementen. Nestlocaties kunnen worden verwacht in een deel van de schuren en stallen in het plangebied (zie bijlage 1, opstallen 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8).

Pagina 16

Foto 5 t/m 7. Aangetroffen veren (links) en braakballen (rechts) van steenuil in schuur 5 (foto’s: R. Top).

Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of functioneel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde zoogdieren aangetroffen in het plangebied. De ruimte rondom de te slopen gebouwen is plaatselijk geschikt als leefgebied/foerageergebied voor enkele algemene soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bruine rat, egel, konijn, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis en ree voor de omgeving van het plangebied. Voor de genoemde soorten geldt, met uitzondering van de bunzing en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bunzing

Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kunnen zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood.

Pagina 17

Uit de NDFF blijkt dat de bunzing waargenomen is in de omgeving van het plangebied, namelijk op enkele plaatsen langs de snelweg A1. De bunzing kan in diverse habitats voorkomen maar heeft altijd als voorwaarde dat er voldoende dekking aanwezig is. De soort verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Het plangebied heeft dergelijke voor de bunzing geschikte elementen alleen in het noordelijke deel, namelijk het braakliggende deel. Hier bevinden zich bosschages, steenhopen, ruigte en een enkele lage grondwal, die voldoende dekking bieden voor de bunzing. Het naastgelegen grasland is aan drie zijden omgeven door droge greppels, die het plangebied voor de bunzing ontsluiten van de omgeving. Dit gebied vormt een geschikt habitat voor de bunzing. Het voorkomen van de bunzing kan derhalve niet worden uitgesloten in het plangebied. Steenmarter Er zijn uit de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen van de steenmarter bekend. De steenmarter komt vooral voor in het oosten van Nederland. Ten westen van de Veluwe is de dichtheid van steenmarterwaarnemingen aanzienlijk lager dan ten oosten hiervan (bron: NDFF). Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen.

Tijdens het veldbezoek op 8 mei 2020 zijn geen steenmarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek op 2 september 2020 is in de schuur met nummer 5 (zie bijlage 1) wel ontlasting aangetroffen die mogelijk afkomstig is van een steenmarter (zie foto 8). In diverse schuren en opstallen zijn potentieel geschikte ruimtes aanwezig, waar de steenmarter verblijfplaatsen kan vinden. Dit zijn bijvoorbeeld ruimtes tussen dakpannen of golfplaten en de onderliggende isolatiematerialen. De steenmarter kan door openingen van 5-6 cm kruipen om bij een schuilplaats te komen (bron: De Zoogdiervereniging). De opstallen in het plangebied zijn deels toegankelijk voor de steenmarter door de lage bouw en openingen in muren, maar de steenmarter gebruikt ook vegetatie of voorwerpen als opstapjes om gebouwen te bereiken en is tevens in staat verticaal tegen bakstenen muren op te klimmen. De schuren met de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 zijn bereikbaar voor de steenmarter en beschikken ook over geschikte verblijfsruimten voor de soort (zie ook bijlage 1). Het kan derhalve niet worden uitgesloten dat deze soort hier verblijfplaatsen heeft. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied.

Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren.

Pagina 18

Foto 8. Ontlasting in schuur 5 welke mogelijk afkomstig is van steenmarter (foto: R. Top).

Vleermuizen De NDFF maakt geen melding van vleermuizen voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen De te slopen gebouwen betreffen steens schuren, kapschuren, open stallen en andere gebouwen die niet geschikt zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. In een aantal van deze opstallen is de binnenruimte te open of tochtig voor vleermuizen. In de overige gebouwen ontbreekt het aan geschikte verblijfplaatsen of zijn deze niet toegankelijk, zoals in de loods met gladde wanden en gladde dakpanelen. Er worden in het plangebied geen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verwacht. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn enkele bomen aanwezig, die behouden zullen blijven tijdens de geplande activiteiten. Tijdens het veldbezoek zijn geen bomen aangetroffen met voor vleermuizen geschikte holtes, maar niet alle bomen zijn voldoende geïnspecteerd om te kunnen uitsluiten dat er zich in het plangebied geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen bevinden. Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het braakliggende deel van het terrein achter huisnummer 84 is door de aanwezigheid van opgaande groenstructuren geschikt als foerageergebied voor enkele algemene vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis.

Het grasland is geschikt als foerageergebied voor soorten als de laatvlieger. Gezien de beperkte omvang van deze delen van het plangebied, en de ruime beschikbaarheid van alternatieve foerageergebieden in de omgeving van het plangebied, is er geen sprake van essentiële foerageergebieden. Vliegroutes worden in het plangebied niet verwacht, door het ontbreken van lijnvormige elementen die aansluiten op de omliggende gebieden.

Pagina 19

Amfibieën, reptielen, vissen Beschermde amfibieën, reptielen of vissen zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt geen waarnemingen van deze soorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Door het ontbreken van geschikte leefgebieden en permanent open water worden er geen reptielen of vissen in het plangebied verwacht. Ook worden er geen voortplantingsplaatsen van amfibieën verwacht. De ruimte rondom de te slopen gebouwen, met name het braakliggende deel, is marginaal geschikt als landbiotoop voor een enkele weinig kritische en algemene amfibiesoort als bruine kikker en gewone pad. Incidenteel kan een exemplaar van deze soorten in het plangebied aangetroffen worden. Strikt beschermde amfibieën, reptielen of vissen worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van strikt beschermde amfibieën, reptielen en vissen voor het plangebied en omgeving. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. De NDFF vermeldt geen beschermde ongewervelde diersoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde ongewervelde diersoorten worden ook niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.

Pagina 20

5

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht doordat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.

In het plangebied kunnen broedvogels worden verwacht in zowel de agrarische opstallen als de opgaande begroeiing (struiken en bomen) als het braakliggende terrein in het gebied. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt,

Pagina 21

afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de huismus, roek en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn. De te slopen bebouwing in het plangebied is geschikt als nestlocatie voor de huismus en steenuil. Huismus Eén van de te slopen gebouwen, namelijk de schuur met nummer 2 (zie bijlage 1) biedt geschikte nestlocaties voor deze gebouwbewonende soort met jaarrond beschermde nesten. Aanvullend onderzoek naar deze soort is alleen noodzakelijk indien dit gebouw gesloopt wordt. In dat geval dienen, om uit te sluiten dan wel aan te tonen dat de huismus een jaarrond beschermde verblijfplaats heeft in het plangebied, 2 veldbezoeken uitgevoerd te worden in de periode van 1 april tot en met 20 juni tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus). Steenuil In het plangebied bevinden zich waarschijnlijk verblijfplaatsen of een nestlocatie van de steenuil. Bij het slopen van de opstallen is sprake van fysieke aantasting van deze verblijfplaatsen.

Er wordt mogelijk ook essentieel leefgebied van de steenuil aangetast door de geplande woningbouw in het plangebied. Hierdoor gaan mogelijk essentiële foerageergebieden of andere functies verloren, waardoor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaatsen aangetast wordt. De geplande werkzaamheden kunnen bovendien een verstorend effect hebben op de steenuil. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de steenuil is noodzakelijk in het plangebied en de directe omgeving. Conform de richtlijnen uit de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), van het Netwerk Groene Bureaus, en het Kennisdocument Steenuil van BIJ12 (versie 1.0, juli 2017) moeten hiervoor 3 avondronden en één dagbezoek (zoeken naar sporen en nestplekken) in de periode 1 februari tot en met 30 april uitgevoerd worden. In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende roek. De functionaliteit van het leefgebied van deze soorten wordt eveneens niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek naar deze soorten of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor enkele soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, konijn, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 22

Bunzing De bunzing is strikt beschermd in de provincie Gelderland. Het voorkomen is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied voldoet aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing. Er zijn enkele waarnemingen van de bunzing bekend uit de omgeving van het plangebied. Het is niet uitgesloten dat het plangebied behoort tot het leefgebied van deze soort. Het opnieuw inrichten van het plangebied kan in dat geval leiden tot aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing. Hiervoor zal een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel). Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken. De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren. Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is daarom niet afhankelijk van de omvang van het onderzoeksgebied, maar moet worden bepaald aan de hand van de aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft.

De inventarisatiemiddelen dienen gedurende de looptijd van het onderzoek (maart tot en met augustus) ingezet te worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door de bunzing, zoals bij takkenrillen. Steenmarter In het plangebied bevinden zich meerdere opstallen die mogelijk geschikte verblijfplaatsen bieden voor de steenmarter. Wanneer de opstallen worden verwijderd, wordt mogelijk de verblijfplaats van beschermde soort aangetast. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter is dan ook noodzakelijk. Aanvullend onderzoek naar steenmarter bestaat uit uitgebreid sporenonderzoek tijdens de voortplantingsperiode (april – juli), bij voorkeur ondersteund door het plaatsen van cameravallen in of nabij de te slopen schuren. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er voor gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats geschikte gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar kraam-, zomer-, paar-, en (massa)winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet noodzakelijk.

Pagina 23

2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Mogelijk → Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is noodzakelijk indien bomen gekapt of gesnoeid worden. 3. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is noodzakelijk. Het uitgangspunt is dat er geen bomen gekapt of gesnoeid worden, dan is aanvullend onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet noodzakelijk. Verblijfplaatsen van vleermuizen in de aanwezige bomen kunnen echter niet uitgesloten worden op basis van de uitgevoerde quickscan natuurtoets. Indien er wel bomen gekapt of gesnoeid worden is derhalve aanvullend onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen noodzakelijk. In eerste instantie is een inspectie tijdens de winterperiode noodzakelijk om te bepalen of er potentieel geschikte holten aanwezig zijn in de (eventueel) te kappen bomen. Indien hiervan sprake is, is nader onderzoek naar boombewonende soorten noodzakelijk.

Voor gericht vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol 2017, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend. Conform het vleermuisprotocol moet bij het vermoeden op vaste rust- en verblijfplaatsen van (boombewonende) vleermuizen gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd worden middels 2 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 april – 15 juli en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten niet te verwachten in het plangebied. Voor de mogelijk aanwezige algemeen voorkomende amfibieën geldt in de provincie Gelderland automatisch een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.

Pagina 24

6

Conclusie

Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard van de werkzaamheden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van Natura 2000-gebieden door directe verstoringsfactoren verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren zijn op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening of vergunningsaanvragen zijn niet noodzakelijk. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soortgroepen: • • •

Bunzing Steenmarter Steenuil

Indien de schuur met nummer 2 (zie bijlage 1) gesloopt wordt, is tevens aanvullend onderzoek naar de huismus noodzakelijk. Indien er bomen gekapt of gesnoeid worden, is tevens aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Er moet verder rekening worden gehouden met broedvogels. Activiteiten als het verwijderen van groen, kappen of snoeien van bomen en het slopen van bebouwing moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd.

Pagina 25

Bijlagen 1 2 3 4

Plattegrond met genummerde opstallen Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 26

Bijlage 1 Plattegrond met genummerde opstallen

7

8 6 5

4

9

3

2 1

Pagina 27

Bijlage 2 Impressie plangebied

Pagina 28

Bijlage 3 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 29

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).

Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 30

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 31

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 32

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 33

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 34

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=ed804bbe-160d-427f-8cc9-9ad0a163cde3