CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Paulus Potterstraat-Frans Halsstraat_Toelichting_Bijlage 6 Aanvullend rapport flora en fauna.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Paulus Potterstraat/Frans Halsstraat.8.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol Complex 706, Voorthuizen In het kader van de W et natuurbescherming

In opdracht van: Woningstichting Barneveld

Colofon Tekst, foto's en samenstelling

Arthur van Woersem

In opdracht van

Woningstichting Barneveld

Naam opdrachtgever

Fred den Ouden

Rapportnummer

RA19227-01

Status rapport

Definitief

Datum oplevering rapport

19 december 2019

Aantal pagina's

30

Collegiale toets

Vincent Elders

Wijze van citeren

Arthur van Woersem, 2019, Complex 706, Voorthuizen. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport RA19227-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

Regelink Ecologie & Landschap Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen 085-7737676 info@regelink.nl www.regelink.nl

Lid Netwerk Groene Bureaus

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Doel

4

1.3

Plangebied

4

1.4

Ingreep

5

2.

Werkwijze soortgericht onderzoek

6

2.1

Methode huismusonderzoek

6

2.2

Methode gierzwaluwonderzoek

6

2.3

Methode steenmarteronderzoek

6

2.4

Methode vleermuisonderzoek

7

2.5

Volledigheid inventarisatie

7

2.6

Onderzoeksinspanning, bezoektijden en weersomstandigheden

8

3.

Resultaten

10

3.1

Huismusonderzoek

10

3.2

Gierzwaluwonderzoek

10

3.3

Steenmarteronderzoek

10

3.4

Vleermuisonderzoek

11

4.

Wettelijke bepalingen

13

4.1

Effectbepaling

13

4.2

Toetsing Wet natuurbescherming

13

4.3

Voorwaarden voor een ontheffing

14

5.

Mitigerende maatregelen

17

5.1

Alternatieve verblijfplaatsen gewone dwergvleermuis

17

5.2

Aangepaste werkwijze gewone dwergvleermuis.

18

5.3

Overige maatregelen

20

6.

Conclusies en vervolgstappen

20

6.1

Conclusies

20

6.2

Vervolgstappen

21

7.

Bronnen

22

7.1

Literatuur

22

7.2

Websites

22

7.3

Projectgerelateerde bronnen

22

Bijlage 1.

Waarnemingskaart huismus

23

Bijlage 2.

Waarnemingskaart gierzwaluw

24

Bijlage 3.

Waarnemingskaart gewone- en ruige dwergvleermuis

25

Bijlage 4.

Waarnemingskaart overige vleermuizen

26

Bijlage 5.

Wet natuurbescherming

27

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

3

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

De Woningstichting Barneveld is van plan de panden aan Paulus Potterstraat 2- 4, 6- 8, 10-12, 14-14-1 en Frans Halsstraat 22-24 te slopen en hier nieuwbouw te realiseren. Volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming (zorgplicht) is het verplicht om voordat de ingreep plaatsvindt onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Uit een ecologische potentie-inschatting van Tauw (Bolle, H., 2019) is gebleken dat in het plangebied nader onderzoek naar huismus, gierzwaluw, steenmarter en vleermuizen moet plaatsvinden. Daarom heeft Regelink Ecologie & Landschap in opdracht van de Woningstichting Barneveld in het plangebied soortgericht onderzoek naar huismus, gierzwaluw, steenmarter en vleermuizen uitgevoerd. Op basis van de resultaten zijn tevens een mitigatieplan en ecologisch werkprotocol opgesteld voor de vastgestelde aanwezige beschermde soorten en functies. In deze rapportage worden definities gehanteerd zoals vermeld op de website van Regelink Ecologie & Landschap1.

1.2

Doel

Met behulp van dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: •

Komen huismus, gierzwaluw en steenmarter voor in het plangebied?

•

Welke soorten vleermuizen komen voor in het plangebied?

•

Welke functies heeft het plangebied voor de aanwezige beschermde soorten?

•

Leidt de ingreep tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming?

•

Welke mitigerende maatregelen moeten er worden genomen?

•

Welke werkwijze moet er worden gehanteerd bij het uitvoeren van de voorgenomen ingreep (ecologsich werkprotocol)?

1.3

Plangebied

Het plangebied betreft vijf 2-onder-1-kap woningen gelegen in het stedelijk gebied van Voorthuizen (provincie Gelderland) aan de Paulus Potterstraat 2- 4, 6- 8, 10- 12, 14-14-1 en Frans Halsstraat 22-24. Het betreffen voormalige seniorenwoningen, bestaande uit een woonlaag op de begane grond, voorzien van een pannendak. De zijgevels zijn aan de bovenzijde voorzien van een gepotdekselde houten betimmering. Voor meer details zie Bolle, H., 2019. De begrenzing van het plangebied is op de titelpagina met rood aangegeven.

1 http://www.regelink.nl/kenniscentrum/definities-vleermuizenonderzoek/

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

4

1.4

Ingreep

Alle bestaande opstallen worden verwijderd, evenals het aanwezige groen en bestrating. Op beide locaties worden nieuwe zorgwoningen en een aantal parkeerplaatsen gerealiseerd, zie Figuur 1 en Figuur 2. Het totale aantal woningen neemt in de nieuwe situatie toe van 10 naar 15.

Figuur 1. Plattegrond toekomstige terreininrichting Paulus Potterstraat.

Figuur 2. Plattegrond toekomstige terreininrichting Frans Halsstraat.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

5

2. Werkwijze soortgericht onderzoek 2.1

Methode huismusonderzoek

Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd conform de methode uit het Kennisdocument Huismus (Bij12, 2017a). Tijdens het veldbezoek werd het plangebied met behulp van geluid en zicht geïnventariseerd. Daarbij werd gelet op nestindicerend gedrag, geschikt foerageergebied, foeragerende dieren en vogels die gebouwen invliegen. Drie bezoeken werden 's ochtends uitgevoerd en één bezoek is in de middag uitgevoerd. Bij de middagronde is er langer geïnventariseerd in het gebied (3u) omdat deze periode van de dag minder gunstig is dan in de ochtend. De weersomstandigheden tijdens de uitgevoerde veldbezoeken waren gunstig. Conform het Kennisdocument huismus kon met het uitvoeren van vier ronden in de periode tussen 10 maart en 20 juni de aanwezigheid van huismussen met voldoende zekerheid worden aangetoond dan wel uitgesloten.

2.2

Methode gierzwaluwonderzoek

Het onderzoek naar gierzwaluw is uitgevoerd conform de methode uit het Kennisdocument Gierzwaluw (Bij12, 2017b). Bij het inventariseren werd gelet op nestindicerend gedrag, zoals laag door het plangebied vliegende en roepende vogels, vogels die woningen in- en uitvlogen en het geluid van roepende jongen. Er zijn in het plangebied in de periode van 15 mei tot 15 juli drie veldbezoeken uitgebracht met een tussenperiode van tenminste 10 dagen tussen de bezoeken. Tijdens alle onderzoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van gierzwaluwen. Hiermee werd de werkwijze van het Kennisdocument Gierzwaluw zo goed mogelijk gevolgd en kon de aanwezigheid van gierzwaluwen met voldoende zekerheid worden aangetoond dan wel uitgesloten.

2.3

Methode steenmarteronderzoek

De aan/afwezigheid van steenmarter kan het meest effectief worden aangetoond met behulp van een wildcamera/cameraval. Deze apparaten bezitten een infraroodsensor, die contrast in warmtestraling detecteert en een camera activeert zodra een contrasterend object zich door het beeld beweegt. Deze apparaten kunnen gedurende een langere tijd en 24/7 een gebied monitoren op het voorkomen van zoogdieren. Onderzoek met cameravallen kan gedurende het hele jaar plaatsvinden. Om de aan/afwezigheid van steenmarter in het plangebied vast te stellen werden er gedurende de periode van 28-5-2019 tot 29-6-2019 twee ‘Bushnell Trophy Cam’ cameravallen in het plangebied geplaatst. Eén cameraval werd bij een opening in de muur bij Paulus Potterstraat nummer 4 geplaatst. Dat was de enige duidelijk opening naar de binnenruimte van een woning op grondniveau. De andere cameraval werd geplaatst aan een boom in de tuin van Paulus Potterstraat nummer 10. Na afloop zijn de cameravallen opgehaald en de gemaakte foto’s geanalyseerd.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

6

2.4

Methode vleermuisonderzoek

Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 zoals vastgesteld door de Gegevensautoriteit Natuur. Het plangebied is voor het vleermuisonderzoek onderverdeeld in 2 deelgebieden. Het eerste deelgebied betreffen de 8 woningen aan de Paulus Potterstraat, het tweede plangebied de 2 woningen aan de Frans Halsstraat. Tijdens de veldbezoeken werd op grond van geluid en zicht geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x) werd de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar gemaakt voor mensen. Wanneer de soort op grond van frequentie, klank en ritme niet met zekerheid kon worden bepaald, werd een opname gemaakt met een extern opnameapparaat. Met behulp van het computerprogramma Batsound werden de opnamen nader geanalyseerd. Hierbij werden de criteria zoals beschreven door Arjan Boonman (www.batecho.eu) toegepast. Voor sociale geluiden van vleermuizen werd gebruik gemaakt van Middleton, 2014 en Pfalzer, 2002. Door daarnaast zoveel mogelijk visueel waar te nemen werd de determinatie geverifieerd en werd het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Hierbij werd ook gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera van het type Pulsar Helion XQ19F.

Gedurende de kraamperiode (tussen 15 mei en 15 juli) werden in elk deelgebied twee bezoeken direct vanaf zonsondergang tot twee uur na zonsondergang uitgevoerd met een tussenperiode van minimaal 30 dagen, en één bezoek vanaf twee uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. Gedurende de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober) werden de bezoeken tussen een uur na zonsondergang en een uur voor zonsopkomst uitgevoerd met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. In deze periode werd minimaal twee uur geïnventariseerd per deelgebied. De inventarisaties werden postend en lopend uitgevoerd. Het plangebied en het omliggende gebied werden hierbij meerdere keren doorkruist. Tijdens alle onderzoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van vleermuizen.

2.5

Volledigheid inventarisatie

De inventarisaties werden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende protocollen zoals vastgesteld door Gegevensautoriteit Natuur en/of de onderzoeksrichtlijnen zoals die worden gesteld in de kennisdocumenten van de desbetreffende soorten. De inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnames. Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die niet waargenomen werden op een ander tijdstip wél aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het onderhavige onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

7

2.6

Onderzoeksinspanning, bezoektijden en weersomstandigheden

In onderstaande tabellen zijn de gegevens van de veldbezoeken weergegeven.

2.6.1 Veldbezoeken huismus Tabel 1. Datum, tijdstip en weersomstandigheden tijdens de huismusinventarisaties.

Datum 20-5-2019

31-5-2019

10-6-2019

19-6-2019

Tijdstip

Onderzochte

Naam

functies

medewerker

6:40 -

Nestplaatsen en

A. van Woersem

8:17

functioneel leefgebied

10:25 -

Nestplaatsen en

11:55

functioneel leefgebied

09:40-

Nestplaatsen en

11:40

functioneel leefgebied

13:02-

Nestplaatsen en

16:08

functioneel leefgebied

Weersomstandigheden

11°C, zwaar bewolkt, droog, 2 Bft

A. Visser

18°C, licht bewolkt, droog, 3 Bft

A. Visser

23°C, licht bewolkt, droog, 2 Bft

A. Visser

25°C, licht bewolkt, droog, 1 Bft

2.6.2 Veldbezoeken gierzwaluw Tabel 2. Datum tijdstip en weersomstandigheden tijdens de gierzwaluwinventarisaties.

Datum 28-5-2019

Tijdstip

Onderzochte

Naam

Weersomstandigheden

functies

medewerker

20:01 -

Nestplaatsen en

A. van Woersem

12°C, onbewolkt, droog, 1 Bft

21:52

nestindicerend

A. Visser

26°C, licht bewolkt, droog, 1

gedrag 25-6-2019

20:39 -

Nestplaatsen en

22:37

nestindicerend

Bft

gedrag 10-7-2019

20:05 –

Nestplaatsen en

22:00

nestindicerend

A. Visser

16°C, zwaar bewolkt, droog, 1 Bft

gedrag

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

8

2.6.3 Veldbezoeken vleermuizen Tabel 3. Datum tijdstip en weersomstandigheden tijdens de vleermuisinventarisaties. Deelgebied PP = Paulus Potterstraat, deelgebied FH = Frans Halsstraat.

Datum

Tijdstip

Deel-

Onderzochte functies

Gebeid 30-5-2019

21:28-

PP, FH

00:47

Naam

Weersomstandigheden

medewerker vliegroute,

A. van Woersem,

10 °C, licht bewolkt,

foerageergebied,

A. Visser

droog, 2 Bft

A. van Woersem

13 °C, licht bewolkt,

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats 30-6-2019

21:55-

PP

00:49

(laatvlieger) vliegroute, foerageergebied,

droog, 1 Bft

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats 1-7-2019

03:15-

PP

05:21

vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

12 °C, onbewolkt, droog, 1 Bft

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats 3-7-2019

22:01-

FH

00:09

(laatvlieger) vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

10 °C, onbewolkt, droog, 0 Bft

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats 4-7-2019

03:15-

FH

05:22

vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

13 °C, onbewolkt, droog, 1 Bft

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats 22-8-2019

22:24-

FH

00:57

vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

10°C, onbewolkt, droog, 1 Bft

paarverblijfplaats 27-8-2019

22:16-

PP

00:35

vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

21°C, onbewolkt, droog, 1 Bft

paarverblijfplaats 18-9-2019

21:00-

FH

23:04

vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

10°C, onbewolkt, droog, 0 Bft

paarverblijfplaats 19-9-2019

20:5423:06

PP

vliegroute,

A. van Woersem

foerageergebied,

11°C, onbewolkt, droog, 0 Bft

paarverblijfplaats

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

9

3. Resultaten 3.1

Huismusonderzoek

Binnen het plangebied zijn zowel bij de Paulus Potterstraat als de Frans Halsstraat enkele foeragerende huismussen waargenomen en het terrein maakt daardoor onderdeel uit van het functioneel leefgebied van deze dieren. Er werden binnen het plangebied geen waarnemingen van baltsende of territoriale mannetjes gedaan en er werden geen nestindicerende waarnemingen gedaan. Bij een aantal van de te slopen huizen aan de Paulus Potterstraat was aan de achterzijde de dakgoot niet meer aanwezig waardoor deze huizen niet meer of minder geschikt waren voor huismussen. Om vast te stellen of de aanwezige mussen mogelijk in de directe nabijheid van het plangebied nestelden, is ook in de omgeving gekeken naar nestindicerend gedrag. Daarbij zijn meerdere waarnemingen van baltsende mannetjes gedaan en 9 nesten van huismussen met zekerheid vastgesteld. De vastgestelde nesten liggen verspreid door de wijk. De afwezigheid van de nesten in het plangebied is waarschijnlijk het gevolg van de beperkte hoogte van de dakgoten. De te slopen woningen hebben de dakgoot op een meter of 3 zitten, terwijl de huizen in de omgeving allen de dakgoot op de tweede verdieping hebben. De hooggeplaatste dakgoten zijn voor bijvoorbeeld katten veel minder goed bereikbaar. De bijbehorende kaart met waarnemingen is opgenomen in Bijlage 1.

De activiteit van de mussen binnen het plangebied was beperkt, en het terrein betreft dan ook geen essentieel foerageergebied.

3.2

Gierzwaluwonderzoek

Tijdens de inventarisaties zijn binnen het plangebied alleen waarnemingen van overvliegende gierzwaluwen gedaan en werd er geen enkele vorm van nestindicerend gedrag waargenomen. Buiten het plangebied werden wel zeker 11 nestlocaties vastgesteld en nog enkele waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van mogelijke nestlocaties. De bijbehorende kaart met waarnemingen is opgenomen in Bijlage 2. Waarnemingen van gierzwaluwen die werden gedaan tijdens het vleermuisonderzoek zijn ook opgenomen in deze kaart.

3.3

Steenmarteronderzoek

De cameravallen hebben een maand op beide locaties gestaan. De camera die was gericht op de opening bij de woning leverde alleen beelden op van katten. De cameraval die aan de boom in één van de tuinen was geplaatst maakte naast foto’s van katten ook enkele foto’s van muizen en éénmaal van een egel. De aanwezigheid van steenmarters binnen het plangebied is daarmee redelijkerwijs uitgesloten.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

10

3.4

Vleermuisonderzoek

Hieronder worden per soort de functies beschreven die binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn waargenomen. De waarnemingskaarten zijn opgenomen in Bijlage 3 en Bijlage 4. De waarnemingskaarten zijn een interpretatie van de ecoloog van de vastgestelde soorten en functies tijdens de verschillende bezoeken. De aantallen stippen zijn dan ook geen directe indicatie voor de aantallen van in het gebied voorkomende vleermuizen.

Gewone dwergvleermuis Binnen het plangebied werden zowel aan de Paulus Potterstraat als de Frans Halsstraat tijdens de onderzoeken in de zomerperiode enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, echter was de mate van foerageeractiviteit in het plangebied beperkt. In de directe omgeving van het plangebied werden vergelijkbare aantallen gewone dwergvleermuizen foeragerend waargenomen. In beide deelgebieden werden van de gewone dwergvleermuis geen zomer- of kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Ook waren er geen vliegroutes van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Aan de Paulus Potterstraat werden in het complex De Nieuwe Brink, dat ten opzichte van het plangebied aan de overzijde van de straat ligt, wel 2 kleine zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld waarbij respectievelijk 1 en 2 dieren invlogen onder de nokpannen van het gebouw. Tijdens de najaarsrondes waren er in het deelgebied aan de Paulus Potterstraat naast enkele foeragerende dieren ook 2 roepende mannetjes van de gewone dwergvleermuis aanwezig. In het najaar vliegen mannetjes langdurig en al roepend rondjes in hun paarterritorium rondom hun verblijfplaats. Door de dieren langdurig te volgen kon worden vastgesteld dat één paarverblijf zich bevindt in Paulus Potterstraat 2-4 en de andere in Paulus Potterstraat 10-12.

Waar precies zich in de woning deze verblijfplaatsen bevonden kon niet worden vastgesteld, maar het is zeer aannemelijk dat de vleermuizen gebruik maakten van de gaten in de gevelbetimmering aan de zijgevels van de woningen. Er werd bij de Paulus Potterstraat ook nog een paarverblijf vastgesteld buiten het plangebied, bij de woning op de kruising met de Jan Steenstraat. In het deelgebied aan de Frans Halsstraat werd er in het najaar op beide avonden slechts één foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Er werden geen verblijfplaatsen in dit deelgebied vastgesteld.

Ruige dwergvleermuis Tijdens de onderzoeken werden alleen in het najaar enkele waarnemingen van ruige dwergvleermuizen gedaan. Deze werden alleen gedaan bij het deelgebied aan de Frans Halsstraat. Er werd vanuit het deelgebied ook een roepende ruige dwergvleermuis waargenomen waarvan de verblijfplaats uiteindelijk (buiten het plangebied) werd vastgesteld bij de zijgevel van de Pieter de Hooghstraat 9. Binnen het plangebied werden geen beschermde functies van de ruige dwergvleermuis vastgesteld.

Overige vleermuizen Tijdens de onderzoeken werden in beide deelgebieden enkele malen waarnemingen van hoog overvliegende laatvliegers en rosse vleermuizen gedaan. De dieren bleven niet in het plangebied om te foerageren. In het najaar werd in beide deelgebieden een foeragerende gewone grootoorvleermuis vastgesteld. In het deelgebied aan de Paulus Potterstraat werd aan de zuidrand tijdens de eerste ronde in het paarseizoen ook éénmaal een baltsroep van een gewone grootoorvleermuis opgenomen. Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

11

Grootoorvleermuizen vliegen (net als gewone dwergvleermuizen) vaak al roepend rondjes rondom hun verblijfplaats. Omdat er hierna geen baltsroepen van de gewone grootoorvleermuis zijn waargenomen is het aannemelijk dat een eventueel paarterritorium zich (ver) buiten het plangebied bevindt, ten zuiden van het deelgebied aan de Paulus Potterstraat. Er werden tijdens dit onderzoek geen beschermde functies van de hierboven vermelde soorten vastgesteld.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

12

4. Wettelijke bepalingen 4.1

Effectbepaling

Het plangebied wordt als foerageergebied gebruikt door de gewone dwergvleermuis en in zeer beperkte mate door ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Door de korte verblijfsduur van foeragerende dieren is het plangebied geen essentieel foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn zeer veel vergelijkbare locaties waar de dieren kunnen foerageren. Ook ligt de grens van de bebouwde kom op een afstand van circa 60 meter van de Paulus Potterstraat, waarbuiten zich uitgestrekte weilanden en bomenrijen bevinden. De sloop van de woningen en het rooien van het groen heeft daarom geen effect op de functionaliteit van verblijfplaatsen buiten het plangebied. Na de sloop wordt er met de nieuwbouw een situatie gecreëerd die grotendeels gelijk is aan de huidige situatie, bestaande uit zorgwoningen met tuinen, waardoor het terrein naar verwachting in de toekomst op dezelfde manier als foerageergebied kan worden gebruikt. Gedurende het onderzoek werden geen vliegroutes waargenomen. Essentiële vliegroutes worden daarom niet in het plangebied verwacht. Er werden geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen. In het plangebied zijn 2 paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aanwezig. Bij sloop van de woningen aan de Paulus Potterstraat 2-4 en 10-12 verdwijnen deze verblijfplaatsen en worden er mogelijk vleermuizen verwond of gedood.

4.2

Toetsing Wet natuurbescherming

Lokale gunstige staat van instandhouding Het plangebied bevat geen essentieel foerageergebied en in de directe omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig. Na de sloop en nieuwbouw is de geplande situatie vergelijkbaar met de huidige situatie. Bij de geplande ingreep verdwijnen wel 2 paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, wat een negatieve invloed heeft op de lokale gunstige staat van instandhouding. Ook kunnen de vleermuizen die gebruik maken van deze paarverblijfplaatsen tijdens de ingreep mogelijk worden verstoord of gedood. Indien er zowel tijdens als na de ingreep mitigerende maatregelen worden getroffen (zie hoofdstuk 5) waardoor er te allen tijde voor deze verblijfplaatsen goede alternatieven worden gerealiseerd en wordt voorkomen dat de dieren tijdens de sloop worden verstoord en/of gedood, is er geen negatief effect te verwachten op de lokale gunstige staat van instandhouding.

Verbodsbepalingen Door de ingreep verdwijnen 2 paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Deze negatieve effecten leiden tot een overtreding van Artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming, te weten: -

Lid 1 Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

-

Lid 2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

-

Lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

13

4.3

Voorwaarden voor een ontheffing

Conform artikel 3.3 lid 4 en artikel 3.8 lid 5 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing alleen worden verstrekt wanneer er is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden2: -

wanneer de ingreep valt onder een wettelijk belang (§4.3.1) en

-

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatievenafweging §4.3.2) en

-

wanneer de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (§4.3.3).

4.3.1

Belangen

De Wet natuurbescherming hanteert een aantal belangen waar een ingreep onder kan vallen. De belangen voor soorten van de Vogelrichtlijn verschillen van de belangen voor soorten van de Habitatrichtlijn. Voor de gewone dwergvleermuis zijn alleen de belangen van de Habitatrichtlijn van toepassing. Belangen Habitatrichtlijn 1.

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

3.

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

4.

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Aanvraag De ontheffing voor de voorgenomen werkzaamheden wordt aangevraagd voor belang 3 van de habitatrichtlijn: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

Onderbouwing van het belang Met de sloop en nieuwbouw van de woningen werkt de Woningstichting Barneveld aan de doelstelling om het woningbestand voor 2050 energieneutraal te maken. Door meer seniorenwoningen te realiseren op het bestaande terrein wordt er eveneens voldaan aan de groeiende vraag naar hoogwaardige seniorenwoningen.

2 Zie de wettekst in http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Hoofdstuk3

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

14

Uit een asbestinventarisatie, uitgevoerd door BME in 2019 (projectcode 10.03.0005), blijkt in en rond de woningen op meerdere plaatsen asbest aanwezig te zijn, waaronder in de gevelkachels, ontluchtingen, riolering, PTT kasten, beglazing en nog enkele andere locaties.

Bij een steekproef bleken de bergingszolders van 6 van de 8 woningen, door ruimtegebrek, te zijn ingericht als slaapvertrekken. Dit is zowel uit het oogpunt van veiligheid en comfort, maar ook regelgeving technisch niet toegestaan. De zolders voldoen niet aan de eisen die aan een slaapvertrek toebehoren. Zo zijn er veel te steile trappen en de brandwerendheid, ventilatie, lichttoetreding en elektrische installatie voldoen niet. De nieuw te bouwen woningen zullen voldoen aan Woonkeur (levensloopbestendig) en aan de BENG norm.

4.3.2

Alternatievenafweging

Voor de ingreep bestaat geen andere bevredigende oplossing. Alternatieven zouden beschikbaar kunnen zijn voor wat betreft locatie, inrichting, werkwijze en periode. Hieronder wordt onderbouwd waarom deze alternatieven niet van toepassing zijn. Locatie Om de verblijfplaatsen te behouden zouden de woningen zonder fysieke aanpassingen moeten worden behouden, terwijl deze niet meer voldoen aan de eisen voor bewoningen. Het overwegen van alternatieven ten aanzien van de locatie is daarom, binnen redelijke grenzen, niet mogelijk. Inrichting Ook voor wat betreft de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er geen alternatieven. Bij zowel renoveren als sloop met daaropvolgend nieuwbouw gaan de bestaande verblijfplaatsen verloren. Dit is, binnen redelijke grenzen, niet te voorkomen door het plangebied anders in te richten, zie verder toelichting bij § 4.3.1. Werkwijze Er is geen alternatieve werkwijze mogelijk waarbij de bestaande verblijfplaatsen van de vleermuizen mogelijk worden behouden. Bij zowel renovatie van de woningen, als bij sloop zullen de bestaande verblijfplaatsen worden vernietigd. Door de werkwijze tijdens de ingreep aan te passen kan worden voorkomen dat er vleermuizen worden gedood of verstoord.

Om deze reden worden de gebouwen voorafgaande aan de sloop eerst ongeschikt gemaakt voor gebruik door vleermuizen of wordt er alleen gesloopt in een periode waarin het gebruik door vleermuizen uitgesloten is. Voor details zie § 5.2. Planning Het verdwijnen van de verblijfplaatsen kan niet worden voorkomen door de planning aan te passen. Wel kan door de planning van de voorgenomen ingreep aan te passen verstoring, verwonden of het doden van vleermuizen worden voorkomen. Door de ingreep uit te voeren in periodes waarop de vleermuizen niet in de bebouwing aanwezig zijn en door te werken buiten de gevoelige periodes voor de vastgestelde functies, kunnen negatieve effecten van de ingreep worden beperkt. Deze zijn verder uitgewerkt in § 5.2. Aanvullend worden er tijdelijke vervangende paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis uiterlijk een halfjaar voor uitvoering van de sloop gerealiseerd. De sloop vindt plaats buiten de kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

15

4.3.3 Gunstige staat van instandhouding Habitatrichtlijn Het huidige Kennisdocument Gewone dwergvleermuis geeft aan dat soort algemeen en wijdverbreid voorkomt. Daarentegen geeft zij ook aan dat er geen harde uitspraken te doen zijn over de aantalsontwikkeling van de soort omdat er geen aanwijzingen voor toe- of afname in aantallen zijn. We beschouwen de landelijke populatie daarom als stabiel. De gewone dwergvleermuis komt algemeen voor in Nederland. De lokale populatie wordt beïnvloed door de aanwezigheid van 2 paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis binnen het plangebied. Voor de werkzaamheden worden maatregelen genomen die ervoor zorgen dat het doden en verwonden van vleermuizen wordt voorkomen (zie § 5.2). Daarnaast zijn er een half jaar voorafgaande aan de ingreep in de directe nabijheid van de bestaande verblijfplaatsen 8 alternatieve tijdelijke verblijfplaatsen gerealiseerd (zie § 5.1.1) en wordt de nieuwbouw geschikt gemaakt als nieuwe paar- zomer- en kraamverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis (zie § 5.1.2). Daarmee is de netwerkstructuur van beschikbare paarverblijfplaatsen zowel voor, tijdens als na de ingreep gewaarborgd.

Wanneer de in hoofdstuk 5 uitgewerkte voorwaarden aan de werkzaamheden en vooraf te nemen maatregelen worden uitgevoerd, wordt er zoveel mogelijk, als wat redelijkerwijs kan worden verwacht, aan gedaan om te voorkomen dat er dieren tijdens of ten gevolge van de ingreep worden gedood of verwond. Ook blijven hiermee de in het plangebied aanwezige functies voor de gewone dwergvleermuis zowel op de korte als lange termijn gewaarborgd. Hierdoor komt de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis (als gevolg van de ingreep) op geen enkel moment in gevaar.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

16

5. Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk is aangegeven welke maatregelen genomen dienen te worden om schade aan de gewone dwergvleermuis en de vastgestelde functies zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Hierbij wordt het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017) gevolgd. Werken conform de eisen uit het kennisdocument geeft een grote mate van zekerheid dat de mitigerende maatregelen van voldoende kwaliteit zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming zoveel mogelijk te voorkomen.

5.1

Alternatieve verblijfplaatsen gewone dwergvleermuis

5.1.1 Tijdelijke verblijfplaatsen Om de periode tussen sloop en voltooiing van de nieuwbouw te overbruggen zijn reeds in september 2019 in de directe nabijheid van het plangebied acht vleermuiskasten opgehangen die geschikt zijn als paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen. Er zijn vijf kasten geplaatst aan de bebouwing en één aan een boom aan de overzijde van de straat, direct ten zuidoosten van het plangebied aan de Paulus Potterstraat. Ook zijn er aan de bomen op de Noordersingel twee kasten geplaatst (zie Figuur 3). •

Om ervoor te zorgen dat de vleermuizen voldoende tijd hebben om de nieuw aangeboden vleermuiskasten te ontdekken, dient rekening te worden gehouden met een gewenningsperiode van minimaal zes maanden voorafgaande aan het paarseizoen (dat loopt van augustus – september).

•

Deze kasten moeten blijven hangen tot minimaal zes maanden nadat permanente verblijfplaatsen in de nieuwbouw gerealiseerd zijn als gewenningsperiode voor de vleermuizen. De periode vanaf 1 november t/m 31 maart tellen niet mee voor de gewenningsperiode.

•

Het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen is niet noodzakelijk. Wanneer de vleermuiskasten geen belemmering vormen komt het de vleermuizen ten goede als deze blijven hangen zolang de kasten functioneel zijn.

Figuur 3. De vleermuiskasten zijn geplaatst aan het gebouw en de bomen binnen de groene omlijning, direct gelegen naast het plangebied (rood omlijnd) met de vastgestelde paarverblijfplaatsen.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

17

5.1.2 Permanente verblijfplaatsen •

De nieuw te realiseren woningen worden voorzien van open stootvoegen waardoor de vleermuizen toegang krijgen tot de spouwmuur. Deze stootvoegen dienen 2 cm breed te zijn en op meerdere plaatsen (minimaal 5 per zijgevel), hoog op de gevel te worden aangebracht.

•

Om te voorkomen dat de vleermuizen verstrikt raken in het isolatiemateriaal dient er in de spouw een hard isolatiemateriaal te worden gebruikt.

5.1.3 Verlichting Licht werkt voor vleermuizen zeer verstorend. Daarom dient er bij het plaatsen van verlichting rekening te worden gehouden met het medegebruik van het plangebied door vleermuizen. Kunstlicht, zoals verlichting aan woningen zelf, bijvoorbeeld naast deuren en verlichting op bergingen en in tuinen dient naar beneden af te stralen en niet te fel te zijn. Dit kan door armaturen te kiezen waarbij het licht alleen naar beneden straalt en niet te felle lampen te gebruiken. Ook bij de keuze van het type en de locatie van de lantaarnpalen dient hiermee rekening te worden gehouden. Dit kan door te kiezen voor een armatuur wat naar beneden afstraalt en de palen niet te dicht op de zijgevels van woningen te plaatsen. Zo kan worden voorkomen dat de nieuwe verblijfplaatsen als gevolg van kunstlicht ongeschikt raken. Aanvullend is het mogelijk om speciale vleermuisvriendelijke rode of amberkleurige lampen te gebruiken, maar dit is, indien de overige verlichting niet overvloedig en volgens bovenstaande richtlijnen wordt geplaatst, geen vereiste.

Door bovenstaande maatregelen te treffen ontstaan voor gewone dwergvleermuizen op zeker 8 zijgevels diverse mogelijkheden om paarverblijfplaatsen in te nemen die duurzaam kunnen voortbestaan.

5.2

Aangepaste werkwijze gewone dwergvleermuis.

Bij de woningen aan de Frans Halsstraat werden geen verblijfplaatsen vastgesteld en geen openingen gevonden waardoor vleermuizen naar binnen konden komen. Deze gebouwen mogen zonder aanvullende maatregelen voor vleermuizen worden gesloopt. Wel dient bij de sloop rekening te worden gehouden met het broedseizoen (zie § 5.3). Voor de woningen aan de Paulus Potterstraat kunnen voor de gewone dwergvleermuis drie werkwijzen worden gehanteerd. De eerste vindt plaats in de zomerperiode, voorafgaande aan hat paarseizoen, de tweede vindt plaats na afloop van het paarseizoen en de derde vindt plaats in de winter na strenge vorst.

5.2.1 Werkwijze optie 1, zomerperiode 2020 Omdat de alternatieve verblijfplaatsen begin september 2019 zijn aangebracht, mag er in de periode van 1 t/m 15 juli 2020 worden gestart met het ongeschikt maken van de gebouwen van bewoning door vleermuizen. Indien het ongeschikt maken niet in de deze periode wordt uitgevoerd kan dit pas weer na de kwetsbare periode van het paarseizoen, na 15 oktober 2020. Van de bebouwing dienen alle openingen afgesloten te worden. Dit moet gebeuren met ‘exclusion flaps’. Dit zijn stukken stevig plastic folie die aan bovenzijde en aan de zijkanten tegen de muur worden bevestigd zodat deze openingen, zoals stootvoegen, afdekken. Aan de onderzijde hangen deze flappen los. Dit biedt vleermuizen wel de mogelijkheid weg te komen, maar verhindert terugkeer. Op sommige plaatsen aan de zijgevels is het niet mogelijk om de gaten in de betimmering te dichten met behulp van exclusion flaps. Hier dient de betimmering voorzichtig te worden verwijderd. Ook dienen de onderste rijen dakpannen en gevelpannen te worden verwijderd. Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

18

Na deze werkzaamheden dient het gebouw voor minimaal drie dagen met avondtemperaturen van meer dan 10 ºC ongemoeid te blijven voorafgaande aan de sloop, of het hermetisch afsluiten van het gebouw voor vleermuizen. Dit laatst kan bijvoorbeeld door alle openingen te dichten met pur-schuim. Het ongeschikt maken voor vleermuizen moet onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen worden uitgevoerd. Om er zeker van te zijn dat het gebouw niet meer wordt gebruikt door vleermuizen dient er een vleermuisronde worden uitgevoerd. Indien is vastgesteld dat het gebouw niet meer wordt gebruikt kan het worden vrijgegeven voor sloop. Als tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen moeten de werkzaamheden onmiddellijk worden stopgezet en moet een vleermuisdeskundige worden geraadpleegd over de manier waarop de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden met zo min mogelijk negatieve effecten voor de aangetroffen vleermuizen.

5.2.2 Werkwijze optie 2, winterperiode 2020 Indien het ongeschikt maken niet voorafgaande aan de paarperiode wordt uitgevoerd kan dit pas weer na de kwetsbare periode van het paarseizoen, na 15 oktober 2020, maar voor de winterperiode die ingaat rond 30 oktober 2020. Van de bebouwing dienen alle openingen afgesloten te worden. Dit moet gebeuren met ‘exclusion flaps’. Dit zijn stukken stevig plastic folie die aan bovenzijde en aan de zijkanten tegen de muur worden bevestigd zodat deze openingen zoals stootvoegen afdekken. Aan de onderzijde hangen deze flappen los. Dit biedt vleermuizen wel de mogelijkheid weg te komen maar verhindert terugkeer. Op sommige plaatsen aan de zijgevels is het niet mogelijk om de gaten in de betimmering te dichten met behulp van exclusion flaps. Hier dient de betimmering voorzichtig te worden verwijderd. Ook dienen de onderste rijen dakpannen en gevelpannen te worden verwijderd. Na werkzaamheden dient het gebouw minimaal drie dagen met avondtemperaturen van meer dan 10 ºC ongemoeid te blijven voorafgaande aan de sloop, dan wel het hermetisch afsluiten van het gebouw voor vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld door alle openingen te dichten met pur-schuim. Het ongeschikt maken voor vleermuizen moet onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen worden uitgevoerd.

Om er zeker van te zijn dat het gebouw niet meer wordt gebruikt door vleermuizen dient er een vleermuisronde worden uitgevoerd. Indien is vastgesteld dat het gebouw niet meer wordt gebruikt kan het worden vrijgegeven voor sloop. Als tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen moeten de werkzaamheden onmiddellijk worden stopgezet en moet een vleermuisdeskundige worden geraadpleegd over de manier waarop de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden met zo min mogelijk negatieve effecten voor de aangetroffen vleermuizen.

5.2.3

Werkwijze optie 3, winterperiode 2020 na strenge vorst

Omdat de gebouwen niet meer zijn verwarmd ,zijn deze niet meer geschikt als winterverblijfplaats bij aanhoudende lage temperaturen. Bij te lage temperaturen vertrekken gewone dwergvleermuizen naar grotere en meer temperatuurstabiele verblijfplaatsen. Er kan na enkele dagen van aanhoudende vorst vanuit worden gegaan dat het gebouw niet meer wordt gebruikt door vleermuizen, waarna het zonder aanvullende maatregelen in de winterperiode kan worden gesloopt. Om vast te stellen of er reeds voldoende vorst is geweest dient een deskundige op het gebied van vleermuizen te worden geraadpleegd.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

19

5.3 5.3 •

Overige maatregelen Bij alle activiteiten binnen het plangebied dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels, dat globaal loopt van 15 maart tot en met eind juli. Indien er in deze periode activiteiten in het plangebied plaats moeten vinden die mogelijk zorgen voor verstoring van broedvogels (zoals sloop, sanering, rooien etc.), dan is het raadzaam om ruim voorafgaande aan het broedseizoen het aanwezige groen te verwijderen.

•

Indien gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, dient deze zoveel mogelijk beperkt te worden en gericht te worden op die plaatsen waar verlichting nodig is. Uitstraling van verlichting naar boven, naar water en naar de omgeving toe moet zoveel mogelijk voorkomen worden door gebruik te maken van armaturen die licht bundelen.

•

Alle werkzaamheden die een negatief effect kunnen hebben op de gewone dwergvleermuis moeten aantoonbaar worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen.

Voordat de ingreep plaatsvindt dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

6. Conclusies en vervolgstappen 6.1

Conclusies

Algemeen •

Het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de voor de huismus, gierzwaluw, steenmarter en vleermuizen geldende protocollen, waardoor gesteld kan worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd.

•

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

Resultaten •

Er zijn geen nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen vastgesteld.

•

Het plangebied wordt niet gebruikt door steenmarter.

•

Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Het betreft geen essentieel foerageergebied.

•

Gedurende het onderzoek werden binnen het plangebied geen vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Het is waarschijnlijk dat in het plangebied geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn.

•

In het plangebied zijn twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig.

Effecten •

Bij de voorgenomen ingreep verdwijnen twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en worden mogelijk vleermuizen verstoord, verwond of gedood.

Toetsing •

Met het uitvoeren van de werkzaamheden worden lid 1, 2 en 4 van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

20

Mitigatie •

Er zijn reeds tijdelijke mitigerende voorzieningen getroffen. In de nieuwbouw worden permanente mitigerende voorzieningen getroffen.

6.2 •

Vervolgstappen Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd, het mitigatieplan dient als onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag.

•

Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

21

7. Bronnen 7.1 -

Literatuur Barataut, M., 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Species Identification, Study of their Habitats and Foraging Behaviour. Biotope, Mèze. Muséum national d’Histoire naturelle, Paris [Inventaires et biodiversité series].

-

BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

-

BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

-

BIJ12, 2017. Kennisdocument Huimus Passer domesticus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

-

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016.Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist.

-

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur.

-

Middleton, N., A. Froud & K. French. (2014) Social Calls of the Bats of Britain and Ireland. Pelagic Publishing, Exeter.

-

Pfalzer, G., 2002.Inter- und intraspezifische Variabilität der Soziallaute. Fachbereich Biologie der Universität Kaiserslautern.

-

Sachteleben, J. & O. von Helversen, 2006.Songflight behaviour and mating system of the pipistrelle bat (pipistrellus pipistrellus) in an urban habitat.In: Acta Chiropterologica 8(2): 391-401.

-

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. [http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol. (19-122019)].

7.2 -

Websites www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingen-wetnatuurbescherming/

-

www.batecho.eu

-

www.telmee.nl

-

www.vleermuis.net

-

www.waarneming.nl

-

https://www.verspreidingsatlas.nl/

-

www.zoogdiervereniging.nl

-

https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01

7.3 -

Projectgerelateerde bronnen Bolle, H., 2019, Natuuronderzoek sloop gebouwen Voorthuizen, R002-1270081HLB-V01-rlk-NL, Tauw.

-

BME, 2019. Rapportage Asbestinventarisatie de onderzochte woningen van complex 706 gelegen aan de Paulus Potterstraat en Frans Halsstraat te Voorthuizen. Projectnummer 10.03.0005.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

22

Bijlage 1. Waarnemingskaart huismus Plangebieden

Broedvogels Huismus Ter plaatse Roepend baltsend zingend est indicerend gedrag

estlocatie

Waarnemingen van huismus aan de Paulus Potterstraat en rans Halsstraat complex 706 in Voorthuizen. Inventarisatie 0 . pdrachtgever Woningstichting Barneveld Projectnummer 7 Datum 0. . 0

0

0

60

0

0m

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

23

Bijlage 2. Waarnemingskaart gierzwaluw Plangebieden

Broedvogels ierzwaluw vervliegend Roepend est indicerend gedrag

estlocatie

Waarnemingen van gierzwaluw aan de Paulus Potterstraat en rans Halsstraat complex 706 in Voorthuizen. Inventarisatie 0 . pdrachtgever Woningstichting Barneveld Projectnummer 7 Datum 0. . 0

0

0

60

0

0m

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

24

Bijlage 3. Waarnemingskaart gewone en ruige dwergvleermuis

Plangebieden

Vleermuizen ewone dwergvleermuis oeragerend Roepend omerverblijfplaats in gebouw

Paarverblijfplaats in gebouw Ruige dwergvleermuis oeragerend Roepend Paarverblijfplaats in gebouw

Waarnemingen van gewone en ruige dwergvleermuis aan de Paulus Potterstraat en rans Halsstraat complex 706 in Voorthuizen. Inventarisatie 0 . pdrachtgever Woningstichting Barneveld Projectnummer 7 Datum 0. . 0

0

0

0

60

0m

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

25

Bijlage 4. Waarnemingskaart overige vleermuizen

Vleermuizen ewone grootoorvleermuis oeragerend Roepend aatvlieger oeragerend Rosse vleermuis oeragerend

Waarnemingen van overige vleermuissoorten aan de Paulus Potterstraat en rans Halsstraat complex 706 in Voorthuizen. Inventarisatie 0 . pdrachtgever Woningstichting Barneveld Projectnummer 7 Datum 0. . 0

0

0

0

60

0m

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

26

Bijlage 5. Wet natuurbescherming Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent drie pijlers, namelijk: •

bescherming van Natura 2000-gebieden,

•

bescherming van soorten,

•

bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is er een belangrijke plaats ingeruimd voor de zorgplicht (artikel 1.11). Vanuit deze zorgplicht moeten handelingen achterwege blijven waarvan men kan vermoeden zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde gebieden of soorten. In dit hoofdstuk volgt een eenvoudige weergave van de essentie van de Wet natuurbescherming, voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen en festiviteiten. Verbodsartikelen worden voor de leesbaarheid vereenvoudigd weergegeven. Raadpleeg voor de exacte formulering de wetstekst (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2016-34.html).

Bescherming Natura 2000-gebieden Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: •

leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of

•

natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Verboden (volgens artikel 2.7, lid 2) is elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: •

de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of,

•

een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

De activiteit kan alleen doorgang vinden als Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verlenen. Voor diverse werkzaamheden in nationaal belang (zoals werkzaamheden rond de hoofdspoorwegen) is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag.

Bescherming van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: •

beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,

•

beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,

•

beschermingsregime andere soorten.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

27

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Op basis van artikel 3.1 is het verboden om: 1.

opzettelijk vogels te doden of te vangen;

2.

opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen;

3.

eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben;

4.

opzettelijk vogels te storen.

Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kan het verlaten van nesten als gevolg van verstoring leiden tot het indirect doden van dieren of het aantasten van de functionaliteit van nesten en dus tot een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest zijn verdeeld over vier categorieën waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn vallen alle dieren uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a,

•

het Verdrag van Bern, bijlage II,

•

het Verdrag van Bonn, bijlage I,

en alle planten uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b,

•

het Verdrag van Bern, bijlage I.

Volgend artikel 3.5 is het verboden om, voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

opzettelijk dieren te verstoren;

3.

opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen;

4.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

5.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de genoemde bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn staan ook diverse vogelsoorten genoemd. Dit betekent dat voor deze soorten het (ver)storen ook verboden is wanneer dit geen effect heeft op de instandhouding van de betreffende soort.

Beschermingsregime andere (nationale) soorten nder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens artikel 3.10. is het verboden om, voor zover het soorten uit deze lijst betreft: Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

28

1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

3.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten, en geven een initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de Minister van Economische zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: •

geen andere bevredigende oplossing bestaat;

•

geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort;

•

en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen (artikel 3.3, lid 4b, artikel 3.8, lid 5b en artikel 3.10, lid 2).

Voor het beschermingsregime overige soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang.

Bescherming van houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens artikel 4.2 vallen buiten de bescherming houtopstanden: •

houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden;

•

houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

•

naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed;

•

uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

•

het dunnen van een houtopstand;

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o

ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

o

bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter;

o

zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

29

Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland.

Wet dieren De Wet natuurbescherming kent geen verbod op het verwonden van dieren. Dit is namelijk al verboden in de Wet dieren. Volgens artikel 2.1 van de Wet dieren, eerste lid, is het namelijk verboden om: •

zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid, maar alleen als het belang van het welzijn van dieren zich er niet tegen verzet. Een ontheffing is niet nodig wanneer vaststaat dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. In deze rapportage wordt niet getoetst aan de Wet dieren.

Soortgericht onderzoek, mitigatieplan en werkprotocol | Complex 706 Voorthuizen | RA19227-01

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=c5b6bd6e-18e8-41e8-942b-dd5bd502f588