CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Postweg VII_Toelichting_Bijlage 2 Verkennend en nader bodemonderzoek

Gemeenteraad 27 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Postweg VII, De Glind30.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BOOT organiserend ingenieursburo bv. Alle opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig de AV-BOOT 2018.

Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en nader bodemonderzoek conform NTA 5755 LOCATIE

De Glind Postweg 63 KADASTRALE GEMEENTE

Barneveld SECTIE

OPDRACHTGEVER

F, NUMMER 1419

Vereniging tot Verzorging van Kinderen De Rudolphstichting Rudolphlaan 2 3794 MZ De Glind

DATUM

25 mei 2021

DOCUMENTNUMMER

P21-0108-013

OPGESTELD DOOR

dhr. T. Rhijnsburger

GEAUTORISEERD

ing. C.H.J. Prudon

PROJECTLEIDER

ing. C.H.J. Prudon

GEZIEN

BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal WEBSITE

www.buroboot.nl

E-MAIL

info@buroboot.nl

Titelpagina Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740

SOORT ONDERZOEK

Nader bodemonderzoek conform NTA 5755 ONDERZOEKSLOCATIE

Postweg 63, De Glind

OPDRACHTGEVER

Vereniging tot Verzorging van Kinderen De Rudolphstichting Rudolphlaan 2 3794 MZ De Glind Telefoon: 0342-459010 Fax: 0342-459019

CONTACTPERSOON

dhr. G. de Jong

UITGEVOERD DOOR

BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal

CONTACTPERSOON

ing. C.H.J. Prudon

DATUM VOORONDERZOEK

februari 2021

DATUM VELDWERK

18 maart en 16 april 2021

DATUM PEILBUISBEMONSTERING

25 maart 2021

VELDWERK DOOR

dhr. J.H.J. Janssen van Doorn dhr. J.H.J. ten Dam

2001/2002

PROJECT

2 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ............................................................................................................................................ 5 1.1

AANLEIDING ....................................................................................................... 5

1.2

DOELSTELLING .................................................................................................... 5

1.3

AFBAKENING ....................................................................................................... 5

1.4

LEESWIJZER ......................................................................................................... 6

2

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK............................................................................. 7 2.1

AANLEIDING EN ONDERZOEKSVRAGEN CONFORM NEN 5725 ....................................... 7

2.2

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................... 7

2.3

TERREINVERKENNING ............................................................................................ 8

2.4

BODEM EN GEOHYDROLOGIE................................................................................... 8

2.5

BESCHIKBARE DOSSIERINFORMATIE ONDERZOEKSLOCATIE ............................................. 9

2.6

BESCHIKBARE DOSSIERINFORMATIE DIRECTE OMGEVING .............................................. 11

2.7

CONCLUSIES VOORONDERZOEK EN HYPOTHESE ......................................................... 11

3

VELDWERKZAAMHEDEN VERKENNEND ONDERZOEK ............................................ 13 3.1

UITVOERING VELDWERK ....................................................................................... 13

3.2

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................. 13

3.3

NORMERING ..................................................................................................... 14

3.4

KWALITEITSBORGING .......................................................................................... 14

4

ONDERZOEKSRESULTATEN VERKENNEND ONDERZOEK...................................... 15 4.1

BODEMOPBOUW EN GRONDWATER ......................................................................... 15

4.2

VELDWAARNEMINGEN ......................................................................................... 15

4.3

LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING............................................................... 16

4.4

RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK ............................................................... 18

4.5

TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESE ....................................................................... 19

5

CONCEPTUEEL MODEL NADER ONDERZOEK .............................................................. 20

6

VELDWERKZAAMHEDEN NADER ONDERZOEK ........................................................... 22 6.1

UITVOERING VELDWERK ....................................................................................... 22

6.2

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................. 22

6.3

NORMERING ..................................................................................................... 23

6.4

KWALITEITSBORGING .......................................................................................... 23

7

ONDERZOEKSRESULTATEN NADER ONDERZOEK..................................................... 24 7.1

BODEMOPBOUW ................................................................................................. 24

7.2

VELDWAARNEMINGEN ......................................................................................... 24

7.3

LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING ............................................................... 25

7.4

RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK EN VELDONDERZOEK .................................... 27

7.5

INTERPRETATIE SANERINGSNOODZAAK EN SPOEDEISENDHEID ....................................... 28

7.6

INTERPRETATIE ONDERZOEKSVRAGEN CONCEPTUEEL MODEL ........................................ 28

8

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 30

PROJECT

3 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

BIJLAGEN A

: Topografische ligging : Situatietekening

B

: Beschrijving bodemopbouw

C

: Verklaring analysepakketten, analysecertificaten

D

: Analyse- en toetsresultaten

E

: Normering en certificering

F

: Verklaring onafhankelijkheid

G

: Gegevens vooronderzoek

H

: Toetstabel Geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS, d.d. 2 juli 2020

I

: Resultaten Sanscrit

PROJECT

4 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

1

Inleiding In opdracht van Vereniging tot Verzorging van Kinderen De Rudolphstichting is door BOOT organiserend ingenieursburo een verkennend en een nader bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het perceel aan de Postweg 63 in De Glind. De onderzoekslocatie heeft een grootte van circa 13.800 m². Een overzicht van de locatie is weergegeven in bijlage A, blad 2. Het onderzoek is uitgevoerd in drie fasen. In de eerste fase is een vooronderzoek (conform NEN 5725) uitgevoerd. Aan de hand hiervan is de onderzoeksstrategie bepaald. In de tweede fase is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. In de derde fase is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (conform NTA 5755). Het veldwerk is uitgevoerd onder erkenning van de BRL SIKB 2000. De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform AS 3000.

1.1

Aanleiding Aanleiding voor het verkennend vormt de voorgenomen verkoop van de locatie en de voorgenomen bestemmingsplanwijziging naar ‘wonen met tuin’. Naar aanleiding van de eerste resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek uitgevoerd.

1.2

Doelstelling Doel van het verkennend onderzoek is door middel van een aantal steekproeven na te gaan of er in de bodem componenten aanwezig zijn, in zodanige concentraties dat er een belemmering kan bestaan ten aanzien van het huidig en/of toekomstig gebruik, of dat er een bedreiging van de volksgezondheid kan optreden. Het nader onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging(en).

1.3

Afbakening Het uitgevoerde onderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek. Bij een verkennend onderzoek wordt middels vooronderzoek, bestaande uit een historisch onderzoek en terreininspectie, in beeld gebracht of en zo ja waar verontreinigingen worden verwacht. Op basis hiervan wordt een strategie opgesteld voor het veldwerk. Het veldwerk bestaat uit een aantal boringen, waarbij de visuele waarnemingen worden vastgelegd en een aantal representatieve mengmonsters worden samengesteld. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd of de verwachting uit het vooronderzoek juist is. Indien daartoe aanleiding is, dient aanvullend onderzoek te worden gedaan om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van een verontreiniging en wat de omvang daarvan is. Onderzoek naar asbest in bodem maakt geen deel uit van dit onderzoek (uitgevoerd conform de NEN 5740). Wel wordt bij uitvoering van het vooronderzoek (conform de NEN 5725) en veldonderzoek specifiek aandacht besteed aan asbest. Indien daartoe aanleiding is, zal geadviseerd worden hiertoe aanvullend onderzoek te verrichten.

PROJECT

5 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Middels een verkennend onderzoek wordt beoordeeld of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en/of een verontreiniging wordt verwacht. Het vaststellen van de bodemkwaliteitsklasse van de bodem/bodemlagen voor toepassing elders maakt hiervan geen onderdeel uit. Het onderzoek is op een zorgvuldige wijze en door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. De betrouwbaarheid van het onderzoek wordt hierbij beïnvloed door:

 Beschikbaarheid van historische informatie. Onvolledige historische informatie kan leiden tot een onjuiste onderzoeksstrategie.

 Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een gestandaardiseerde methode. Op basis hiervan worden middels een steekproef boringen gedaan en monsters genomen. Doordat de steekproefomvang afgeleid is van de norm wordt een betrouwbaar beeld van de bodemkwaliteit verkregen. Lokale afwijkingen van de bodemkwaliteit kunnen niet volledig worden uitgesloten.

 Het onderzoek betreft een momentopname. Eventuele toekomstige bodembedreigende activiteiten, calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden. 1.4

Leeswijzer Hoofdstuk 2: hierin staan de resultaten van het vooronderzoek in het kader van het verkennend bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 3: hierin wordt de opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek van het verkennend bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 4: beschrijving van de resultaten van veldwerkzaamheden, laboratoriumonderzoek van het verkennend bodemonderzoek. Hoofdstuk 5: hierin staat het conceptueel model in het kader van het nader bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 6: hierin wordt de opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek van het nader bodemonderzoek beschreven. Hoofdstuk 7: beschrijving van de resultaten van veldwerkzaamheden, laboratoriumonderzoek van het nader bodemonderzoek. Hoofdstuk 8: beschrijving van de conclusies en aanbevelingen op basis van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek.

PROJECT

6 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

2

Milieuhygiënisch vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het kader van het vooronderzoek vastgesteld en relevante onderzoeksvragen voor zover als mogelijk beantwoord. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. Als eerste stap wordt de aanleiding van het vooronderzoek vastgesteld, Bij vervolgstappen volgt de afbakening van de onderzoekslocatie, het verzamelen van informatie en beantwoorden van relevante onderzoeksvragen en tot slot het trekken van conclusies en opstellen van een hypothese. Het vooronderzoek heeft betrekking op de gehele onderzoekslocatie en de directe omgeving. In bijlage G is de bronvermelding van de verzamelde informatie weergegeven.

2.1

Aanleiding en onderzoeksvragen conform NEN 5725 In de NEN 5725 is een aantal standaard aanleidingen en onderzoeksvragen geformuleerd. De volgende aanleiding is voor onderhavig onderzoek van toepassing: het opstellen van de hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uitvoeren van een bodemonderzoek. Op basis van de aanleiding van het vooronderzoek is voor deze aanleiding een aantal onderzoeksvragen vastgesteld, beschreven in de NEN 5725. Deze worden als leidraad gebruikt bij het vooronderzoek.

2.2

Locatiegegevens De onderzoekslocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van De Glind, vlak ten zuiden van het centrum van het dorp. De X-coördinaat op de Topografische Kaart van Nederland is voor de onderzoekslocatie 163.263, en de Y-coördinaat is 458.926. Een topografisch overzicht en een weergave van de situatie is weergegeven in bijlage A. Huidig en toekomstig gebruik De locatie is voor een groot deel in gebruik als voetbalveld. In de noordoosthoek is sprake van een voormalige grondopslag. Aan de noordwestzijde bevindt zich een kantine met daaromheen klinkerverharding. Het is niet bekend of er sprake is van fundatiemateriaal onder de klinkerverharding, en waar deze dan uit bestaat. Het voornemen is om de locatie te verkopen en de bestemming te wijzigen in wonen met tuin met open groene delen. Op het middendeel is een waterpartij voorzien, in de zuidwest hoek een moestuin. Historisch kaartmateriaal Op historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat de locatie van begin jaren “30 tot begin jaren “60 in gebruik is geweest als boomgaard. In diezelfde periode zijn enkele opstallen zichtbaar verspreid over de locatie. Voor de jaren “30 lijkt de locatie in gebruik te zijn als akker, er zijn geen opstallen zichtbaar. De zuidelijk gelegen watergang is reeds vanaf de jaren “30 zichtbaar.

De watergang is in de jaren “50 verbreed en vervolgens in de jaren “60 weer teruggebracht in de oude staat.

PROJECT

7 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Vanaf begin jaren “60 heeft de locatie een agrarische functie gekregen. Op een kaart uit 1985 zijn de grenzen van de onderzoekslocatie zichtbaar zoals nu nog aanwezig. Mogelijk heeft de locatie reeds in deze tijd een functie als sportveld gekregen. Op de eerst navolgende herziene topografische kaart uit 1995 is de kantine zichtbaar, maar gezien de afgegeven Hinderwetvergunning (28 november 1986) was deze reeds voor deze tijd aanwezig (zie bijlage G). Op de kaart van 1997 is zichtbaar dat de locatie een sportbestemming heeft. Vanaf die tijd zijn tot op heden geen grote veranderingen zichtbaar op historisch kaartmateriaal. 2.3

Terreinverkenning De terreinverkenning is direct voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd op 18 maart 2021. De locatiegegevens zoals genoemd in paragraaf 2.2 is tijdens de terreinverkenning geverifieerd. Tijdens de terreinverkenning zijn geen verdachte bronlocaties aangetroffen. Op het terrein zijn enkele putjes aangetroffen met daarin koppelingen, waarschijnlijk ten behoeve van water toe- of afvoer, zie bijlage G voor foto’s. Het is niet bekend of op de locatie drainage aanwezig is. Aan de zuidzijde van de locatie is een sloot aanwezig. Vanwege begroeiïng kon het sloottalud niet worden geïnspecteerd.

2.4

Bodem en geohydrologie Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1,5 meter beneden maaiveld. De regionale grondwaterstromingsrichting van het freatisch grondwater is westelijk gericht. De lokale grondwaterstroming kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van watergangen, rioolsleuven en grondwateronttrekkingen in de directe omgeving. In tabel 2.1 is een weergave gegeven van de regionale bodemopbouw. Tabel 2.1 Schematische weergave van de regionale bodemopbouw

PAKKET

DIEPTE

(METER

SAMENSTELLING

T.O.V. NAP) Formatie van Boxtel

+6,00 tot -9,00

Zand, matig fijn tot matig grof (150-300 µm), zwak siltig, lichtgeel tot donkerbruin, kalkloos tot kalkhoudend. Zand, sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn (105-210 µm), lichtgeel tot lichtgrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend. Leem, zwak tot sterk zandig, soms kleiig, soms humeus, grijsbruin tot donkergrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend.

Eemformatie

-9,00 tot -20,0

Zand, grijs, matig fijn tot zeer grof zand (150 - 420 µm), meestal kalkhoudend, met mariene schelpen, plaatselijk met schelpenlagen. Klei, donkergrijs, meestal kalkhoudend, met mariene schelpen, plaatselijk ook schelpenlagen.

Formatie van Drenthe

-20,0 tot -28,0

Zand, matig grof tot uiterst grof (210-2000 µm), zwak tot sterk grindhoudend. Klei en leem, sterk zandig tot uiterst siltig, zwak tot sterk grindhoudend, grijsblauw tot bruingrijs. Zand, matig fijn (150 - 210 µm), kalkloos tot kalkarm, slecht gesorteerd, uiterst tot sterk siltig, zwak tot sterk grindhoudend, grijsblauw tot bruingrijs, met stenen, keien en blokken.

PROJECT

8 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

PAKKET

DIEPTE

(METER

SAMENSTELLING

T.O.V. NAP) Klei, (donker)grijs tot (donker)bruin, zwak tot matig siltig, kalkrijk, veelal stevig. Sterk (cm-mm) gelaagd. Formatie van Sterksel

-28,0 tot -38,0

Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), zwak tot sterk grindig, kalkloos tot kalkrijk, grijsbruin, roodbonte (rossige) componenten, matig tot sterk glimmerhoudend. Grind, grijsbruin, roodbonte (rossige) componenten.

Formatie van Peize en

-38,0 tot >50,0

Waalre

Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), lichtgrijs tot wit, kalkloos, zwak tot matig grindig (fijn en matig grof ; 2 - 16 mm), in de fractie fijn grind zeer veel restkwarts. Zand, uiterst fijn tot uiterst grof (63 - 2000 µm), kalkloos tot kalkrijk, sporadisch schelphoudend, weinig tot matig glimmerhoudend, spoor tot weinig donkere korrels, grijs tot witgrijs, soms bruingrijs, in de grovere fractie met (rood)bonte componenten.

Bron: TNO Dinoloket

2.5

Beschikbare dossierinformatie onderzoekslocatie Hieronder is dossierinformatie weergegeven welke betrekking heeft op de onderzoekslocatie. Uit gegevens vanuit het Bodemloket en Provincie Gelderland blijkt dat een deel van de locatie deel uitmaakt van de volgende bodemlocaties: Locatie 1: Adres / locatienaam: Onderzoek Plangebied de Glind Identificatiecode bevoegd gezag: GE020306528 Identificatiecode gemeente: AA020306528 Gegevensbeheerder: Omgevingsdienst de Vallei Status: ernstig, geen spoed De onderzoekslocatie maakt voor een deel onderdeel uit van bovenstaande locatie. Uit opgevraagde informatie via de Omgevingsdienst de Vallei / gemeente Barneveld blijkt niet dat relevante informatie aanwezig is. Locatie 2: Adres / locatienaam: Postweg 61 Identificatiecode bevoegd gezag: GE020300991 Identificatiecode gemeente: AA020300940 Gegevensbeheerder: Provincie Gelderland Status: voldoende onderzocht, De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Verontreinigde activiteiten: ondergrondse hbo-tank, start onbekend, einde 1992

PROJECT

9 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Het vlak van bovenstaande locatie staat voor een deel op de onderzoekslocatie getekend. Aangezien het om een ondergrondse HBO tank gaat is het aannemelijk dat deze nabij de woning heeft gelegen of tussen de Postweg en de woning. Invloed op de onderzoekslocatie wordt niet verwacht. Uit informatie van de Omgevingsdienst de Vallei / gemeente Barneveld blijkt dat de ondergrondse HBO tank compleet is gesaneerd in augustus 1992. Hiervan is een Kiwa certificaat beschikbaar, zie bijlage G. Uit dossierstukken ontvangen van de Omgevingsdienst de Vallei / gemeente Barneveld blijkt dat in 1986 een vergunning is verleend voor de uitbreiding en wijziging van de kantine op locatie, zie bijlage G. Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst De Vallei Ontgravingskaart boven- en ondergrond: Natuur en landbouw Functiekaart: Wonen Toepassingskaart boven- en ondergrond: Natuur en landbouw PFAS:

In de regio overschrijden de concentraties PFAS de achtergrondwaarden niet. De regio is onverdacht voor GenX, daarom maakt GenX geen deel uit van het gebiedsspecifiek beleid. Expertisecentrum PFAS Omgevingsdienst de Vallei heeft lokale achtergrondwaarden vastgesteld voor PFAS. De rapportage is van 20 mei 2020. In een addendum van 8 februari 2021 wordt verwezen naar het normenkader van het geactualiseerde THK van 2 juli 2020. Bodemonderzoek depotlocatie Door De Rudolphstichting is na de uitvoering van het veldwerk een bodemonderzoek aangeleverd. Het betreft een verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd door Arnicon (rapport kenmerk C20-0397-O, d.d. 12-10-20) naar aanleiding van het recente voormalige gebruik van een deel van de onderzoekslocatie als depotlocatie. Hierbij zijn de bovengrond en het grondwater onderzocht. In de bovengrond zijn concentraties PCB en kwik gemeten die de achtergrondwaarden overschrijden, in het grondwater overschrijdt de concentratie barium de streefwaarde. Het onderzoek is opgenomen in bijlage C.

PROJECT

10 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

2.6

Beschikbare dossierinformatie directe omgeving Bodemloket en Provincie Gelderland In de directe omgeving is sprake van één bodemlocatie: Locatie 1: Adres / locatienaam: Postweg 55 Identificatiecode bevoegd gezag: GE020300992 Identificatiecode gemeente: AA020300941 Gegevensbeheerder: Provincie Gelderland Status: voldoende onderzocht, De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Verontreinigde activiteiten: ondergrondse hbo-tank, start onbekend, einde 1992 Locatie 2: Adres / locatienaam: Postweg 65, 77 en 88 Identificatiecode bevoegd gezag: GE020300003 Identificatiecode gemeente: AA020300003 Gegevensbeheerder: Provincie Gelderland Status: uitvoeren nader onderzoek, Er moet op de locatie een nader onderzoek worden uitgevoerd om de omvang en ernst van de vastgestelde verontreiniging te bepalen. De basis voor dit onderzoek is het 'Protocol Nader onderzoek deel 1' (Sdu, 1995) of de 'Richtlijn nader onderzoek' (Sdu, 1995) Verontreinigde activiteiten: ondergrondse hbo-tank, start en einde onbekend.

2.7

Conclusies vooronderzoek en hypothese Middels het uitgevoerde vooronderzoek zijn de onderzoeksvragen zoals genoemd in paragraaf 2.1 zo goed mogelijk beantwoord. De informatie welke van invloed is op de bepaling van de hypothese wordt hieronder weergegeven. Uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie van begin jaren “30 tot begin jaren “60 in gebruik is geweest als boomgaard. In die periode was het gebruik van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen gebruikelijk. Bestrijdingsmiddelen worden derhalve als aandachtspunt opgenomen in de onderzoeksstrategie, de bovengrond wordt hier aanvullend op onderzocht. Een deel van het terrein is in gebruik geweest ten behoeve van de opslag van depots. Vanwege het voormalige gebruik als depotlocatie en de mogelijke bodembelasting wordt één mengmonster samengesteld van de bovengrond. Na de uitvoering van het veldwerk is een verkennend onderzoek aangeleverd welke is uitgevoerd naar aanleiding van het tijdelijke gebruik als depotlocatie. Het onderzoek is uitgevoerd door Arnicon in 2020. Hieruit blijkt dat in de grond de concentraties PCB en kwik de achtergrondwaarde overschrijden en in het grondwater de concentratie barium de streefwaarde. De ondergrond is niet onderzocht.

PROJECT

11 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn ondergrondse opslagtanks en een aanbeveling voor uitvoering van nader onderzoek bekend. Vanwege de afstand tot de onderzoekslocatie wordt hiervan geen negatieve invloed op de onderzoekslocatie verwacht. De locatie wordt met het oog op het voormalige gebruiken als boomgaard en depotlocatie onderzocht volgens de strategie voor een niet-lijnvormige verdachte locatie met een heterogeen verspreidingsbeeld (VED-HE-NL) conform de NEN 5740. Hierbij wordt één extra mengmonster ingezet ten behoeve van het onderzoeken van de bovengrond ter plekke van de voormalige depotlocatie en worden aanvullende analyses op OCB (bestrijdingsmiddelen) ingezet van de (voormalige) bovengrond. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de (deel)locaties, bijbehorende hypothese en verdachte parameters. Tabel 2.2 Deellocaties met hypothese onderzoeksstrategie LOCATIE

OPPERVLAKTE (M²)

HYPOTHESE

STRATEGIE¹

VERDACHTE PARAMETERS

Gehele onderzoekslocatie

13.800

VED-HE-NL

verdacht

OCB, algemene parameters

1) VED-HE-NL : verdacht, diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld, niet lijnvormig, conform NEN 5740

PROJECT

12 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

3

Veldwerkzaamheden verkennend onderzoek In dit hoofdstuk worden de veldwerk- en laboratoriumresultaten gepresenteerd.

3.1

Uitvoering veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd op 18 maart 2021. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden verricht:

 een visuele beoordeling van de situatie ter plaatse (terreininspectie);  het zintuiglijk beoordelen van het bij de boringen vrijgekomen bodemmateriaal op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen;

 bemonstering van het opgeboorde bodemmateriaal;  het inmeten van de bemonsteringslocaties. Tabel 3.1 Deellocaties met boringen en peilbuizen LOCATIE

BORING PEILBUIZEN

BORING DIEP

BORING ONDIEP

Gehele onderzoekslocatie

001, 002

003 t/m 010

011 t/m 029

Ter plaatse van de geplande waterpartij is een diepe boring geplaatst (boring 05). In de tegelverharding rondom de aanwezige kantine zijn enkele boringen geplaatst om de fundering eronder na te gaan (boringen 03, 09 en 10). Daarnaast is gelet op de eventuele aanwezigheid van drainage. Boring 23 is dieper doorgezet naar aanleiding van het aantreffen van afwijkend bodemvreemd materiaal. De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage A, blad 2. 3.2

Laboratoriumonderzoek Van de genomen grondmonsters is een selectie gemaakt welke separaat door het laboratorium Analytico Milieu B.V. zijn onderzocht conform de richtlijnen. Analytico Milieu B.V. is een door de Raad van Accreditatie erkend laboratorium. Een overzicht van de samenstelling van de verschillende grond(meng)monsters inclusief dieptes en de bemonsterde peilbuizen met bijbehorende chemische analyses is weergegeven in tabel 3.2 en tabel 3.3. Tabel 3.2 Overzicht samenstelling grondmonsters en analyseparameters (MENG)-

BORINGNUMMER(S)

ANALYSE1

REDEN MONSTERSELECTIE

Standaardpakket

bovengrond met lichte bijmenging

(CM-MV)

MONSTER

MM001

DIEPTE

004, 011

0 - 30

grond, OCB, LUOS MM002

MM003

MM004

001, 008, 025

003, 009, 010

015, 017, 018, 025

0 - 60

20 - 85

0 - 30

Standaardpakket

bovenste humeuze bodemlaag ter

grond, OCB, LUOS

plekke van voormalige depotlocatie

Standaardpakket

bovenste humeuze bodemlaag

grond, OCB, LUOS

onder verharding

Standaardpakket

toplaag ruimtelijk verdeeld

grond, OCB, LUOS MM005

PROJECT

13 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

002, 005, 006, 007

30 - 70

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Standaardpakket

humeuze bodemlaag onder

grond, OCB, LUOS

toplaag

(MENG)-

BORINGNUMMER(S)

DIEPTE

ANALYSE1

REDEN MONSTERSELECTIE

Standaardpakket

bodemlaag met slakken en

grond, OCB, LUOS

kolengruis

(CM-MV)

MONSTER

M023.2

023

30 - 70

1) Zie bijlage C LUOS

: organisch stof- en lutumgehalte

OCB

: organochloorbestrijdingsmiddelen

Tabel 3.3 Overzicht grondwatermonsters en analyseparameters PEILBUIS/WATERMONSTER

FILTERSTELLING (CM-MV)

ANALYSE¹

001-1-1

150 - 250

Standaardpakket grondwater

002-1-1

150 - 250

Standaardpakket grondwater

1) Zie bijlage C

3.3

Normering Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd conform NTA 5755: Bodem – Landbodem Strategie voor het uitvoeren van een nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform de AS3000 (accreditatieschema laboratorium analyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek). Afwijkingen Tijdens het onderzoek is niet afgeweken van de geldende normen.

3.4

Kwaliteitsborging Het procescertificaat van BOOT organiserend ingenieursburo (nr. VB-007) en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Het onderzoek is op een zorgvuldige werkwijze en door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. Indien u vragen en/of opmerkingen heeft op het onderzoek, dan verzoeken wij u dit melden aan bovenstaande contactpersoon van BOOT. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart BOOT organiserend ingenieursburo onafhankelijk te zijn ten aanzien van opdrachtgever en projectlocatie.

PROJECT

14 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

4

Onderzoeksresultaten verkennend onderzoek In dit hoofdstuk worden de resultaten voortvloeiend uit het veldwerk en chemische analyse inclusief toetsing gepresenteerd.

4.1

Bodemopbouw en grondwater Bodemgesteldheid De bovengrond ter plekke van het sportveld bestaat uit humeus zand, plaatselijk met bodemvreemde bijmenging zoals aardewerk, glas, kolengruis en slakken. Ter plekke van de voormalige depotlocatie is plaatselijk een humusloze zand toplaag aanwezig. De ruimte direct rondom de kantine is verhard met tegels en klinkers, direct daaronder is een humusloze zandlaag aanwezig. Onder de humusloze zandlagen ter plekke van de voormalige depotlocatie en verharding is humeus zand aanwezig. Vanaf 70 á 80 cm beneden maaiveld is humusloos zand aanwezig. Het grondwater bevindt zich op een diepte van ongeveer 100 cm beneden maaiveld. Rondom de kantine is verharding aanwezig. De verharding is gefundeerd op zand, er is geen puinfundatie of iets dergelijks aanwezig. De bodembeschrijving per boring is weergegeven in bijlage B.

4.2

Veldwaarnemingen Tijdens uitvoering van de veldwerkzaamheden is op enkele plekken bodemvreemd materiaal aangetroffen. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Zintuiglijke waarneming BORING

TRAJECT (CM-MV)

BIJZONDERHEDEN

004

0 - 30

sporen aardewerk, resten glas

011

0 - 30

sporen kolengruis

023

30 - 70

matig kolengruishoudend, resten slakken

De zintuiglijke waarneming geeft geen aanleiding de onderzoeksstrategie aan te passen. Van de bodemlagen van 0 - 30 cm -mv ter plekke van boring 004 en 011 met slechts lichte bodemvreemde bijmenging (aardewerk, glas, kolengruis) is mengmonster MM001 samengesteld. De bodemlaag van 30 - 70 cm -mv ter plekke van boring 023 is vanwege de matige bijmenging met kolengruis (en resten slakken) separaat geanalyseerd middels monster M023.2. Asbest Tijdens uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen welke op een mogelijke verontreiniging met asbest wijst. Grondwater In tabel 4.2 zijn de gemeten grondwaterstanden en de tijdens peilbuisbemonstering gemeten waarden voor temperatuur, zuurgraad, elektrisch geleidingsvermogen, zuurstof en troebelheid weergegeven. De in het veld bepaalde pH, Ec en O 2 wijken niet af van datgene wat van nature in de bodem voorkomt.

PROJECT

15 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Bemonstering van het grondwater heeft plaatsgevonden na stabilisatie van de waarden opgelost zuurstofgehalte en elektrisch geleidingsvermogen. Tabel 4.2 Gegevens grondwater tijdens bemonstering PEILBUIS

BKPB

GWS¹

TEMP¹

PH¹

EC¹

O2 ¹

NTU²

BELUCHT³

CM TOV MV

(CM TOV BKPB)

(°C)

(µS/CM)

(MG/L)

001-1-1

-10

90

8.9

6.07

338

2.11

38.40

nee

002-1-1

-10

90

8.9

6.20

397

2.43

5.52

nee

1) BKPB

: bovenkant peilbuis

GWS

: grondwaterstand

TEMP

: temperatuur

pH

: zuurgraad

Ec

: electrisch geleidingsvermogen

O2

: zuurstof

NTU

: troebelheid (Nephelometric Turbidity Units)

2) Het grondwater is bemonsterd conform de NEN 5744. Indien de in het veld gemeten troebelheid de vastgestelde waarden voor grondwater met een natuurlijke troebelheid (0 – 10 NTU) overschrijdt, kan in geval van een verhoogde gemeten parameter een herbemonstering worden overwogen gericht op het nemen van een grondwatermonster met een natuurlijke troebelheid. 3) Indien tijdens het voorpompen en/of grondwatermonstername de verlaging van het waterniveau in de peilbuis groter is dan 50 cm, waarbij het filterdeel gedeeltelijk droog is komen te staan, wordt gesproken van een belucht grondwatermonster.

4.3

Laboratoriumonderzoek en toetsing Toetsing Wet bodembescherming (Wbb) De analysecertificaten van het laboratorium zijn weergegeven in bijlage C, evenals een verklaring van de analysepakketten. De gemeten waarden worden gecorrigeerd op basis van het gehalte lutum en organische stof. De gecorrigeerde waarde wordt de gestandaardiseerde meetwaarden (=GSSD) genoemd. De gestandaardiseerde meetwaarde wordt getoetst aan de achtergrondwaarde grond (AW2000 grond), streefwaarde grondwater en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering juli 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De toetsingswaarden zijn als volgt gedefinieerd: Tabel 4.3 Toetsingswaarden TOETSINGSWAARDEN1

TOELICHTING

Achtergrondwaarde (AW)

Bodem ijkpunt voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

Streefwaarde (S)

Grondwater ijkpunt voor milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

Interventiewaarde (I)

Het gehalte aan een stof waarbij de functionele eigenschappen voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd.

PROJECT

16 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

1) In de praktijk wordt vaak het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde (of streefwaarde) en interventiewaarde gebruikt als toetswaarden waarvoor aanvullend en/of nader bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Dit rekenkundig gemiddelde wordt de tussenwaarde genoemd.

Bij toetsing van de grond- en grondwatermonsters is voor sommige (som)parameters de streef- / achtergrondwaarde hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000. In voornoemd geval wordt conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit en conform bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering de rapportagegrens als Achtergrondwaarde grond / Streefwaarde grondwater aangehouden. Bij somparameters geldt dit alleen als de waarden waarmee gerekend wordt lager zijn dan de rapportagegrens. Toetsresultaten grond In tabel 4.4 zijn de verhoogde parameters na toetsing van de geanalyseerde grondmonsters weergegeven. Tabel 4.4 Overzicht toetsresultaten grondmonsters (MENG-)

BORING-

DIEPTE

TOETSING2

MONSTER

NUMMER(S)

(CM-MV)

WBB

MM001

004, 011

0 - 30

PCB (0.023)*, kwik (0.17)*, lood (51)*

MM002

001, 008,

0 - 60

PCB (0.029)*, kwik (0.16)*, lood (52)*

REDEN MONSTERSELECTIE bovengrond met lichte bijmenging

025

bovenste humeuze bodemlaag ter plekke van voormalige depotlocatie

MM003

003, 009,

20 - 85

010

MM004

015, 017,

0 - 30

018, 025 MM005

002, 005,

PCB (0.043)*, koper (47)*, zink (221)*,

bovenste humeuze

cadmium (0.62)*, kwik (0.21)*, lood

bodemlaag onder

(70)*

verharding

PCB (0.041)*, zink (155)*, kwik (0.18)*,

toplaag ruimtelijk verdeeld

lood (65)*, PAK (2.98)* 30 - 70

PCB (0.021)*, zink (156)*, PAK (1.82)*

30 - 70

zink (870)***, koper (144)**, PAK (31)**,

bodemlaag met slakken en

kobalt (21.1)*, nikkel (38)*, cadmium

kolengruis

006, 007 M023.2

023

humeuze bodemlaag onder toplaag

(1.04)*, kwik (0.80)*, lood (156)* 1) PAK = Polycyclische aromatische koolwaterstoffen, PCB = Polychloorbifenylen, (zie ook bijlage C) -

: <=AW2000 grond /detectiegrens

*

: > AW2000 grond

**

: >½(AW2000 grond+I)-waarde

***

: >Interventiewaarde grond

De overige parameters waarop de grondmonsters zijn onderzocht, zijn niet met verhoogde concentraties ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetroffen. Toetsresultaten grondwater In tabel 4.5 zijn de verhoogde parameters na toetsing van de geanalyseerde grondwatermonsters weergegeven.

PROJECT

17 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Tabel 4.5 Toetsresultaten grondwatermonsters PEILBUIS

FILTERSTELLING (CM-MV)

TOETSING1

001-1-1

150 - 250

-

002-1-1

150 - 250

barium (130)*

1) (zie ook bijlage C) -

: <= detectiegrens/streefwaarde

*

: > streefwaarde

**

: > tussenwaarde

***

: > interventiewaarde

De overige parameters, waarop de grond- en grondwatermonsters zijn onderzocht, zijn niet

met

verhoogde

concentraties

ten

opzichte

van

de

achtergrondwaarden

grond/streefwaarden grondwater aangetroffen. 4.4

Resultaten laboratoriumonderzoek Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de grond van 30 - 70 cm beneden maaiveld ter plekke van boring 023 (M23.2) de concentratie zink de interventiewaarde overschrijdt. In diezelfde bodemlaag overschrijden de concentraties koper en PAK de tussenwaarde en de concentraties kobalt, nikkel, cadmium, kwik en lood overschrijden de achtergrondwaarden. De sterk verhoogde concentratie zink en matig verhoogde concentraties koper en PAK zijn te relateren aan de bijmenging met kolengruis en slakken. De licht verhoogde concentraties metalen zijn ook op andere plekken in zintuiglijk schone bovengrond gemeten en niet direct te relateren aan bodemvreemde bijmenging. De oorzaak van de verhoogde concentraties is niet eenduidig te herleiden. Uitgangspunt is dat de locatie tijdens het voormalige gebruik (<1987) verontreinigd is geraakt. Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar zware metalen en PAK teneinde de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen. Het nader onderzoek staat beschreven in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van onderhavig rapport. In de humeuze bovengrond ter plekke van de voormalige depotlocatie (MM002) overschrijden de concentraties PCB, kwik en lood de achtergrondwaarden. Dit komt overeen met het eerdere onderzoek uit 2020 (Arnicon, zie paragraaf 2.5).

In de humeuze bovengrond ter plekke van het overige terrein (MM001, MM003, MM004, MM005) overschrijden de concentraties PCB en meerdere metalen de achtergrondwaarden, plaatselijk overschrijdt daarnaast ook PAK de achtergrondwaarden (MM004, MM005). De oorzaak van de licht verhoogde concentraties PCB, PAK en metalen is niet eenduidig te herleiden. Uitgangspunt is dat de locatie tijdens het voormalige gebruik (<1987) verontreinigd is geraakt. Bestrijdingsmiddelen zijn in de grond zeer licht verhoogd gemeten, maar de concentraties zijn lager dan de achtergrondwaarden. De oorzaak van de zeer licht verhoogde concentraties bestrijdingsmiddelen is te relateren aan het voormalige gebruik als boomgaard.

PROJECT

18 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Rondom de voetbalkantine is bestrating aanwezig welke op zand is gefundeerd. Onder de bestrating is geen puinfundatie of iets dergelijks aanwezig. In het grondwater ter plekke van peilbuis 002 overschrijdt de concentratie barium de streefwaarde. Barium wordt vaker in het grondwater aangetoond zonder duidelijk aanwijsbare bron. In dergelijke situaties wordt gesproken van een verhoogde concentratie met een (semi) natuurlijke oorsprong. In het grondwater ter plekke van peilbuis 001 zijn geen van de onderzochte stoffen met een verhoogde waarde ten opzichte van de streefwaarden aangetroffen. 4.5

Toetsing onderzoekshypothese Omdat lichte tot sterke verontreinigingen zijn aangetroffen wordt de gehanteerde onderzoekshypothese ‘verdachte locatie’ voor het verkennend bodemonderzoek hiermee aangenomen.

PROJECT

19 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

5

Conceptueel model nader onderzoek Voorafgaand aan de uitvoering van het nader bodemonderzoek is een conceptueel model opgesteld conform de NTA 5755. Het conceptueel model is gevormd door beschikbare gegevens uit het vooronderzoek en het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. Beschrijving verontreinigingssituatie Ter plekke van boring 023 overschrijdt de concentratie zink de interventiewaarde in de grond van 30 - 70 cm beneden maaiveld. Daarnaast overschrijden de concentraties koper en PAK de tussenwaarde. De concentraties kobalt, nikkel, cadmium, kwik en lood overschrijden de achtergrondwaarden. De oorzaak van de sterk verhoogde concentratie zink en matig verhoogde concentraties koper en PAK is te relateren aan de bijmenging met kolengruis en slakken. De licht verhoogde concentraties metalen zijn ook op andere plekken in de zintuiglijk schone bovengrond gemeten, de oorzaak hiervan is niet eenduidig te herleiden. Uitgangspunt is dat de locatie tijdens het voormalige gebruik (<1987) verontreinigd is geraakt. Uit het vooronderzoek (historisch kaartmateriaal) blijkt dat in het verleden enkele opstallen op de locatie aanwezig zijn geweest in de periode van de jaren “30 tot de jaren “60. In de jaren “50 tot de jaren “60 is de zuidelijk gelegen watergang tijdelijk verbreed geweest. De locatie doet waarschijnlijk halverwege jaren “80 reeds dienst als sportveld.

Na de inrichting als sportveld zijn geen noemenswaardige wijzigingen zichtbaar op historisch kaartmateriaal. Uit overige informatie uit het vooronderzoek kan het ontstaan van de bodemverontreiniging met metalen en PAK niet worden herleid. Op basis van de gegevens van historisch kaartmateriaal wordt gesteld dat de verontreiniging tussen de jaren “30 en jaren “80 is ontstaan, voor 1987. Uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie in de bodemfunctieklasse Wonen valt. In geval van een bodemsanering wordt mede aan de hand hiervan de terugsaneerwaarden bepaald. De locatie is momenteel in gebruik als sportveld. Het voornemen is om het bestemmingsplan van de locatie te wijzigen naar ‘wonen met tuin’. Het grondwater bevindt zich op ongeveer 90 cm beneden maaiveld. Aan de hand van dit gegeven en met het oog op de diepte van de aangetroffen bodemvreemde bijmenging met kolengruis en slakken ligt het niet in de verwachting dat de verontreinigingen met metalen en PAK gerelateerd zijn aan het grondwater. Onderzoeksvragen Naar aanleiding van de aangetroffen sterk verhoogde concentratie zink en matig verhoogde concentraties koper en PAK zijn de volgende onderzoeksvragen samengesteld:

 Hoe situeert de verontreiniging zich in verticale en horizontale richting?  Wat is de omvang van de verontreiniging?  Wat is de bron en oorzaak van de verontreiniging?  Wat is de gevalsdefinitie?  Wat zijn de milieuhygiënische risico’s bij het huidige en toekomstige gebruik?

PROJECT

20 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Onderzoekstechnieken en onderzoeksstrategie Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden dient de verontreiniging te worden ingeperkt in verticale en horizontale richting. Op basis daarvan kan de omvang worden bepaald. Mede aan de hand van de omvang van de sterk verhoogde concentraties kan de gevalsdefinitie worden bepaald. Teneinde de omvang van de verontreiniging te bepalen worden een aantal boringen rondom en in de kern van de verontreiniging geplaatst. Aan de hand van de bodemvreemde bijmenging (kolengruis en slakken) worden de situering van de boringen (in het veld) en in te zetten analyses bepaald. In eerste instantie worden een 8-tal boringen in twee ringen rondom de aangetroffen verontreiniging ter plekke van boring 023 geplaatst. Daarnaast wordt één boring tot in de zintuiglijk schone bodem ter plekke van boring 023 geplaatst. Op deze manier wordt getracht de verontreiniging met metalen en PAK horizontaal en verticaal in te perken. De onderzoeksstrategie is weergegeven op het boorplan “conceptueel model” in bijlage A. De monsters worden onderzocht op metalen en PAK inclusief organische stof en lutum. Daarnaast zal één mengmonster worden samengesteld ten behoeve van een analyse op PFAS met het oog op eventuele afvoer van de grond.

PROJECT

21 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

6

Veldwerkzaamheden nader onderzoek In dit hoofdstuk worden de veldwerk- en laboratoriumresultaten gepresenteerd.

6.1

Uitvoering veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd op 16 april 2021. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden verricht:

 een visuele beoordeling van de situatie ter plaatse (terreininspectie);  het zintuiglijk beoordelen van het bij de boringen vrijgekomen bodemmateriaal op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen;

 bemonstering van het opgeboorde bodemmateriaal;  het inmeten van de bemonsteringslocaties. Tabel 6.1 Deellocaties met boringen DEELLOCATIE

BORING PEILBUIZEN

BORING DIEP

BORING ONDIEP

Gehele onderzoekslocatie

108

101 t/m 107, 109, 110

-

De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage A. 6.2

Laboratoriumonderzoek Van de genomen grondmonsters is een selectie gemaakt welke separaat door het laboratorium Analytico Milieu B.V. zijn onderzocht conform de richtlijnen. Analytico Milieu B.V. is een door de Raad van Accreditatie erkend laboratorium. Opgemerkt wordt dat de monsters van 105 en 108 in het laboratorium zijn geheranalyseerd. Dit om de betrouwbaarheid van de gemeten waarden ten aanzien van de aangetroffen bijmenging na te gaan. Uit de resultaten blijkt dat de metingen betrouwbaar zijn. Het certificaat hiervan is weergegeven in bijlage C. Een overzicht van de samenstelling van de verschillende grond(meng)monsters inclusief dieptes met bijbehorende chemische analyses is weergegeven in tabel 6.2. Tabel 6.2 Overzicht samenstelling grondmonsters en analyseparameters (MENG-)

BORING-

DIEPTE

MONSTER

NUMMER(S)

(CM-MV)

M101.1

101

0 - 50

ANALYSE2

REDEN MONSTERSELECTIE

metalen, PAK, LUOS

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M102.1

102

0 - 40

metalen, PAK, LUOS

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M103.1

103

0 - 50

metalen, PAK, LUOS

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M105.1

105

0 - 50

metalen, PAK, LUOS

monster van verdachte laag ten behoeve van concentratiebepaling

M106.1

106

0 - 40

metalen, PAK, LUOS

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M107.1

107

0 - 50

metalen, PAK, LUOS

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

PROJECT

22 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

(MENG-)

BORING-

DIEPTE

MONSTER

NUMMER(S)

(CM-MV)

M108.2

108

30 - 65

ANALYSE2

REDEN MONSTERSELECTIE

metalen, PAK, LUOS

monster van verdachte laag ten behoeve van concentratiebepaling

M108.5

108

115 - 150

metalen, PAK, LUOS

verticale afperking direct onder de zintuiglijk verontreinigde grond.

M110.1

110

0 - 50

metalen, PAK, LUOS

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

MMP101

104, 105,

0 - 75

PFAS

mengmonster PFAS, met oog op afvoer

108, 109 1) zie bijlage C, incl. = inclusief organisch stof- en lutumgehalte LUOS

: organisch stof- en lutumgehalte

PAK

: polycyclische aromatische koolwaterstoffen

Peilbuis 108 is uit voorzorg geplaatst. Analyse van het grondwater blijkt niet noodzakelijk. 6.3

Normering Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd conform NTA 5755: Bodem – Landbodem Strategie voor het uitvoeren van een nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform de AS3000 (accreditatieschema laboratorium analyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek). Afwijkingen Tijdens het onderzoek is niet afgeweken van de geldende normen.

6.4

Kwaliteitsborging Het procescertificaat van BOOT organiserend ingenieursburo (nr. VB-007) en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Het onderzoek is op een zorgvuldige werkwijze en door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. Indien u vragen en/of opmerkingen heeft op het onderzoek, dan verzoeken wij u dit melden aan bovenstaande contactpersoon van BOOT. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart BOOT organiserend ingenieursburo onafhankelijk te zijn ten aanzien van opdrachtgever en projectlocatie.

PROJECT

23 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

7

Onderzoeksresultaten nader onderzoek In dit hoofdstuk worden de resultaten voortvloeiend uit het veldwerk en chemische analyse inclusief toetsing gepresenteerd.

7.1

Bodemopbouw Bodemgesteldheid De bovengrond ter plekke van het sportveld bestaat uit humeus zand, plaatselijk met bodemvreemde bijmenging zoals aardewerk, glas, kolengruis en slakken. Onder de humusloze zandlagen ter plekke van de voormalige depotlocatie en verharding is humeus zand aanwezig. Vanaf 70 á 80 cm beneden maaiveld is humusloos zand aanwezig. Het grondwater bevindt zich op een diepte van ongeveer 100 cm beneden maaiveld. De bodembeschrijving per boring is weergegeven in bijlage B.

7.2

Veldwaarnemingen Tijdens uitvoering van de veldwerkzaamheden is op enkele plekken bodemvreemd materiaal aangetroffen. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 7.1. Tabel 7.1 Zintuiglijke waarneming BORING

TRAJECT (CM-MV)

BIJZONDERHEDEN

101

0 - 50

resten ijzeroer, resten slakken, sporen kolengruis

102

0 - 40

sporen baksteen, sporen slakken, sporen kolengruis

103

0 - 55

sporen kolengruis, sporen slakken

104

0 - 50

sporen ijzer, resten slakken, resten glas, matig kolengruishoudend

105

0 - 50

matig kolengruishoudend, zwak slakhoudend, resten ijzeroer, resten glas

105

50 - 95

resten ijzeroer, resten glas, resten aardewerk

106

0 - 40

sporen kolengruis

107

0 - 50

sporen glas, sporen kolengruis

108

0 - 30

sporen kolengruis, resten glas

108

30 - 65

sterk kolengruishoudend, resten aardewerk, resten glas, sporen baksteen

108

90 - 115

resten slakken, matig kolengruishoudend, resten baksteen

109

35 - 75

resten baksteen, zwak kolengruishoudend, zwak kooldeeltjes houdend,

110

0 - 55

sporen glas sporen baksteen, sporen glas, sporen kolengruis

De monsters ten behoeve van de horizontale en verticale afperking zijn geselecteerd op basis van de aangetroffen zintuiglijke verontreinigingen. De bijmenging ter plekke van boring 108 is sterker van aard en verspreid over een grotere laagdikte in verhouding tot boring 023. Derhalve is op deze plek de onderafperking verricht. Het aangetroffen bodemvreemde materiaal is niet asbestverdacht.

PROJECT

24 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

7.3

Laboratoriumonderzoek en toetsing Toetsing Wet bodembescherming (Wbb) De analysecertificaten van het laboratorium zijn weergegeven in bijlage C, evenals een verklaring van de analysepakketten. De gemeten waarden worden gecorrigeerd op basis van het gehalte lutum en organische stof. De gecorrigeerde waarde wordt de gestandaardiseerde meetwaarden (=GSSD) genoemd. De gestandaardiseerde meetwaarde wordt getoetst aan de achtergrondwaarde grond (AW2000 grond) en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering juli 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De toetsingswaarden zijn als volgt gedefinieerd: Tabel 7.2 Toetsingswaarden TOETSINGSWAARDEN1

TOELICHTING

Achtergrondwaarde (AW)

Bodem ijkpunt voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

Streefwaarde (S)

Grondwater ijkpunt voor milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

Interventiewaarde (I)

Het gehalte aan een stof waarbij de functionele eigenschappen voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd.

1) In de praktijk wordt vaak het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde (of streefwaarde) en interventiewaarde gebruikt als toetswaarden waarvoor aanvullend en/of nader bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Dit rekenkundig gemiddelde wordt de tussenwaarde genoemd.

Bij toetsing van de grond- en grondwatermonsters is voor sommige (som)parameters de achtergrondwaarde hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000. In voornoemd geval wordt conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit en conform bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering de rapportagegrens als Achtergrondwaarde grond aangehouden. Bij somparameters geldt dit alleen als de waarden waarmee gerekend wordt lager zijn dan de rapportagegrens. Toetsing PFAS Voor PFAS zijn tijdelijke toepassingsnormen vastgesteld voor het toepassen van grond en baggerspecie. Deze normen staan opgenomen in het geactualiseerd tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en bagger” (ministerie van I&W, 2 juli 2020) en is toegevoegd in bijlage H. De toepassingsnormen zijn vastgesteld voor de bodemfunctieklassen Landbouw/natuur en Wonen/industrie. Voor locaties gelegen in grondwaterbeschermingsgebieden geldt de gebiedskwaliteit. Indien deze niet bekend is bedraagt de ondergrens 0,1 µg/kg ds.

PROJECT

25 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit (BBK) Ter indicatie zijn de gemeten gehalten van het nader bodemonderzoek getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. De gemeten gehalten worden voor lutum en organisch stof gecorrigeerd volgens de rekenregels uit Regeling Bodemkwaliteit, bijlage G, onder III, om te bepalen of de kwaliteit van de grond of baggerspecie, die op of in de bodem wordt toegepast, een van de volgende waarden overschrijdt: a)

de achtergrondwaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B;

b)

de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen of industrie, bedoeld in tabel 1 van bijlage B;

c)

de emissietoetswaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B;

d)

de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit.

Toetsresultaten grond In tabel 7.3 zijn de verhoogde parameters na toetsing van de geanalyseerde grondmonsters weergegeven. Tabel 7.3 Overzicht toetsresultaten grondmonsters (MENG-)

BORING-

DIEPTE

MONSTER

NUMMER

(CM-MV)

M101.1

101

0 - 50

TOETSING2 WBB

TOETSING

REDEN MONSTERSELECTIE

BBK koper (44)*, zink (190)*,

Wonen

kwik (0.21)*, lood (110)*

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M102.1

102

0 - 40

koper (45)*, lood (78)*

Altijd

horizontale afperking,

toepasbaar

meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M103.1

103

0 - 50

zink (167)*, PAK (1.88)*

Altijd

horizontale afperking,

toepasbaar

meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M105.1

105

0 - 50

zink (802)***, nikkel (52)*,

Niet

monster van verdachte laag

koper (110)*, cadmium

toepasbaar

ten behoeve van

(0.88)*, kwik (0.79)*, lood

concentratiebepaling

(173)*, PAK (4.43)* M106.1

106

0 - 40

koper (70)*, zink (180)*,

Industrie

horizontale afperking,

cadmium (0.63)*, kwik

meest verdachte laag op

(0.44)*, lood (83)*

basis van bijmenging en traject.

M107.1

107

0 - 50

kwik (0.16)*, lood (79)*,

Wonen

PAK (2.24)*

horizontale afperking, meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

M108.2

108

30 - 65

koper (49)*, zink (414)*,

Industrie

kwik (0.31)*, lood (85)*,

ten behoeve van

PAK (6.66)* M108.5

108

PROJECT

26 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

115 - 150

-

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

monster van verdachte laag

concentratiebepaling Altijd

verticale afperking direct

toepasbaar

onder de zintuiglijk

(MENG-)

BORING-

DIEPTE

MONSTER

NUMMER

(CM-MV)

TOETSING2 WBB

TOETSING

REDEN MONSTERSELECTIE

BBK verontreinigde grond.

M110.1

110

0 - 50

zink (160)*, kwik (0.18)*,

Altijd

horizontale afperking,

lood (66)*

toepasbaar

meest verdachte laag op basis van bijmenging en traject.

1) PAK = Polycyclische aromatische koolwaterstoffen, PCB = Polychloorbifenylen, (zie ook bijlage C) -

: <=AW2000 grond /detectiegrens

*

: > AW2000 grond

**

: >½(AW2000 grond+I)-waarde

***

: >Interventiewaarde grond

De overige parameters waarop de grondmonsters zijn onderzocht, zijn niet met verhoogde concentraties ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetroffen. 7.4

Resultaten laboratoriumonderzoek en veldonderzoek De meest verdachte bodemlagen ter plekke van boring 105 en 108 zijn geanalyseerd ten behoeve van het bepalen van de concentratie aan zware metalen en PAK binnen de verwachte verontreinigingsvlek. Zink is sterk verhoogd aanwezig bij boring 105 (0-0,5 m-mv) en eerder al bij boring 23. Er blijken verder alleen licht verhoogde concentraties PAK en koper aanwezig te zijn. Ter plekke van boring 108 is in de meest verdachte laag (kern) een matig verhoogde concentratie zink aangetroffen, net onder de tussenwaarde (>MWWonen). Hieruit kan worden geconcludeerd dat de verontreinigingen met metalen en PAK heterogeen verdeeld zijn binnen de verontreinigingscontour. Derhalve is het uitgangspunt dat boring 108 binnen de contour van met zink verontreinigde grond valt. Uit het nader onderzoek blijkt dat de in de bodem zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen en de sterke verontreiniging met zink zich concentreert in het gebied van boringen 023, 104, 105, 108 en 109. Ter plekke van boring 106 overschrijdt de concentratie zink de Maximale Waarde Wonen. De verontreinigde grond wordt aan de zuidkant begrensd door de watergang, deze is mede bepaald op basis van verwachtingen en historisch kaartmateriaal. Matig verhoogde concentraties met koper en PAK zijn op overige plekken dan boring 023 niet meer aangetroffen.

De concentraties zink overschrijden de interventiewaarde in de zintuiglijk verontreinigde humeuze zandlaag van circa 0 50 cm beneden maaiveld. Mede aan de hand van de zintuigelijke bijmenging met kolengruis en slakken kan worden gesteld dat de verontreiniging plaatselijk tot circa 100 cm beneden maaiveld aanwezig (boringen 105 en 108). De sterke verontreiniging met zink beslaat een oppervlakte van ongeveer 500 m². Rekening houdend met een gemiddelde laagdikte van 60 cm is er sprake van ongeveer 300 m³ sterk met zink verontreinigde grond. De sterk met zink verontreinigde bodem is matig verontreinigd met koper en PAK en licht verontreinigd met overige metalen. Naast sterk met zink verontreinigde grond is er naar schatting sprake van ongeveer 200 m³ grond welke voldoet aan de Maximale Waarde Industrie. Hiermee is de totale omvang grond welke de Maximale Waarde Wonen overschrijdt op 500 m³.

PROJECT

27 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

De Glind, Postweg 63 P21-0108-013 25 mei 2021

Technische, ruimtelijke en organisatorische samenhang De verontreiniging met zink is te relateren aan de zintuiglijke bijmenging met kolengruis en plaatselijk met slakken. Naast sterk verhoogde concentraties zink zijn plaatselijk matig verhoogde concentraties koper en PAK aanwezig in dezelfde bodemlaag (ruimtelijke samenhang). Over de gehele onderzochte locatie komen plaatselijk licht verhoogde concentraties metalen, PAK en PCB voor. De verontreinigingen zijn waarschijnlijk in dezelfde periode ontstaan (organisatorische samenhang) en betreffen een verhoogde achtergrond. 7.5

Interpretatie saneringsnoodzaak en spoedeisendheid De concentratie zink overschrijdt de interventiewaarden, daarnaast zijn lichte tot matige concentraties aanwezig met overige metalen en PAK. Uit het vooronderzoek en het conceptueel model blijkt dat de sterke verontreiniging met zink is ontstaan voor 1987. Hiermee is er sprake van een historische verontreiniging. Met een omvang van circa 300 m³ wordt het omvangscriterium voor historische verontreinigingen overschreden. Derhalve is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming.

7.6

Interpretatie onderzoeksvragen conceptueel model Onderzoeksvragen Op basis van het uitgevoerd nader bodemonderzoek kunnen de onderzoeksvragen worden beantwoord: Hoe situeert de verontreiniging zich in verticale en horizontale richting? De verontreiniging is grotendeels afgeperkt middels boringen. Aan de zuidkant wordt de verontreiniging begrensd door de watergang. De situering van het sterk met zink verontreinigde oppervlak is weergegeven in bijlage A. Wat is de omvang van de verontreiniging? De verontreiniging beslaat een oppervlakte van ongeveer 500 m² met een gemiddelde laagdikte van ongeveer 60 cm. Hiermee is ongeveer 300 m³ grond sterk verontreinigd met zink (>interventiewaarde) en plaatselijk matig verontreinigd met overige metalen en PAK. Daarnaast is naar schatting ongeveer 200 m³ grond welke voldoet aan de Maximale Waarde Industrie. Hiermee is de totale omvang grond welke de Maximale Waarde Wonen overschrijdt op 500 m³. De verontreiniging is te relateren aan de bijmenging met kolengruis en plaatselijk met slakken. Wat is de bron en oorzaak van de verontreiniging? Uit de resultaten van het nader onderzoek blijkt dat de verontreiniging zich beperkt tot de humeuze bovengrond. Zintuiglijk is in dit gebied tot circa 90 á 115 cm -mv bodemvreemd materiaal aangetroffen. De oorzaak van de verontreiniging is niet eenduidig te herleiden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=eb4b581c-205a-4f72-bc11-cf814dabda20