Paulus Potterstraat-Frans Halsstraat_Toelichting_Bijlage 5 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Natuuronderzoek sloop gebouwen Voorthuizen 17 april 2019
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Verantwoording Titel
Natuuronderzoek sloop gebouwen Voorthuizen
Opdrachtgever
Woonstichting Barneveld
Projectleider
Tim Vaessen MSc
Auteur(s)
Harm Bolle
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Harm Bolle
Projectnummer
1270081
Aantal pagina’s
20
Datum
17 april 2019
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 911 E info.deventer@tauw.com
2/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Doel .................................................................................................................................... 4
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 4
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 4
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 5
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 5
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 6 2.1
Huidige situatie................................................................................................................... 6
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8
Soortenbescherming ................................................................................................................. 9 3.1
Beschermingsregime en bepalingen .................................................................................. 9
3.2
Vrijstellingen ....................................................................................................................... 9
3.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 10
3.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 10
3.5
Effecten ............................................................................................................................ 12
3.5.1
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 12
3.5.2
Vleermuizen .............................................................................................................. 12
3.5.3
Broedvogels .............................................................................................................. 14
3.6
Biodiversiteitskansen ....................................................................................................... 16
4
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 17
5
Literatuur ................................................................................................................................. 19
3/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Woningstichting Barneveld heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de sloop van complex 706 in Voorthuizen. Het gaat hierbij om de woningen aan de Paulus Potterstraat 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14 en 14.1 en de woningen aan de Frans Halsstraat 22 en 24 in Voorthuizen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • • •
Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig?
•
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.2
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb
Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming (vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna). Een toetsing aan beschermde gebieden en houtopstanden is niet nodig. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) waardoor toetsing hieraan niet noodzakelijk is. In Gelderland geldt geen externe werking voor het NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe ligt op circa 3,6 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand, de kleinschaligheid van het voornemen en de tussenliggende bebouwing is niet te verwachten dat de sloopfase negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, trillingen, licht en stikstof.
4/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Het bevoegd gezag kan echter altijd om een stikstofberekening vragen. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Voorthuizen. Hierdoor is toetsing aan het onderdeel ‘houtopstanden’ van de Wnb niet nodig. Mogelijk is een omgevingsvergunning vereist (Gemeente Barneveld, 2019).
1.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • •
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H5) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html)
•
Een oriënterend veldbezoek op 4 april 2019
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten en gebieden in of in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
5/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied en de nummering van de gebouwen. Het gaat om de woningen aan de Paulus Potterstraat 2,4, 6, 8, 10, 12, 14 en 14.1 en de woningen aan de Frans Halsstraat 22 en 24. De woningen zijn allen een twee-onder-een-kapwoningen met een eigen voor- en achtertuin. Het plangebied ligt in een woonwijk met woonhuizen en een verzorgingstehuis in het noorden van Voorthuizen. Het buitengebied ligt één woonblok buiten de Paulus Potterstraat en bestaat uit boerderijen, akkers, een beek en wegen. Figuur 2.2. geeft een impressie van het plangebied weer. Paulus Potterstraat In deze straat staan vier gebouwen met in totaal 8 woningen. De woningen hebben een voor- en achtertuin en de kopgevel is gedeeltelijk met planken beslagen. In de tuinen staan garages en schuren. Door werkzaamheden zijn enkele tuinen deels gerooid. Van een aantal woningen zijn aan de achterzijde de eerste dakpannenrij en de dakgoot al verwijderd. Daarnaast zijn rond de schoorstenen en op de nok van het dak enkele dakpannen verwijderd. De woningen en schuren zijn grotendeels dichtgetimmerd. De woningen waren tijdens het veldbezoek toegankelijk, de schuren waren grotendeels ontoegankelijk. De tuinen bestaan uit bestrating, gras, struiken, heggen, kleine ruigtes en schuttingen. In één achtertuin is een poel aangetroffen.
Aan de straatzijde staat een bomenrij die buiten het plangebied valt. Dit zijn relatief jonge bomen met een stamdoorsnee kleiner dan 20 centimeter. Aan de overkant van de straat staat een verzorgingstehuis, aan de straatzijde staan hier een aantal heggen, twee grote ruwe berken en twee grote lindes. Frans Halsstraat In deze straat staat op de hoek met de Pieter de Hooghstraat één gebouw in dezelfde stijl als in de Paulus Potterstraat. De twee woningen hebben een gedeeltelijke met planken beslagen kopgevel en een omliggende tuin. Van deze twee woningen zijn de dakgoten en dakpannen niet verwijderd. De woningen en schuren in zijn grotendeels dichtgetimmerd. De woningen waren toegankelijk , de schuren waren grotendeels afgesloten. De tuinen bestaan uit bestrating, gras, heggen en kleine ruigtes en zijn van elkaar gescheiden door een schutting. In de tuinen zijn geen poelen aangetroffen. Aan de overzijde van de straat is een bomenrij aanwezig met onderstaande, lage, struiken. Het zijn relatief jonge bomen met een stamdoorsnee kleiner dan 25 centimeter.
6/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied en huisnummers. Noordelijk de woningen aan de Paulus Potterstraat, zuidelijk de woningen aan de Frans Halsstraat
7/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied, de woningen in beide locaties zijn vergelijkbaar, foto’s zijn van zowel de Paulus Potterlaan als de Frans Halsstraat.
2.2
Beoogde ontwikkeling
De acht woningen aan de Paulus Potterstraat en de twee woningen aan de Frans Halsstraat worden gesloopt. Hierbij wordt het terrein volledig vrij gemaakt wordt van bebouwing, bestrating en begroeiing. De ontwikkeling van het terrein na afronding van de sloop is onbekend.
8/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag of de beoogde activiteiten schade op beschermde flora en fauna tot gevolg (kunnen) hebben.
3.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • • •
Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
3.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Gelderland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van de ontheffingsplicht (Provincie Gelderland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.
9/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren Hrl/
Planten
Dieren
Planten
Hrl/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
3.5.1
Storen/verstoren
3.1.4
3.5.2
3.10.1.a
(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: •
Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming
•
Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet
•
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet
3.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
3.4
Literatuuronderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van de soortgroepen weergegeven in tabel 3.2.
10/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Tabel 3.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Akkerogentroost (artikel 3.10)
Grondgebonden zoogdieren
Boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, wild zwijn, edelhert, waterspitsmuis (allen artikel 3.10)
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, franjestaart (allen artikel 3.5)
Vogels
Algemene broedvogels (artikel 3.1)
Vogels jaarrond beschermd
Boomvalk, buizerd, havik, roek, slechtvalk, sperwer, wespendief, gierzwaluw, huismus, kerkuil, ransuil en steenuil (allen artikel 3.1)
Amfibieën
Heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad (artikel 3.5)
Reptielen
Hazelworm, levendbarende hagedis (beide artikel 3.10) zandhagedis (artikel 3.5)
Vlinders
Zilveren maan (artikel 3.10)
Overige ongewervelden
Vliegend hert
Libellen, vissen
Niet van toepassing
Het voorkomen van de volgende soort(groep)en binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten: • Flora, omdat het plangebied geen geschikte standplaatsfactoren biedt voor beschermde flora. Akkerogentroost komt voor op akkerranden en verstoorde, vochtige gronden. Door de
•
werkzaamheden is de grond in de tuinen deels verstoord, echter is de bodem vrij droog. Hierdoor is het voorkomen van beschermde flora in het plangebied uitgesloten Amfibieën, omdat in het plangebied geen oppervlaktewater (voor voortplanting van amfibieën) aanwezig is. In één achtertuin is een kunstmatige poel aanwezig van circa 1.5 vierkante meter groot. Het is uitgesloten dat de vijver wordt gebruikt door heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Dit komt omdat de poel erg klein is en vrij snel diep wordt. Daarnaast zijn de tuinen geïsoleerd door bebouwing en intensieve akkers ten opzichte van bekende populaties. Hierdoor is migratie en het voorkomen van winterhabitat voor bovenstaande soorten in de tuinen van de woningen ook uitgesloten
•
Reptielen, omdat er in het plangebied geen geschikt habitat aanwezig is. Door het ontbreken van heide, hoogveen, struweelduin, open bossen, bosranden en houtwallen is het voorkomen van hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis uitgesloten
•
Vlinders, omdat er in het plangebied geen geschikt habitat aanwezig is. Door het ontbreken van natte tot vochtige, schrale graslanden en bloemrijke hooi- of rietlanden is het voorkomen van zilveren maan uitgesloten
•
Overige ongewervelden, omdat er in het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig is. Door de afwezigheid van rottend eikenhout is er geen geschikt leefgebied aanwezig voor vliegend hert
11/20
Kenmerk
3.5
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Effecten
3.5.1 Grondgebonden zoogdieren In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van of is geschikt biotoop aanwezig voor boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, wild zwijn, edelhert en waterspitsmuis. Het voorkomen van steenmarter kan door het voorkomen van geschikte schuilplaatsen in de kruipruimten en toegangsmogelijkheden niet worden uitgesloten. Het gaat hierbij om alle woningen in de Paulus Potterstraat. Hier zijn door werkzaamheden verschillende openingen in de woningen gemaakt. In de Frans Halsstraat zijn geen openingen aangetroffen die voor steenmarter als toegang kunnen dienen. Het voorkomen van steenmarter is hier uitgesloten. Mochten door werkzaamheden in het gebouw openingen worden gemaakt, kan er geschikt leefgebied voor steenmarter ontstaan. Negatieve effecten op steenmarter kunnen in de Paulus Pottestraat niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar het voorkomen van steenmarter is daarom nodig. Boommarter, das en eekhoorn komen in de bebouwing of in het buitengebied van Voorthuizen voor. In het plangebied zijn geen nesten, burchten, sporen (wissels en uitwerpselen) of potentiele nestlocaties aangetroffen. Het voorkomen van das is uitgesloten. Het plangebied vormt hoogstens foerageergebied voor boommarter en eekhoorn.
In de omgeving van het plangebied is voldoende alternatief en geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van tuinen en openbaar groen. Hierdoor is het plangebied geen essentieel foerageergebied voor boommarter en eekhoorn. Negatieve effecten op boommarter, das en eekhoorn zijn daarom uitgesloten. Het voorkomen van wild zwijn, edelhert en waterspitsmuis is door het ontbreken van geschikt leefgebied uitgesloten. In het plangebied ontbreekt het aan begroeide oevers en voldoende dekking en rust. Conclusie: De aanwezigheid van en een negatief effect op steenmarter kan in de Paulus Potterstraat niet worden uitgesloten, hiervoor is nader onderzoek vereist. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd middels cameravallen en kan jaarrond plaatsvinden. Voordat het nader onderzoek is afgerond kan niet met zekerheid gezegd worden of en op welke manier de werkzaamheden negatieve effecten op steenmarter kan hebben. Als uit het nader onderzoek blijkt dat negatieve effecten (kunnen) ontstaan als gevolg van de werkzaamheden, dan is een ontheffing nodig. Negatieve effecten op overige grondgebonden zoogdieren als gevolg van de werkzaamheden zijn uitgesloten. 3.5.2 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld.
Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen.
12/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Verblijfplaatsen Tijdens het oriënterende veldbezoek heeft de ecoloog mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. In alle woningen zijn aan de kopgevels potentiele ingangen in de spouwmuur aangetroffen. In de woning aan Paulus Potterstraat 4 is een dode vleermuis aangetroffen (zie figuur 3.1). In alle gebouwen worden zomer-, paar,- en winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verwacht. Het gaat hierbij om gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Baardvleermuis en franjestaart zijn bekend in de winter gebouwbewonend te zijn. Door de afwezigheid van bunkers of ijskelders worden van deze twee soorten in het plangebied geen winterverblijfplaatsen verwacht.
Figuur 3.1 Potentiele ingangen voor gebouw bewonende vleermuizen. Linksonder, dode vleermuis aangetroffen in Paulus Potterstraat 4
In het plangebied zijn in de voor- en achtertuinen enkele bomen aanwezig. Hierin zijn geen geschikte holten of los schors aangetroffen die door boombewonende vleermuizen als zomer-, paar-, kraam- en winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden. Negatieve effecten op boombewonende vleermuissoorten zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en franjestaart zijn uitgesloten. Voor gebouwbewonende vleermuissoorten is nader onderzoek en mogelijk een ontheffing nodig, voor boombewonende vleermuissoorten is dit niet nodig.
13/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Vliegroutes en foerageergebied Het plangebied kan door vleermuizen gebruikt worden als (deel van een) vliegroute of foerageergebied. Deze vliegroute is echter niet essentieel gezien er in de bebouwde kom van Voorthuizen veel straten met begroeiing zijn die als vliegroute kunnen dienen. Door het voorkomen van voldoende alternatieve vliegroutes zal het voornemen geen negatief effect hebben op de mogelijk aanwezige vliegroutes. De tuinen en aanliggende straat vormen geen essentieel foerageergebied voor mogelijk aanwezige vleermuizen. Essentieel foerageergebied voor vleermuizen wordt gevormd door de bomenrijen en bosranden ten noordoosten en zuiden van Voorthuizen. Een negatief effect door het voornemen op foerageergebied is uitgesloten. Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is niet vereist Conclusie vleermuizen Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in de spouwmuren van alle woningen in het plangebied zijn niet uit te sluiten. Negatieve effecten door het voornemen zijn niet volledig bekend. Om hierover een uitsluitsel te kunnen geven is nader soortgericht onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen nodig. Het onderzoek moet gericht worden op gebouwbewonende vleermuissoorten. Om dit onderzoek uit te voeren is het nodig om in de periode 15 mei tot 15 juli drie veldbezoeken uit te voeren.
In de periode 15 augustus tot 30 september dienen daarnaast twee veldbezoeken uitgevoerd te worden. Pas na afronding van dit onderzoek kan bepaald worden of een essentiële vliegroute en verblijfplaatsen aanwezig zijn en of en hoe de werkzaamheden hier negatieve effecten op (kunnen) hebben. Als blijkt dat negatieve effecten op kunnen treden, dan is een ontheffing nodig van de Wnb. Als blijkt dat geen essentiële vliegroute en verblijfplaatsen aanwezig zijn, dan kunnen de werkzaamheden na afronding van het onderzoek gestart worden. Het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn uitgesloten. Daarnaast is het voorkomen van essentiële vliegroutes of foerageergebieden ook uitgesloten. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, essentiële vliegroutes en foerageergebieden is niet nodig. 3.5.3
Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldbezoek heeft de ecoloog in het gehele plangebied huismussen gezien en gehoord. Daarnaast zijn in het plangebied potentieel geschikte verblijfplaatsen voor gierzwaluw aangetroffen. Langs de Paulus Potterstraat zijn aan de achterzijde van een aantal woningen voorafgaand aan het veldbezoek de dakgoten en de eerste pannenrij verwijderd. Het kan niet uitgesloten worden dat in het gehele plangebied nestplaatsen van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn. Bij de aanwezigheid van nesten van de huismus en gierzwaluw ontstaan door het voornemen vrijwel zeker negatieve effecten op deze nesten. Daarom is nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw noodzakelijk.
14/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Het voorkomen van vaste nest- en rustplaatsen van boomvalk, buizerd, havik, roek, sperwer, ransuil, wespendief kerkuil, steenuil en slechtvalk is uitgesloten door de afwezigheid van forse nesten in bomen, nestkasten, kalksporen, braakballen en hoge nissen en richels om te nesten. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van alle inheemse vogels zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn potentieel geschikte nestplaatsen van broedvogels aangetroffen. In en om alle gebouwen en bijhorend groen zijn houtduiven, eksters, kauwen, merels, roodborst en pimpelmezen waargenomen. In de begroeiing in de tuinen, schuren en in bouwwerken aan de woningen zijn op meerdere locaties nesten van algemene broedvogels zoals winterkoning aangetroffen. De werkzaamheden kunnen verstorende effecten hebben op in gebruik zijnde nesten van broedvogels in de nabijgelegen struiken en bomen. Door rekening te houden met broedvogels kan deze verstoring echter wel voorkomen worden. Dit kan door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In de maanden oktober tot en met februari kan in dit geval gewerkt worden zonder dat nesten verstoord raken. In de maanden maart tot en met juli (het reguliere broedseizoen) is het ten zeerste af te raden om werkzaamheden uit te voeren.
In de tussenliggende periode (aug-sept), of als toch tijdens het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Als tijdens deze broedvogelcontrole een broedgeval aanwezig blijkt, dient gewerkt te worden met een verstoringsvrije zone totdat het nest verlaten is. Zowel de broedvogelcontrole als de bepaling van de verstoringsvrije zone moeten door een ter zake kundige ecoloog uitgevoerd worden. Hoewel in de regel tussen oktober en februari gewerkt kan worden zonder nesten te verstoren dient wel ten alle tijden rekening gehouden te worden met broedvogels. Als tijdens de werkzaamheden in deze periode een broedgeval wordt ontdekt, dienen de werkzaamheden onmiddellijk gestaakt te worden. Daarna moet in overleg met een ecoloog bepaald worden of en welke verstoringsvrije zone aangehouden moet worden. Nadat het nest verlaten is, kan weer gewerkt worden. Conclusie: De aanwezigheid van en negatieve effecten op huismus en gierzwaluw kunnen niet worden uitgesloten, hiervoor is nader onderzoek vereist. Het nader onderzoek naar huismus houdt in dat er in de periode van 1 april tot 20 juni tweemaal een veldbezoek uitgevoerd wordt. Het nader onderzoek naar gierzwaluw houdt in dat er in de periode van 15 mei tot eind juli driemaal een veldbezoek wordt uitgevoerd.
Minimaal één inventarisatie moet tussen 20 juni en 7 juli plaatsvinden. Bij aanwezigheid van nesten in de te slopen gebouwen, is een ontheffing van de Wnb nodig. Negatieve effecten op overige jaarrond beschermde vogels als gevolg van de werkzaamheden zijn uitgesloten. Geadviseerd wordt om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om verstoring van nestelende algemene broedvogels te voorkomen. Een broedvogelcontrole voor aanvang van werkzaamheden is vereist.
15/20
Kenmerk
3.6
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Biodiversiteitskansen
In lijn met de ‘werkroute openbare ruimte’ uit het Deltaplan Biodiversiteitsherstel (2018) denken wij dat we de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland kunnen helpen stoppen, door samen met u te kijken naar concrete (realistische) mogelijkheden in projecten. Als ecologen van Tauw streven wij ernaar om in onze onderzoeken breder te kijken dan alleen naar de strikt beschermde soorten binnen het plangebied. Wij signaleren kansen voor versterking van biodiversiteit en voor natuurinclusieve maatregelen. Het Deltaplan Biodiversiteitsherstel is eind 2018 gepresenteerd en wordt door de minister van LNV ondersteund (kamerbrief, februari 2019). De noodzaak iets te doen voor biodiversiteit in de openbare ruimte wordt in het deltaplan als volgt samengevat: “De inrichting en het beheer van bestaande en nieuwe infrastructuur, bedrijventerreinen, waterbeheer en andere aspecten van de openbare ruimte dragen momenteel onvoldoende bij aan biodiversiteit. Dat moet anders want voor herstel van biodiversiteit is de openbare ruimte hard nodig: het groen moet groen blijven en het grijs moet groener. Na de landbouw is de openbare ruimte de grootste grondgebruiker in Nederland.
De openbare ruimte biedt dus grote kansen voor het herstel van biodiversiteit.” De hoofddoelstelling voor de werkroute openbare ruimte is dat biodiversiteit en landschappelijke identiteit in de openbare ruimte kerndoelen worden. Met daarbij het adagium: ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’. Vanuit dit motto geven wij hieronder op beknopte wijze enkele projectspecifieke ecologische kansen aan. Wij bespreken deze voorstellen graag met u en werken desgewenst de praktische aspecten verder uit. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitherstel door: • Het plaatsen van nestkasten (voor onder andere kerkuil en gierzwaluw) •
Het aanbrengen van beplanting geschikt voor algemene broedvogels
16/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
4 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Woningstichting Barneveld heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de sloop van complex 706 in Voorthuizen. Het gaat hierbij de woningen aan de Paulus Potterstraat 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14 en 14.1 en de Frans Halsstraat 22 en 24 te Voorthuizen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen zoals opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? Voor de ontwikkeling is het onderdeel ‘soortenbescherming’ van de Wnb van belang. Effecten op beschermde natuurgebieden of houtopstanden zijn op voorhand uit te sluiten. Mogelijk is een vergunning van de bomenverordening vereist (Gemeente Barneveld, 2019). In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? De ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het (mogelijk) voorkomen van verblijfplaatsen van steenmarter, gebouwbewonende vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen in alle woningen. De woningen aan de Frans Halsstraat zijn niet geschikt voor steenmarter. Als tijdens werkzaamheden openingen in deze woningen worden gemaakt kunnen de woningen geschikt worden voor steenmarter.
Daarnaast is er tijdens het broedseizoen een grote kans dat nestelende algemene broedvogels worden verstoord. Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? Het is niet duidelijk of er verblijf- of nestplaatsen van steenmarter, vleermuizen, huismus en gierzwaluw aanwezig zijn. Om hierover duidelijkheid te krijgen, is nader onderzoek naar deze soorten nodig. Pas na afronding van de onderzoeken kan uitsluitsel gedaan worden of de • •
•
werkzaamheden negatieve effecten hebben en of een ontheffing aangevraagd moet worden. Nader onderzoek naar steenmarter wordt uitgevoerd door middel van cameravallen. Het onderzoek kan het hele jaar door plaats vinden Nader onderzoek naar zomer- paar- en winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen wordt uitgevoerd middels drie veldbezoeken in de periode 15 mei tot 15 juli. In de periode 15 augustus tot 30 september dienen daarnaast twee veldbezoeken uitgevoerd te worden Nader onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee bezoeken in de periode van 1 april tot 20 juni. Het nader onderzoek naar gierzwaluw wordt uitgevoerd middels drie veldbezoeken in de periode van 15 mei tot eind juli. Minimaal één inventarisatie moet tussen 20 juni en 7 juli plaatsvinden
17/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Voor algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest is het nodig om buiten het broedseizoen te werken. Als hiervan af geweken wordt, dan is een broedvogelcontrole nodig voorafgaand aan de werkzaamheden. Met deze controle moet bepaald worden of de werkzaamheden zonder effecten op broedvogels kunnen worden uitgevoerd, of dat een verstoringsvrije zone nodig is. Als een verstoringsvrije zone nodig is, dan dient deze aangehouden te worden totdat een aangetroffen en in gebruik zijnde nest verlaten is. Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Voordat de werkzaamheden kunnen starten, moet eerst zekerheid verkregen worden over de aanof afwezigheid van verblijfplaatsen en/of nesten van steenmarter, vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Deze onderzoeken lopen tot eind september 2019. Daarna kan bepaald worden wat de effecten van de werkzaamheden op deze soorten zijn. Afhankelijk van deze effecten kan het nodig zijn om voor een of meerdere soorten een ontheffing aan te vragen. De proceduretijd van een dergelijke ontheffing is zo’n 20 weken vanaf het moment van indienen. Voorafgaand aan de werkzaamheden (afhankelijk van de planning) kan een broedvogelcontrole noodzakelijk zijn. Als bij uitvoering van deze controle blijkt dat een in gebruik zijnde nest aanwezig is, moet een verstoringsvrije zone ingesteld een aangehouden worden.
Totdat het nest verlaten is mag in deze verstoringsvrije zone niet gewerkt worden. Dit kan dus een effect hebben op de planning. De meeste nesten zijn binnen twee maanden verlaten. In tabel 4.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming. Tabel 4.1 Conclusies toetsing soortenbescherming Aanwezige soort(groep)en
Effect
Vervolgstappen
Flora, amfibieën, reptielen,
Geen overtreding artikel
Niet van toepassing.
vissen, vlinders, libellen en
3.1, 3.5 of 3.10
overige ongewervelden Steenmarter
Vleermuizen
Mogelijk overtreding artikel
Aanvullend onderzoek naar verblijfplaats nodig.
3.10
Mogelijk is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.
Mogelijk overtreding artikel
Aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van
3.5
vleermuizen in gebouwen. Mogelijk is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.
Huismus en gierzwaluw
Mogelijk overtreding artikel
Aanvullend onderzoek naar verblijf- en/of
3.1
nestplaatsen huismus en gierzwaluw Mogelijk is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.
Vogels zonder jaarrond
Mogelijk overtreding artikel
Werken buiten broedseizoen en/of uitvoeren van
beschermd nest
3.1
een broedvogelcontrole.
18/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
5 Literatuur Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Sway, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Gemeente Barneveld 2019. Algemene plaatselijke verordening gemeente Barneveld, nummer 15-50. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2017. Provincie Gelderland, Wijziging omgevingsverordening vanwege vaststelling natuurparagraaf. PRB, publicatienr. 435
19/20
Kenmerk
R002-1270081HLB-V01-rlk-NL
Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ndff.nl (laatst geraadpleegd op 6-12-2018) www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
20/20