Postweg VII_Toelichting_Bijlage 5 Quickscan
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING EN NATUURINCLUSIEF ONTWERP POSTWEG 63 TE DE GLIND
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming en natuurinclusief ontwerp Postweg 63 te De Glind Opdrachtgever
De Vereniging Ecowonen Midden Nederland Brummelstraat 2 6971 AX Brummen
Rapportnummer Versienummer
18266.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
28 april 2022
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer T.J.J. Versluis, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw A.E. Wolma, MSc
Paraaf Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Planten ............................................................................................................................ 14
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Algemene broedvogels ................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 15
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 16 7.1 7.2 7.3
Natura 2000 .................................................................................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17 Overige gebiedsbescherming ......................................................................................... 17
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 18
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 19
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18266.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van De Vereniging Ecowonen Midden Nederland opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming en natuurinclusief ontwerp aan de Postweg 63 te De Glind. Het natuurinclusief ontwerp is apart gerapporteerd. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en de bouw van woningen. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 1 van 20
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,4 hectare) ligt aan de Postweg 63, te De Glind. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie bestaat uit een sportveld met kort gemaaid gras en een kantinegebouw. Het geheel is omgeven door hagen en bomen. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een bosperceel met een woning en ten zuiden loopt een beek. Aan de noordkant van de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met tuin en direct verderop de bebouwde kom van De Glind. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 2 van 20
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Sportveld op de onderzoekslocatie met het bosperceel aan de oostelijke rand.
Figuur 4. Het sportveld gezien vanaf het noorden met ten zuiden een bomenrij en ten westen een heg.
Figuur 5. Haag ten westen van de onderzoekslocatie.
Figuur 6. Sportkantine op de onderzoekslocatie met bakstenen muur en plat dak.
Figuur 7. Het sportveld en in de verte het kantinegebouw, gezien vanaf het zuiden.
Figuur 8. Kippenren in de tuin direct ten noorden van de onderzoekslocatie.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 3 van 20
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens woningbouw te realiseren op de onderzoekslocatie. Het bestaande sportveld en de kantine maken plaats voor 31 woningen (figuur 9). Hiervoor wordt een natuurinclusief ontwerp ontwikkeld, waarbij natuurwaarden uit de omgeving worden geïntegreerd in het ontwerp (figuur 10-12).Ten behoeve van de nieuwbouw worden sloop- en graafwerkzaamheden uitgevoerd. De oostelijke bosrand, de beek aan de zuidelijke grens en de westelijke haag blijven behouden. De planning van de werkzaamheden was op het moment van schrijven niet bekend.
Figuur 9. Schetsontwerp van de natuurinclusieve wijk op de onderzoekslocatie.
Figuur 10. De beek en het buitengebied van De Glind ten zuiden van de onderzoekslocatie.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Figuur 11. De bebouwing van de Glind met een openbaar grasveld ten noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 12. Het bosperceel ten oosten van de onderzoekslocatie.
Pagina 4 van 20
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 16 maart 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 5 van 20
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 6 van 20
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 7 van 20
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 8 van 20
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. De de grens van de bebouwde kom en het buitengebied kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, boomvalk, ransuil, sperwer, roek, havik, wespendief, buizerd en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Havik en wespendief zijn soorten die afgezonderd in dichte bospercelen broeden en broedgevallen kunnen op een locatie aan de rand van de bebouwde kom dan ook worden uitgesloten. Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn honkvaste koloniebroeders en broeden in ruimtes in bebouwing. Huismussen broeden vaak op het dakbeschot onder dakpannen en gierzwaluwen zijn te vinden in ruimtes in gevels, spouwmuren en scheefliggende dakpannen. De kantine is de enige bebouwing op de onderzoekslocatie en is gezien het platte dak zonder invliegopeningen ongeschikt voor beide soorten. Volgens de database van de NDFF komt de huismus verder ten noorden van de onderzoekslocatie voor in de bebouwde kom van De Glind. Essentieel leefgebied van de huismus is uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Kerkuil en steenuil Uilen zoals de kerkuil en steenuil broeden in bebouwing in het buitengebied.
Hiervoor worden veelal speciale nestkasten benut. De steenuil broedt daarnaast in kleine schuurtjes en bomen met holtes en gebruikt weidepaaltjes als zitpost. De soort heeft een klein territorium, vaak van één erf of enkele weilanden. De kerkuil broedt in schuren, en is meer flexibel in keuze van territoria en benut meerdere roest/nestlocaties. Beide uilensoorten kunnen gezien de afwezigheid van geschikte bebouwing en nestkasten uitgesloten worden op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie vormt door het gebrek aan zitposten en van structuurrijk grasland geen essentieel leefgebied voor deze soorten. Ransuil, boomvalk, buizerd Soorten als ransuil, buizerd en sperwer maken zeer grote nesten in bomen. Ook worden nesten van ekster en zwarte kraai ‘gekraakt’. Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig. De bomen in het nabijgelegen bosperceel en in de groenstrook verder ten zuiden zijn onderzocht op grote nesten en deze zijn niet aangetroffen. Een broedgeval van ransuil, sperwer of buizerd zijn daardoor uit te sluiten op de onderzoekslocatie.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 9 van 20
Roek De roek is een kraaiachtige die in kolonieverband broedt in hoge bomen. De soort is vaak langs snelof waterwegen te vinden. Een broedkolonie en bijbehorende nesten zijn makkelijk op te sporen en is op de onderzoekslocatie niet aangetroffen. 5.1.2
Overige broedvogels
De weinige beplanting op de onderzoekslocatie kan eventueel nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, winterkoning, kauw en houtduif (figuur 13 en 14). Er is weinig groen aanwezig op de onderzoekslocatie. Rondom het kantinegebouw staan enkele sierstruiken en de bomen en hagen rondom de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan algemene soorten. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Voor deze soorten werd geen nestgelegenheid aangetroffen op de onderzoekslocatie.
Figuur 13. Foeragerende kauw op een lamp op de onderzoekslocatie.
5.2
Figuur 14. Merelnest in bosschage ten zuiden van de onderzoekslocatie.
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, baardvleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De spouwmuren van het kantinegebouw zijn niet via stootvoegen bereikbaar voor vleermuizen. De buitenmuur was wel op verscheidene plaatsen laag bij de grond opengebroken, waardoor tocht en vocht in de spouw kan komen (figuur 16). Invliegopeningen en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn uit te sluiten. De ruimte langs de dakranden geeft geen toegang tot het platte dak (figuur 15). Verder zijn er geen ruimtes achter betimmeringen waargenomen, waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Ook zijn er geen bomen aanwezig op de onderzoekslocatie en zijn verblijfplaatsen van boombewonende soorten uit te sluiten.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 10 van 20
Figuur 15. Er bevindt zich geen invliegruimte tussen de betimmering en de buitenmuur van het kantinegebouw.
Figuur 16. De spouwmuur was op verscheidene plaatsen opengebroken.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. De bomen in de bomenrij ten oosten van de onderzoekslocatie, en dus binnen de invloedsfeer van de ingreep, zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen verderop in het bosperceel liggen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden en zullen geen negatieve effecten ondervinden van de ingreep. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk gewone grootoorvleermuis om te foerageren. Het betreft echter een sportveld dat ’s avonds zeer fel wordt verlicht. Van een essentieel foerageergebied op de onderzoekslocatie is daardoor geen sprake. De plannen zullen geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in het buitengebied in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Wel is het zaak de verlichting van de oostelijke bosrand te beperken (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. De bomenrijen en beken rondom de onderzoekslocatie blijven behouden. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 11 van 20
Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, das en eekhoorn. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt door het ontbreken van bomen geen geschikt habitat voor de eekhoorn. De bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Gedurende het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht op dassensporen, zoals graafputjes of achtergebleven haren en deze zijn niet aangetroffen. Ook zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das.
De onderzoekslocatie ligt door de aanwezigheid van hekken, een beek en de korte afstand tot de bebouwde kom op een ongeschikte plek voor de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Op basis van waarnemingen kan worden aangenomen dat de burcht zich waarschijnlijk in een bosperceel minimaal 350 meter ten westen van de onderzoekslocatie bevindt. De graslanden verder ten zuiden van de onderzoekslocatie vormen geschikt foerageergebied voor dassen. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Steenmarter De kantine op de onderzoekslocatie vormt eventueel geschikt habitat voor de steenmarter. De kantine is echter in goede staat en nauwelijks toegankelijk voor de soort. Het sportveld op de onderzoekslocatie vormt door de afwezigheid van structuur geen habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De kantine is met een zaklamp onderzocht op sporen van de steenmarter.
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen zoals uitwerpselen, haren, krabsporen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 12 van 20
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn en rosse woelmuis. Er werden sporen van konijn aangetroffen. Er werden geen konijnen-, muizenholen of andere verblijfplaatsen aangetroffen. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen echter niet aangetast. Voor incidenteel aan te treffen soorten geldt de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De vegetatie aan de randen van de onderzoekslocatie vormt matig geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De sloot die zich aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan beide soorten, maar deze blijft bij de werkzaamheden ongemoeid. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 13 van 20
Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als teunisbloempijlstaart (wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart), grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en grote weerschijnvlinder (boswilg en grauwe wilg) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Planten
De vegetatie op de onderzoekslocatie bestaat uit gras met enkele kruiden (figuur 17). De onderzoekslocatie wordt aan de zuidzijde begrensd met een kleine groenstrook en ten oosten bevindt zich een bosperceel met verschillende loofbomen zoals Amerikaanse eik, acacia, hazelaar en zomereik (figuur 18 en 19). Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: madeliefje, hondsdraf, paarse dovenetel, grote muur en kleine brandnetel. Het antropogene gebruik als sportveld maakt dat beschermde plantensoorten uitgesloten zijn. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Figuur 17. Vegetatie op de onderzoekslocatie met gras en algemene kruiden zoals madeliefje, paarse dovenetel.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Figuur 18. Oostelijke rand van de onderzoekslocatie met een bosperceel met verschillende loofbomen.
Figuur 19. Zuidelijke rand van de onderzoekslocatie met fluitenkruid, kleine brandnetel, braam en enkele bomen.
Pagina 14 van 20
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen aan de randen van het sportveld buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2
Vleermuizen
De onderzoekslocatie wordt mogelijk door vleermuizen gebruikt om te foerageren. Het betreft geen redelijkerwijs geen essentieel foerageergebied omdat er verlichting wordt toegepast bij sportactiviteiten en er volop alternatief in de buurt aanwezig is. Mochten er ’s nachts werkzaamheden worden uitgevoerd dan kan het huidige foerageergebied eventueel worden verstoord. Het is dan ook benodigd om verlichting van de bosrand te vermijden; dit kan door licht slechts spaarzaam, en van de bosrand af gericht in te zetten. Zo zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te voorkomen. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten algemene soorten geldt dat de snoeiwerkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer bij snoei- en graafwerkzaamheden rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode 1 september tot 1 november. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 15 van 20
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Veluwe, bevindt zich op circa 9 kilometer afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 20).
Figuur 20. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 9 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) en bestemmingsplanwijziging niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000 gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 16 van 20
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied behorend tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) bevindt zich circa 225 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 21 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 21. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is gelegen op 500 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN niet aan de orde. 7.3
Overige gebiedsbescherming
In Gelderland worden de volgende overige gebieden beschermd door regels in de Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021): groene ontwikkelingszone (GO), weidevogelgebieden, ganzenrustgebieden, natte landnatuur, Waardevol open gebied en nationale landschappen. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van een van deze gebieden.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 17 van 20
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 18 van 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van De Vereniging Ecowonen Midden Nederland een quickscan Wet natuurbescherming en natuurinclusief ontwerp uitgevoerd aan de Postweg 63 te De Glind. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en de bouw van woningen. De initiatiefnemer is voornemens woningbouw te realiseren op de onderzoekslocatie. Het bestaande sportveld en de kantine maken plaats voor 31 woningen. Hiervoor wordt een natuurinclusief ontwerp ontwikkeld, waarbij natuurwaarden uit de omgeving worden geïntegreerd in het plan. Ten behoeve van de nieuwbouw worden sloop- en graafwerkzaamheden uitgevoerd. De oostelijke bosrand, de beek aan de zuidelijke grens en de westelijke haag blijven behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
minimaal
mogelijk
nee
nee
snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
minimaal
nee
nee
nee
aandacht voor verlichting van bosrand
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten bij snoei- en graafwerkzaamheden
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Overige soortgroepen
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
9 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
225 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
Amfibieën
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 19 van 20
Conclusie Soortbescherming Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Wanneer er toch binnen het broedseizoen moet worden gesnoeid, is begeleiding van een ecoloog vereist. Foerageergebied vleermuizen Bij werkzaamheden in de nacht waar verlichting wordt gebruikt kan het huidige foerageergebied eventueel worden verstoord. Het is dan ook zaak om verlichting van de bosrand te vermijden; dit kan door licht slechts spaarzaam, en van de bosrand af gericht in te zetten. Zo zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te voorkomen. Bij werkzaamheden overdag zijn overtredingen ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen uitgesloten. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën In de randen van de onderzoekslocatie zijn eventueel nestplaatsen voor algemene zoogdieren en amfibieën aanwezig. Graafwerkzaamheden en het verwijderen van snoeiafval dienen daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren.
De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode 1 september tot 1 november. Wanneer er toch binnen het voortplantingsseizoen moet worden gegraven, is begeleiding van een ecoloog vereist. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming zijn geen maatregelen te treffen.
Econsultancy Doetinchem, 28 april 2022
RAPPORT 18266.001 versie D1
Pagina 20 van 20
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied ‘buitengebied De Glind’ periode 20172022. NDFF.
Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.
Provinciale bronnen Gelderland Provincie Gelderland (2021, maart). Planoviewer - Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://gldanders.planoview.nl/planoview/. Provincie Gelderland (z.d.). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc08/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc08_733.pdf. Provincie Gelderland (z.d.). Natuurregels in Gelderland. Geraadpleegd op 28 april 2022 van https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba027024c1e3 476d1.
R 18266.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
R 18266.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
R 18266.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander