CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat_Toelichting_Bijlage 12 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling .pdf

Gemeenteraad 6 oktober 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat in Garderen6.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling Apeldoornsestraat 78-80 en Oud Milligenseweg 54 Garderen

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ................................................................................................................................................. 2

1.1

M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................... 2

1.1.1 1.1.2

1.2 1.3 1.4 1.5

Passende beoordeling ..................................................................................................................... 3 Significantie ..................................................................................................................................... 3

Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................................................... 4 Betrokken partijen ........................................................................................................................... 5 Relatie met (nog te nemen) besluiten ............................................................................................. 6 Leeswijzer ......................................................................................................................................... 6

2. KENMERKEN VAN DE PROJECTEN ................................................................................................................. 7

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3.

De omvang van het project/de activiteit ......................................................................................... 7 De cumulatie met andere projecten ................................................................................................ 8 Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ........................................................................................ 8 De productie van afvalstoffen .......................................................................................................... 8 Verontreiniging en hinder ................................................................................................................ 8

PLAATS VAN DE PROJECTEN ..................................................................................................................... 9

3.1 Het bestaande gebruik ..................................................................................................................... 9 3.2 De relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan........................................................................................................................ 9 3.3 Het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu (natuur, ecologie, archeologie en cultuurhistorie) ....................................................................................................................................... 9

4.

3.3.1 Ecologie .................................................................................................................................................. 9 3.3.2 Cultuurhistorie ............................................................................................................................... 11 3.3.3 Archeologie ................................................................................................................................... 11 KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT ............................................................................................ 12

4.1

Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ................. 12

4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.1.7 4.1.8

4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

5.

Verkeer .......................................................................................................................................... 12 Geluid ............................................................................................................................................ 13 Luchtkwaliteit ................................................................................................................................ 13 Geur ............................................................................................................................................... 14 Ecologie ......................................................................................................................................... 14 Stikstofdepositie ............................................................................................................................ 15 Externe veiligheid .......................................................................................................................... 16 Water ............................................................................................................................................ 16

Het grensoverschrijdend karakter van het effect .......................................................................... 16 De orde van grootte en de complexiteit van het effect ................................................................. 16 De waarschijnlijkheid van het effect .............................................................................................. 16 De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect ...................................................... 17 Cumulatie van effecten met effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten ..... 17 Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) ..................................... 17

4.7.1 Ecologie (mitigerend) .................................................................................................................... 17 4.7.2 Stikstofdepositie ............................................................................................................................ 17 CONCLUSIE ............................................................................................................................................. 18

1

1.

INLEIDING

Dit betreft de aanmeldingnsotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling voor de percelen aan de Apeldoornsestraat 78-80 en Oud Milligenseweg 54-54a (hierna: plangebied). Het gaat hier om de ‘Hoeve Oud Milligen’ en voormalige camping ‘Goedkamp’. Het plangebied is gelegen op circa 525 meter ten zuidoosten van de kern Garderen, in het buitengebied van de gemeente Barneveld. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven .

Afbeelding 1: ligging plangebied (Bron: Cyclomedia)

Het voornemen bestaat om het reeds als restaurant bestemde Hoeve Oud Milligen uit te breiden met een hotel en camping ‘Goedkamp’ te herontwikkelen met woningbouw. Concreet gaat het hier om het realiseren van 9 grondgebonden vrijstaande woningen in een groenrijke omgeving. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Vanuit het ruimtelijke spoor is vanwege de aard en omvang een vormvrije toets aan het Besluit Milieueffectrapportage noodzakelijk. Voorliggende notitie voorziet hierin. Eerst wordt een nadere toelichting op de M.e.r.-beoordeling gegeven 1.1 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

2

•

•

Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In voorliggend geval is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage van het Besluit MER. Voorgenomen ontwikkeling zal geheel als eindbestemming worden opgenomen en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit MER (kolom 4). Hierna wordt één en ander nader toegelicht. 1.1.1 Passende beoordeling Bij het opstellen van een bestemmingsplan beziet de gemeenteraad in de zogenoemde ‘voortoets’ of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden. Dat risico bestaat volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, wanneer deze gevolgen op grond van objectieve gegevens niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Een uitzondering op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen is neergelegd in artikel 2.8, lid 1 Wnb. Ingeval het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, kan ingevolge dat artikel lid een nieuwe passende beoordeling achterwege blijven, voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen ervan. De plan-m.e.r.

die voor bestemmingsplannen is gekoppeld aan het opstellen van een passende beoordeling is in deze situatie ook niet nodig. Feitelijk is er dan al een – nog steeds actuele – passende beoordeling aanwezig, die aantoont dat schadelijke effecten als gevolg van het plan zijn uitgesloten. 1.1.2 Significantie Bij de voortoets draait het om de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen. De significantie van de gevolgen voor een gebied van een plan wordt afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Deze zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Omgekeerd moet een plan dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs worden beschouwd als een plan dat significante gevolgen kan hebben. De significantie van de gevolgen moet met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan betrekking heeft. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van de depositie leiden.

Van plannen, die ten opzichte van de feitelijke situatie op het referentiemoment geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dit geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Als uit de voortoets blijkt dat de realisatie van de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden wel leidt tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde

3

stikstofgevoelige habitats waarvan de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden, moet de gemeenteraad wel een passende beoordeling opstellen. In een passende beoordeling kan als maatregel en onder voorwaarden externe saldering worden toegepast. Zoals uit hoofdstuk 3 van deze notitie blijkt heeft de voorgenomen ontwikkeling geen dusdanige milieugevolgen die het opstellen van een passende beoordeling noodzakelijk maken. Van een directe m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm is in voorliggend geval dan ook geen sprake. Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de Cof D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen. In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.

Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

Het realiseren van woningen is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In voorliggend geval is geen sprake van het realiseren van 2000 of meer woningen en wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden. Het plangebied bedraagt namelijk circa 3,1 hectare. Daarnaast gaat het niet om 2.000, maar slechts om 9 woningen. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Voorliggende aanmeldingsnotitie voorziet hierin. De notitie zal als bijlage onderdeel gaan uitmaken van het bestemmingsplan. 1.2 Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie

4

hoofdthema’s noemt met bijbehorende subcriteria. Hierna is de Selectiecriteria Europese richtlijn opgenomen.

Het doel van deze notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. 1.3

Betrokken partijen

Bij het project zijn diverse partijen betrokken, waaronder de gemeente Barneveld, provincie Gelderland en waterschap Vallei en Veluwe. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan is de gemeenteraad van Barneveld het bevoegd gezag. Daarnaast wordt de provincie Gelderland, het waterschap Vallei en Veluwe en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het bestemmingsplan in het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) naar deze partijen worden toegezonden.

5

1.4 Relatie met (nog te nemen) besluiten Ten behoeve van het bestemmingsplan zijn geen externe besluiten van andere bevoegde gezagen benodigd. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voornemen beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de plaats van het plan. Hoofdstuk 4 gaat in op de kenmerken van het potentiële effect. In hoofdstuk 5 is de conclusie opgenomen.

6

2. KENMERKEN VAN DE PROJECTEN Bij activiteiten met mogelijke significante negatieve milieueffecten moeten de volgende aspecten in het bijzonder in overweging worden genomen: • de omvang van het project/de activiteit; • de cumulatie met andere projecten; • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • de productie van afvalstoffen; • verontreiniging en hinder; • risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën. 2.1 De omvang van het project/de activiteit Het voornemen heeft betrekking op de percelen aan de Apeldoornsestraat 78-80 en Oud Milligenseweg 54-54a (hierna: plangebied). Het gaat hier om de ‘Hoeve Oud Milligen’ en voormalige camping ‘Goed kamp’. In het buitengebied gelegen ten zuidoosten van de kern Garderen, in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het voornemen bestaat om het reeds als restaurant bestemde Hoeve Oud Milligen uit te breiden met een hotel en camping ‘Goedkamp’ te herontwikkelen met woningbouw. Concreet gaat het hier om het realiseren van 9 grondgebonden vrijstaande woningen in een groenrijke omgeving. In de volgende afbeeldingen is de voorgenomen ontwikkeling weergegeven.

Afbeelding 1: weergave eindbeeld restaurant en hotel Oud Milligen (Apeldoornsestraat)

Afbeelding 2: situatieschets nieuw te realiseren woningen op Goedkamp

7

2.2 De cumulatie met andere projecten Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In de omgeving van het plangebied zijn geen (grootschalige) ontwikkelingen gepland/bekend welke in vergelijkbare effecten veroorzaken als de voorgenomen ontwikkeling. Cumulatie is daarom niet aan de orde. 2.3 Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en gebruikrijp maken is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. Het hotel en de woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. 2.4 De productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen betreffen voor het hotel en de beoogde woningen uitsluitend de huishoudelijke afvalstoffen. Deze worden zoveel mogelijk gescheiden om nuttige afvalstoffen op eenvoudige wijze te kunnen inzamelen en vervolgens verwerken/recyclen. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. 2.5 Verontreiniging en hinder In de aanlegfase kan sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie.

Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het plangebied. Vanwege de ligging, de omvang van de ontwikkeling en de geschatte tijdsduur, is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen nadelige effecten op het milieu en de omgeving plaatsvinden. Woningen worden namelijk niet gezien als milieubelastende functies. Zoals in hoofdstuk 3 en 4 wordt geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse.

8

3. PLAATS VAN DE PROJECTEN De locatie van een project/activiteit bepaalt mede de impact van dit project. Daarom moet de kwetsbaarheid van een gebied waar het project invloed op heeft in de beoordeling worden betrokken. In het bijzonder moet in overweging worden genomen: • het bestaande gebruik; • de relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan; • het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende gebieden: - wetlands; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; - speciale beschermingszones, door de aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG; - gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; - gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.1 Het bestaande gebruik Het plangebied is geheel binnen grondgebied van de gemeente Barneveld gelegen. Het plangebied bestaat uit twee delen. Een deel is gelegen aan de Apeldoornsestraat en betreft een voormalig agrarisch bedrijf, voor dit deel heeft reeds eerder een bestemmingsplanwijziging plaatsgevonden naar horeca.

Het andere deel betreft een voormalige verblijfsrecreatieterrein bekend onder de naam Goedkamp. Zowel het agrarische bedrijf en het recreatieterrein zijn momenteel niet in gebruik. Het grootste gedeelte van het plangebied is onbebouwd. Binnen het plangebied worden drie woningen bewoond (twee op de Apeldoornsestraat en een op de Oud Milligerweg). De overige bebouwing binnen het plangebied is niet meer in gebruik. 3.2

De relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. 3.3

Het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu (natuur, ecologie, archeologie en cultuurhistorie) Het betreft een locatie in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Vanuit de provinciale verordening is het plangebied ook zodanig aangeduid. Hieronder wordt per thema ingegaan op mogelijke aanwezige waarden in het plangebied. 3.3.1 Ecologie Door Bureau Waardenburg is een natuurtoets uitgevoerd ten behoeve van de transformatie van het recreatieterrein naar , waarbij getoetst is aan de gebiedsbescherming en soortenbescherming. De belangrijkste conclusies zijn hierna opgenomen (letterlijk overgenomen uit voornoemde natuurtoets).

9

Soortenbescherming De voorgenomen ingreep beperkt zich tot het herinrichten van het recreatieterrein. In het noordelijke bos worden geen ingrepen uitgevoerd. Effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten in dit bos zijn dan ook uitgesloten. Het bos binnen het plangebied is dan ook niet in meegenomen in deel 2 van dit rapport. Uit bronnenonderzoek (NDFF geraadpleegd op 7 maart 2019) en een oriënterend veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is voor de in de regio voorkomende vissen en andere (semi)aquatische flora en fauna. Water ontbreekt in het plangebied en ruime omgeving. Alleen op de erven aan de andere zijde van de Oude Milligenweg zijn een of meerdere tuinvijvers aanwezig. Vissen, amfibieën, libellen en andere watergebonden soorten worden verder niet behandeld. Het recreatieterrein is in potentie wel geschikt voor beschermde planten, vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, insecten en reptielen. Het plangebied bevat voor deze soorten (in potentie) geschikt habitat. Er zijn geen recente waarnemingen van beschermde soorten bekend binnen het plangebied (NDFF). Planten In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen recente waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend (NDFF). Het recreatieterrein is begroeid met kort gemaaid gras. Geschikte groeiplaatsen voor beschermde planten ontbreken.

Een functie van het recreatieterrein voor beschermde planten is uitgesloten. Ongewervelden Uit de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden bekend (NDFF). Het kort gemaaide gras en de enkele alleenstaande bomen bieden geen geschikt biotoop voor beschermde ongewervelden. Een functie van het recreatieterrein voor deze soortgroep is uitgesloten. Reptielen Uit de wijde omgeving van het plangebied zijn zandhagedis (Beschermingsregime Habitatrichtlijn) hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang bekend (Beschermingsregime andere soorten). Het recreatieterrein bestaat vrijwel uitsluitend uit kort gemaaid gras. Geschikt biotoop voor bovengenoemde soorten ontbreekt. Het recreatieterrein heeft geen functie voor beschermde reptielen. Vogels Op het recreatieterrein staan enkele bomen. Tijdens het veldbezoek zijn hierin geen nesten aangetroffen. De bomen op het recreatieterrein kunnen in het broedseizoen gebruikt worden als nestlocatie door een enkel zangvolgelpaar. Van de recreatiewoning is tijdens het veldbezoek vastgesteld dat deze geen functie heeft als nestplaats voor gebouw bewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. De beheerderswoning is in potentie geschikt voor huismus. Het overige deel van het recreatieterrein is door het kort gemaaide gras niet van betekenis voor broedvogels.

Het terrein wordt regelmatig bezocht door wandelaars met hond (niet aangelijnd). Het is niet uitgesloten dat het recreatieterrein onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van soorten als buizerd en havik. De omgeving biedt echter voldoende uitwijkmogelijkheden. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren In de wijde omgeving van het plangebied zijn boommarter, das, edelhert, eekhoorn en wild zwijn bekend (Beschermingsregime andere soorten). Het recreatieterrein is zeer open en daarmee ongeschikt als

10

leefgebied voor boommarter en eekhoorn. De paar bomen op het recreatieterrein bevatten geen geschikte holtes voor boommarter en/of eekhoornnesten. Het recreatieterrein kan voor eventuele boommarters met een verblijfplaats in het omliggende bos een functie hebben als onderdeel van het jachtgebied. Het recreatieterrein is ook toegankelijk voor edelhert, das en wild zwijn en ook voor eventuele reeën, vossen en kleine marterachtigen. Deze soorten kunnen het recreatieterrein tijdelijk bezoeken om te foerageren. Voor verblijfplaatsen is de open, kort gemaaide begroeiing, mede door het bezoek van wandelaars met honden, niet geschikt. Het is niet uitgesloten dat het recreatieterrein gebruikt wordt als leefgebied voor algemene soorten als ree, vos, veldmuis en egel. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor het overtreden van verbodsbepalingen. Vleermuizen De bomen op het recreatieterrein bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. Ook de recreatiewoning is ongeschikt voor vleermuizen, het is niet in gebruik en geschikte holtes ontbreken. De beheerderswoning kan een functie hebben als zomeren of paarverblijf voor gewone dwergvleermuizen. De beplanting aan de rand van het recreatieterrein zal een functie hebben als foerageergebied voor dieren die lokaal een verblijfplaats hebben. Het open terrein is als jachtgebied niet geschikt.

Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt in Natura 2000 (De Veluwe). De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal en hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000. Onder het kopje ‘Stikstofdepositie’ (hoofdstuk 4.1.6) wordt ingegaan op de depositie van NOx en NH3 als gevolg van voorgenomen ontwikkeling op nabij gelegen Natura 2000-gebied. 3.3.2 Cultuurhistorie Hoeve Oud Milligen kan als cultuurhistorisch waardevol worden beschouwd. De beoogde ontwikkeling houdt rekening met die waarde en is in harmonie met de omgeving ontworpen. In de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig, waarop het plan invloed zou kunnen hebben.

3.3.3 Archeologie Voor beide locaties zijn archeologische onderzoeken uitgevoerd in de vorm van bureau- en veldonderzoek. Naar aanleiding van de boringen is geadviseerd om proefsleuvenonderzoeken uit te voeren op beide locaties. Voor de Apeldoornsestraat is deze reeds uitgevoerd, voor de Oud Milligenseweg wordt deze binnenkort uitgevoerd. De conclusie van het proefsleuvenonderzoek van de Apeldoornsestraat luidt: Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek is geen sprake van een behoudenswaardige archeologische vindplaats in het plangebied. Verwacht wordt dat sporen van (prehistorische) bewoning zich hogerop de stuwwal zullen bevinden; het onderzoeksgebied (bouwvlak), waarbinnen de proefsleuven zijn aangelegd, lijkt vooral in gebruik te zijn geweest als landbouw-/weidegrond.

11

4. KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT In samenhang met de kenmerken en de locatie van de activiteiten/projecten moet bij potentiële effecten van een project in het bijzonder het volgende in overweging worden genomen: • het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); • het grensoverschrijdend karakter van het effect; • de orde van grootte en de complexiteit van het effect; • de waarschijnlijkheid van het effect; • de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. 4.1 Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, geur, water, ecologie, externe veiligheid en stikstof. De effecten van de hiervoor genoemde aspecten zijn lokaal van aard. 4.1.1 Verkeer Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Voor wat betreft de stedelijkheidsgraad en stedelijke zone is respectievelijk uitgegaan van ‘buitengebied’ en ‘niet stedelijk’. Voorts geldt voor de Oud Milligenseweg dat het planologisch mogelijk is om een recreatieterrein te ontwikkelen met 93 zomerhuizen en 71 chalets, totaal dus 164 recreatiewoningen. Voor de Apeldoornsestraat 78-80 is een vrij recent bestemmingsplan vastgesteld voor een horecagelegenheid. Deze uitgangspositie wordt vergeleken met de toekomstige situatie. Oud Milligenseweg Op basis van CROW-publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” kan de verkeersgeneratie worden berekend die een bungalowpark realiseert. Hieraan is een weekdaggemiddeld aantal vervoersbewegingen gekoppeld van 2,8. Het park genereert dus (164 * 2,8) 459 vervoersbewegingen. Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het realiseren van 9 grondgebonden vrijstaande koopwoningen en een hotel. De woningen leveren, op basis van de CROW-uitgave, een totale verkeersgeneratie op van maximaal 77,4 verkeersbewegingen (8,6 * 8) per weekdagetmaal. Gelet op het vorenstaande is van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen geen sprake. Er is zelfs sprake van een aanzienlijke afname ten opzichte van de planologische mogelijkheden.

De omliggende wegen zijn van voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen als gevolg van voorliggende ontwikkeling op te kunnen vangen. Alle woningen worden ontsloten op de Oud Milligenseweg, al dan niet door middel van een gezamenlijke in- en uitrit. De in- en uitritten worden zo ingedeeld en gepositioneerd dat er sprake is van een overzichtelijke en verkeersveilige ontsluiting. Voor wat betreft het hotel geldt dat het hier gaat om een hotel dat ingedeeld wordt in 5 sterren van de sterrenclassificatie. Conform de CROW publicatie genereert een dergelijk hotel per 10 kamers 38,8 voertuigbewegingen. Het beoogde hotel heeft 30 hotelkamers en dus is er een verkeersgeneratie van 116,4 vervoersbewegingen.

12

Apeldoornsestraat Het hotel deelt de parkeerplaats met de reeds bestemde horecagelegenheid en is direct aan de Apeldoornsestraat gelegen waarin het verkeer direct opgaat in het heersende verkeersbeeld. Het feit dat de hotelgasten gebruik zullen maken van de horecafaciliteiten gaat ten koste van het aantal voertuigbewegingen wat in de reeds bestemde situatie gegenereerd wordt voor die faciliteiten. Een derde van het aantal voertuigbewegingen van het hotel in mindering gebracht kan worden op het aantal voertuigbewegingen van de horeca (was 280 en wordt 242). Totaal zijn er dan dus 320 vervoersbewegingen. De beoogde in- en uitrit is reeds verkeerskundig getoetst in het vigerende bestemmingsplan en volstaat voor de extra vervoersbewegingen. Conclusie Planologisch gezien is er in totaliteit (beide projecten tezamen gezien) een afname van het totaal aantal verkeersbewegingen, dit vanwege de transformatie van het kampeerterrein. 4.1.2 Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave, omdat woningen in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. Echter zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woon- en hotel functie (leefgeluiden), hiervoor gelden echter geen normen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de geluidsituatie wordt ingeschaald op (zeer) licht negatief.

4.1.3 Luchtkwaliteit Het plan heeft zoals geconstateerd bij het onderdeel verkeer ten opzichte van de huidige planologische situatie geen extra verkeersbewegingen tot gevolg. Planologisch gezien neemt het aantal vervoersbewegingen ter hoogte van de Oud Milligenseweg aanzienlijk af en ter hoogte van de Apeldoornsestraat enigszins toe. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling aan de Apeldoornsestraat wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor het bepalen van het aantal vervoersbewegingen wordt aangesloten op de berekening van de verkeersgeneratie onder het aspect verkeer (= toename 78 verkeersbewegingen per weekdagetmaal). Het aandeel vrachtverkeer is op 0% gezet, aangezien het voornemen ten opzichte van de planologisch toegestane situatie geen toename in vrachtverkeer inhoud (vrachtverkeer is verdisconteerd in vervoersbewegingen horeca). Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. De berekening laat het volgende beeld zien.

Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Tot slot

13

wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.1.4 Geur In voorliggend geval worden er geen geurbelastende objecten gerealiseerd. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van geur wordt ingeschaald op neutraal. Omgekeerd moet worden gegarandeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van het nieuw te bouwen hotel en de woningen. In de directe omgeving zijn geen industrieën aanwezig die mogelijk invloed hebben op het woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar enkele veehouderijen aanwezig zijn. Veehouderijen hebben geuremissie, wat mogelijk invloed heeft op het woon- en leefklimaat van de te realiseren functies. Beide type objecten (hotel en woningen) worden als ‘geur gevoelig object’ beschouwd conform de begripsbepalingen van de Wet geurhinder en veehouderij. De meest nabijgelegen veehouderij van betekenis betreft Sleedoornweg 29 te Garderen, deze ligt op 550 meter ten noordoosten van de te realiseren woningen. In de directe omgeving van het hotel zijn geen veehouderijen gelegen.

De Wet geurhinder en veehouderij stelt dat de geurbelasting berekend moet worden met geurrekenmodel V-stacks vergunning en dat de uitkomst daarvan aan de geurnormen getoetst moet worden zoals die landelijk zijn bepaald, of lokaal zijn vastgesteld. Dat laatste is in onderhavige situatie het geval. De gemeenteraad van de gemeente Barneveld heeft een geurverordening vastgesteld als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. Dit houdt in dat de geurbelasting op de objecten in het plangebied niet hoger mag zijn dan in onderstaande afbeelding is weergegeven. De veehouderij is met rood omcirkeld, het plangebied is rood omkaderd (rechthoek).

De maximale geurnorm voor een woning in het buitengebied is bij Wet bepaald op 14 odour units per kubieke meter lucht, middels gemeentelijke verordening is de geurnorm hier verlaagd naar 8 odour units per kubieke meter lucht. De berekende geurbelasting op de hoek van het plangebied bedraagt 1,6 odour units per kubieke meter lucht. Geconcludeerd kan worden dat er niet gevreesd hoeft te worden voor een slecht woon- en leefklimaat als gevolg van de veehouderijen. 4.1.5 Ecologie Zoals eerder vermeld zijn in het plangebied geen beschermde soorten aanwezig. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader soort- of gebiedsbescherming.

14

4.1.6 Stikstofdepositie Zoals eerder vermeld ligt het plangebied niet binnen een Natura 2000-gebied. Wel ligt het plangebied in de nabijheid van Natura 2000-gebied de Veluwe. De stikstofdepositie als gevolg van dit plan is voornamelijk toe te wijzen aan de verkeersgeneratie. De nieuwbouw zelf is namelijk emissieneutraal: zowel het hotel als de huizen worden gasloos gerealiseerd. Voor de planologische gevolgen van de functieverandering op de Oud Milligenseweg en het toevoegen van de hotelfunctie op de Apeldoornsestraat wordt gebruik gemaakt van dezelfde invoergegevens als bij het onderdeel verkeer: Emissies planologisch toegestaan op Oud Milligenseweg • op basis van CROW-publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” kan de verkeersgeneratie worden berekend die een bungalowpark realiseert. Hieraan is een weekdaggemiddeld aantal vervoersbewegingen gekoppeld van 2,8. Het park genereert dus (164 * 2,8) 459 vervoersbewegingen. Het verkeer beweegt zich voor 20% van en naar het noorden (92 vervoersbewegingen), naar het dorp Garderen. Het grootste deel, 80% (367 vervoersbewegingen), gaat zuidwaarts richting de provinciale weg (Apeldoornseweg).

In de berekeningen laat ik de vervoersbewegingen zien tot de rand van de bebouwde kom (noordelijke richting) en tot aan de Apeldoornsestraat (zuidelijke richting) vanaf die plekken gaan de voertuigbewegingen op in het heersende verkeersbeeld. In de deze berekeningen zijn vrachtwagenbewegingen buiten beschouwing gelaten die een dergelijk park kan genereren. Immers, het bestemmingsplan maakt ook horeca- en supermarktvoorzieningen mogelijk op die locatie waarvoor aanvoer van producten van de groothandel noodzakelijk is. De berekening gaat derhalve van een milde uitgangssituatie uit; • Er is omgevingsvergunning aanwezig voor de realisatie van de recreatiewoningen en dus zouden die nog met CV uitgevoerd kunnen worden. Een gemiddeld huishouden in Nederland verbruikt 1.800 m3 aardgas, rekening houdend met het feit dat recreatiewoningen niet altijd bezet zijn, en doorgaans kleiner zijn dan volwaardige woningen, is aanname van 750 m3 per recreatiewoning genomen. Het totaal aardgasverbruik bedraagt dan 12.300 m3 aardgas. De energieopbrengst van een kubieke meter aardgas bedraagt ca 35 MJ. De rekensom 12.300 * 35 levert dan 430,5 GJ / jr. Bij een maximaal toelaatbare emissie van 20 g NOx/GJ, bedraagt de jaarlijkse emissie ca 8,6 kg NOx/jr.

Ook voor dit aspect geldt dat ik vooralsnog de planologische mogelijkheid buiten beschouwing heb gelaten dat er ook voorzieningen op het park gerealiseerd kunnen worden die verwarmd moeten worden en dus emissies veroorzaken. Emissies planologisch toegestaan Apeldoornsestraat • Voor deze locatie geldt een relatief recent bestemmingsplan. Onderdeel van dat plan vormt een AERIUS berekening waar de verkeersgeneratie in is opgenomen en dus de stikstof emissie als gevolg daarvan is bepaald. Emissies beoogd Oud Milligenseweg • Op basis van de CROW publicatie kan ook hiervoor de verkeersgeneratie geschat worden. De nieuwe woningen dienen geclassificeerd worden als ‘koop, vrijstaand’ in niet stedelijk / buitengebied. Hieraan is een weekdaggemiddelde van 8,6 voertuigbewegingen. Het totaal aantal vervoersbewegingen bedraagt derhalve 77. Ook voor de huizen geldt dat 20% van en naar de noordzijde gaat (15) en 80% van en naar het zuiden (62); • Gelet op het feit dat omgevingsvergunningen pas aangevraagd kunnen worden als het bestemmingsplan is vastgesteld zal er sprake zijn van gasloze woningen, er zijn geen emissies als gevolg van verwarming van het huis en water;

15

•

Het aantal vrachtwagens dat de 9 woningen zal bezoeken zal verwaarloosbaar klein zijn;

Emissies Apeldoornsestraat • Het betreft hier de toevoeging van een 5 sterren hotel wordt. Conform de CROW publicatie genereert een dergelijk hotel per 10 kamers 38,8 voertuigbewegingen. Het beoogde hotel heeft 30 hotelkamers en dus is er een verkeersgeneratie van 116 vervoersbewegingen. Het hotel deelt de parkeerplaats met de horecagelegenheid en is direct aan de Apeldoornsestraat gelegen waarin het verkeer direct opgaat in het heersende verkeersbeeld; • Het feit dat de hotelgasten gebruik zullen maken van de horecafaciliteiten gaat ten koste van het aantal voertuigbewegingen wat in de vergunde situatie gegenereerd wordt voor die faciliteiten. Een aanname is dat een derde van het aantal voertuigbewegingen van het hotel in mindering gebracht kan worden op het aantal voertuigbewegingen van de horeca (was 280 en wordt 242); • Het aantal vrachtwagenbewegingen wordt niet meer door toevoeging van het hotel. Het aantal van 3 vrachtwagens voldoet, immers de groothandel en stomerij nemen dezelfde producten mee voor zowel horeca als hotel; • Het hotel zal gasloos worden uitgevoerd, dus er zijn geen emissies als gevolg van de verwarming van het hotel en het water. Conclusie Rekenmodel AERIUS is op dit moment het meest bruikbare model voor de berekening van stikstof.

Er zijn vraagtekens bij het rekenmodel gezet door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar die vraagtekens zijn vooral geplaatst bij de werking voor emissies van veehouderijbedrijven (gebouwinvloed). Als bijlage bij deze notitie is de berekening gevoegd. Uit de berekening blijkt dat de planologische wijziging leidt tot een afname is van de stikstofdepositie. Derhalve kan gesteld worden dat de stikstofdepositie niet in de weg hoeft te staan aan de voorgenomen planwijziging. 4.1.7 Externe veiligheid Binnen het plangebied wordt geen gebruik gemaakt van gevaarlijke stoffen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van externe veiligheid is neutraal. 4.1.8 Water Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de waterhuishouding wordt ingeschaald op neutraal. Ten aanzien van de toename van de verharding is overleg met het Waterschap en is de digitale watertoets doorlopen, daaruit volgen geen bijzonderheden. Het hemelwater wordt op een adequate wijze geïnfiltreerd en het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. 4.2 Het grensoverschrijdend karakter van het effect De effecten hebben geen landsgrensoverschrijdend karakter.

4.3 De orde van grootte en de complexiteit van het effect De effecten die als gevolg van het plan optreden zijn beperkt en niet complex. 4.4 De waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is niet waarschijnlijk. Er is planologisch gezien een afname van stikstofdepositie. Ten aanzien van ecologie wordt gesteld dat de effecten geen negatieve gevolgen met zich meebrengen, aangezien zal worden voldaan aan de zorgplicht opgenomen in artikel 1.11 van de Wnb.

16

4.5 De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De effecten ten aanzien van stikstofdepositie zijn permanent. De effecten ten aanzien van ecologie zijn tijdelijk. 4.6 Cumulatie van effecten met effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In de omgeving van het plangebied zijn geen ontwikkelingen gepland/bekend welke in vergelijkbare mate effecten veroorzaken als de voorgenomen ontwikkeling. Cumulatie is daarom niet aan de orde. 4.7 Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) De milieueffecten van de ontwikkeling van het plangebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd of gecompenseerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat met uitzondering van het aspect ecologie mitigerende maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. 4.7.1 Ecologie (mitigerend) Tijdens de uitvoering van het voornemen kan flora en fauna hinder ondervinden. Door buiten het broedseizoen te werken of maatregelen te treffen binnen het broedseizoen wordt eventuele hinder op natuur zoveel mogelijk beperkt.

Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. 4.7.2 Stikstofdepositie Er is ten opzichte van de planologisch toegestane situatie geen sprake van een toename van stikstofdepositie (zie hoofdstuk 4.1.6).

17

5. CONCLUSIE De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zeer beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=d01981ba-f46a-4c85-8405-26b7d4073b9f