CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Postweg VII_Toelichting_Bijlage 8 Aanmeldingsnotitie mer

Gemeenteraad 27 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Postweg VII, De Glind26.664 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapport 22200014.r02 Postweg 63 in De Glind Aanmeldnotitie m.e.r.

www.SPAWNP.nl

BOUW - MILIEU - RUIMTE

Rapport 22200014.r02 Postweg 63 in De Glind Aanmeldnotitie m.e.r.

Datum: 29 april 2022

Vereniging Ecowonen Midden Nederland Mevrouw M. Snijders Brummelstraat 2 6971 AX BRUMMEN boerderij59@gmail.com

Auteur/adviseur: De heer ing. M. de Witte Mevrouw ing. N. Jacobs

Goedgekeurd: De heer ing. L.F.A. Theuws

Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110

info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015

| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01

DENKKRACHT

IN

Opdrachtgever:

SPA WNP ingenieurs

22200014.r02

INHOUD

PAGINA

1.

INLEIDING 1.1 Gegevens initiatiefnemer 1.2 Aanleiding 1.3 Situering 1.4 Besluit milieueffectrapportage 1.5 Wat is een m.e.r. beoordelingsplicht? 1.6 Doel en belang aanmeldingsnotitie 1.7 Procedure

3 3 3 3 4 4 4 6

2.

KENMERKEN VAN HET PROJECT 7 2.1 Omvang en het ontwerp van het project 7 2.2 Cumulatie met andere bestaande projecten en/of goedgekeurde projecten 7 2.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen 8 2.4 Verontreiniging en hinder 8 2.5 Risico van zware ongevallen en/of rampen 10 2.6 Risico’s voor de menselijke gezondheid 10 2.7 Conclusie kenmerken van het project 10

3.

LOCATIE VAN HET PROJECT 3.1 Bestaand en goedgekeurd landgebruik 3.2 Relatieve rijkdom aan en aan en beschikbaarheid, regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen 3.3 Opnamevermogen van het natuurlijke milieu 3.4 Cultuurhistorie en archeologie 3.5 Conclusies locatie van het project

kwaliteit

11 11 en 11 11 11 12

4.

SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT 12 4.1 De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten 12 4.2 De aard van het effect 12 4.3 Grensoverschrijdende karakter van het effect 12 4.4 Intensiteit en complexiteit van het effect 12 4.5 Waarschijnlijkheid van het effect 12 4.6 Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect 12 4.7 Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten 13 4.8 Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen 13 4.9 Conclusie kenmerken van het potentiële effect 13

5.

CONCLUSIE

13

BIJLAGEN 1 Bodemonderzoek 2 Ecologisch onderzoek 3 Archeologisch onderzoek Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.

Pagina 2

SPA WNP ingenieurs

1.

INLEIDING

1.1

Gegevens initiatiefnemer

1.2

22200014.r02

Initiatiefnemer:

Vereniging Ecowonen Midden Nederland

Adres:

Postweg 63 3794 MK DE GLIND

Kadastrale gemeente:

Barneveld

Kadastrale sectie en percelen:

F: 1694

Contactpersoon:

Mevrouw M. Snijders

E-mail:

boerderij59@gmail.com

Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om 31 woningen en een gemeenschappelijk gebouw te realiseren op de locatie Postweg 63 in De Glind, gemeente Barneveld. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling heeft het bevoegd gezag verzocht om een aanmeldnotitie m.e.r. in het kader van het Besluit milieueffectrapportage op te stellen.

1.3

Situering Het plangebied ligt aan de zuidkant van de kern De Glind en bevindt zich ten zuiden van de Postweg 63. In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Afbeelding 1: Situering ontwikkeling (geel omlijnd)

Pagina 3

SPA WNP ingenieurs

1.4

22200014.r02

Besluit milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Er is sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht, wanneer het te realiseren project wordt genoemd in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer: 1. activiteiten waarvoor de m.e.r.-plicht geldt (bijlage, onderdeel C); 2. activiteiten waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (bijlage, onderdeel D). Daarnaast dient, ook bij activiteiten onder de drempelwaarden uit onderdeel D, getoetst te worden of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Dit betreft de zogenoemde m.e.r. beoordeling. De voorgenomen activiteiten aan de Postweg 63 in De Glind vallen onder de volgende categorie(ën) van het Besluit m.e.r.: Categorie

Activiteiten

Drempelwaarde

D.11.2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject

2.000 woningen

De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt 2.000 woningen of meer. De ontwikkeling blijft met het voorziene aantal van 31 woningen ruim onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D, waardoor een aanmeldingsnotitie opgesteld dient te worden. 1.5

Wat is een m.e.r. beoordelingsplicht? Voor activiteiten, waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.,) moet het bevoegd gezag beoordelen of er een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Deze verplichting is in de Wet milieubeheer (Wm, artikel 7.2 lid 4) omschreven. Bij de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, met name gelet op de aard, omvang, ligging en effecten van het project. Het opstellen van een milieueffectrapport is alleen noodzakelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De bijzondere omstandigheden, waaronder de activiteit wordt ondernomen, kunnen betrekking hebben op: · de kenmerken van de voorgenomen activiteit (aard en omvang); · de plaats van de voorgenomen activiteit; · de kenmerken van de belangrijkste nadelige gevolgen (reikwijdte).

1.6

Doel en belang aanmeldingsnotitie In deze notitie wordt de informatie gegeven op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen, of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het noodzakelijk maken om een milieueffectrapport op te stellen. Hierin zijn alle ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan gewijzigde activiteiten betrokken, om een volledige toetsing mogelijk te maken. Een en ander is uiteraard onderzocht in relatie tot eventuele cumulatie met andere projecten in de omgeving.

Pagina 4

SPA WNP ingenieurs

22200014.r02

De aanmeldingsnotitie geeft de milieugevolgen aan die kunnen ontstaan als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Hierbij moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU en de wijzigingsrichtlijn 2014/52/EU. Deze volgende criteria zijn in de hoofdstukken 2, 3 en 4 per paragraaf uitgewerkt: 1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder het volgende in overweging worden genomen: · de omvang en het ontwerp van het gehele project; · de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; · het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; · de productie van afvalstoffen; · de verontreiniging en hinder; · het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; · de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2.

Locatie van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: · het bestaande grondgebruik; · de relatieve rijkdom aan, alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; · het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: · wetlands; · kustgebieden; · berg- en bosgebieden; · reservaten en natuurparken; · gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); · gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; · gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; · landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.

Kenmerken van het potentiële effect Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project met inachtneming van: · de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); · de aard van het effect; · het grensoverschrijdend karakter van het effect;

Pagina 5

SPA WNP ingenieurs

· · · · 1.7

22200014.r02

de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

Procedure Het bevoegd gezag wordt gevormd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld. De beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt plaats nadat het bevoegd gezag de aanmeldingsnotitie heeft ontvangen. De initiatiefnemer maakt met het indienen van de aanmeldingsnotitie aan het bevoegd gezag kenbaar, in hoeverre het opstellen van een milieueffectrapport naar haar mening in dit geval noodzakelijk is en op grond waarvan bevoegd gezag haar m.e.r. beoordelingsbesluit baseert.

Pagina 6

SPA WNP ingenieurs

2.

KENMERKEN VAN HET PROJECT

2.1

Omvang en het ontwerp van het project

22200014.r02

De voorgenomen activiteit betreft het realiseren van 31 woningen en een gemeenschappelijk gebouw aan de Postweg 63 in De Glind. Het plangebied bevindt zich ter plaatse van het voormalige voetbalterrein van S.V. De Glind en is circa1,4 hectare groot. Hiernaast zal een parkeerterrein worden gerealiseerd voor de bewoners. Het bestaande clubgebouw van S.V. De Glind wordt voorafgaand aan de ontwikkeling gesloopt. Afbeelding 2: Voorgenomen ontwikkeling

2.2

Cumulatie met andere bestaande projecten en/of goedgekeurde projecten Cumulatie met andere projecten in de nabijheid van het plangebied is niet aan de orde. Er zijn ten tijde van deze notitie geen andere ontwikkelingen in de omgeving.

Pagina 7

SPA WNP ingenieurs

2.3

22200014.r02

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de woningen. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen als energie, water en grondstoffen. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen hiervan zijn dusdanig beperkt van omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Door het gebruik van duurzame energie, wordt tijdens de gebruiksfase het gebruik van natuurlijke hulpbronnen beperkt. Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport.

2.4

Verontreiniging en hinder Algemeen Op basis van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG kan vooraf een inschatting worden gemaakt van de te verwachten milieuhinder. Deze wordt in de handreiking uitgedrukt in minimale richtafstanden tot gevoelige objecten, zoals woningen. Voor woningen gelden geen richtafstanden en is geen verontreiniging en hinder te verwachten. Geluid Door de ontwikkeling ontstaat geen relevante geluidhinder naar de omgeving. Ten opzichte van de bestaande sportfunctie is een verbetering van de geluidbelasting naar de omgeving te verwachten. Hoogstens de verkeersaantrekkende werking van het plan (zie paragraaf ‘verkeer- en vervoer’) leidt tot een geluidbelasting. Trillingen Tijdens de bouw van de woningen kunnen trillingen ontstaan. Gezien de omgeving van het plan leiden trillingen als gevolg van de bouw niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geur Er vinden bij de voorgenomen activiteiten in de bouw- en gebruiksfase geen relevante geurveroorzakende werkzaamheden plaats. Lucht De realisatie van circa 31 woningen valt ruim binnen de grenzen van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM. De verandering van de luchtkwaliteit blijft dan ook ruim onder de waarden uit de NIBM. Volledigheidshalve is in afbeelding 3 de uitgevoerde NIBM toets weergegeven.

Op basis van voorgaande, is er geen aanleiding om dit aspect nader te laten onderzoeken in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport.

Pagina 8

SPA WNP ingenieurs

22200014.r02

Afbeelding 3: NIBM toets

Bodem(kwaliteit) Tijdens de bouw van de woningen worden geen bodemvervuilende materialen gebruikt. Er worden bodembeschermende maatregelen genomen bij gebruik van (eventuele) bodembedreigende stoffen. Uit het ter plaatse uitgevoerde verkennend en nader bodemonderzoek (bijlage 1) blijkt dat het terrein tijdens het voormalige gebruik (<1987) verontreinigd is geraakt. Het plangebied is in milieuhygiënisch opzicht geschikt voor het beoogde gebruik, met uitzondering van het zuidwestelijke deel. Voor dit deel wordt geadviseerd om de sterk verhoogde concentraties met zink te saneren. Met inachtneming van de bevindingen in het nadere onderzoek en eventuele sanering, bestaan er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw. (Afval)water Tijdens de bouw van het plan wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Als gevolg van het plan ontstaat geen bedrijfsafvalwater, er is alleen sprake van huishoudelijk afvalwater. Met de voorgenomen ontwikkeling is er een toename aan verhard oppervlak. Dit wordt gecompenseerd door het plangebied overmatig groen te houden en door halfverharding als bestrating te gebruiken. Energie Tijdens de bouw van het woningbouwplan wordt vanzelfsprekend energie gebruikt. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. In de gebruiksfase wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van duurzame energie.

De woningen worden niet aangesloten op het aardgasnetwerk.

Pagina 9

SPA WNP ingenieurs

22200014.r02

Verkeer en vervoer Voor het bepalen van eventuele hinder door de verkeersaantrekkende werking is een berekening uitgevoerd voor de toekomstige situatie. De berekening is uitgevoerd op basis van de CROW publicatie 381. Tabel 1: Verkeersbewegingen beoogde situatie Beoogde ontwikkeling Hoofdgroep

Wonen

Type

Koop, huis, tussen/hoek

Aantal

31

Ligging in de gemeente

Rest bebouwde kom

Verkeersgeneratie per woning

7,8

Motorvoertuigbewegingen

242 (31*7,8)

Uit de resultaten van de CROW rekentool blijkt, dat er per gemiddelde weekdag in de toekomstige situatie sprake is van 242 motorvoertuigbewegingen. Dit aantal wordt opgevangen in het heersende verkeersbeeld, is niet in betekende mate en leidt niet tot onevenredige milieuhinderhinder. 2.5

Risico van zware ongevallen en/of rampen Met de ontwikkeling wordt geen Bevi-inrichting gerealiseerd. Zware ongevallen of rampen zijn door de ontwikkeling niet te verwachten. Het plaatsgebonden- en groepsrisico vormt om die reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

2.6

Risico’s voor de menselijke gezondheid De risico’s voor de menselijke gezondheid als gevolg van de voorgenomen activiteit, zijn van beperkte omvang. De ontwikkeling betreft als bovenstaand uiteengezet, geen risicovolle inrichting. Bij een ongeval als brand ontstaan naast ‘reguliere’ rookgassen, geen (zeer) gevaarlijke verbrandingsproducten die de gezondheid van omwonenden in gevaar kan brengen. De normale voorzorgsmaatregelen (ramen en deuren van woningen dicht) zijn afdoende ter bescherming van de gezondheid.

2.7

Conclusie kenmerken van het project Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de referentiesituatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden uitgesloten dat het verschil tussen de milieueffecten van het nieuwe plan en de milieueffecten van de referentiesituatie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Pagina 10

SPA WNP ingenieurs

3.

LOCATIE VAN HET PROJECT

3.1

Bestaand en goedgekeurd landgebruik

22200014.r02

Het bestaande grondgebruik bestaat uit een sportveld van voetbalvereniging S.V. De Glind. Naast de sportvelden staat een klein clubgebouw welke gesloopt wordt. 3.2

Relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Omdat het gehele plangebied een sportveld betreft, is geen sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de provinciale groene contour. Dit aspect is in dezen daarom ook niet relevant.

3.3

Opnamevermogen van het natuurlijke milieu Wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden Doordat in de directe omgeving van het plangebied geen wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden zijn, is er geen sprake van invloed op het opnamevermogen. Natuurreservaten- en parken, vogel- en habitatrichtlijnen Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Veluwe) bevindt zich op ongeveer 8,8 kilometer ten oosten van het plangebied. Wegens deze grote afstand vindt de gemeente Barneveld het onnodig om hiervoor een stikstofberekening uit te voeren. Uit ecologisch onderzoek (bijlage 2) blijkt dat tijdens de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met algemene broedvogels, vleermuizen en algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Nader onderzoek is niet benodigd. Met inachtneming van de adviezen uit het onderzoek voor de uitvoeringsfase, wordt opnamevermogen van het natuurlijk milieu voorkomen. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Het gebied is gelegen in een landelijk gebied waarbij sprake is van een lage bevolkingsdichtheid. Er is geen invloed op het opnamevermogen van het gebied.

3.4

Cultuurhistorie en archeologie Het plangebied bevindt zich op een bestaand sportveld. Zoals aangegeven binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Zwartebroek – Terschuur – De Glind’ is het plangebied en de omgeving aangemerkt met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’. Ten behoeve van het beoogde initiatief is een onderzoek archeologie uitgevoerd. Uit het archeologisch onderzoek (bijlage 3) blijkt dat de hoge verwachting voor archeologische vondsten uit de jagers-verzamelaars periode wordt gehandhaafd. Wegens de blijvende hoge verwachting wordt nader onderzoek geadviseerd. Uit dit onderzoek wordt de bodem verder en specifieker onderzocht. Met inachtneming van nader uit te voeren onderzoek bestaat er voor archeologie geen bezwaar voor de voorgenomen nieuwbouw.

Pagina 11

SPA WNP ingenieurs

3.5

22200014.r02

Conclusies locatie van het project De realisatie van het project heeft geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied ‘Veluwe’ en/of invloed op waardevolle structuren of elementen in het gebied, met inachtneming van het advies voor nader archeologisch onderzoek. Door het treffen van diverse maatregelen is de invloed van het project op de omgeving zeer gering.

4.

SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT

4.1

De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten Het bereik van deze milieuaspecten (geografisch en naar grootte van de bevolking gemeten) is lokaal van aard en beperkt. De effecten zijn van een gangbare omvang. Er is geen aanleiding het bereik van het effect in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport nader te onderzoeken.

4.2

De aard van het effect De aard van de effecten zijn in het voorgaande omschreven en zijn zodanig gering dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uit te sluiten. In een nader onderzoek naar de aard van de effecten in het kader van een milieueffectrapport, zien wij geen toegevoegde waarde.

4.3

Grensoverschrijdende karakter van het effect Gezien de ligging van de inrichting en de effectafstanden is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter.

4.4

Intensiteit en complexiteit van het effect Voor zover beoordeeld kan worden zijn er geen complexe, onoverzichtelijke effecten te verwachten. De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen.

4.5

Waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk. De effecten tijdens de realisatiefase zijn tijdelijk van aard. De andere effecten treden op bij het gebruik van de woningen en de daarbij gepaard gaande verkeersgeneratie. Deze effecten zijn niet onomkeerbaar, maar wel marginaal.

4.6

Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De initiatiefnemer is voornemens in 2023 te starten met het bouwen van de woningen. Na oplevering worden de woningen voor onbepaalde tijd in gebruik genomen.

Pagina 12

SPA WNP ingenieurs

4.7

22200014.r02

Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Er is geen relevante bijdrage van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ te verwachten, ook in cumulatie met andere projecten. Met de ontwikkeling is geen sprake van cumulatie van belangrijke nadelige effecten met overige in de omgeving milieubelastende activiteiten/projecten.

4.8

Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Zoals beschreven zijn de verwachte effecten (verkeer, geluid, luchtkwaliteit) verwaarloosbaar. Voor de aangetroffen beschermde soorten is een vergunning Wet natuurbescherming verkregen en worden mitigerende maatregelen getroffen. Er is geen aanleiding mogelijkheden te onderzoeken om effecten doeltreffend te verminderen.

4.9

Conclusie kenmerken van het potentiële effect Uit de hiervoor genoemde kenmerken en effecten, waaronder de diverse genoemde onderzoeken in het kader van het bestemmingsplan, kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van het voorgenomen plan geen effecten zijn die belangrijke nadelige gevolgen op de omgeving hebben.

5.

CONCLUSIE Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de huidige situatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden gesteld dat het verschil tussen de milieueffecten van de beoogde situatie en de milieueffecten van de huidige situatie geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Er zijn geen essentiële milieueffecten die door middel van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. Er is derhalve geen m.e.r.procedure noodzakelijk.

SPA WNP ingenieurs

Pagina 13

BIJLAGEN

SPA WNP ingenieurs

BOOT organiserend ingenieursburo bv. Alle opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig de AV-BOOT 2018.

22200014 Bijlage 1.1

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.2

Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en nader bodemonderzoek conform NTA 5755 LOCATIE

De Glind Postweg 63 KADASTRALE GEMEENTE

Barneveld SECTIE

OPDRACHTGEVER

F, NUMMER 1419

Vereniging tot Verzorging van Kinderen De Rudolphstichting Rudolphlaan 2 3794 MZ De Glind

DATUM

25 mei 2021

DOCUMENTNUMMER

P21-0108-013

OPGESTELD DOOR

dhr. T. Rhijnsburger

GEAUTORISEERD

ing. C.H.J. Prudon

PROJECTLEIDER

ing. C.H.J. Prudon

GEZIEN

BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal WEBSITE

www.buroboot.nl

E-MAIL

info@buroboot.nl

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.3

Titelpagina Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740

SOORT ONDERZOEK

Nader bodemonderzoek conform NTA 5755 ONDERZOEKSLOCATIE

Postweg 63, De Glind

OPDRACHTGEVER

Vereniging tot Verzorging van Kinderen De Rudolphstichting Rudolphlaan 2 3794 MZ De Glind Telefoon: 0342-459010 Fax: 0342-459019

CONTACTPERSOON

dhr. G. de Jong

UITGEVOERD DOOR

BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal

CONTACTPERSOON

ing. C.H.J. Prudon

DATUM VOORONDERZOEK

februari 2021

DATUM VELDWERK

18 maart en 16 april 2021

DATUM PEILBUISBEMONSTERING

25 maart 2021

VELDWERK DOOR

dhr. J.H.J. Janssen van Doorn dhr. J.H.J. ten Dam

2001/2002

PROJECT

2 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.4

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ............................................................................................................................................ 5 1.1

AANLEIDING ....................................................................................................... 5

1.2

DOELSTELLING .................................................................................................... 5

1.3

AFBAKENING ....................................................................................................... 5

1.4

LEESWIJZER ......................................................................................................... 6

2

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK............................................................................. 7 2.1

AANLEIDING EN ONDERZOEKSVRAGEN CONFORM NEN 5725 ....................................... 7

2.2

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................... 7

2.3

TERREINVERKENNING ............................................................................................ 8

2.4

BODEM EN GEOHYDROLOGIE................................................................................... 8

2.5

BESCHIKBARE DOSSIERINFORMATIE ONDERZOEKSLOCATIE ............................................. 9

2.6

BESCHIKBARE DOSSIERINFORMATIE DIRECTE OMGEVING .............................................. 11

2.7

CONCLUSIES VOORONDERZOEK EN HYPOTHESE ......................................................... 11

3

VELDWERKZAAMHEDEN VERKENNEND ONDERZOEK ............................................ 13 3.1

UITVOERING VELDWERK ....................................................................................... 13

3.2

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................. 13

3.3

NORMERING ..................................................................................................... 14

3.4

KWALITEITSBORGING .......................................................................................... 14

4

ONDERZOEKSRESULTATEN VERKENNEND ONDERZOEK...................................... 15 4.1

BODEMOPBOUW EN GRONDWATER ......................................................................... 15

4.2

VELDWAARNEMINGEN ......................................................................................... 15

4.3

LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING............................................................... 16

4.4

RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK ............................................................... 18

4.5

TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESE ....................................................................... 19

5

CONCEPTUEEL MODEL NADER ONDERZOEK .............................................................. 20

6

VELDWERKZAAMHEDEN NADER ONDERZOEK ........................................................... 22 6.1

UITVOERING VELDWERK ....................................................................................... 22

6.2

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................. 22

6.3

NORMERING ..................................................................................................... 23

6.4

KWALITEITSBORGING .......................................................................................... 23

7

ONDERZOEKSRESULTATEN NADER ONDERZOEK..................................................... 24 7.1

BODEMOPBOUW ................................................................................................. 24

7.2

VELDWAARNEMINGEN ......................................................................................... 24

7.3

LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING ............................................................... 25

7.4

RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK EN VELDONDERZOEK .................................... 27

7.5

INTERPRETATIE SANERINGSNOODZAAK EN SPOEDEISENDHEID ....................................... 28

7.6

INTERPRETATIE ONDERZOEKSVRAGEN CONCEPTUEEL MODEL ........................................ 28

8

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 30

PROJECT

3 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.5

BIJLAGEN A

: Topografische ligging : Situatietekening

B

: Beschrijving bodemopbouw

C

: Verklaring analysepakketten, analysecertificaten

D

: Analyse- en toetsresultaten

E

: Normering en certificering

F

: Verklaring onafhankelijkheid

G

: Gegevens vooronderzoek

H

: Toetstabel Geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS, d.d. 2 juli 2020

I

: Resultaten Sanscrit

PROJECT

4 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

1

22200014 Bijlage 1.6

Inleiding In opdracht van Vereniging tot Verzorging van Kinderen De Rudolphstichting is door BOOT organiserend ingenieursburo een verkennend en een nader bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het perceel aan de Postweg 63 in De Glind. De onderzoekslocatie heeft een grootte van circa 13.800 m². Een overzicht van de locatie is weergegeven in bijlage A, blad 2. Het onderzoek is uitgevoerd in drie fasen. In de eerste fase is een vooronderzoek (conform NEN 5725) uitgevoerd. Aan de hand hiervan is de onderzoeksstrategie bepaald. In de tweede fase is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. In de derde fase is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (conform NTA 5755). Het veldwerk is uitgevoerd onder erkenning van de BRL SIKB 2000. De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform AS 3000.

1.1

Aanleiding Aanleiding voor het verkennend vormt de voorgenomen verkoop van de locatie en de voorgenomen bestemmingsplanwijziging naar ‘wonen met tuin’. Naar aanleiding van de eerste resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek uitgevoerd.

1.2

Doelstelling Doel van het verkennend onderzoek is door middel van een aantal steekproeven na te gaan of er in de bodem componenten aanwezig zijn, in zodanige concentraties dat er een belemmering kan bestaan ten aanzien van het huidig en/of toekomstig gebruik, of dat er een bedreiging van de volksgezondheid kan optreden. Het nader onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging(en).

1.3

Afbakening Het uitgevoerde onderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek. Bij een verkennend onderzoek wordt middels vooronderzoek, bestaande uit een historisch onderzoek en terreininspectie, in beeld gebracht of en zo ja waar verontreinigingen worden verwacht. Op basis hiervan wordt een strategie opgesteld voor het veldwerk. Het veldwerk bestaat uit een aantal boringen, waarbij de visuele waarnemingen worden vastgelegd en een aantal representatieve mengmonsters worden samengesteld. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd of de verwachting uit het vooronderzoek juist is. Indien daartoe aanleiding is, dient aanvullend onderzoek te worden gedaan om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van een verontreiniging en wat de omvang daarvan is. Onderzoek naar asbest in bodem maakt geen deel uit van dit onderzoek (uitgevoerd conform de NEN 5740). Wel wordt bij uitvoering van het vooronderzoek (conform de NEN 5725) en veldonderzoek specifiek aandacht besteed aan asbest. Indien daartoe aanleiding is, zal geadviseerd worden hiertoe aanvullend onderzoek te verrichten.

PROJECT

5 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.7

Middels een verkennend onderzoek wordt beoordeeld of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en/of een verontreiniging wordt verwacht. Het vaststellen van de bodemkwaliteitsklasse van de bodem/bodemlagen voor toepassing elders maakt hiervan geen onderdeel uit. Het onderzoek is op een zorgvuldige wijze en door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. De betrouwbaarheid van het onderzoek wordt hierbij beïnvloed door:

 Beschikbaarheid van historische informatie. Onvolledige historische informatie kan leiden tot een onjuiste onderzoeksstrategie.

 Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een gestandaardiseerde methode. Op basis hiervan worden middels een steekproef boringen gedaan en monsters genomen. Doordat de steekproefomvang afgeleid is van de norm wordt een betrouwbaar beeld van de bodemkwaliteit verkregen. Lokale afwijkingen van de bodemkwaliteit kunnen niet volledig worden uitgesloten.

 Het onderzoek betreft een momentopname. Eventuele toekomstige bodembedreigende activiteiten, calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden. 1.4

Leeswijzer Hoofdstuk 2: hierin staan de resultaten van het vooronderzoek in het kader van het verkennend bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 3: hierin wordt de opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek van het verkennend bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 4: beschrijving van de resultaten van veldwerkzaamheden, laboratoriumonderzoek van het verkennend bodemonderzoek. Hoofdstuk 5: hierin staat het conceptueel model in het kader van het nader bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 6: hierin wordt de opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek van het nader bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 7: beschrijving van de resultaten van veldwerkzaamheden, laboratoriumonderzoek van het nader bodemonderzoek. Hoofdstuk 8: beschrijving van de conclusies en aanbevelingen op basis van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek.

PROJECT

6 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

2

22200014 Bijlage 1.8

Milieuhygiënisch vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het kader van het vooronderzoek vastgesteld en relevante onderzoeksvragen voor zover als mogelijk beantwoord. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. Als eerste stap wordt de aanleiding van het vooronderzoek vastgesteld, Bij vervolgstappen volgt de afbakening van de onderzoekslocatie, het verzamelen van informatie en beantwoorden van relevante onderzoeksvragen en tot slot het trekken van conclusies en opstellen van een hypothese. Het vooronderzoek heeft betrekking op de gehele onderzoekslocatie en de directe omgeving. In bijlage G is de bronvermelding van de verzamelde informatie weergegeven.

2.1

Aanleiding en onderzoeksvragen conform NEN 5725 In de NEN 5725 is een aantal standaard aanleidingen en onderzoeksvragen geformuleerd. De volgende aanleiding is voor onderhavig onderzoek van toepassing: het opstellen van de hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uitvoeren van een bodemonderzoek. Op basis van de aanleiding van het vooronderzoek is voor deze aanleiding een aantal onderzoeksvragen vastgesteld, beschreven in de NEN 5725. Deze worden als leidraad gebruikt bij het vooronderzoek.

2.2

Locatiegegevens De onderzoekslocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van De Glind, vlak ten zuiden van het centrum van het dorp. De X-coördinaat op de Topografische Kaart van Nederland is voor de onderzoekslocatie 163.263, en de Y-coördinaat is 458.926. Een topografisch overzicht en een weergave van de situatie is weergegeven in bijlage A. Huidig en toekomstig gebruik De locatie is voor een groot deel in gebruik als voetbalveld. In de noordoosthoek is sprake van een voormalige grondopslag. Aan de noordwestzijde bevindt zich een kantine met daaromheen klinkerverharding. Het is niet bekend of er sprake is van fundatiemateriaal onder de klinkerverharding, en waar deze dan uit bestaat. Het voornemen is om de locatie te verkopen en de bestemming te wijzigen in wonen met tuin met open groene delen. Op het middendeel is een waterpartij voorzien, in de zuidwest hoek een moestuin. Historisch kaartmateriaal Op historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat de locatie van begin jaren “30 tot begin jaren “60 in gebruik is geweest als boomgaard. In diezelfde periode zijn enkele opstallen zichtbaar verspreid over de locatie. Voor de jaren “30 lijkt de locatie in gebruik te zijn als akker, er zijn geen opstallen zichtbaar. De zuidelijk gelegen watergang is reeds vanaf de jaren “30 zichtbaar.

De watergang is in de jaren “50 verbreed en vervolgens in de jaren “60 weer teruggebracht in de oude staat.

PROJECT

7 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.9

Vanaf begin jaren “60 heeft de locatie een agrarische functie gekregen. Op een kaart uit 1985 zijn de grenzen van de onderzoekslocatie zichtbaar zoals nu nog aanwezig. Mogelijk heeft de locatie reeds in deze tijd een functie als sportveld gekregen. Op de eerst navolgende herziene topografische kaart uit 1995 is de kantine zichtbaar, maar gezien de afgegeven Hinderwetvergunning (28 november 1986) was deze reeds voor deze tijd aanwezig (zie bijlage G). Op de kaart van 1997 is zichtbaar dat de locatie een sportbestemming heeft. Vanaf die tijd zijn tot op heden geen grote veranderingen zichtbaar op historisch kaartmateriaal. 2.3

Terreinverkenning De terreinverkenning is direct voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd op 18 maart 2021. De locatiegegevens zoals genoemd in paragraaf 2.2 is tijdens de terreinverkenning geverifieerd. Tijdens de terreinverkenning zijn geen verdachte bronlocaties aangetroffen. Op het terrein zijn enkele putjes aangetroffen met daarin koppelingen, waarschijnlijk ten behoeve van water toe- of afvoer, zie bijlage G voor foto’s. Het is niet bekend of op de locatie drainage aanwezig is. Aan de zuidzijde van de locatie is een sloot aanwezig. Vanwege begroeiïng kon het sloottalud niet worden geïnspecteerd.

2.4

Bodem en geohydrologie Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1,5 meter beneden maaiveld. De regionale grondwaterstromingsrichting van het freatisch grondwater is westelijk gericht. De lokale grondwaterstroming kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van watergangen, rioolsleuven en grondwateronttrekkingen in de directe omgeving. In tabel 2.1 is een weergave gegeven van de regionale bodemopbouw. Tabel 2.1 Schematische weergave van de regionale bodemopbouw

PAKKET

DIEPTE

(METER

SAMENSTELLING

T.O.V. NAP) Formatie van Boxtel

+6,00 tot -9,00

Zand, matig fijn tot matig grof (150-300 µm), zwak siltig, lichtgeel tot donkerbruin, kalkloos tot kalkhoudend. Zand, sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn (105-210 µm), lichtgeel tot lichtgrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend. Leem, zwak tot sterk zandig, soms kleiig, soms humeus, grijsbruin tot donkergrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend.

Eemformatie

-9,00 tot -20,0

Zand, grijs, matig fijn tot zeer grof zand (150 - 420 µm), meestal kalkhoudend, met mariene schelpen, plaatselijk met schelpenlagen. Klei, donkergrijs, meestal kalkhoudend, met mariene schelpen, plaatselijk ook schelpenlagen.

Formatie van Drenthe

-20,0 tot -28,0

Zand, matig grof tot uiterst grof (210-2000 µm), zwak tot sterk grindhoudend. Klei en leem, sterk zandig tot uiterst siltig, zwak tot sterk grindhoudend, grijsblauw tot bruingrijs. Zand, matig fijn (150 - 210 µm), kalkloos tot kalkarm, slecht gesorteerd, uiterst tot sterk siltig, zwak tot sterk grindhoudend, grijsblauw tot bruingrijs, met stenen, keien en blokken.

PROJECT

8 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.10

PAKKET

DIEPTE

(METER

SAMENSTELLING

T.O.V. NAP) Klei, (donker)grijs tot (donker)bruin, zwak tot matig siltig, kalkrijk, veelal stevig. Sterk (cm-mm) gelaagd. Formatie van Sterksel

-28,0 tot -38,0

Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), zwak tot sterk grindig, kalkloos tot kalkrijk, grijsbruin, roodbonte (rossige) componenten, matig tot sterk glimmerhoudend. Grind, grijsbruin, roodbonte (rossige) componenten.

Formatie van Peize en

-38,0 tot >50,0

Waalre

Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), lichtgrijs tot wit, kalkloos, zwak tot matig grindig (fijn en matig grof ; 2 - 16 mm), in de fractie fijn grind zeer veel restkwarts. Zand, uiterst fijn tot uiterst grof (63 - 2000 µm), kalkloos tot kalkrijk, sporadisch schelphoudend, weinig tot matig glimmerhoudend, spoor tot weinig donkere korrels, grijs tot witgrijs, soms bruingrijs, in de grovere fractie met (rood)bonte componenten.

Bron: TNO Dinoloket

2.5

Beschikbare dossierinformatie onderzoekslocatie Hieronder is dossierinformatie weergegeven welke betrekking heeft op de onderzoekslocatie. Uit gegevens vanuit het Bodemloket en Provincie Gelderland blijkt dat een deel van de locatie deel uitmaakt van de volgende bodemlocaties: Locatie 1: Adres / locatienaam: Onderzoek Plangebied de Glind Identificatiecode bevoegd gezag: GE020306528 Identificatiecode gemeente: AA020306528 Gegevensbeheerder: Omgevingsdienst de Vallei Status: ernstig, geen spoed De onderzoekslocatie maakt voor een deel onderdeel uit van bovenstaande locatie. Uit opgevraagde informatie via de Omgevingsdienst de Vallei / gemeente Barneveld blijkt niet dat relevante informatie aanwezig is. Locatie 2: Adres / locatienaam: Postweg 61 Identificatiecode bevoegd gezag: GE020300991 Identificatiecode gemeente: AA020300940 Gegevensbeheerder: Provincie Gelderland Status: voldoende onderzocht, De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Verontreinigde activiteiten: ondergrondse hbo-tank, start onbekend, einde 1992

PROJECT

9 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.11

Het vlak van bovenstaande locatie staat voor een deel op de onderzoekslocatie getekend. Aangezien het om een ondergrondse HBO tank gaat is het aannemelijk dat deze nabij de woning heeft gelegen of tussen de Postweg en de woning. Invloed op de onderzoekslocatie wordt niet verwacht. Uit informatie van de Omgevingsdienst de Vallei / gemeente Barneveld blijkt dat de ondergrondse HBO tank compleet is gesaneerd in augustus 1992. Hiervan is een Kiwa certificaat beschikbaar, zie bijlage G. Uit dossierstukken ontvangen van de Omgevingsdienst de Vallei / gemeente Barneveld blijkt dat in 1986 een vergunning is verleend voor de uitbreiding en wijziging van de kantine op locatie, zie bijlage G. Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst De Vallei Ontgravingskaart boven- en ondergrond: Natuur en landbouw Functiekaart: Wonen Toepassingskaart boven- en ondergrond: Natuur en landbouw PFAS:

In de regio overschrijden de concentraties PFAS de achtergrondwaarden niet. De regio is onverdacht voor GenX, daarom maakt GenX geen deel uit van het gebiedsspecifiek beleid. Expertisecentrum PFAS Omgevingsdienst de Vallei heeft lokale achtergrondwaarden vastgesteld voor PFAS. De rapportage is van 20 mei 2020. In een addendum van 8 februari 2021 wordt verwezen naar het normenkader van het geactualiseerde THK van 2 juli 2020. Bodemonderzoek depotlocatie Door De Rudolphstichting is na de uitvoering van het veldwerk een bodemonderzoek aangeleverd. Het betreft een verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd door Arnicon (rapport kenmerk C20-0397-O, d.d. 12-10-20) naar aanleiding van het recente voormalige gebruik van een deel van de onderzoekslocatie als depotlocatie. Hierbij zijn de bovengrond en het grondwater onderzocht. In de bovengrond zijn concentraties PCB en kwik gemeten die de achtergrondwaarden overschrijden, in het grondwater overschrijdt de concentratie barium de streefwaarde. Het onderzoek is opgenomen in bijlage C.

PROJECT

10 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

2.6

22200014 Bijlage 1.12

Beschikbare dossierinformatie directe omgeving Bodemloket en Provincie Gelderland In de directe omgeving is sprake van één bodemlocatie: Locatie 1: Adres / locatienaam: Postweg 55 Identificatiecode bevoegd gezag: GE020300992 Identificatiecode gemeente: AA020300941 Gegevensbeheerder: Provincie Gelderland Status: voldoende onderzocht, De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Verontreinigde activiteiten: ondergrondse hbo-tank, start onbekend, einde 1992 Locatie 2: Adres / locatienaam: Postweg 65, 77 en 88 Identificatiecode bevoegd gezag: GE020300003 Identificatiecode gemeente: AA020300003 Gegevensbeheerder: Provincie Gelderland Status: uitvoeren nader onderzoek, Er moet op de locatie een nader onderzoek worden uitgevoerd om de omvang en ernst van de vastgestelde verontreiniging te bepalen. De basis voor dit onderzoek is het 'Protocol Nader onderzoek deel 1' (Sdu, 1995) of de 'Richtlijn nader onderzoek' (Sdu, 1995) Verontreinigde activiteiten: ondergrondse hbo-tank, start en einde onbekend.

2.7

Conclusies vooronderzoek en hypothese Middels het uitgevoerde vooronderzoek zijn de onderzoeksvragen zoals genoemd in paragraaf 2.1 zo goed mogelijk beantwoord. De informatie welke van invloed is op de bepaling van de hypothese wordt hieronder weergegeven. Uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie van begin jaren “30 tot begin jaren “60 in gebruik is geweest als boomgaard. In die periode was het gebruik van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen gebruikelijk. Bestrijdingsmiddelen worden derhalve als aandachtspunt opgenomen in de onderzoeksstrategie, de bovengrond wordt hier aanvullend op onderzocht. Een deel van het terrein is in gebruik geweest ten behoeve van de opslag van depots. Vanwege het voormalige gebruik als depotlocatie en de mogelijke bodembelasting wordt één mengmonster samengesteld van de bovengrond. Na de uitvoering van het veldwerk is een verkennend onderzoek aangeleverd welke is uitgevoerd naar aanleiding van het tijdelijke gebruik als depotlocatie. Het onderzoek is uitgevoerd door Arnicon in 2020. Hieruit blijkt dat in de grond de concentraties PCB en kwik de achtergrondwaarde overschrijden en in het grondwater de concentratie barium de streefwaarde. De ondergrond is niet onderzocht.

PROJECT

11 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.13

In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn ondergrondse opslagtanks en een aanbeveling voor uitvoering van nader onderzoek bekend. Vanwege de afstand tot de onderzoekslocatie wordt hiervan geen negatieve invloed op de onderzoekslocatie verwacht. De locatie wordt met het oog op het voormalige gebruiken als boomgaard en depotlocatie onderzocht volgens de strategie voor een niet-lijnvormige verdachte locatie met een heterogeen verspreidingsbeeld (VED-HE-NL) conform de NEN 5740. Hierbij wordt één extra mengmonster ingezet ten behoeve van het onderzoeken van de bovengrond ter plekke van de voormalige depotlocatie en worden aanvullende analyses op OCB (bestrijdingsmiddelen) ingezet van de (voormalige) bovengrond. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de (deel)locaties, bijbehorende hypothese en verdachte parameters. Tabel 2.2 Deellocaties met hypothese onderzoeksstrategie LOCATIE

OPPERVLAKTE (M²)

HYPOTHESE

STRATEGIE¹

VERDACHTE PARAMETERS

Gehele onderzoekslocatie

13.800

VED-HE-NL

verdacht

OCB, algemene parameters

1) VED-HE-NL : verdacht, diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld, niet lijnvormig, conform NEN 5740

PROJECT

12 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

3

22200014 Bijlage 1.14

Veldwerkzaamheden verkennend onderzoek In dit hoofdstuk worden de veldwerk- en laboratoriumresultaten gepresenteerd.

3.1

Uitvoering veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd op 18 maart 2021. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden verricht:

 een visuele beoordeling van de situatie ter plaatse (terreininspectie);  het zintuiglijk beoordelen van het bij de boringen vrijgekomen bodemmateriaal op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen;

 bemonstering van het opgeboorde bodemmateriaal;  het inmeten van de bemonsteringslocaties. Tabel 3.1 Deellocaties met boringen en peilbuizen LOCATIE

BORING PEILBUIZEN

BORING DIEP

BORING ONDIEP

Gehele onderzoekslocatie

001, 002

003 t/m 010

011 t/m 029

Ter plaatse van de geplande waterpartij is een diepe boring geplaatst (boring 05). In de tegelverharding rondom de aanwezige kantine zijn enkele boringen geplaatst om de fundering eronder na te gaan (boringen 03, 09 en 10). Daarnaast is gelet op de eventuele aanwezigheid van drainage. Boring 23 is dieper doorgezet naar aanleiding van het aantreffen van afwijkend bodemvreemd materiaal. De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage A, blad 2. 3.2

Laboratoriumonderzoek Van de genomen grondmonsters is een selectie gemaakt welke separaat door het laboratorium Analytico Milieu B.V. zijn onderzocht conform de richtlijnen. Analytico Milieu B.V. is een door de Raad van Accreditatie erkend laboratorium. Een overzicht van de samenstelling van de verschillende grond(meng)monsters inclusief dieptes en de bemonsterde peilbuizen met bijbehorende chemische analyses is weergegeven in tabel 3.2 en tabel 3.3. Tabel 3.2 Overzicht samenstelling grondmonsters en analyseparameters (MENG)-

BORINGNUMMER(S)

ANALYSE1

REDEN MONSTERSELECTIE

Standaardpakket

bovengrond met lichte bijmenging

(CM-MV)

MONSTER

MM001

DIEPTE

004, 011

0 - 30

grond, OCB, LUOS MM002

MM003

MM004

001, 008, 025

003, 009, 010

015, 017, 018, 025

0 - 60

20 - 85

0 - 30

Standaardpakket

bovenste humeuze bodemlaag ter

grond, OCB, LUOS

plekke van voormalige depotlocatie

Standaardpakket

bovenste humeuze bodemlaag

grond, OCB, LUOS

onder verharding

Standaardpakket

toplaag ruimtelijk verdeeld

grond, OCB, LUOS MM005

PROJECT

13 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

002, 005, 006, 007

30 - 70

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Standaardpakket

humeuze bodemlaag onder

grond, OCB, LUOS

toplaag

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.15

(MENG)-

BORINGNUMMER(S)

DIEPTE

ANALYSE1

REDEN MONSTERSELECTIE

Standaardpakket

bodemlaag met slakken en

grond, OCB, LUOS

kolengruis

(CM-MV)

MONSTER

M023.2

023

30 - 70

1) Zie bijlage C LUOS

: organisch stof- en lutumgehalte

OCB

: organochloorbestrijdingsmiddelen

Tabel 3.3 Overzicht grondwatermonsters en analyseparameters PEILBUIS/WATERMONSTER

FILTERSTELLING (CM-MV)

ANALYSE¹

001-1-1

150 - 250

Standaardpakket grondwater

002-1-1

150 - 250

Standaardpakket grondwater

1) Zie bijlage C

3.3

Normering Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd conform NTA 5755: Bodem – Landbodem Strategie voor het uitvoeren van een nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform de AS3000 (accreditatieschema laboratorium analyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek). Afwijkingen Tijdens het onderzoek is niet afgeweken van de geldende normen.

3.4

Kwaliteitsborging Het procescertificaat van BOOT organiserend ingenieursburo (nr. VB-007) en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Het onderzoek is op een zorgvuldige werkwijze en door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. Indien u vragen en/of opmerkingen heeft op het onderzoek, dan verzoeken wij u dit melden aan bovenstaande contactpersoon van BOOT. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart BOOT organiserend ingenieursburo onafhankelijk te zijn ten aanzien van opdrachtgever en projectlocatie.

PROJECT

14 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

4

22200014 Bijlage 1.16

Onderzoeksresultaten verkennend onderzoek In dit hoofdstuk worden de resultaten voortvloeiend uit het veldwerk en chemische analyse inclusief toetsing gepresenteerd.

4.1

Bodemopbouw en grondwater Bodemgesteldheid De bovengrond ter plekke van het sportveld bestaat uit humeus zand, plaatselijk met bodemvreemde bijmenging zoals aardewerk, glas, kolengruis en slakken. Ter plekke van de voormalige depotlocatie is plaatselijk een humusloze zand toplaag aanwezig. De ruimte direct rondom de kantine is verhard met tegels en klinkers, direct daaronder is een humusloze zandlaag aanwezig. Onder de humusloze zandlagen ter plekke van de voormalige depotlocatie en verharding is humeus zand aanwezig. Vanaf 70 á 80 cm beneden maaiveld is humusloos zand aanwezig. Het grondwater bevindt zich op een diepte van ongeveer 100 cm beneden maaiveld. Rondom de kantine is verharding aanwezig. De verharding is gefundeerd op zand, er is geen puinfundatie of iets dergelijks aanwezig. De bodembeschrijving per boring is weergegeven in bijlage B.

4.2

Veldwaarnemingen Tijdens uitvoering van de veldwerkzaamheden is op enkele plekken bodemvreemd materiaal aangetroffen. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Zintuiglijke waarneming BORING

TRAJECT (CM-MV)

BIJZONDERHEDEN

004

0 - 30

sporen aardewerk, resten glas

011

0 - 30

sporen kolengruis

023

30 - 70

matig kolengruishoudend, resten slakken

De zintuiglijke waarneming geeft geen aanleiding de onderzoeksstrategie aan te passen. Van de bodemlagen van 0 - 30 cm -mv ter plekke van boring 004 en 011 met slechts lichte bodemvreemde bijmenging (aardewerk, glas, kolengruis) is mengmonster MM001 samengesteld. De bodemlaag van 30 - 70 cm -mv ter plekke van boring 023 is vanwege de matige bijmenging met kolengruis (en resten slakken) separaat geanalyseerd middels monster M023.2. Asbest Tijdens uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen welke op een mogelijke verontreiniging met asbest wijst. Grondwater In tabel 4.2 zijn de gemeten grondwaterstanden en de tijdens peilbuisbemonstering gemeten waarden voor temperatuur, zuurgraad, elektrisch geleidingsvermogen, zuurstof en troebelheid weergegeven. De in het veld bepaalde pH, Ec en O 2 wijken niet af van datgene wat van nature in de bodem voorkomt.

PROJECT

15 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.17

Bemonstering van het grondwater heeft plaatsgevonden na stabilisatie van de waarden opgelost zuurstofgehalte en elektrisch geleidingsvermogen. Tabel 4.2 Gegevens grondwater tijdens bemonstering PEILBUIS

BKPB

GWS¹

TEMP¹

PH¹

EC¹

O2 ¹

NTU²

BELUCHT³

CM TOV MV

(CM TOV BKPB)

(°C)

(µS/CM)

(MG/L)

001-1-1

-10

90

8.9

6.07

338

2.11

38.40

nee

002-1-1

-10

90

8.9

6.20

397

2.43

5.52

nee

1) BKPB

: bovenkant peilbuis

GWS

: grondwaterstand

TEMP

: temperatuur

pH

: zuurgraad

Ec

: electrisch geleidingsvermogen

O2

: zuurstof

NTU

: troebelheid (Nephelometric Turbidity Units)

2) Het grondwater is bemonsterd conform de NEN 5744. Indien de in het veld gemeten troebelheid de vastgestelde waarden voor grondwater met een natuurlijke troebelheid (0 – 10 NTU) overschrijdt, kan in geval van een verhoogde gemeten parameter een herbemonstering worden overwogen gericht op het nemen van een grondwatermonster met een natuurlijke troebelheid. 3) Indien tijdens het voorpompen en/of grondwatermonstername de verlaging van het waterniveau in de peilbuis groter is dan 50 cm, waarbij het filterdeel gedeeltelijk droog is komen te staan, wordt gesproken van een belucht grondwatermonster.

4.3

Laboratoriumonderzoek en toetsing Toetsing Wet bodembescherming (Wbb) De analysecertificaten van het laboratorium zijn weergegeven in bijlage C, evenals een verklaring van de analysepakketten. De gemeten waarden worden gecorrigeerd op basis van het gehalte lutum en organische stof. De gecorrigeerde waarde wordt de gestandaardiseerde meetwaarden (=GSSD) genoemd. De gestandaardiseerde meetwaarde wordt getoetst aan de achtergrondwaarde grond (AW2000 grond), streefwaarde grondwater en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering juli 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De toetsingswaarden zijn als volgt gedefinieerd: Tabel 4.3 Toetsingswaarden TOETSINGSWAARDEN1

TOELICHTING

Achtergrondwaarde (AW)

Bodem ijkpunt voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

Streefwaarde (S)

Grondwater ijkpunt voor milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

Interventiewaarde (I)

Het gehalte aan een stof waarbij de functionele eigenschappen voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd.

PROJECT

16 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.18

1) In de praktijk wordt vaak het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde (of streefwaarde) en interventiewaarde gebruikt als toetswaarden waarvoor aanvullend en/of nader bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Dit rekenkundig gemiddelde wordt de tussenwaarde genoemd.

Bij toetsing van de grond- en grondwatermonsters is voor sommige (som)parameters de streef- / achtergrondwaarde hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000. In voornoemd geval wordt conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit en conform bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering de rapportagegrens als Achtergrondwaarde grond / Streefwaarde grondwater aangehouden. Bij somparameters geldt dit alleen als de waarden waarmee gerekend wordt lager zijn dan de rapportagegrens. Toetsresultaten grond In tabel 4.4 zijn de verhoogde parameters na toetsing van de geanalyseerde grondmonsters weergegeven. Tabel 4.4 Overzicht toetsresultaten grondmonsters (MENG-)

BORING-

DIEPTE

TOETSING2

MONSTER

NUMMER(S)

(CM-MV)

WBB

MM001

004, 011

0 - 30

PCB (0.023)*, kwik (0.17)*, lood (51)*

MM002

001, 008,

0 - 60

PCB (0.029)*, kwik (0.16)*, lood (52)*

REDEN MONSTERSELECTIE bovengrond met lichte bijmenging

025

bovenste humeuze bodemlaag ter plekke van voormalige depotlocatie

MM003

003, 009,

20 - 85

010

MM004

015, 017,

0 - 30

018, 025 MM005

002, 005,

PCB (0.043)*, koper (47)*, zink (221)*,

bovenste humeuze

cadmium (0.62)*, kwik (0.21)*, lood

bodemlaag onder

(70)*

verharding

PCB (0.041)*, zink (155)*, kwik (0.18)*,

toplaag ruimtelijk verdeeld

lood (65)*, PAK (2.98)* 30 - 70

PCB (0.021)*, zink (156)*, PAK (1.82)*

30 - 70

zink (870)***, koper (144)**, PAK (31)**,

bodemlaag met slakken en

kobalt (21.1)*, nikkel (38)*, cadmium

kolengruis

006, 007 M023.2

023

humeuze bodemlaag onder toplaag

(1.04)*, kwik (0.80)*, lood (156)* 1) PAK = Polycyclische aromatische koolwaterstoffen, PCB = Polychloorbifenylen, (zie ook bijlage C) -

: <=AW2000 grond /detectiegrens

*

: > AW2000 grond

**

: >½(AW2000 grond+I)-waarde

***

: >Interventiewaarde grond

De overige parameters waarop de grondmonsters zijn onderzocht, zijn niet met verhoogde concentraties ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetroffen. Toetsresultaten grondwater In tabel 4.5 zijn de verhoogde parameters na toetsing van de geanalyseerde grondwatermonsters weergegeven.

PROJECT

17 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

SPA WNP ingenieurs

22200014 Bijlage 1.19

Tabel 4.5 Toetsresultaten grondwatermonsters PEILBUIS

FILTERSTELLING (CM-MV)

TOETSING1

001-1-1

150 - 250

-

002-1-1

150 - 250

barium (130)*

1) (zie ook bijlage C) -

: <= detectiegrens/streefwaarde

*

: > streefwaarde

**

: > tussenwaarde

***

: > interventiewaarde

De overige parameters, waarop de grond- en grondwatermonsters zijn onderzocht, zijn niet

met

verhoogde

concentraties

ten

opzichte

van

de

achtergrondwaarden

grond/streefwaarden grondwater aangetroffen. 4.4

Resultaten laboratoriumonderzoek Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de grond van 30 - 70 cm beneden maaiveld ter plekke van boring 023 (M23.2) de concentratie zink de interventiewaarde overschrijdt. In diezelfde bodemlaag overschrijden de concentraties koper en PAK de tussenwaarde en de concentraties kobalt, nikkel, cadmium, kwik en lood overschrijden de achtergrondwaarden. De sterk verhoogde concentratie zink en matig verhoogde concentraties koper en PAK zijn te relateren aan de bijmenging met kolengruis en slakken. De licht verhoogde concentraties metalen zijn ook op andere plekken in zintuiglijk schone bovengrond gemeten en niet direct te relateren aan bodemvreemde bijmenging. De oorzaak van de verhoogde concentraties is niet eenduidig te herleiden. Uitgangspunt is dat de locatie tijdens het voormalige gebruik (<1987) verontreinigd is geraakt. Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar zware metalen en PAK teneinde de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen. Het nader onderzoek staat beschreven in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van onderhavig rapport. In de humeuze bovengrond ter plekke van de voormalige depotlocatie (MM002) overschrijden de concentraties PCB, kwik en lood de achtergrondwaarden. Dit komt overeen met het eerdere onderzoek uit 2020 (Arnicon, zie paragraaf 2.5).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=d5008420-7a17-476b-a648-a82725ccbc58