Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
(mei 2023) bestemmingsplan Plannr. 1667
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 INLEIDING
5
Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen
6 6 6
Hoofdstuk 3
8
PLANBESCHRIJVING
Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
11 11 11 12 13 15 16
Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Veiligheid 5.14 Verkeer 5.15 Water
20 20 20 21 23 24 25 25 26 26 26 28 28 29 29 29
Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Inleiding 6.2 Inleidende regels 6.3 Bestemmingsregels 6.4 Algemene regels 6.5 Overgangs- en slotregels 6.6 Handhaving
31 31 31 31 31 32 32
Hoofdstuk 7
34
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Participatie 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.3 Inspraak 8.4 Zienswijzen 8.5 Coördinatieregeling
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
2
Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35 35 35 36 36 36
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 2
Watervergunning
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
3
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
4
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Toelichting Hoofdstuk 1
INLEIDING
Voor het perceel aan de Plaggenweg 43 in Kootwijkerbroek is een verzoek ingediend om de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en buitenopslag uit te breiden. Met de voorliggende herziening van het bestemmingsplan kan de zonder vergunning gerealiseerde bebouwing en de gewijzigde terreinindeling (inclusief vergroting) worden gelegaliseerd. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
Afbeelding: Ligging plangebied Voorliggend plan (partiële herziening van de verbeelding en de regels) bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit deze partiële herziening.
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
5
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 2 2.1
BEST AANDE SIT UAT IE
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de Plaggenweg 43 in Kootwijkerbroek. Het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door agrarisch gebied. Aan de west- en zuidzijde vormt een (agrarisch) bedrijf de grens van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding: Begrenzing plangebied
2.2
Geldende bestemmingen
Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De gronden hebben de bestemmingen 'Bedrijf - Niet agrarisch' (met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en op een deel 'opslag') en 'Agrarisch'. Daarnaast kent het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde'. Het vergroten van de hoeveelheid toegestane bebouwing en buitenopslag (inclusief het vergroten van het bedrijfsterrein) is binnen deze bestemmingen niet toegestaan. In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
6
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Geldend bestemmingsplan
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
7
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 3
PLANBESCHRIJVING
Sinds jaren loopt een handhavings- en legalisatietraject van het bronbemalingsbedrijf/pompenverhuur aan de Plaggenweg 43 in Kootwijkerbroek. De activiteiten worden al sinds 1978 op het perceel uitgeoefend. In eerste instantie als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf maar na verloop van tijd als (enige) hoofdactiviteit. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” had het perceel een agrarische bestemming. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State van 27 augustus 2003 werd het gebruik (bronbemalingsbedrijf) positief bestemd in de herziening “Plaggenweg II” van het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” (vastgesteld juli 2012). Binnen dit plan kreeg het perceel de bestemming 'Bedrijf – Niet agrarisch' met daarbij een bouwvlak en (onder andere) de aanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten', 'opslag' en 'specifieke vorm van bedrijf – verhuurbedrijf voor machines en werktuigen'. Op basis van dit plan is maximaal 1.040 m² bebouwd oppervlak toegestaan en 335 m² buitenopslag. Daarnaast betreft het een categorie 3.1 bedrijf. Het bestemmingsplan bevat, voor wat betreft het uitbreiden van bebouwd oppervlak, een eenmalige afwijkingsmogelijkheid van 10% (zijnde 104 m²) middels de aanlevering van 2 m² sloopmeters per 1 m² uitbreiding. Tegen dit bestemmingsplan diende de initiatiefnemer geen zienswijzen of beroep in.
Binnen het huidige geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2012” heeft het perceel de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' met (onder andere) de functieaanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'opslag'. Het perceel heeft geen specifieke aanduiding gekregen voor wat betreft het toegestane bedrijf waardoor slechts bedrijven in categorie 1 en 2 zijn toegestaan (dus niet het onderhavige bedrijf). Ter plaatse is maximaal 1.040 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan, naast 335 m² buitenopslag. Het plan bevat geen afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden met betrekking tot het vergroten van het bebouwd oppervlak (met uitzondering van een afgwijkingsmogelijkheid van maximaal 10% van de toegestane oppervlakte) of oppervlak ten behoeve van buitenopslag. Ook is er geen mogelijkheid om de vergroting van de bedrijfslocatie naar het noorden (en de daar aangelegde grondwal) te legaliseren. Op enig moment is de bestaande bedrijfsbebouwing zonder vergunning vergroot. Ook de oppervlakte aan buitenstalling is zonder vergunning vergroot. Principeverzoek Op 12 april 2016 is een principeverzoek ingediend om te komen tot legalisatie van de bebouwing. Naar aanleiding van de opgestarte handhavingszaak is daar nog het vergroten van de mogelijkheden voor buitenopslag bij gekomen.
Nog weer later is ook de verdere uitbreiding van het bedrijfsperceel in noordelijke richting (op grond met de bestemming 'Agrarisch') toegevoegd. Een landschappelijke inpassing van het geheel maakt ook onderdeel uit van het verzoek. Beoordeling Gelet op het lange tijdsverloop en de lopende handhavingszaak, is het gewenst te komen tot een allesomvattende oplossing. Ruimtelijk is sprake van een acceptabel plan. Mogelijke hinder voor omringende hindergevoelige functies ligt niet in de lijn der verwachting. Niet alleen zijn er de laatste jaren geen klachten geweest over de niet-vergunde uitbreiding maar ook wordt de standaard hinderafstand voor een dergelijk bedrijf (van 100 meter) ruimschoots gehaald nu de dichtstbijzijnde gevoelige functie ('Wonen') op ruim 200 meter ligt. Ook is sprake van een compact erf doordat alle bebouwing geclusterd is en wordt het geheel landschappelijk ingepast. Voor wat betreft de beleidsmatige beoordeling vormt het beleid zoals opgenomen in de Menukaart het uitgangspunt. Dit beleid biedt kaders voor uitbreidingen van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied tot meer dan 1.000 m² bebouwd oppervlak. Uitgangspunt is dat voor dergelijke uitbreidingen sloopmeters aangeleverd moeten worden volgens de hoogste staffel uit het functieveranderingsbeleid. Dat betekent 3 m² sloopmeters voor elke 1 m² uitbreiding van bedrijfsbebouwing.
Voor buitenopslag gaat het om 1 m² met 1 m² uitbreiding. In het geldende bestemmingsplan is 1.040 m² bebouwing toegestaan. In het voorgaande bestemmingsplan mocht dit met 10% worden uitgebreid waarbij per 1 m² uitbreiding 2 m² sloopmeters aangeleverd moest worden. Aangezien de niet-vergunde uitbreiding ten tijde van dat bestemmingsplan is gerealiseerd, is het 8
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 verdedigbaar daarvan nog uit te gaan. Voor de resterende uitbreiding dient dan 3 m² sloopmeters aangeleverd te worden per 1 m² uitbreiding. Voor wat betreft de buitenopslag geldt dat in het voorgaande bestemmingsplan de buitenopslag van goederen was beperkt tot 335 m². De stalling van voertuigen in het voorgaande bestemmingsplan was niet gemaximaliseerd en viel ook niet onder de definitie van opslag. Dit in tegenstelling tot het geldende bestemmingsplan. Gelet hierop wordt het redelijk geacht voor de uitbreiding van de buitenopslag van 335 m² naar 750 m² geen compensatie te vragen in de vorm van de aanlevering van sloopmeters. Deze oppervlakte is sinds 2006 aanwezig en het toen geldende bestemmingsplan kende geen maximale oppervlakte voor buitenopslag. Voor de m² buitenopslag boven de 750 m² (inclusief de stalling van voertuigen, conform de definitie van 'opslag' in het huidige bestemmingsplan “Buitengebied 2012”) dient per 1 m² uitbreiding 1 m² inzetbare sloopmeter aangeleverd te worden. Het is de wens van verzoeker om flexibel om te gaan met de locatie van de buitenopslag. De nu toegestane oppervlakte ligt strak vast in een vlak. In verband met de verschillende afmetingen van voertuigen en materiaal is flexibiliteit gewenst in de vorm van het toestaan van een beperkte oppervlakte aan opslag op een groter gebied.
Dit is acceptabel aangezien het totale bedrijfsperceel landschappelijk wordt ingepast en voor de uitbreiding van de buitenopslag op het perceel met een bedrijfsbestemming (boven de 750 m²) sloopmeters van elders worden aangeleverd. Om toch enige beperking te hanteren, is het uitgangspunt dat het gebied waarop buitenopslag wordt toegestaan niet meer dan het dubbele mag zijn aan de toegestane oppervlakte aan buitenopslag. Omschrijving
Aantal sloopmeters
Uitbreiding van 1.040 naar 1.148 m² (2 op 1)
208 m²
Uitbreiding van 1.148 naar 1.530 m² (3 op 1)
1.146 m²
Uitbreiding buitenopslag van 335 naar 750 m²
0 m²
Uitbreiding buitenopslag boven de 750 m²
302 m²
Totaal Nu de buitenopslag in totaal op 1.052 m² komt en daarnaast nog een uitbreiding van bebouwing gewenst is (1.587 m² in plaats van 1.530 m²) zijn er in totaal 1.839 m² inzetbare sloopmeters noodzakelijk. Dit aantal is met 78 m² teruggebracht naar 1.761 m² aangezien er 234 stuks bosplantsoen extra (dus bovenop de landschappelijke inpassing en maatschappelijke tegenprestatie) worden aangeplant. De noodzakelijke 1.761 m² sloopmeters zijn afkomstig van de locaties Dunenkamperweg 22 in Stroe (360 m²), Meulunterseweg 16 in Lunteren (140 m²) en Doornsteeg 6 in Nijkerk (1.261 m²). Initiatiefnemer gaf aan het gehele perceel landschappelijk te willen inpassen. Dit wordt gerealiseerd met het inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de regels. De landschappelijke inpassing omvat onder andere de aanleg van een houtwal, struweelhaag, bomen en bosplantsoen, allen met streekeigen beplanting. Ook de aanwezige betonnen keerwand wordt voorzien van groen in het kader van de landschappelijke inpassing. Als onderdeel van de maatschappelijke prestatie (als onderdeel van de Menukaart) een extra investering gedaan in het landschap (zie Bijlage 2 bij de regels). Deze is aanvullend op de landschappelijke inpassing en bestaat onder andere uit het vervangen van een schutting door een groene haag en de aanplant van meerdere hagen en bosplantsoen.
In de Menukaart is tot slot opgenomen dat vergroting tot meer dan 1.000 m² alleen mogelijk is als verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is. In de voorliggende situatie is dat aan de orde. Het bronbemalingsbedrijf is in 1978 ter plaatse ontstaan naast het toen aanwezige agrarisch bedrijf (thans Plaggenweg 45). Het bronbemalingsbedrijf is in de loop der jaren gegroeid tot wat het nu is. Als onderdeel van de groei zijn in de loop der jaren oude voormalige agrarische schuren vervangen door moderne nieuwe schuren, is een verhard buitenterrein aangelegd (dat landschappelijk deels al is ingepast) en zijn forse investeringen gedaan in een moderne werkplaats, opslagruimten/stellingen in de hallen (voor het vorstvrij opslaan van pompen en aggregaten), een wasplaats en het maken van een diepe waterbron ten behoeve van het spoelen van pompen en ander bronbemalingsmateriaal. Daarnaast heeft de zoon van de oprichter het bedrijf in 2016 overgenomen. Na deze overname is fors geïnvesteerd in het vervangen van verouderd verhuur materiaal, net als in een nieuwe toegangsweg van de Plaggenweg naar het bedrijf. "Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
9
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Al deze investeringen bij elkaar leveren een modern, goed functionerend verhuur- en bronbemalingsbedrijf op, waarbij de investeringen en de logistieke indeling van het bedrijfsterrein heel specifiek zijn afgestemd op het bedrijf zoals het nu is. Verplaatsen zou betekenen dat enorme investeringen in grond, gebouwen en installaties nodig zullen zijn en dat de bestaande, economisch nog zeer goed functionerende gebouwen, afgeschreven dienen te worden, hetgeen een grote kapitaalvernietiging zal betekenen.
Afbeelding: Te legaliseren bebouwing
10
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 4 4.1
BELEIDSKADER
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerk ing Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 4.2.2
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.
Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
11
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
4.2.3
Crisis- en herstelwet
Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd. De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: a. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; b. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; c. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I (van de Wet) bedoelde projecten ten aanzien van wegen. Doorwerk ing in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing omdat het plan niet valt onder één van de genoemde categorieën.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid 12
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat. Doorwerk ing in plangebied Gelet op de relatief beperkte omvang van het plan in combinatie met het punt dat het plan wordt gerealiseerd op basis van de Menukaart Regio FoodValley (zie 4.4.2) is het plan in lijn met de doelstellingen van de Omgevingsvisie. 4.3.1.2
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. In de Omgevingsverordening is het onderhavige plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 3: Regels Glastuinbouw Klimaatadaptatie Artikel 2.65b van de provinciale verordening gaat over klimaatadaptatie. Het artikel bepaalt dat voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. b. c. d.
waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte.
Doorwerk ing in plangebied Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie/verordening aangezien het initiatief geen betrekking heeft op glastuinbouw. Voor wat betreft de klimaatadaptatie is het plan eveneens in overeenstemming met de verordening nu het de legalisatie van een reeds lang bestaande situatie betreft waarbij voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Ook wordt het geheel landschappelijk ingepast.
4.4
Regio
4.4.1
Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016
In maart 2017 is het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2008 is hiervoor de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld met in 2012 een “Nadere invulling” daarvan. Vanuit onder meer de praktijkervaringen van de regiogemeenten en jurisprudentie is de wens ontstaan om de beide beleidskaders uit 2008 en 2012 samen te voegen en te actualiseren. Het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 is dan ook primair geen nieuw beleid.
Wel zijn enkele beleidsaanpassingen/-toevoegingen gedaan; Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters; Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken; "Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
13
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt; Deelnemende gemeenten Het regionale beleid voor functieverandering is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio Food Valley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale beleid van toepassing is omvat de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen. Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters Om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken en de voorgaande systematiek van afroming te vereenvoudigen, worden sloopmeters als eerste stap in een functieveranderingsproces vóór gebruik of verkoop 'omgezet' naar een 'inzetbare sloopmeters'. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als 'sloopmeters', waarna de omzetting plaatsvindt naar 'inzetbare sloopmeters'. Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie.
Regionale inzetbaarheid van inzetbare sloopmeters Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van inzetbare sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter. Basissystematiek Vanuit het functieveranderingsbeleid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door middel van compensatie van inzetbare sloopmeters mogelijk in twee hoofdvormen met een basissystematiek; functieverandering naar wonen; functieverandering naar werken: (niet-agrarische) bedrijven, maatschappelijke en recreatieve functies. De basissystematiek is opgebouwd met een standaard 'recht' voor een nieuwe woning/wooneenheid of niet-agrarisch bedrijf, het woningrecht en het bedrijfsrecht waarvoor een compensatie van inzetbare sloopmeters nodig is. Daarnaast wordt compensatie van inzetbare sloopmeters gevraagd per 1 m³ inhoud van de woning of 1 m² vloeroppervlakte niet-agrarisch bedrijf. Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze) In het geactualiseerde beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen.
Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid. De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Een toegevoegde mogelijkheid is functieverandering van een woning naar een woongebouw, voor onder meer mogelijk toekomstige mantelzorgsituaties of meergeneratiewoningen. Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Doorwerk ing in het plangebied Voorliggend plan is gebaseerd op het beschreven beleid en is daarmee in overeenstemming nu voldoende sloopmeters van elders zijn aangeleverd om de uitbreiding van zowel de bebouwing als de buitenopslag te legaliseren. Dit in combinatie met maatwerk (van beperkte omvang) nu extra bosplantsoen wordt aangeplant in ruil voor een vermindering van het aantal aan te leveren sloopmeters. 4.4.2
Menukaart Regio FoodValley
Op 3 oktober 2018 heeft de gemeenteraad van Barneveld de Menukaart Regio FoodValley vastgesteld. De Menukaart is een regionaal afwegingskader voor (agrarische en niet agrarische) bedrijven die verder willen uitbreiden dan dat het bestemmingsplan toestaat. De Menukaart werkt voor niet-agrarische bedrijven aanvullend op het Functieveranderingsbeleid Regio Foodvalley 2016. De Menukaart kent een meervoudige doelstelling: - Het bieden van groeiruimte aan ondernemers die zich duurzaam willen doorontwikkelen 14
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 - Het afspreken en vastleggen van tegenprestaties die leiden tot een betere kwaliteit van de leefomgeving - Het betrekken van de samenleving bij de economische ontwikkeling van het platteland. Dat houdt in dat een ontwikkeling wordt gecombineerd met een maatschappelijke tegenprestatie op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, milieu, dierenwelzijn en/of gezondheid en dat dat plaatsvindt in overleg met de ondernemer, de buurt en de gemeente. De menukaart sluit goed aan bij de aanstaande Omgevingswet en bevat onder andere een regionale vertaling van het Gelderse Plussenbeleid. De acht regiogemeenten hebben hierbij samengewerkt met de provincies Utrecht en Gelderland, het waterschap Vallei en Veluwe. Ook zijn in een aantal themasessies de LTO en natuur- en milieuorganisaties betrokken. De menukaart maakt een onderscheid in vaste randvoorwaarden en menukaart-voorwaarden. De menukaart-voorwaarden hebben betrekking op de inzet van sloopmeters en het leveren van een extra maatschappelijke tegenprestatie, bovenop de eisen die de gemeente stelt voor de realisatie van de plannen. De maatschappelijke tegenprestatie moet minimaal ter hoogte van 8% van de bouwsom van de te realiseren ontwikkeling zijn.
Voor de maatschappelijke tegenprestatie gelden een aantal voorwaarden: de tegenprestatie is altijd fysiek van aard en waar mogelijk ruimtelijk relevant; prestaties mogen alleen bovenwettelijke maatregelen zijn (dus ook buiten de eisen die het bestemmingsplan al stelt). Zo stellen bestemmingsplannen vanuit de watertoets de eis dat een initiatief waterneutraal moet zijn. Waterberging als compensatie voor nieuw verhard oppervlak telt daarom niet mee bij de maatschappelijke tegenprestatie; de tegenprestatie wordt in principe voorafgaand of tijdens de bouw geleverd. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld in verband met het plantseizoen, dan kan een gemeente nadere afspraken maken in een anterieure overeenkomst; de tegenprestatie wordt in principe op of zo dicht mogelijk bij de planlocatie gerealiseerd. Behalve de maatschappelijke tegenprestatie is er ook de voorwaarde van een 'buurtdialoog' met de naaste omgeving (alle omwonenden binnen een afstand van 250 meter van het plangebied). Dit met het doel een stuk wederzijds begrip te kweken en inspiratie op te doen over wat de omwonenden graag zouden willen zien als maatschappelijke compensatie. Doorwerk ing in plangebied Voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt op basis van de Menukaart.
Voor de uitbreiding van de hoeveelheid bebouwing en extra buitenopslag worden conform de hoogste staffel van het functieveranderingsbeleid sloopmeters van elders aangeleverd. Daarnaast wordt het geheel landschappelijk ingepast, zie Bijlage 1. Daarnaast wordt op basis van de Menukaart de ontwikkeling maatschappelijke gecompenseerd. Deze bestaat uit extra beplanting rondom het perceel en langs de entree, zie Bijlage 2. Met deze laatste wordt voldaan aan de Menukaart. Voor de buurtdialoog wordt verwezen wordt naar paragraaf 8.1.
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
15
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
4.5.2
BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
4.6
Gemeente
4.6.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie Buitengebied Barneveld bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied. De visie voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Er doen zich belangrijke ontwikkelingen voor die bepalend zijn voor de toekomst van het buitengebied. De landbouw heeft niet stil gestaan en past zich aan, aan nieuwe ontwikkelingen. De doorgaande ontwikkeling in de agrarische sector heeft onder andere tot gevolg dat er steeds minder maar wel grotere agrarische bedrijven zijn gekomen en nog zullen komen. Een gevolg hiervan is vrijkomende agrarische erven door functieverandering naar wonen of werken. Ook is steeds vaker sprake van verbreding en verduurzaming. Tevens wordt geconstateerd dat recreatiebedrijven moderniseren en de kwaliteit verhogen. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap, cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. Met de visie wordt ruimte geboden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten.
Dat gaat de gemeente doen door initiatieven mede te beoordelen op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon- en leefmilieu, verkeer en natuur. De gemeente wil diverse ontwikkelingen faciliteren. Wat betreft de landbouw gaat dat om zowel schaalvergroting als verbreding en innovatie. Die verbreding verdient mogelijkheden om enerzijds extra inkomsten te bieden aan agrarische ondernemers en anderzijds om duurzame en innovatieve 16
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 ontwikkelingen ruimte te geven. Verbreding is bovendien interessant voor de beleidsopgave om recreatieve mogelijkheden in het hele buitengebied te benutten en te stimuleren. Innovatie verdient kansen omdat daarmee kan worden gewerkt aan de versterking van de positie van de Regio Foodvalley, aan ondernemingszin en aan klimaatadaptatie. De schaalvergroting en de innovatieve ontwikkelingen moeten echter wel passen in het landschap van de gemeente Barneveld. Die voorwaarde geldt ook voor de locaties waar de agrarische bedrijven juist stoppen en gebruik maken van het beleid voor functieverandering waarmee woningen of (kleine) bedrijven worden gerealiseerd. Het spreekt vanzelf dat ook recreatieve functies moeten bijdragen aan een fraai en herkenbaar landschap. Een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat zo wordt ingericht dat het een aangename plek is om er te werken en te recreëren. Dat vergt een goed klimaat om passende werk- en recreatiefuncties daadwerkelijk te kunnen behouden en ontwikkelen. Het buitengebied als een prettige omgeving om te verblijven geeft ook een meerwaarde voor de talrijke woningen die in het buitengebied aanwezig zijn en is van groot belang als positieve vestigingsfactor voor de (toekomstige) bewoners van de negen woonkernen.
Die meerwaarde wil de gemeente graag verder versterken door het ontwikkelen van de relaties tussen de dorpen en het buitengebied. Daarom wil de gemeente initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld de lokale voedselvoorziening en het beleven van veehouderij (kijk- en doemogelijkheden) en natuur (rust zoeken en onderhoud) faciliteren. De hiervoor genoemde aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in deelgebieden, met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie. Zie hiervoor de afbeelding 'Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld'. De deelgebieden zijn: Agrarisch bedrijvenlandschap. Agrarisch bekenlandschap. Agrarisch slagenlandschap. Veluws natuurgebied met agrarische enclaves.
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
17
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. Het plangebied ligt in het deelgebied Agrarisch bedrijvenlandschap. Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomstgerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren. Karakteristiek Het deelgebied wordt gekarakteriseerd door afwisselend kleinschalig landschap met diverse cultuurhistorische landschapstypes (kampenlandschap, heideontginningslandschap et cetera). Deze verschillende landschapstypen zijn op veel plekken niet langer direct herkenbaar. De agrarische bedrijven zijn op de voorgrond aanwezig in dit gebied. Sommige delen van het gebied zijn dichter dan andere delen door kleinschalige landschapselementen als houtsingels en door erfbeplanting. Daarbij vormen lanen en beken belangrijke landschappelijke elementen. De lanen zijn echter niet altijd consequent doorgezet en daardoor worden routes niet geaccentueerd. De beken vallen in de kleinschaligheid van het landschap nauwelijks op.
In het groeiseizoen draagt de maïsteelt bij aan het kleinschalige karakter van het gebied. Gebruik Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor bedrijven die in staat zijn om te investeren. Andere bedrijven zullen stoppen met hun agrarische activiteiten. In het kader van het functieveranderingsbeleid worden, in gevallen van vrijkomende en leegstaande agrarische bebouwing, planologische mogelijkheden geboden voor functiewijziging naar niet-agrarische bedrijvigheid. Vanwege het primaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, wordt in het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) in beginsel geen medewerking verleend aan verzoeken om 18
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 functiewijziging naar wonen. Voor al aanwezige niet-agrarische bedrijven is het uitgangspunt dat eventuele uitbreiding alleen onder strenge voorwaarden wordt toegestaan. Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk. Behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheden van functieverandering van stoppende agrarische bedrijven, worden in dit agrarische productiegebied geen nieuwe woningen of niet-agrarische bedrijven toegelaten. Deze functies horen thuis in de kernen. Het streefbeeld voor dit landschap is gericht op vernieuwing. Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden worden beschermd en zijn nevengeschikt aan de hoofdfunctie landbouw. Doorwerk ing in het plangebied Voorliggend plan is in overeenstemming met de structuurvisie nu er sprake is van een uitbreiding van een al aanwezig niet-agrarisch bedrijf. 4.6.2
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.
Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.6.3
Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Doorwerk ing in plangebied Het plan betreft het legaliseren van een bestaand bedrijfspand welke gebouwd is vóór de vaststelling van de Energievisie waarbij geen rekening is gehouden met de uitgangspunten van die visie.
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
19
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 5 5.1
RANDVOORWAARDEN
Bodem
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Uit het bodeminformatiesysteem blijkt dat op het betreffende perceel in 1994 ten behoeve van de bouw van een van de schuren een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan chroom gemeten. De onderzoeksresultaten vormde geen belemmering voor de afgifte van de bouwvergunning. Tijdens de in mei 2019 door de Omgevingsdienst uitgevoerde milieucontrole op de Plaggenweg 43 zijn geen (milieu)overtredingen geconstateerd. Op basis hiervan is het uitvoeren van een nulsituatie bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk.
Op basis van het voorgaande zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1
Archeologie
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied middelhoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt echter onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de 20
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 minister (namens deze de RCE) verplicht. 5.2.2
Historische stedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde. Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. 5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige landbouwontginningen met een lage waardering. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied ligt op ruimt 3 kilometer van een Natura 2000-gebied (zie hieronder).
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
21
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Doordat ter plaatse geen werkzaamheden worden verricht (anders dan herstel van materiaal en materieel) zorgen slechts de verkeersbewegingen voor mogelijke stikstofdepositie. Deze verkeersbewegingen gaan echter al snel op in het overheersende verkeersbeeld zodat deze niet toe te rekenen zijn aan de ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dan dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. 5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is de locatie bezocht door een flora- en faunacontroleur. Deze heeft geen beschermde soorten aangetroffen. Daarbij speelt mee dat de bebouwing al geruime tijd (illegaal) aanwezig is, net zoals de grotere oppervlakte aan opslag en verhard terrein. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is.
Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
22
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde aangezien er geen bomen verdwijnen als gevolg van de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO.
Afbeelding: Ligging plangebied ten opzichte van GNN en GO Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
23
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.
Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied 24
"Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012 binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Het voorliggende plan maakt geen nieuwe hindergevoelige functie toe zodat geen nader onderzoek naar de geluidsbelasting noodzakelijk is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.