CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

OUDE VERSIE Raadsbesluit 3076 Gewijzigde Verordening Wmo

Gemeenteraad 13 december 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Wijziging Verordening WMO 2015 gemeente Barneveld4.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Besluit van de raad van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld Nummer 3076 De raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nummer 3076 ; gelet op de artikelen: 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid en vierde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; besluit: vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld

Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - algemeen gebruikelijke voorziening; voorziening, waarover een persoon zonder beperkingen, naar maatschappelijke maatstaf ook de beschikking zou (kunnen) hebben, en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; - bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; - dagdeel: een periode van minimaal drie aaneengesloten uren; In het kader van deze verordening wordt uitsluitend de vangnetvoorziening genaamd Dagopvang in dagdelen geïndiceerd; - etmaal: een periode van maximaal vierentwintig aangesloten uren.

In het kader van deze verordening worden uitsluitend de vangnetvoorzieningen genaamd Beschermd Thuis en Logeeropvang in etmalen geïndiceerd; - gemeentelijke vangnetvoorziening: maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; - gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - ondersteuningsvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - leerbaarheid: de mate waarin de cliënt in staat is, eventueel met ondersteuning, vaardigheden aan te leren, die zijn zelfredzaamheid en/of participatie verbeteren; - melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; - pgb-plan: door of namens cliënt opgesteld plan waarin (in omvang, doelen, kosten en werkzaamheden) staat gespecifieerd hoe en waaraan het pgb besteed gaat worden; - Financiële tegemoetkoming: vorm waarin een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet; Het is een norm- of maximumbedrag dat is vastgesteld onafhankelijk van de werkelijke kosten van de voorziening en het inkomen van de inwoner.

- voorliggende voorziening: een algemene voorziening, een voorziening, op basis van een andere (wettelijke) regeling dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of een andere (algemeen toegankelijke) voorziening, waarmee aan de ondersteuningsvraag wordt tegemoetgekomen; - wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 2. Melding ondersteuningsvraag 1. Een ondersteuningsvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke gemeentelijke vangnetvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst degene die een ondersteuningsvraag meldt erop dat de cliënt zich gedurende de procedure desgewenst kan laten bijstaan door een cliëntondersteuner.

Artikel 4. Vooronderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie, en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Het college stelt de cliënt in de gelegenheid om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen, waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 5 eerste lid onder a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 3.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 4.Indien de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en derde lid.

Artikel 5. Gesprek 1.Het college onderzoekt, bij voorkeur in de thuissituatie van de cliënt, in een gesprek tussen deskundigen en de cliënt door of namens wie de melding is gedaan, zijn eventuele mantelzorger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, alsmede de draagkracht van zijn eventuele mantelzorger en de belasting die deze ervaart bij de zorg voor de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een gemeentelijke vangnetvoorziening; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een gemeentelijke vangnetvoorziening; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een gemeentelijke vangnetvoorziening; f.

de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; g. de leerbaarheid van de cliënt; h.de mogelijkheid om een gemeentelijke vangnetvoorziening te verstrekken; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; j. welke bijdragen in de kosten de cliënt zal zijn verschuldigd, en k. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de voorwaarden voor en de gevolgen van die keuze.

2. Indien de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Tevens informeert het college de cliënt over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een gemeentelijke vangnetvoorziening of pgb en over de mogelijke gevolgen van misbruik en/of oneigenlijk gebruik van de wet. 4. Indien de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2.Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij de cliënt heeft meegedeeld dit niet te wensen. 3.Het college stelt de cliënt in de gelegenheid om binnen zeven dagen na toezending van het verslag aanpassingen van en/of aanvullingen op het verslag te verzoeken.

Artikel 7. Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijke) vertegenwoordiger kan een aanvraag om een gemeentelijke vangnetvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag, indien de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

Artikel 8. Criteria voor een gemeentelijke vangnetvoorziening 1.Het college neemt het verslag van het gesprek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een gemeentelijke vangnetvoorziening. 2.Een cliënt komt voor een gemeentelijke vangnetvoorziening in aanmerking als: a. het noodzakelijk is: 1°.de zelfredzaamheid of participatiemogelijkheden van de cliënt te versterken, te stabiliseren of te behoeden voor achteruitgang en het college ook mogelijkheden aanwezig acht dat de cliënt met de gemeentelijke vangnetvoorziening zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of 2°.de cliënt beschermd te laten wonen of opvang te bieden; en b.er geen of onvoldoende mogelijkheden zijn om in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning te voorzien op eigen kracht, met gebruikelijke hulp en medische zorg, mantelzorg of hulp vanuit het sociaal netwerk, de inzet van algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen. 3.Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing de hulpvraag had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een gemeentelijke vangnetvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. 4.Van een situatie genoemd in het derde lid is in ieder geval sprake: a.

indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. b. indien de mogelijkheid van een (succesvolle) behandeling van de beperkingen van cliënt nog open staat. 5.Er wordt geen gemeentelijke vangnetvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing verstrekt, als cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte. 6.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vierde lid, van de wet verstrekt het college geen gemeentelijke vangnetvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de

(in)gekochte voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt. 7.Als een gemeentelijke vangnetvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, 1°.tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; 2°.tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of 3°.tenzij de eerder verstrekte voorziening niet langer een adequate oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 8.Als een gemeentelijke vangnetvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 9. Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een gemeentelijke vangnetvoorziening. Het college betrekt de cliënt en zijn eventuele gemachtigde of mantelzorger bij de adviesaanvraag en informeert hem over de uitkomsten daarvan.

Artikel 10. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een gemeentelijke vangnetvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een gemeentelijke vangnetvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en, indien aan de orde, duur van de verstrekking is; en c. hoe de voorziening wordt verstrekt. 3. Bij het verstrekken van een gemeentelijke vangnetvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 11. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld op het tarief, vermeld in het pgb-plan, voor zover: a. dit tarief de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate vangnetvoorziening in natura niet overstijgt; en b. met de prijs of tarief redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de vangnetvoorziening behoren, van derden te betrekken, en is, indien nodig, aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 3. Een pgb wordt in beginsel niet bij leden van het sociale netwerk besteed, tenzij dit aantoonbaar tot een betere kosten/kwaliteit-verhouding leidt. 4. Onverminderd het tweede lid wordt voor de bepaling van de omvang van het pgb, dat wordt uitbetaald aan een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, of een dienstverlener zonder erkend landelijk kwaliteitscertificaat, aangesloten bij de Wet minimumloon. Hierbij wordt de toepasselijke

norm, geldend per 1 juli 2019, vermeerderd met het geschatte indexatiepercentage voor een periode van 5 jaar. Dit betekent dat: a. voor de hulp die in uren wordt geïndiceerd € 15,- per uur wordt vergoed; b. voor hulp die in dagdelen wordt geïndiceerd –waarbij er van wordt uitgegaan dat per dagdeel 1,5 uur aan feitelijke werkuren worden geleverd– € 22,50 per dagdeel wordt vergoed; c. voor hulp die in etmalen wordt geïndiceerd –waarbij er van wordt uitgegaan dat per etmaal 2 uur aan feitelijke werkuren worden geleverd– € 30,- per etmaal wordt vergoed; d.de aanwezigheids-en/of bereikbaarheidsuren niet onder feitelijke werkuren vallen en derhalve niet in aanmerking komen voor vergoeding; e. deze bepaling (vierde lid) wordt geëvalueerd voor het verstrijken van de periode van 5 jaar (1 januari 2025) en zo nodig aangepast naar de dan geldende wettelijke norm voor minimumloon. 5. Het college kan van het bepaalde in het vierde lid afwijken wanneer de dienstverlener aantoont dat het pgb niet toereikend is. 6. Een pgb kan ook worden verstrekt indien de kostprijs van de voorziening van de door de cliënt gewenste aanbieder hoger is dan de kostprijs van de gemeentelijke vangnetvoorziening in natura. De hoogte van het pgb is dan gelijk aan het bepaalde in het tweede en vierde lid.

Artikel 12 Financiële tegemoetkoming in de kosten voor een sporthulpmiddel 1. De cliënt komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van een sporthulpmiddel als: a. de cliënt aantoonbaar een sport beoefent waarvoor het sporthulpmiddel noodzakelijk is; b. de cliënt de sport recreatief beoefent; c. de cliënt in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet eerder een tegemoetkoming ontvangen heeft voor de aanschaf van een sporthulpmiddel; én d. de sport wordt beoefend in verenigings- of soortgelijk groepsverband. 2. De tegemoetkoming voor de aanschaf en het onderhoud van een sporthulpmiddel bedraagt €2.775,00 per 36 maanden.

Artikel 13 Financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing 1. De cliënt komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing als: a. de huidige woning ongeschikt is, als gevolg van een lichamelijke beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen van de ingezetene, en bij hem leidt tot onvoldoende zelfredzaamheid; b. in redelijkheid niet was te voorzien dat de woning ongeschikt zou worden; én c. de cliënt verhuist naar zelfstandige woonruimte die langdurig geschikt is. 2. Onverminderd het eerste lid komt de cliënt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing als naar aanleiding van een melding als genoemd in artikel 2.3.2 Wmo 2015 het college van oordeel is dat de huidige woning niet geschikt te maken is en/of dat het primaat van verhuizen van toepassing is. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid komt een cliënt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing als hij een medische urgentie heeft verkregen op grond van artikel 28 van de Huisvestingsverordening 2019-2023 gemeente Barneveld. 4. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt als: a. de cliënt verhuist naar een recreatiewoning waar permanente bewoning niet is toegestaan; of b. de cliënt de ongeschikte woning, genoemd in het eerste lid onder a, reeds heeft verlaten. 5. De tegemoetkoming bedraagt € 2.600,00 6.

De tegemoetkoming wordt, na toekenning, aan de cliënt uitbetaald zodra hij een afschrift van de koop- of huur overeenkomst van de te betrekken woonruimte aan het college heeft overhandigd. Artikel 14. Regels voor bijdrage in de kosten van gemeentelijke vangnetvoorzieningen of pgb’s 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd gedurende de periode; a. dat de cliënt gebruik maakt van de gemeentelijke vangnetvoorziening; b. dat de cliënt gebruik maakt van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht; c. dat de cliënt gebruik maakt van de voorziening die met het pgb is aangeschaft. 2. De bijdrage voor een gemeentelijke vangnetvoorziening of pgb wordt vastgesteld conform artikel 2.1.4a, vierde en zesde lid, van de wet, en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

3. De kostprijs van een gemeentelijke vangnetvoorziening of bij verordening algemene voorziening wordt bepaald: a. door een aanbesteding; of b. na een consultatie in de markt; of c. na overleg met de aanbieder(s). 4. In afwijking van het eerste en tweede lid is een client een bijdrage verschuldigd voor het gebruik van collectief vervoer (Valleihopper). Deze bijdrage is gerelateerd aan de regelmaat en de afgelegde afstand van het gebruik. Het college stelt bij nadere regels de hoogte van dit tarief vast. Dit tarief bedraagt maximaal het tarief dat verschuldigd is voor het reizen met het regulier openbaar vervoer. 5. Onverminderd het eerste en tweede lid is de cliënt voor een gemeentelijke vangnetvoorziening of pgb voor een hulpmiddel of woningaanpassing een eigen bijdrage verschuldigd, zolang de (totale) hoogte van de eigen bijdrage voor die voorziening nog niet de kostprijs ervan heeft bereikt. 6. Voor een gemeentelijke vangnetvoorziening, dan wel pgb, is geen eigen bijdrage verschuldigd, indien deze voorziening noodzakelijk is door (lichamelijk) letsel en een derde de aansprakelijkheid van de letselschade erkent. 7. In afwijking van lid 7 is wel een eigen bijdrage verschuldigd als het (lichamelijk) letsel is ontstaan door een ongeval na 1 januari 2018. 8.

De hoogte van de eigen bijdrage die verschuldigd is voor maatschappelijke opvang wordt vastgesteld door het college en in geval van: a. inkomsten uit de Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en/of Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, geïnd door het college; b. andere inkomsten dan genoemd in sub a, geïnd door de aanbieder van maatschappelijke opvang. 9. De hoogte van de eigen bijdrage voor beschermd wonen wordt vastgesteld conform hoofdstuk 3, paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 14.a Regels voor bijdrage in de kosten van bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de algemene voorziening Huishoudelijke Ondersteuning, zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 2. De bijdrage voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen wordt vastgesteld conform artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 15. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van ondersteuning; c. erop toe te zien dat medewerkers tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen of ondersteuning handelen in overeenstemming met de professionele standaard en beschikken over de juiste deskundigheid; 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en, het zo nodig in overleg met de cliënt, ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 16. Eisen bestuursstructuur en bedrijfsvoering aanbieders Aanbieders, a. leggen schriftelijk vast hoe de ondersteuning is georganiseerd en welke bevoegdheden de verschillende onderdelen of medewerkers hebben; b. stellen periodiek een beleidsplan vast en maken dit openbaar; c. maken eventuele relaties met andere organisatorische eenheden en de aard van deze relaties openbaar;

d. evalueren hun beleid periodiek en stellen dit zo nodig bij, en e. voeren een deugdelijke administratie waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven en verplichtingen te herleiden zijn naar bron en bestemming.

Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het in ontvangst nemen van meldingen van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar en stellen ter uitvoering hiervan een interne regeling op. 3.De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt of diens (wettelijke) vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat: a.de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of doen verstrekken en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.de cliënt niet langer op de gemeentelijke vangnetvoorziening of het pgb is aangewezen; c.de gemeentelijke vangnetvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d.de cliënt niet voldoet aan de aan de gemeentelijke vangnetvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of e.de cliënt de gemeentelijke vangnetvoorziening of het pgb, of de voorziening waarvoor het pgb is aangewend, niet (meer) of voor een ander doel gebruikt.

3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden herzien of ingetrokken indien blijkt dat het pgb niet binnen de door het college bij nadere regels te bepalen termijn na uitbetaling is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door of namens de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, vordert het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van de ten onrechte genoten gemeentelijke vangnetvoorziening of het ten onrechte genoten pgb terug. 5.Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening of een pgb is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 6.Het college bepaalt bij nadere regels de wijze waarop de hoogte van de terugvordering van het pgb wordt vastgesteld. 7.Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 8.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van gemeentelijke vangnetvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en de recht- en de doelmatigheid.

Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit een, door het college nader in te vullen, waardering in natura.

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college een vaste prijs vast, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van de overeenkomst met een derde; 2.Het college baseert de vaste prijs op de volgende kostprijselementen: a.de kosten van de beroepskracht; b.redelijke overheadkosten; c.kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d.reis en opleidingskosten; e.indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en f.overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

3.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, rekening met: a.de marktprijs van de voorziening, en b.de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1°.aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2°.instructie over het gebruik van de voorziening; 3°.onderhoud van de voorziening, en 4°.verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 21. Klachtregeling 1.Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn en voor zover het diensten in het kader van voorzieningen betreft. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 23. Nadere eisen aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Het college kan met betrekking tot de artikelen 13, 14, 15, 20 en 21 van deze verordening nadere eisen stellen aan de aanbieders, met wie de gemeente voornemens is een contract te sluiten of subsidie te verlenen, als ook met wie de gemeente reeds een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend.

Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 25. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van deze Verordening als toepassing daarvan leidt tot een onaanvaardbare situatie.

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024 en wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld. 2.Op 1 januari 2024 wordt de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld, vastgesteld op 8 juli 2014 en laatstelijk gewijzigd op 11 december 2019, ingetrokken.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 13 december 2023. De raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6985a0cc-9ad5-402e-8c7f-16c4c00bd1f8