CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Oude Bijschoterweg I, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlage 2 Bodemonderzoek.PDF

Gemeenteraad 22 maart 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Oude Bijschoterweg I partiele herziening Buitengebied 2012 (Voorthuizen)14.304 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Overige stoffen Asbest3 Cyclohexanon Dimethyl ftalaat Diethyl^ ftalaat_ Di-isobutyl ftalaat Dibutyl ftalaat Butyl benzylftalaat Dihexyl ftalaat Dj(2-ethylhexyl)ftalaat Ftalaten (som) Minerale olie4 Pyridine T etrahy drofuran_ T etrahydrothjofeen Tribroommethaan (bromoform)

0,05*- 16 ng/1

Interventiewaarden grond grondwater 15 19 11 2,2 6,7 2,0

180 50 10 2,5

5,4 22 22 21 12

100 30 10 10 0,01

50 0,00018 23

0,5

0,5 50 0,5 0,5 0,5

30 nvt6

0,2 1,7 2,3 34 0,01 0,32 0,1 17 1,6 1,2 0,3

2,5

0,02 29 ng/[ ^jng/l* 2 9 ng/1

0,5

0,7 50

0,71 0,45 0,017 100 150 82 53 17 36 48 220 60 5.000 11 8,8 75*

150 50 100 15.000

600 30 300 5.000 630

3

HUNNEMAN MILIEU-ADVIES Toelichting voetnoten tabel 1 * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt. 1

Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit (VROM, 2007). Bij het berekenen van een somwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond of het grondwater voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarde. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Het verkregen toetsingsresultaat, op basis van een berekende somwaarde waarin voor een of meer individuele componenten is gerekend met een waarde van 0,7 maal de rapportagegrens, heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft. Dit geldt bijvoorbeeld als bij een meting van PAK in het grondwater alleen naftaleen in een licht verhoogde concentratie is aangetoond en de overige PAK een waarde ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ hebben.

Voor die overige PAK worden dan relatief hoge gehalten berekend (door de vermenigvuldiging met 0,7), waarvan kan worden onderbouwd dat die gehalten niet in het grondwater aanwezig zullen zijn gezien de immobiliteit van de betreffende stoffen. 2

De Interventiewaarde voor grond voor deze stoffen is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht. 3

Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfïbool asbest).

4

De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Indien er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen te worden bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd. 5

Voor grondwater zijn effecten van PAK’s, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele interventiewaarde, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 x interventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B). Dit betekent dat een somformule gebmikt moet worden om te beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is. Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien E(Ci/Ii) >1, waarbij Ci = gemeten concentratie van een stof uit een betreffende groep en li = interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep. 6

Voor grondwater is er een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging.

7

De Streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de Streefwaarde worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000. 8

De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarden voor de meeste andere metalen en is voor ban um inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg d.s. 9

Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde (of hiermee berekende somwaarde) wordt getoetst aan de van toepassing zijnde nomiwaarde. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling. Het zo verkregen toetsingsresultaat heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet goed kan worden beoordeeld. 4

HUNNEMAN MILIEU-ADVIES B: Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’S)

Voor de stoffen in tabel 2 zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging opgenomen. Het betreffen stoffen van de tweede, derde en vierde tranche afleiding interventiewaarden. Op basis van twee redenen is een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging aangegeven en geen interventiewaarde: 1. er zijn geen gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften beschikbaar of binnenkort te verwachten; 2. de ecotoxicologische onderbouwing van de interventiewaarde is niet aanwezig of minimaal en in het laatste geval lijkt het erop dat de ecotoxicologische effecten kritischer zijn dan de humaan-toxicologische effecten. De ecotoxicologische onderbouwing dient te voldoen aan de volgende criteria: a. er dienen minimaal 4 toxiciteitsgegevens beschikbaar te zijn voor minimaal twee taxonomische groepen; b. voor metalen dienen alle gegevens betrekking te hebben op het compartimen c. voor organische stoffen mogen maximaal twee gegevens via evenwichtspartitie uit gegevens voor het compartiment water zijn afgeleid; d. er dienen minimaal twee gegevens voor individuele soorten beschikbaar te z Indien aan een of meerdere van deze criteria niet is voldaan en indien ecotoxicologische effecten kritischer zijn dan humaantoxicologische effecten, wordt volstaan met het vaststellen van een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging.

De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan de status van de interventiewaarde. Over- of onderschrijding van de indicatieve niveaus heeft derhalve niet direct consequenties voor wat betreft het nemen van een beslissing over de ernst van de verontreiniging door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dient daarom naast de indicatieve niveaus ook andere overwegingen te betrekken bij de beslissing of er sprake is van ernstige verontreiniging. Hierbij kan gedacht worden aan: • nagaan of er op basis van andere stoffen sprake is van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren. Op verontreinigde locaties komen vaak meerdere stoffen tegelijk voor. Indien voor andere stoffen wel interventiewaarden zijn vastgesteld kan op basis van deze stoffen nagegaan worden of er sprake is van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren. In zo’n geval is een risicoschatting voor de stoffen waarvoor slechts een indicatief niveau is aangegeven minder relevant. Indien op basis van andere stoffen geen sprake blijkt te zijn van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren, is een risicoschatting voor de stoffen waarvoor slechts een indicatief niveau is aangegeven wel belangrijk; • een ad hoe bepaling van de actuele risico’s.

Bij de bepaling van actuele risico’s ten behoeve van het vaststellen van de spoed tot saneren spelen naast toxicologische criteria ook andere locatiegebonden factoren een rol. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de blootstellingmogelijkheden, het gebmik van de locatie of de oppervlaktes van de verontreiniging. Dergelijke factoren kunnen vaak goed bepaald worden waardoor het ondanks de onzekerheid met betrekking tot de indicatieve niveaus toch mogelijk is een redelijke schatting van de actuele risico’s uit te voeren. Het verdient aanbeveling hierbij gebmik te maken van bioassays, omdat hiermee niet alleen de onzekerheden in de ecotoxicologische onderbouwing maar ook de onzekerheden ten gevolge van het gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften ontweken worden. • aanvullend onderzoek naar de risico’s van de stof. Er kunnen aanvullende toxiciteitexperimenten uitgevoerd worden om een betere schatting van de risico’s van de stof te kunnen maken. De INEV’s zijn niet geëvalueerd en blijven gelijk aan de INEV’s zoals opgenomen in de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000). Enkele voormalige interventiewaarden zijn omgezet in INEV’s. Dit wordt toegelicht in het NOBO-rapport: VROM, 2008, in druk: NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007.

Alleen voor MTBE is het INEV voor grondwater aangepast naar de waarde die is genoemd in de Circulaire zorgplicht Wbb bij MTBE- en ETBE-verontreinigingen (Staatscourant 18 december 2008, nr. 2139).

HUNNEMAN MILIEU-ADVIES Tabel 2: Streefwaarden grondwater en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging ' gehalten in grond zijn weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum) Interventiewaarden Streefwaarde Stofnaam

grondwater 4 (/xg/1) ondiep4 diep4 (<10 m-mv) (>10 m-mv)

1. Metalen Beryllium Seleen Tellurium Thallium Tin Vanadium Zilver

0,05* 0,07 2,2* 1,2 Streefwaarde grondwater 7 (ptg/ïy

3. Aromatische verbindingen Dodecylbenzeen Aromatische oplosmiddelen Dihydroxybenzenen (som)3 Catechol (o-dihydroxybenzeen) Resorcinol (m-dihydroxybenzeen) Hydrochinon (p-dihydroxybenzeen) 5. Gechloreerde Koolwaterstoffen Dichlooranilinen Trichlooranilinen Tetrachlooranilinen Pentachlooranilinen 4-chloonnethylfenolen Dioxine (som I-TEQ) 6. Bestrijdingsmiddelen Azinfosmethyl Maneb 7. Overige stoffen Acrylonitril Butanol butylacetaat Ethylacetaat Diethyleen glycol Ethyleen glycol Formaldehyde Isopropanol Methanol Methylethylketqn_ Methyl-tert-buthyl ether (MTBE)

grond (mg/kg d.s.)

grondwater (/ig/1)

30 100 600 15 900 250 15

15 160 70

Interventiewaarden grond (mg/kg d.s.) grondwater (/xg/1) 1.000 200

0,08 30

0,02 150 1.250 600 800

0,2 0,2 0,2

0,1 ng/1 ’ 0,05 ng/1*

50 70 40

50 10 30 10 15 nvt

100 10 10 350 0,001 ng/1

22

0,1

0,1 5.600 200 75 270 100 0,1 220 30 35 100

1,2 6.300 15.000 13.000 5.500 50 31.000 24.000 6.000 9.400

Toelichting voetnoten tabel 2 * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt. 1

Onder aromatische oplosmiddelen wordt een standaardmengsel van stoffen, aangeduid als ‘C9-aromatic naphta’ verstaan zoals gedefinieerd door de International Research and Development Corporation: o-xyleen 3,2%, i-isopropylbenzeen 2,74%, n-propylbenzeen 3,97%, l-methyl-4-ethylbenzeen 7,05%, l-methyl-3ethylbenzeen 15,1%, l-methyl-2-ethylbenzeen 5,44%, 1,3,5-trimethylbenzeen 8,37%, 1,2,4-trimethylbenzeen 40,5%, 1,2,3-trimetylbenzeen 6,18% en > alkylbenzenen 6,19%. 2

Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit (VROM, 2007). Bij het berekenen van een somwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond of het grondwater voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarde. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Het verkregen toetsingsresultaat, op basis van een berekende somwaarde waarin voor een of meer individuele componenten is gerekend met een waarde van 0,7 maal de rapportagegrens, heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft. 6

HUNNEMAN MILIEU-ADVIES 3

Onder dihydroxybenzenen (som) wordt verstaan: de som van catechol, resorcinol en hydrochinon.

4

De Streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de Streefwaarde worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000. 5 Voor grond is er een interventiewaarde. 6

Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde (of hiermee berekende somwaarde) wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling. Het zo verkregen toetsingsresultaat heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet goed kan worden beoordeeld. C: Bodemtypecorrectie Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de in de tabellen opgenomen waarden voor standaardbodem omgerekend naar de waarden voor de betreffende bodem gebmik makende van de gemeten gehalten aan organische stof en lutum. De omgerekende waarden kunnen vervolgens met de gemeten gehalten worden vergeleken. Metalen Bij de omrekening voor metalen kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = (IW)sb x [{A + (B x% lutum) + (Cx % organische stof)} / {A + (Bx25) + (Cx 10)}] Waarin: (IW)b (IW)sb %lutum

= interventiewaarde voor de te beoordelen bodem; = interventiewaarde voor standaardbodem; = gemeten percentage lutum in de te beoordelen bodem. Voor bodem met een gemeten lutumgehalte van minder dan 2% wordt met een lutumgehalte van 2% gerekend; % org. stof = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem Voor bodem met een gemeten organisch stofgehalte van minder dan 2% wordt met een organisch stofgehalte van 2% gerekend; = stofafhankelijke constanten voor metalen (zie hieronder); A, B, C

7

HUNNEMAN MILIEU-ADVIES Organische verbindingen De interventiewaarden en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging voor organische verbindingen, zijn afhankelijk van het organische stofgehalte. Bij omrekening voor organische verbindingen, met uitzondering van PAK’s, kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrecliefonnule: (IW)b = (IW)sb x (% organische stof /10) Waarin: (IW)b (IW)sb % org. stof

= interventiewaarde voor de te beoordelen bodem; = interventiewaarde voor standaardbodem; = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem. Voor bodems met gemeten percentage organische stofgehalten van meer dan 30% respectievelijk minder dan 2% worden gehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden.

PAK’s Voor interventiewaarde PAK’s wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% en bodems met een organisch stofgehalte boven de 30% toegepast. Voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% wordt een interventiewaarde van 40 mg/kg d.s. en voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30%> een interventiewaarde van 120 mg/kg d.s. gehanteerd. Tussen de 10% en 30% organische stof gehalte kan gebmik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = 40 x (% organische stof /10) Waarin: (IW)b = interventiewaarde voor de te beoordelen bodem % organische stof = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem. D: Meetvoorschriften De te hanteren analysemethoden zijn opgenomen in Bijlage L, behorende bij artikel 1.1 (versie 30 november 2007) van de Regeling bodemkwaliteit. Staatscourant 20 december 2007, nr. 247, pag 67.

BIJLAGE 5 Monstememingsplan en -formulier asbest

, KUNNEMAN MILIEU-ADVIES Monsternemingsplan asbest - RF 36A versie 2/ blad 1 van 1 / 10-10-2007 Projectgegevens Projectnummer Locatie, gemeente* Opdrachtgever* i verkennend O nader Doel onderzoek* @ Kunneman Milieu Advies Uitvoerende organisatie* Uitvoerende veldwerker(s)* Verantwoordelijke PL* Uitvoeringsdatum* "1-Z ■) (3 - oA Locatiegegevens Aanvullende instructie locatiebezoek O ja 0 nee Aanvullende instructie veldwerk

Oja @ nee

Instructie laboratorium

@ ACMAA O Alcontrol Analyse: O bodem NEN-5707 O puin (NEN-5897)

ISO/ VGA / BRL1000 / 2000/ 6000/7000

Kunneman Milieu Advies Kaalte BV VOA/NEN Bijschoterweg ong. Voorthuizen 2009940

oktober 2009

Codering grpnd/puinmonster(s): Codering materiaal (verzamel)monster:

Maaiveldinspectie uitgevoerd

Analyse: O materiaalmonster (NEN-5896) O materiaal verzamelmonster (MVM) ©ja O nee

Aanvulling op standaard apparatuur, O ja ö’ nee gereedschappen en hulpmiddelen Toets uitvoering © nee O ja aard en motivatie afwijkingen: afwijkingen van VKB-protocol 2018 of van NEN 5707//5897 d.d.: '2TL.-c-0 voor akkoord projectleider* Ruimte voor notities

Checklist verplicht materiaal : * Werkschets van de locatie (schaal tussen 1:1.000 en 1:100) Spade Hark Folie Checklist overig onderzoeksmateriaal (check eerst noodzaak voor onderzoeksmethode) O Hersluitbare plastic zakken O Afsluitbare emmers O Meetlint O Meetwiel O Landmeetapparatuur O Markeerlint O Schouwbak O Piketpaaltjes O Grove zeven met een maaswijdte van 31,5 en 16 millimeter O Ruime hoeveelheid werkwater van drinkwaterkwaliteit O Monsterschep van minimaal 10 centimeter lang en 5 centimeter breed O Grondboor met een zo groot mogelijke middellijn, maar minimaal 10 centimeter O Grove balans met een bereik tot 60 kilogram, afleesbaar op hele grammen (1% nauwkeurigheid) O Laadschop of gemechaniseerde apparatuur voor graaf- en grondwerk, geschikt voor het nemen van monsters Checklist materiaal voor de veiligheid (check eerst noodzaak via paragraaf 4.2) O Afspoelbare laarzen of wegwerpoverschoenen O Afspoelbare- of wegwerpoveralls O Veiligheidshandschoenen O Veiligheidshelm O Halfgelaatsmasker O P3-overdrukmasker met filter en laadapparaten O Asbest decontaminatie-unit O Overdrukcabine op de laadschop of kraan O Plakband O Stickers met de tekst "Voorzichtig, bevat asbest" Plan van aanpak veiligheid (kan ook apart van dit monsternemingsplan) O Standaard O Aanvullende veiligheidsmaatregelen.

HUNNEMAN MILIEU-ADVIES Monsternemingsformulier asbest - RF 36B Versie2/ blad 1 van 1 / 10-10-2007 Projectgegevens Projectnummer Locatie, gemeente Opdrachtgever Doel onderzoek Uitvoerende organisatie Uitvoerende veldwerker(s)*

© idem monstememingsplan

ISO/ VGA / BRL1000 / 2000/ 6000/7000

Hunneman Milieu Advies Raalte BV VOA/NEN Bijschoterweg ong. Voorthuizen 2009940

oktober 2009

Verantwoordelijke PL* SU Uitvoeringsdatum* kLt \r( Locatiegegevens Q ja , O nee Locatie ingedeeld in deelgebieden? Zo ja, ingedeeld o.b.v. welke criteria?* C'-yf -&VOmstandigheden visuele inspectie O < 10 mm @>10 mm per dag © regen O hagel O sneeuw Neerslag; O.. : .. uur na zonsopgang /..:.. uur vóór zonsondergang Tijdstip O < 50 m 0> 50 m Zicht* < 25% O > 25 % Bedekking maaiveld* vegetatie, waterplassen, anders nl.: O ja © nee, betrekkingsgraad na verwijdering O < 25% O > 25% Vegetatie verwijderd?* Oja @ nee Bijzonderheden maaiveldinspectie Resultaten visuele inspectie Hoeveelheid, type.plaat/golf/, vindplaats zie tekening en codering asbest type 1 O zie boorstaat veldwerk Hoeveelheid, type.plaat/golf/, vindplaats zie tekening en codering asbest type 2 O zie boorstaat veldwerk Hoeveelheid, type.plaat/golf/, vindplaats zie tekening en codering asbest type 3 O zie boorstaat veldwerk vindplaatsen aangeven op kaart, vermeld meer typen asbest op extra bladen Resultaten overige veldwerkzaamheden / 4- " * „-C afmetingen vermelden proefvlakken/rasters afmetingen vermelden, bij voorkeur bij de profielbeschrijving gaten* afmetingen vermelden, bij voorkeur bij de profielbeschrijving sleuven* boordiepte vermelden, bij voorkeur bij de profielbeschrijving boringen* bodemmonsters* codering en datum overdracht aan lab vermelden, bij voorkeur bij de profielbeschrijving plaats van elk

proefvlak/raster, gat, sleuf en boring aangeven op kaart Checklist bijlagen O foto’s © kaart Toets uitvoering i nee Oja, aard en motivatie afwijkingen: afwijkingen van VKB-protocol 2018 of van NEN 5707/5897* £ _ 60-

paraaf veldwerker*

d.d.:

voor akkoord projectleider*

MT: d.d.: Ü4- u PL:

Ruimte voor notities

^s ,3

BIJLAGE 6 Historische informatie

bijlage

Historisch onderzoek: Ter inzage beschikbare dossiers in het archief van de gemeente Bameveld m.b.t. project Bijschotcrweg ongen. te Voorthuizen (Locatie is onderdeel geweest van Verbindingsweg 46) Adres: Baron van Nagelstraat 88,90,90a Deze locatie bestaat uit een dubbele woning (nr. 88,90) en op 90A. Handelsondememing G. van Maanen B.V. inch Wasstraat Voorthuizen en Kärcher Reinigingssystemen. Milieuvergunningen: - dossier 083/1975:

- dossier 747/2007:

B odemonderzoek:

Aanvraag voor het oprichten en in werking brengen van een herstelinrichting voor motorvoertuigen voor onderhoud wagenpark. Voor potentieel verontreinigende activiteiten wordt verwezen naar de bodemonderzoeksinformatie m.b.t. deze locatie. Melding Besluit inrichtingen Motorvoertuigen Milieubeheer. Als activiteiten worden genoemd: wasstraat, werkplaats, verkoop, service, verhuur van reinigingsapparatuur, stalling van caravans. Voor deze activiteiten is een nulsituatie bodemonderzoek bekend. Van deze locatie zijn 2 bodemonderzoeken bekend nl.: Door Fa. Vink te Bameveld is een bodemonderzoek uitgevoerd in 1990 waarbij ter plaatse van 3 ondergrondse dieselolietanks bodemverontreiniging werd aangetroffen. (Nader/saneringsonderzoek, projector. 70, 29 juni 1990.). De verontreiniging van de grond benaderden plaatselijk de destijds van kracht zijnde C-waarden voor Minerale olie (5.000 mg/kg/ds) In het grondwater werd geen verontreiniging aangetoond. In 1992 is hier een bodemsanering uitgevoerd door Fa. Vink Aannemingsmaatschappij te Bameveld. Hierbij is ca. 800 ton verontreinigde grond afgevoerd naar een reiniger. Onder de fundering van het bedrijfspand is een restverontreiniging achtergebleven welke geïsoleerd is m.b.v. folie. Van de betreffende sanering is tevens een evaluatierapport opgesteld.

In het kader van een bestemmingsplanherziening is vervolgens in 2006 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Baron van Nagelstraat 90A. Het onderzoek is uitgevoerd door Fa. Vink Milieutechnisch Adviesburo en bekend met kenm. M06-153 d.d. 13 juli 2006. Uit het onderzoek blijkt dat nabij de werkplaats, carwash en overdekte wasplaats in de ondergrond licht tot sterk verhoogde concentraties met Minerale olie zijn aangetoond. In het grondwater werd een geringe overschrijding van de streefwaarde aangetoond met xylenen en naftaleen. Er wordt geconcludeerd dat de verontreiniging van de vaste bodem een omvang heeft van ca. 15 tot 30 m3, waarvan minder dan 25 m3 sterk verontreinigd. Op het overig terreindeel is plaatselijk in de ondergrond een geringe overschrijding geconstateerd van de streefwaarde met Zink. In het grondwater t.p.v. het overig temeindeel worden geen verontreinigingen aangetoond. Verder is in 2007 een extra peilbuis geplaatst t.b.v. het definitief vastleggen van de nulsituatie bekend middels M07-191 Aanvullend grondwateronderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat geen relevante verontreiniging werd aangetoond in het grondwater t.p.v. boring C9 uit het onderzoek M06-153. Locatie is gelegen op ca. 140 m. ten noordoosten van de huidige onderzoekslocatie.

Adres: Baron van Nagelstraat 92 Milieuvergunningen: - dossier 5882/1992:

Melding Besluit Herstelinrichting voor Motorvoertuigen Hinderwet. In het dossier worden geen bodemrelevante gegevens waargenomen.

bijlage

Adres: Baron van Nagelstraat 96-1 Bodemonderzoek:

Van deze locatie is een verkennend bodemonderzoek bekend met kenm. Bnvg.3 d.d. september 1994 en uitgevoerd door Fa. Witteveen en Bos te Deventer. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag van een bouwvergunning voor de bouw van een gemaal. Uit het onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond geen verontreiniging werd aangetoond. In het grondwater werden licht verhoogde concentraties met Chroom, Koper, Cadmium, Lood en Zink aangetoond.

Adres: Verbindingsweg 40 Voorthuizen. Milieuvergunningen: - dossier 026/1984:

- dossier 064/2008:

Aanvraag voor het oprichten en in werking brengen van een landbouw- cq veeteeltbedrijf. In de vergunning wordt een bovengrondse dieselolietank waargenomen met een inhoud van 1200 L. De bovengrondse dieselolietank wordt waargenomen op een afstand van ca. 80 m. ten noorden van de huidige onderzoekslocatie. Aanvraag van een nieuwe, gehele inrichting omvattende vergunning t.b.v. een veehouderij. In de vergunning wordt melding gedaan van opslag van drijfmest, waarbij voldoende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een vloeistofkerende mestkelder, waardoor geen nulsituatie bodemonderzoek wordt geëist. De bovengrondse dieselolietank wordt niet meer weergegeven.

Adres: Verbindingsweg 46/Bijschoterweg 1 Bouwvergunningen: - dossier 14A/1931: - dossier 510/1960:

- dossier 818/1961: -dossier 373/1962: - dossier 359/1965: - dossier 690/1976: - dossier 194/1977: - dossier 087/1993: - dossier 509/1993:

Milieuvergunningen: - dossier 104/1977:

Aanvraag voor de bouw van een boerderij. Aanvraag voor de vemieuwing/uitbreiding van een veldschuur. (dakbedekking: asbestgolfplaten) schuur is in eerder stadium gesloopt en ligt buiten de huidige onderzoekslocatie. Aanvraag voor de bouw van een melkstal. (dakbedekking: golfplaten) Aanvraag voor de bouw van een slachtpluimveestal. (dakbedekking: asbestgolfplaten) Aanvraag voor de verbouw van een woning Aanvraag voor de verbouw van een boerderij Aanvraag voor de bouw van 2 pluimveestallen. (dakbedekking: asbestgolfplaten) Aanvraag voor het uitbreiden van 2 kippenschuren met een eierenopslag/ tussenlid Aanvraag voor de verbouw van een woning, een varkensstal/garage/berging en paardenstal.

Aanvraag voor het uitbreiden van een vermeerderingsbedrijf van pluimvee. Als activiteiten worden genoemd: het houden van pluimvee en de opslag van mest. In het dossier wordt de bovengrondse opslag van 1000 L. stookolie waargenomen. Verder worden geen potentieel verontreinigende activiteiten en/of locaties waargenomen binnen de huidige onderzoekslocatie.

Bodemonderzoek:

Van de onderzoekslocatie is geen bodeminformatie bekend.

Ondergrondse Tanks:

Van de locatie is geen informatie bekend m.b.t. de (voormalige) aanwezigheid van ondergrondse tanks t.b.v. olie en/of olie gerelateerde producten.

Asbest:

Binnen de onderzoekslocatie staat gedeeltelijk een pluimveeschuur. Het overig terreindeel is veelal in gebruik als grasland. De pluimveeschuur is voorzien van asbestgolfplaten als dakbedekking. De golfplaten zijn verweerd maar niet direct beschadigd. Er worden ter hoogte van maaiveld geen losliggende stukjes (zwerf)asbest waargenomen. Er bestaat geen directe aanleiding om een bodemverontreiniging met asbest/asbesthoudend materiaal te verwachten.

V erhardingsmateriaal: In een inrit is klinkerbestrating aanwezig. Er wordt geen asbestverdachte (half) verharding waargenomen in de vorm van puin en/of puingranulaat. Conclusie :

Op basis van het uit gevoerde historisch onderzoek mag het volgende worden geconcludeerd nl.: De onderzoekslocatie is gelegen in het agrarisch buitengebied aan de rand van de bebouwde kom van Voorthuizen. Aan de hand van het uitgevoerde historisch vooronderzoek zijn behoudens de voormalige aanwezigheid van een bovengrondse opslagtank met 1000 L. stookolie geen potentieel verdachte activiteiten en/of locaties waargenomen. Deze locatie zal separaat worden onderzocht. Verder kan de onderzoekslocatie worden aangemerkt als onverdacht van bodemverontreiniging. Er zijn tevens geen gegevens bekend m.b.t. de aanwezigheid van bodemverontreiniging op direct aangrenzende percelen welke van invloed kunnen zijn (geweest) op de bodemkwaliteit t.p.v. de huidige onderzoekslocatie. Er bestaat tevens geen directe aanleiding om een verontreiniging met asbest/asbesthoudend materiaal in de bodem te veronderstellen. Derhalve is gekozen om het onderzoek uit te breiden met een verkennend onderzoek asbest volgens de NEN 5707.

TEKENING 1 1 Situatie met monsterpunten en peilbuizen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=a0ee16a2-55a6-4346-943f-fcc3a11da45d