CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Puurveen-Zuid_vastgesteld_1_Toelichting

Commissie Grondgebied 27 juni 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: [VERVALLEN] Raadsagenda: Bestemmingsplan Puurveen-Zuid in Kootwijkerbroek25.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tabel 4.1: Overzicht prijscategorieën en woningtypen De ontwikkeling zal gefaseerd worden gebouwd om zo ook de lokale woningmarkt beter te kunnen bedienen. Puurveen-Zuid is voorzien binnen de totale programmering van het woningbouwprogramma van de gemeente. De verdeling over de prijscategorieën en woningtypen wijken iets af van de laatst gesloten Woondeals. Dit omdat de voorliggende ontwikkeling al gaande was. Ook sluit deze verdeling aan op de woningbehoefte in Kootwijkerbroek. Dit geeft ook Woningstichting Barneveld aan. Zij zijn van mening dat deze aantallen passend zijn gezien de grote voorkeur naar koopwoningen.

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

31

Puurveen-Zuid

Hoofdstuk 5

RANDVOORWAARDEN

In dit hoofdstuk is op enkele punten een uitsplitsing gemaakt voor de 'andere ruimtelijke ontwikkelingen'. Daar waar dat niet is gedaan vallen deze 'andere ruimtelijke ontwikkelingen' onder de opgenomen reactie.

5.1

Bodem

5.1.1

Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Op basis daarvan zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik voor wat betreft de gronden die agrarisch in gebruik waren. Omdat de onderzoekslocatie deels bestaat uit openbare wegen kunnen de bovengrond en wegberm nabij verontreinigd zijn. Om inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Ingenieursbureau Land, 25 juli 2022, kenmerk R01-78220.09-OKO, versie I) welke als Bijlage 6 bij deze toelichting op het bestemmingsplan is gevoegd. In het onderzoek is aandacht besteed aan het aspect asfalt en fundatie. Gebleken is dat de deklaag (alle vakken) als teervrij kunnen worden beschouwd.

Uitgezonderd enkele plaatsen kunnen ook de kleef- danwel onderlaag als teervrij worden beschouwd. De fundatie tenslotte is onverdacht voor het voorkomen van asbest en indicatief herbruikbaar als ‘niet vormgegeven’ bouwstof. Voor wat betreft de gronden die agrarisch in gebruik waren (het agrarisch gebied) is de conclusie dat in de (humeuze) zandige grond geen gehalten zijn aangetroffen die de achtergrondwaarde overschrijden. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘Altijd toepasbaar’ met uitzondering van grondwaterbeschermingsgebieden. In het grondwater overschrijden de concentraties nikkel, koper, molybdeen, cadmium, barium, kwik en naftaleen namelijk de streefwaarde. In grondwater is maximaal 0,38 mg mg/l ijzer aangetroffen en maximaal 36 mg/l onopgeloste bestanddelen. Derhalve is het lozen van grondwater bij ontwatering in een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Onder de Puurveenseweg (rijbaan en berm) zijn in het zand bijmengingen aangetroffen van beton, menggranulaat en asfalt. In deze grond zijn koper, zink, PAK, minerale olie en PCB verhoogd boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In het zintuiglijk schone zand in de ondergrond zijn PCB en PAK verhoogd boven de achtergrondwaarde aangetroffen. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse varieert tussen ‘Altijd toepasbaar’ en ‘Niet toepasbaar’.

Geadviseerd wordt om in grond dat vrijkomt bij de reconstructie eerst te verifiëren op aanwezigheid van bodemvreemde bijmenging en afhankelijk daarvan bepalen of de grond wordt afgevoerd of hergebruikt. Dit kan eventueel bepaald worden na bewerking van de grond zoals zeven. Het wordt geadviseerd om te werken met een gesloten grondbalans. Het is mogelijk om grond dat indicatief geclassificeerd is als ‘Niet toepasbaar’ te hergebruiken binnen het werk in een niet-kwetsbaar gebied bijvoorbeeld onder verharding. Indien de grond overtollig overblijft moet het afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Gezien de beperkte hoeveelheid van niet toepasbare grond is het ook een optie om de grond direct af te voeren. Onder de Walhuisweg (exclusief berm omdat die al onderzocht is) is tenslotte in het zwak humeuze zand PAK verhoogd boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes aangetroffen. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘Altijd toepasbaar’ met uitzondering van grondwaterbeschermingsgebieden. De berm is reeds onderzocht in het verkennend bodem- en asbestonderzoek van Arnicon (kenmerk: C18-414-O, d.d. 21 november 2018). De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘klasse Industrie’ en het hoogste aangetoonde asbestgehalte in grond is 4,0 32

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid mg/kg ds. Verkennend asbestonderzoek Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op 1 locatie is visueel en analytisch asbest aangetroffen (2,2 mg/kg ds.). Het aangetroffen asbestgehalte geeft geen aanleiding tot aanvullend onderzoek, omdat het asbestgehalte van 50 mg/kg ds. niet wordt overschreden. De onderzoekslocatie is niet uitputtend onderzocht, maar gezien de aangetroffen bijmengingen wordt er geen reëel probleem met asbest verwacht. Waterbodemonderzoek In het verkennend bodemonderzoek is ook gekeken naar het sendiment van de watergangen. Het vrijkomende sediment van 1 monstervak is toepasbaar als ‘klasse Industrie’ op landbodem en als ‘klasse A’ in oppervlaktewater. Het vrijkomende sediment van de andere twee monstervakken is ‘altijd toepasbaar’ op landbodem en in oppervlaktewater. Het sediment uit alle monstervakken is niet toepasbaar in grondwaterbeschermingsgebieden vanwege PFAS. Het vrijkomende sediment is verspreidbaar op aangrenzend perceel. Tot slot mag het vrijgekomen sediment van 1 monstervak bij regulier onderhoudsbaggerwerk verspreid worden over naastliggend terrein, ook als naastliggend terrein voldoet aan ‘klasse Achtergrondwaarde’. Wanneer het gaat om hergebruik van grond en/of baggerspecie dan is de toets van de ontvangende bodem wel relevant.

Infiltratieonderzoek Tot slot is in het verkennend bodemonderzoek nog gekeken naar de infiltratiemogelijkheden. De bemeten trajecten ter plaatse van alle (met uitzondering van 1) meetpunten kunnen als goed doorlatend worden beschouwd. Voor de uitzondering geldt deze plek als slecht doorlatend kan worden beschouwd. Op basis van de onderzoeksresultaten is infiltratie van hemelwater onder de humeuze bovengrond mogelijk in het projectgebied. In het verkennend bodemonderzoek zijn de onderstaande conclusies en aanbevelingen opgenomen: Asfalt- en fundatieonderzoek: Het vrijkomende teerhoudende asfalt is niet geschikt voor hergebruik en dient afgevoerd te worden naar een gecertificeerd verwerker. In het totaal gaat het om ca. 246 ton teerhoudend asfalt. Het overige vrijkomende asfalt (ca. 866 ton) kan als teervrij worden beschouwd. De fundatie is indicatief herbruikbaar als ‘niet-vormgegeven’ bouwstof. Bodem: Op basis de onderzoeken zijn er geen bezwaren voor de herinrichting van de locatie. Indien er grond afkomstig van de locatie elders wordt toegepast, dient dit te gebeuren conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en tijdelijk handelingskader PFAS. Infiltratieonderzoek: Er zijn beperkingen voor infiltratie in de humeuze toplaag. Geadviseerd wordt om bij het realiseren van wadi’s de humeuze toplaag ter plaatse te verwijderen.

Walhuisweg 10 Voor de ontwikkeling aan de Walhuisweg 10 heeft apart onderzoek plaatsgevonden (Verkennend bodemonderzoek Walhuisweg 10 Kootwijkerbroek, Ingenieursbureau Land, 3 mei 2023, kenmerk R01-78220.09.01-OKO, zie Bijlage 8). Geconcludeerd wordt dat de halfverharding onderdacht is voor het voorkomen van asbest. Voor wat betreft de bodem wordt geconcludeerd dat er slechts licht verhoogde gehalten van enkele parameters zijn aangetoond. Deze vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tot slot is er visueel geen asbest aangetroffen. Puurveenseweg 28 Voor wat betreft de extra woning aan de Puurveenseweg 28 is een eerder bodemonderzoek bijgevoegd (Bijlage 7). Ondanks dat het bodemonderzoek verouderd is (2006) geeft het toch inzage in de verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse. Mede omdat het betreffende perceel daarvoor agrarisch (weiland) in gebruik was. Conclusie Op basis van de bodemonderzoeken bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening en nieuwbouw.

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

33

Puurveen-Zuid

5.1.2

Ontplofbare oorlogsresten

Voor de planlocatie Puurveen-Zuid aan de Puurveenseweg te Kootwijkerbroek is gekeken op de explosieven-risicokaart van Barneveld (zie kaartuitsnede hieronder met blauw globaal de planlocatie aangegeven).

Afbeelding 5.1: Uitsnede explosieven-risicokaart van Barneveld Op de kaart is een grijsvierkantje (rood omcirkeld) te zien aan de noordoostkant van het plangebied. Hier zou in 1992 een explosief zijn verwijderd door de EODD. Na verder onderzoek blijkt dat de locatie verkeerd is ingetekend en Essenerweg 134 moet zijn. Dit adres ligt ruim 2200 meter oostwaarts van het plangebied. Op de kaart zijn verder 2 kleine open vierkantjes te zien (rood omcirkeld) bij de planlocatie. Dit zouden militaire objecten (tent of onderkomen) zijn geweest volgens de risicokaart. Op de luchtfoto hieronder van 8 april 1945 is op de plek binnen het plangebied (blauw omcirkeld) een bouwwerk te zien.

34

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

Afbeelding 5.2: Luchtfoto 8 april 1945 Volgens topografische kaarten stond het object er voor de oorlog niet. Pas vanaf 1952 is het gebouw zichtbaar op de topografische kaart, maar deze kaarten werden vroeger pas om de 15 a 20 jaar geactualiseerd. Het is aannemelijk dat het een stal voor dieren betreft, maar niet uitgesloten is dat het een militair object was. Er zijn echter geen kraterinslagen te zien nabij het object en is het niet gebombardeerd. Door de EODD zijn op die locatie geen objecten verwijderd. Eventuele oorlogsresten of munitie zullen vanwege de intensieve bewerking van het land tot circa 40 cm diepte al zijn opgemerkt en verwijderd. Dit laatste leidt ertoe dat het niet waarschijnlijk is dat vanwege een militair object munitieresten zijn achtergebleven in het land, zodat het als niet verdacht van explosieven kan worden bestempeld. Geconcludeerd wordt dat geen aanvullend onderzoek naar explosieven uit de Tweede Wereldoorlog nodig is. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

35

Puurveen-Zuid

5.2.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

Afbeelding 5.3: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Laagland Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (rapport 684, november 2021, versie 2) welke als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd. Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen omdat uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de bodem tot in de C-horizont is verstoord. Ook wijst het booronderzoek uit dat er weinig dekzandreliëf in het plangebied over is. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt daarom laag geacht. Het bevoegd gezag (de gemeente Barneveld) stemt, gelet op het door de regioarcheoloog uitgebrachte advies, in met deze conclusie. Walhuisweg 10 Voor de ontwikkeling aan de Walhuisweg 10 heeft apart onderzoek plaatsgevonden (Laagland Archeologie Rapport 1158, juni 2023, versie 2, zie Bijlage 4). Geconcludeerd wordt dat het gebied vrijgegeven kan worden voor het aspect archeologie. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE) verplicht. Puurveenseweg 28 De locatie heeft een lage archeologische verwachting.

Her onderzoek van Laagland Archeologie (zie hiervoor) wees uit dat vrijwel overal de oorspronkelijke podzolbodem is verdwenen. De kans dat nog intacte resten aanwezig zijn is erg klein. Daardoor is nader onderzoek niet nodig. 5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. In het plangebied is een rijksmonument, de Puurveense molen aanwezig. In de directe omgeving van de molen wordt een nieuw gebouw mogelijk gemaakt. De monumentencommissie behandelde het plan op 13 april 2023. De commissie was ingenomen met het zorgvuldige ontwerpproces en is positief over de voorgestelde uitbreiding. Wel ziet zij graag een uitgewerkt plan tegemoet. 36

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

Er wordt bebouwing gerealiseerd binnen de zogenaamde molenbiotoop. Het behoud van de windvang heeft bij een oude molen een directe relatie met het behoud van cultuurhistorische waarde. Een molen is een machine en deze moet in werking blijven om te kunnen voortbestaan. Molenbiotoop Een maalvaardige molen en een enthousiaste molenaar alleen zijn niet voldoende om een molen te laten functioneren. Het werktuig stelt ook eisen aan zijn omgeving: er moet wind zijn om de wieken in beweging te kunnen zetten. In 1973 werd om dit omgevingselement aan te duiden het begrip 'molenbiotoop' geïntroduceerd. De molenbiotoop heeft betrekking op de hele omgeving van een molen, voor zover die van invloed is op het functioneren van die molen als maalwerktuig én als monument. Het plangebied is gelegen in de molenbiotoop van de molen de Puurveense molen, gelegen aan de Walhuisweg 2 in Kootwijkerbroek. Een tweede aspect van de molenbiotoop heeft te maken met de belevingswaarde. Molens zijn een belangrijk element in het landschap of stedelijk gebied en hebben vaak te maken met de ontstaansgeschiedenis van de omgeving. Omdat molens wind moesten kunnen vangen, stonden ze in een open landschap of staken ze in ieder geval uit boven hun omgeving. Die voor molens kenmerkende situatie moet zoveel mogelijk worden bewaard, willen de werktuigen volledig tot hun recht komen.

Met andere woorden: molens horen in het zicht te staan. Gebouwen en bomen kunnen de molenbiotoop aantasten. Als dat het geval is, blijken molens zeer belangrijke herkenningspunten in een gebied te zijn. Een molenbiotoop heeft een bepaalde straal, die bepaald wordt door te kijken tot waar invloed van de molenbiotoop is te verwachten op basis van de daarvoor gestelde regels en toegestane bouwhoogten. Deze hoogte mag niet hoger zijn dan: a. binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen; b. buiten een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/50 van de afstand tussen het bouwwerk en de 100 m zone vanaf de molen. Daarnaast is onder meer bepaald dat niet zonder vergunning bomen, heesters en andere opgaande beplantingen binnen de molenbiotoop mogen worden geplant. Om de consequenties van Puurveen-Zuid op de windvang en molenbiotoop inzichtelijk te maken, is hier onderzoek naar uitgevoerd. Dit onderzoek (De Hollandsche Molen, 2021-1069A/4-1-2022 - Molenbiotoop Puurveense Molen woonwijk te Kootwijkerbroek gem. Barneveld) is als Bijlage 13 bij deze toelichting gevoegd. De kortste afstand tussen de Puurveense Molen en de nieuwbouwwoningen bedraagt circa 48 meter. De stellinghoogte bedraag 9,5 meter +NAP bij een maaiveldhoogte van 17,5 meter +NAP.

De maximaal toegestane bouwhoogte is dan 27,0 meter +NAP. Als het plangebied is afgewerkt, bedraagt de hoogte van de weg tussen de 16,65 en 16,95 meter +NAP. Deze hoogte is volgens de definitie van Peil bepalend voor de toegestane bouwhoogte. De in het plan bij recht toegestane bouwhoogte is bepaald aan de hand van de hoogste NAP-hoogte. Hierdoor bedraagt de bouwhoogte (bij recht) in het volledige plangebied maximaal 10 meter. Een eventuele grotere hoogte is slechts mogelijk middels een binnenplanse afwijking. Daarbij is de bepaling opgenomen dat de molenbiotoop in acht moet worden genomen. Om dit te borgen is in artikel 16.3 de 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' overgenomen. De onderstaande afbeelding geeft het bovenstaande visueel weer.

Afbeelding 5.4: Overzicht molenbiotoop "Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

37

Puurveen-Zuid

De uitbreiding van de molen zelf ligt tegen de molen aan maar blijft met een hoogte van maximaal 6 meter ruim onder de stellinghoogte van 9,5 meter. De uitbreiding levert dus geen beperkingen op. In het volledige plangebied worden geen bomen of groen aangeplant waarvan te verwachten is dat deze hoger groeien dan de toegestane hoogte. 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als 'enigszins regelmatig ingedeelde broeken' met een basiswaardering. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd.

38

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

Afbeelding 5.5: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000- gebied Veluwe Stikstof Voor de ontwikkeling is een AERIUS berekening uitgevoerd (Memo voortoets stikstof, Buro Ontwerp & Omgeving, 22-03-2024, projectnummer 3407.02) van de aangevraagde situatie. Deze is als Bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Resultaat van de AERIUS berekeningen is dat er in de gebruiksfase (woningen) sprake is van een stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jr. In de huidige (referentie) situatie is sprake van landbouwgrond dat in gebruik is. Door bemesting blijkt uit de berekeningen dat sprake is van een depositie van 0,07 mol N/ha/jr. Conclusie is dat er geen sprake is een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr op stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Econsultancy, 11 mei 2023, rapport 16882.004, versie D1), zie Bijlage 15. Conclusie van dit onderzoek is dat nader onderzoek nodig is naar de functie van het plangebied als essentieel leefgebied van steenuil en kerkuil. Voor de aanwezige algemene broedvogels geldt dat, indien nesten en groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden "Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

39

Puurveen-Zuid mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Voor de te verwachten soorten geldt de zorgplicht. Het is noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanvullend onderzoek steen- en kerkuil Naar aanleiding van de conclusies uit de natuurtoets heeft nader onderzoek plaats gevonden naar de functie van het plangebied als essentieel leefgebied voor de steenuil en kerkuil (Econsultancy, 8 juni 2023 rapport 16882.002, versie D2) welke als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Conclusie is dat bij de voorgenomen ingreep geen sprake is van verlies van essentieel leefgebied van de steenuil. De schuur aan de zuidwestkant van het plangebied is niet in gebruik door de kerkuil en heeft geen beschermde functie voor de soort. Er zijn als zodanig geen beschermde functies voor steenuil of kerkuil aanwezig op het plangebied. Er zijn dan ook geen aanvullende maatregelen ten aanzien van de kerkuil of steenuil noodzakelijk. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode.

Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Er is geen sprake van houopstanden binnen het plangebied. Een herplantplicht is niet aan de orde 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.). Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO . Conclusie Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vormen geen belemmering voor het plan.

40

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve wel/geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

41

Puurveen-Zuid

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Ten behoeve van de ontwikkeling heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden (Buro Ontwerp & Omgeving, 12 mei 2023, projectnummer 3407.02). Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting, ten gevolge van het verkeer op de Puurveenseweg maximaal 58 dB bedraagt. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale ontheffing van 63 dB. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde).

Om de betreffende negen woningen te kunnen realiseren zal de gemeente Barneveld hogere waarden tot 58 dB, vanwege het wegverkeerslawaai vaststellen en vastleggen in het kadaster. Hierbij wordt opgemerkt dat voldaan wordt aan alle voorwaarden, die de gemeente Barneveld stelt aan de verlening van hogere waarden voor nieuwbouw. Conclusie Het ontwerp van het besluit om de hogere waarden vast te stellen wordt tegelijkertijd met het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegd Het aspect geluid is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor 42

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Aan de Puurveenseweg 16 is een intensieve veehouderij gelegen. Deze ligt op bijna 300 meter zodat deze geen beperkingen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Beoordeling Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen: 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 134woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? "Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

43

Puurveen-Zuid

Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Puurveen-Zuid' kent thans een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 134 woningen mogelijk. Op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens.

Het is niet in strijd met art. 3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Regionale bouwafspraken zijn vastgelegd in de regionale notitie 'advies toedeling woningbehoefte regio FoodValley' (okt. 2017, tabel 2). Deze is als zodanig overgenomen in het uitvoeringsplan Regionale Woonagenda 2.0, regio FoodValley (jan 2018). Het provinciale Aktieplan Wonen streeft om in Gelderland versneld tot woningbouw over te gaan en in komende 5 jaar de bouw van 45.000 woningen in de hele provincie te realiseren. Tot 2030 wil de provincie zo'n 80.000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd zien. Daarnaast lopen er de regionale (verstedelijkings-)studies in regio Amersfoort (Ontwikkelbeeld) en regio FoodValley/Arnhem/Nijmegen (ANF) met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van deze regio's. Voor FoodValley staat tot 2040 een gewenste uitbreiding van 40.000 woningen genoemd, voor regio Amersfoort circa 36.000 woningen. De behoefte is mede onderbouwd op basis van een onderzoek van STEC (Woningbehoefte regio FoodValley, september 2020).

In de gemeentelijke Hoofdlijnennotitie (vastgesteld 7 juli 2021), wordt aan de hand van verschillende groeiscenario's nader ingegaan op de mogelijke koers van gemeente Barneveld, mede in relatie tot deze regionale ruimtelijke verkenningen. Het advies hierin is om te koersen op een woningbouwprogramma van 8.000 tot 10.000 woningen in de periode tot 2040. Dit komt eveneens uit op een groei met gemiddeld 500 woningen per jaar. Met als speciaal accent dat meer aandacht voor de bouw in de kleinere kernen is gevraagd, 'de kracht van de kernen', mede in verband met het willen versterken van de leefbaarheid in deze kernen. Kootwijkerbroek is de 3e grootste kern van de gemeente Barneveld. Puurveen-Zuid biedt na Oostbroek I ruimte om gefaseerd woningen toe te voegen aan het dorp. In de in maart 2021 vastgestelde Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud', is de koers van de bouw van gemiddeld 500 woningen per jaar vastgesteld. Daarbij is ook een streefprogramma opgenomen, dat voorziet in een gewenste differentiatie naar huur- en koopprijsklassen. Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld.

Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de gemeentelijke woonvisie geresulteerd in het volgende streefprogramma voor de periode 2021-2025:

44

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

*) exclusief onzelfstandige woonruimten (zoals studentenkamers, woonruimten arbeidsmigranten, flex woonruimten voor spoedzoekers, intramurale verpleegplaatsen). Afbeelding 5.6: Streefprogramma nieuwbouw 2021-2025 Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het bovenstaande streefprogramma. Per deelgebied kan er worden afgeweken van het streefprogramma in de woonvisie, maar overall wordt dit programma bewaakt. Het concrete woningbouwprogramma is opgenomen in § 4.6.8. Het programma kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gebied grenst echter direct aan de bestaande bebouwing in de kern Kootwijkerbroek. 5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van 134 woningen door middel van inbreiding binnen de kern Kootwijkerbroek ligt niet voor de hand. De kern Kootwijkerbroek is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig gerealiseerd. Derhalve kent Kootwijkerbroek weinig herstructurering en weinig (beschikbare) functieveranderingslocaties binnen de kern. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed. De kern kan derhalve enkel worden uitgebreid buiten bestaand stedelijk gebied. Onderhavige locatie wordt daarbij als geschikt aangemerkt, aangezien het aansluit op de kern en in de nabijheid van bestaande voorzieningen ligt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor onderhavig plan. "Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

45

Puurveen-Zuid

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan betreft de bouw van 134 woningen. In het kader van luchtkwaliteit betreft het een kleinschalig ontwikkeling die vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van dergelijke ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Als gekeken wordt naar de luchtkwaliteit ter plaatse, is sprake van een voldoende woon- en leefklimaat. Dit gelet op de heersende achtergrondconcentraties van de stoffen NO2, PM10 en PM2,5. Deze liggen alle vier (ruim) onder de grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden.

46

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 134 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op 21 mei 2024 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als Bijlage 11 opgenomen.

Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie § 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r.

(en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

47

Puurveen-Zuid

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader is door buro ontwerp & omgeving een quickscan opgesteld waarin gekeken is naar de in de omgeving aanwezige bedrijven (gedateerd 01-02-2022, projectnummer 3407.02), zie Bijlage 14.

In deze quickscan is gekeken naar de volgende bedrijven: Bestemming 'Bedrijf - 1' specifieke vorm van bedrijf - machine- en apparatenfabriek, Essenerweg 48 Duits Dakgoten BV, Essenerweg 66 Bestemming ‘Bedrijf – Niet agrarisch’ functieaanduiding opslag, Puurveenseweg 29-31 Bestemming 'Bedrijf - 1 ' met maximaal bedrijfsactiviteiten uit categorie 2, Puurveenseweg 33 Bestemming 'Bedrijf - 1 ' met maximaal bedrijfsactiviteiten uit categorie 2, Puurveenseweg 35 Altivello, Puurveenseweg 47 Van Hierden Holding B.V., Puurveenseweg 8 Bestemming 'Bedrijf - 1 ' specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf = 2.000 m2, De Spil 37-39 Loodgietersbedrijf Dekker - Bestemming 'Bedrijf - 1 ' ,Walhuisweg 1/Essenerweg 50 Jan Hoekman Tapijten en Carpetten, Walhuisweg 10 Agraservice Kootwijkerbroek, Walhuisweg 3 Geconcludeerd wordt dat het merendeel van de omliggende functies voldoen aan de richtafstanden. Bij drie functies is dit niet het geval. Er kan een afstandsstapsverkleining worden toegepast omdat de omgeving als een ‘gemengd gebied’ kan worden gezien. Met de afstandsstapsverkleining voldoen de percelen aan de Essenerweg 48 en de Puurveenseweg 29-31 wel aan de aanbevolen richtafstanden. Voor de functie aan de Puurveenseweg 47 wordt met de afstandsstapsverkleining niet voldaan aan de aanbevolen richtafstand.

Dit bedrijf wordt echter al beperkt door andere hindergevoelige functies (woningen) die dichter bij het bedrijf liggen zodat het bedrijf geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. Liander heeft op 9 januari 2024 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

In het eerste stedenbouwkundig ontwerp (zie Bijlage 16) is een analyse van het plangebied opgenomen. Duidelijk is dat het gebied agrarische in gebruik is met slechts langs de randen wat groen.

48

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

Afbeelding 5.7: Huidige gebruik De hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan is geïnspireerd op de ondergrond van het gebied en de geschiedenis van Kootwijkerbroek. In het noord oosten is het deelgebied 'kampenlandschap' gelegen. De rest van het plangebied valt onder het deelgebied 'broek- en heideontginningslandschap'. Beide deelgebieden hebben een eigen sfeer. De hoofdgroenstructuur is gebaseerd op de aanwezige structuurlijnen. Daar waar deze lijnen elkaar kruisen en waar de richtingen veranderen, ontstaan onregelmatig gevormde ruimten die met elkaar verbonden zijn en samen het groene hart van de wijk vormen. In deze groene ruimten wordt ook regenwater opgevangen en gebufferd.

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

49

Puurveen-Zuid

Afbeelding 5.8: Groenstructuur In het beeldkwaliteitsplan (zie Bijlage 5) wordt ook ingegaan op het beoogde groen. Zo bevat het suggesties van groen dat op de overgang van privé naar openbaar kan worden geplaatst (onder andere venijnboom, meidoorn, en liguster). Belangrijker is echter het groen binnen de openbare ruimte. Zoals uit de afbeelding hierboven blijkt, wordt er onderscheidt gemaakt in verschillende structuren. Deze zijn nader uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan en vormen de basis voor de door de gemeente in te richten openbare ruimte. zo worden onder andere accentbomen en erfbomen geplant. Ook wordt langs de Puurveenseweg aan de noordzijde de in het Groenstructuurplan Barneveld beoogde wegbegeleidende bomenrij gerealiseerd. Tot slot vormt natuurinclusief 'bouwen' het uitgangspunt bij de groene inrichting. Dit omvat onder andere het zoveel mogelijk toepassen van inheemse soorten, het gebruik van ecologisch waardevolle bomen en de aanplant van lijnvormige structuren zodat routes en verbindingen ontstaan. Walhuisweg 10 50

"Puurveen-Zuid" (vastgesteld)

Puurveen-Zuid

Ten behoeve van de andere ruimtelijke ontwikkeling aan de Walhuisweg 10 is een boom effect analyse uitgevoerd, zie Bijlage 9. Dit omdat de ontwikkeling ten koste gaat van een aantal bomen. Zo dient er drie boom gekapt te worden omdat daar nieuwbouw of een oprit is gepland. Daarnaast krijgen een aantal bomen te maken met graafwerkzaamheden op (zeer) korte afstand zodat deze ook niet duurzaam te behouden zijn zonder een ingrijpende aanpassing van het ontwerp. Bij de verdere uitwerking van deze ontwikkeling moet, indien mogelijk, een minimale graafafstand gehandhaafd worden. De vier bomen die niet duurzaam zijn in te passen worden gecompenseerd in het plangebied van de totale ontwikkeling. Conclusie Vanuit natuur en landschap zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.13

Veiligheid en gezondheid

Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=d64c6df9-7ac4-4a5d-9c9a-e4a901a2f041