Oostbroek I_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. "Oostbroek I" (vastgesteld)
29
Oostbroek I
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling externe veiligheid Inrichtingen Op de Veluweweg 60 is een tankstation met aflevering van LPG gevestigd. De afstand van het LPG vulpunt tot het plangebied bedraagt 320 meter. Het plan valt buiten het invloedsgebied van het tankstation. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen andere bedrijven, waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt of waar zich installaties bevinden waaraan risico's zijn verbonden waardoor effecten van ongevallen buiten het terrein van de inrichting merkbaar zijn. Transport van gevaarlijke stoffen. Over de Veluweweg worden de brandstoffen voor het tankstation vervoerd. Het plangebied ligt op een afstand van 220 meter van deze route. Het invloedsgebied van dit transport ligt op 300 meter van de weg, het plan ligt binnen het invloedsgebied van dit transport. In de milieuvergunning van 18 augustus 2010 is de doorzet van LPG gelimiteerd op 500 m3 per jaar, het bedrijf heeft een 20 m3 LPG tank, dit zijn 25 leveringen dus 50 transport bewegingen.
Met behulp van het rekenprogramma RBMII, versie 2.2.0 zijn de risico's berekend. Uit de berekening blijkt dat geen risicocontour voor het plaatsgebonden risico aanwezig is. Het groepsrisico heeft in de huidige situatie en na realisatie van dit plan een normwaarde van 0,00005, het groepsrisico ligt een factor 500 onder de oriënterende waarde. Aangezien het groepsrisico niet toeneemt en de oriënterende waarde een factor 500 wordt onderschreden is het groepsrisico geen belemmering voor dit plan. Verdere verantwoording van het groepsrisico is conform de Risico-normering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs) niet noodzakelijk. Conclusie Het plaatsgebonden risico van de inrichtingen als gevolg van het transport van gevaarlijk stoffen ligt op het wegtracé. Vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over het over de weg is er geen toename van het groepsrisico als Kootwijkerbroek Oost gerealiseerd gaat worden. Het groepsrisico ligt ver onder de oriënterende waarde. Externe veiligheid geeft geen beperkingen voor dit plan. Nadere motivering De Raad van state geeft in een tussenuitspraak van 20 april 2022 aan dat de Kerkweg een transportroute is van gevaarlijke stoffen omdat daar LF1 en LF2 stoffen over worden vervoerd. In eerste instantie is er voor de Kerkweg geen onderzoek uitgevoerd en is er in de toelichting niet ingegaan op de (on)veiligheid 30
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I van de Kerkweg. Met dit onderzoek in bijgevoegde memo (zie Bijlage 24) wordt ingaan op het plaatsgebonden risico, ingegaan op het groepsrisico, en het (beperkt) verantwoorden van het (rest) risico. Daarnaast hebben wij de VVGM (nogmaals) in de gelegenheid gesteld hierop advies uit te brengen. Hiermee zijn alle benodigde stappen uit het Bevt doorlopen. Geconcludeerd kan worden dat ook de Kerkweg als transportroute voor gevaarlijke stoffen in de categorie LF1 en LF2 geen belemmering vormt voor de realisatie van Oostbroek I.
5.5
Geluid
Het opstellen van een bestemmingsplan dienen de bepalingen van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Dit betekent onder meer dat wanneer in het bestemmingsplan gronden worden bestemd voor nieuwe woningbouw of andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen, moet worden nagegaan of voor deze gronden een geluidszone van kracht is. Alle wegen met uitzondering van 30km/h zones en woonerven hebben een zone. De zonebreedte is afhankelijk van de situatie binnen- of buitenstedelijk en het aantal rijstroken. Ook alle spoorwegen hebben een zone met een breedte die afhankelijk is van de bezetting. Daarnaast hebben industrieterreinen een zone. Binnen een zone moet akoestisch onderzoek worden verricht, waaruit blijkt of aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Als deze wordt overschreden kan onder bepaalde voorwaarden - onder andere uit het gemeentelijk geluidbeleid - een hogere waarde / hogere waarden worden vastgesteld. Bij het voorliggende plan is spoorweglawaai of industrielawaai niet aan de orde. Wel speelt het aspect wegverkeerlawaai. Er is door SPA ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Bijlage 14). Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, in de geluidzone van de Essenerweg. Voor de Kerkweg en de Schoonbeekhof geldt (na planrealisatie) een maximale rijsnelheid van 30 km/uur.
Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting, vanwege deze wegen, toch berekend. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting, ten gevolge van het verkeer op de Essenerweg, maximaal 52 dB bedraagt. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar ruim lager dan de maximale ontheffing van 63 dB. De voorkeurswaarde wordt alleen bij de twee eerstelijnswoningen langs de Essenerweg, overschreden. Uit het onderzoek blijkt ook dat de geluidbelasting, ten gevolge van het verkeer op de 30 km/uur-wegen (Kerkweg en Schoonbeekhof), niet hoger zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting, vanwege het verkeer op de 30 km-wegen, aanvaardbaar is. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting, ten gevolge van de Essenerweg bij de twee nieuwe eerstelijnswoningen, te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze twee woningen te kunnen realiseren zal de gemeente Barneveld hogere waarden tot 52 dB, van wege het wegverkeerslawaai vaststellen en vastleggen in het kadaster.
Hierbij wordt opgemerkt dat voldaan wordt aan alle voorwaarden, die de gemeente Barneveld stelt aan de verlening van hogere waarden voor nieuwbouw. In de beleidsregels voor het vaststellen van hogere waarden zijn er een aantal stappen waaraan voldaan moet worden. Hieronder volgen de relevante artikelen en wordt aangegeven op welke wijze om is gegaan met de voorwaarden: (Artikel 2) Een HGW procedure wordt gestart indien op basis van akoestisch onderzoek is aangetoond dat de geluidsbelasting niet verlaagd kan worden tot de voorkeurswaarde door: 1. Het treffen van bronmaatregelen, of; 2. Het treffen van overdrachtsmaatregelen, of; 3. Het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger. In het geluidsrapport is beschreven dat "Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de twee nieuwe eerstelijnswoningen, te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). "Oostbroek I" (vastgesteld)
31
Oostbroek I
(Artikel 3) Een HGW procedure voor woningen kan alleen worden gestart indien ten minste aan een van de volgende criteria wordt voldaan: 1. De woningen wordt gesitueerd als vervanging van bestaande bebouwing. 2. De gekozen bouwvorm of situering vervult een doelmatige functie als akoestische afscherming voor bestaande of nieuwe te bouwen geluidgevoelige bestemmingen. 3. De woningen een open plaats opvullen tussen bestaande bebouwing. 4. Het betreft een grond- of bedrijfsgebonden woning. 5. Woningen zijn of worden in de omgeving van een station of halte gesitueerd. 6. Woningen zijn in een uitbreidings-, stads- of dorpsvernieuwingsplan opgenomen. Er wordt voldaan aan in ieder geval twee van de gestelde punten: Oostbroek betreft een uitbreidingsplan aan de oostzijde van Kootwijkerbroek. Dit zoals ook beschreven in de Structuurvisie KernenBarneveld 2022. De betreffende woningen voldoen hiermee aan het gestelde onder 6. Daarnaast kan gesteld worden dat de woningen een plaats opvullen tussen bestaande bebouwing. Zowel aan de zuid- als aan de westzijde is woonbebouwing aanwezig. Ook op geringe afstand liggen aan de oostzijde woonpercelen. Daarnaast maken de woningen onderdeel uit van het grotere plan Oostbroek waarbij ten noorden van de woningen tevens bebouwing zal ontstaan. Hiermee voldoet het aan het gestelde onder 3.
(artikel 4) Een HGW procedure voor een woning kan alleen worden gestart indien deze woning ten minste een geluidsluwe zijde heeft. Er wordt voldaan aan dit punt. De woningen hebben een geluidsluwe zijde. (Artikel 5) Een HGW procedure wordt alleen gestart indien een verklaring is toegevoegd dat de voorgenomen maatregelen om de geluidsbelasting te verlagen worden toegepast. Niet van toepassing. Er zijn geen maatregelen aan te duiden die als doelmatig kunnen worden gekwantificeerd voor de slechts twee woningen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. (Artikel 7) Bij een geluidsbelasting groter dan 48 dB vanwege wegverkeer, moet een woning tenminste een geluidsluwe zijde hebben. De buitenruimte(n) die als verblijfsruimte worden gebruikt moeten aan de geluidsluwe zijde zijn gesitueerd. De woningen hebben een geluidsluwe zijde en de buitenruimten die als verblijfsruimte worden gebruikt zijn aan deze zijde van de woningen aanwezig. (Artikel 8) Bij een geluidsbelasting groter dan 53 dB vanwege wegverkeer, 60 dB vanwege railverkeer of 55 dB(A)-etmaalwaarde vanwege industrielawaai, gelden de volgende woningindelingseisen: 1. Verblijfsruimten moeten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde liggen. 2. Ten minste een slaapkamer moet aan de geluidsluwe zijde liggen. 3. Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan dient deze gelegen te zijn aan de geluidsluwe zijde.
Het geluidsniveau in de buitenruimte mag niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidsluwe gevel. Deze eis geldt voor maximaal een buitenruimte per woning De geluidsbelasting is maximaal 52dB. De voorwaarden in dit artikel zijn derhalve niet van toepassing. (Artikel 9) Het gebruik van de zogenaamde "dove gevel" dient zoveel als mogelijk te worden vermeden. Daar waar dit niet anders kan, zal er voor de betreffende geluidsgevoelige bestemming tenminste altijd een geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er naar gestreefd wordt het aantal "dove gevels" 32
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I per woning tot maximaal een te beperken. Dit aspect is hier niet aan de orde.
(Artikel 10) Daar waar, in uitzonderlijke gevallen, niet voldaan kan worden aan het gestelde in de artikelen 4, 7, 8 en 11 kunnen burgemeester en wethouders besluiten om geen uitvoering te geven aan het gestelde in deze artikelen. Dit aspect is hier niet aan de orde.
Cumulatie (Artikel 11) Er is geen sprake van een onaanvaardbare geluidhinder indien voldaan wordt aan de volgende drie punten: 1. Per geluidbron moet voldaan worden aan de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting, zoals toelaatbaar volgens de Wet geluidhinder 2. Bij de realisatie van een geluidgevoelig gebouw, moet voldaan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels, waarbij voor de geluidbelasting wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting overeenkomstig de methode van het "Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006", bijlage I, hoofdstuk 2. 3. Er moet minimaal 1 geluidluwe gevel zijn ten gevolge van alle geluidbronnen. Er wordt voldaan aan de genoemde punten waardoor en geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder
Conclusie Het ontwerp van het besluit om de hogere waarden vast te stellen wordt tegelijkertijd met het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegd Het aspect geluid is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen veehouderijen op de volgende adressen: Essenerweg 90 Kerkweg 25 "Oostbroek I" (vastgesteld)
33
Oostbroek I
Op iets grotere afstand liggen de adressen: Essenerweg 98 Kootwijkerbroekerweg 78-80 Essenerweg 90 Grenzend aan de zuidzijde van de beoogde woningbouw in het plangebied 'Oostbroek' bevindt zich het object Essenerweg 90. Essenerweg 90 betreft een agrarisch bouwperceel, waarop hobbymatig paarden gehouden worden. De daarmee samenhangende milieuvergunning en 50 meter zone strekt zich in beperkte mate uit over het plangebied 'Oostbroek'. Zie onderstaande uitsnede.
50 meter contour v anaf het bouwbv lak v an de paardenhouderij
Met de eigenaar is overeen gekomen om het bestaande bouwblok op een zodanige manier aan te passen dat het feitelijke gebruik voorgezet kan worden. Daarmee wordt de mogelijkheid voor een eventuele grotere geurbelemmering voor woningbouw in het plangebied Oostbroek weggenomen. Het perceel wordt met een aangepast bouwvlak meegenomen in onderhavig bestemmingsplan. Kerkweg 25 Aan de noordoostzijde van het plangebied bevindt zich het object Kerkweg 25. Dit betreft een agrarisch bouwperceel welke door een ontwikkelaar is aangekocht om woningbouw te kunnen ontwikkelen. Een agrarisch peerceel geeft een beperking van 50 meter vanaf de rand van het bouwblok. Doordat er in het plangebied Oostbroek een woning is gelegen op minder dan 50 m zou betekent dit dat deze dichtstbijzijnde woning niet gebouwd zou kunnen worden vanwege een geurbelemmering. Op het perceel zullen geen agrarische activiteiten meer ontplooid worden. In theorie geeft dit echter wel een belemmering. We hebben ervoor gekozen om binnen het plangebied een geurzone neer te leggen waarbinnen geen geurgevoelige objecten/ woningen mogen worden opgericht. Door middel van een wijzigingsbepaling in het bestemmingsplan wordt geregeld dat deze 'milieuzone- geurzone' wordt verkleind of komt te vervallen, op het moment dat de bedrijfsactiviteit die de geurzone veroorzaakt geen belemmering meer geeft.
34
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I
Ligging v oormalig agrarisch bedrijf Kerkweg 25
Essenerweg 98 Het agrarische bedrijf op de Essenerweg 98 ligt op ruime afstand van het plangebied. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij dient er een afstand van 100 meter aangehouden te worden tussen een emissiepunt van geur van de stal met dieren zonder geuremissiefactor(het rundvee) en de gevel van een geurgevoelig object (de woning). De afstand van de rand van het bouwvlak op de Essenerweg 98 en de dichtstbijzijnde rand van het bouwvlak van het plangebied bedraagt al meer dan 390 meter. Aan deze afstand wordt daarom ruimschoots voldaan. Daarnaast is een berekening gemaakt van de geurbelasting vanuit het agrarische bedrijf op het plangebied. De berekening is uitgevoerd volgens de zogenaamde omgekeerde werking, waarbij alle vergunde geuremissie (van de varkens) op de uiterste noordoosthoek van het bouwvlak is berekend. Dit betreft een 'worst-case' scenario. In het plangebied geldt volgens de geurverordening van de gemeente Barneveld een waarde voor de voorgrondbelasting van 6,0 ouE/m3. Uit de berekening blijkt dat aan deze waarde wordt voldaan. Dit betekent dat de woningen in het plangebied geen belemmering vormen voor het agrarische bedrijf.
"Oostbroek I" (vastgesteld)
35
Oostbroek I
Conclusie Door de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk wordt het agrarisch bedrijf niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Kootwijkerbroekerweg 78-80 Het agrarische bedrijf op de Kootwijkerbroekerweg 78 ligt op ongeveer 1,7 km afstand van het plangebied. Het plangebied is omgeven door al bestaande woningen (geurgevoelige objecten). Het vormt daardoor geen extra belemmering voor het agrarische bedrijf.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
Eind 2012 is artikel 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijk ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 36
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I A. B. C. D. E.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
Ad. A. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 104 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen.
Ad. B. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Oostbroek' kent thans in hoofdzaak een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen.
Ad.C Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6. lid 2 Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten.
Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Regionale bouwafspraken zijn vastgelegd in de regionale notitie 'advies toedeling woningbehoefte regio FoodValley' (okt. 2017, tabel 2). Zie bijlage 1. Deze is als zodanig overgenomen in het uitvoeringsplan Regionale Woonagenda 2.0, regio FoodValley (jan 2018). Zie bijlage 2. De kwantitatieve opgave voor de periode 2017-2027 op circa 17.000 woningen geraamd, waarvan minimaal 3.500 woningen voor gemeente Barneveld. Op basis van jaarlijkse huishoudensprognoses worden deze cijfers geactualiseerd. Voor de gemeente Barneveld is er in de periode 2020-2030 een minimale toename van ruim 2.850 huishoudens te verwachten. Maar ook in de periode daarna zal Barneveld nog verder groeien. De nieuwe provinciale PRIMOS prognoses van 2019 geven een doorkijk van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling tot 2049. Ten aanzien van de bevolkingsontwikkeling is er sprake van een lichte positieve afwijking. Zo wordt het inwonertal in 2025 circa 1.000 personen hoger geraamd dan op basis van de oudere prognose en telt Barneveld in dat jaar ruim 62.600 inwoners. Rond 2040 wordt een inwonertal
"Oostbroek I" (vastgesteld)
37
Oostbroek I van 70.000 verondersteld. In de jaren daarna gaat het groeitempo er uit en wordt het inwonertal in 2049 rond 72.000 personen verwacht.
Figuur 2 a en 2 b Bev olkings- en huishoudensontwikkeling gemeente Barnev eld 2019-2049 (Bron: ABF, Primos 2018 en 2019)
De druk vanuit overig Nederland op onder andere Barneveld is groot.Recente onderzoeken ( "Naar het oosten. Verhuismotieven bij een verhuizing van de Randstad naar Oost-Nederland. Motivaction, sept. 2019" en " De uitdijende Randstad. Verder naar het Oosten. RIGO Research en Advies, sept. 2019") laten zien dat er sprake is van meer instroom dan uitstroom van inwoners uit de Randstad. Het gaat daarbij om verschillende leeftijdsgroepen, waaronder gezinnen met kinderen. Deze blijken om uiteenlopende redenen naar het oosten te verhuizen, waaronder naar Barneveld en overig FoodValley. Van de werkenden die naar het oosten verhuizen is uiteindelijk ook tweederde in het oosten werkzaam. Wel wordt vaker (dan in de Randstad) de auto gebruikt voor het woon-werkverkeer. De huishoudens die naar het oosten verhuisd zijn geven gemiddeld een 8,1 als rapportcijfer voor hun nieuwe woonsituatie waarbij de rust, veiligheid en sociale cohesie een belangrijke rol spelen. De verhuizingen lijken dan ook een structureel karakter te hebben.In 2019 had Barneveld te maken met een binnenlands vestigingsoverschot van meer dan 700 personen. In het afgelopen jaar hebben er interprovinciale discussies plaatsgevonden over de landelijke woningtekorten, waaronder ook in de provincie Utrecht.
Om die reden wil provincie Gelderland tot 2030 versneld zo'n 45.000 woningen binnen haar provinciegrenzen gerealiseerd zien, waaronder in regio FoodValley. Bij de kwantitatieve opgave wonen is nog geen rekening gehouden met arbeidsmigranten. Voor een deel van hen, die zich hier permanent vestigen, is reguliere woonruimte van belang. In Barneveld werken zo'n 700 tot 900 arbeidsmigranten. Maar ook onderwerpen als uitstroom beschermd wonen, vragen om woningen. Om die reden heeft gemeente Barneveld de ambitie om de eerstkomende jaren (zeker tot 2025) van een gemiddelde bouwproductie van 450 tot 500 woningen uit te gaan. Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld.
Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de volgende 2 tabellen.
38
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I
Woningbehoef te naar eigendom en ty pe in 2019, 2030 en 2040 en ontwikkeling t.o.v . 2019 (Bron: woningmarktsimulatie RIGO)
Woningbehoef te naar eigendom en prijsklasse in 2019, 2030 en 2040 en ontwikkeling t.o.v . 2019 (Bron: woningmarktsimulatie RIGO)
De behoefte aan grondgebonden woningen is vrij groot in gemeente Barneveld en zeker ook in een kern als Kootwijkerbroek. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het volgende gedifferentieerde programma. Het bestaat uit tweekappers, rijwoningen, seniorenwoningen, vrijstaande woningen en hoekwoningen (met en zonder garage).
"Oostbroek I" (vastgesteld)
39
Oostbroek I
Woonprogramma v oor Oostbroek, dif f erentiatie najaar 2020
Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. Het gebied zal in fasen worden ontwikkeld om ze het aanbod te doseren in relatie tot de vraag.
Ad. D. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gaat echter in belangrijke mate om agrarische bedrijfsvoering. Gelet daaropis het onderhavige plangebied voornamelijk gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld.
Ad. E. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van genoemd aantal woningen (104 woningen) door middel van inbreiding binnen de kern Kootwijkerbroek ligt niet voor de hand. De kern Kootwijkerbroek is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig gerealiseerd. Derhalve kent deze kern weinig herstructurering en weinig (beschikbare) functieveranderingslocaties binnen de kern. Vrij recent is bij de kerk in het hart van Kootwijkerbroek nog een appartementengebouw gerealiseerd. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed. De locatie Oostbroek speelt een belangrijke rol in het invullen van de kwantitatieve opgave die er ligt, naast de kwalitatieve overwegingen (behoefte). Er is zeer beperkt sprake van inbreidingslocaties zoals de mogelijke verplaatsing van het fietscrossterrein, maar hier zal slechts beperkt woningbouw (en met een andere differentiatie, namelijk gestapelde woningbouw) voor terug komen. Dergelijke aantallen verhouden zich niet tot genoemde ruimteclaim voor 104 woningen, met vooral ook grondgebonden gezinswoningen met een tuin. De kern Kootwijkerbroek kan derhalve voornamelijk worden uitgebreid buiten bestaand stedelijk gebied.
Onderhavige locatie wordt daarbij als geschikt aangemerkt, aangezien het aansluit op de kern Kootwijkerbroek en direct naast een basisschool en dorpshuis ligt. Kootwijkerbroek ligt relatief dicht bij de kern Barneveld en daarmee ook nabij de A1/A30 en ook de afstand tot een NS-station (in Barneveld-Centrum en Barneveld-Zuid) is te overzien. Het plangebied voor Oostbroek was al zoekzone voor wonen al opgenomen in de vastgestelde Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 (zie hiervoor paragraaf 4.4.2 ). Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
40
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I
5.8
Leidingen
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de "Oostbroek I" (vastgesteld)
41
Oostbroek I uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.
Toetsing Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. is één activiteit opgenomen die van toepassing kan zijn voor het voornemen. Deze is in de onderstaande tabel weergegeven. Activiteit
Gevallen
Plannen
Besluiten
D11.2 De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de De structuurvisie, De vaststelling van uitbreiding van een activiteit betrekking bedoeld in de artikelen het plan, bedoeld in stedelijk heeft op: 2.1, 2.2 en 2.3 van de artikel 3.6, eerste lid, ontwikkelingsproject Wet ruimtelijke onderdelen a en b, met inbegrip van de 1°. een oppervlakte van ordening, en het plan, van de Wet ruimtelijke bouw van winkelcentra 100 hectare of meer, bedoeld in artikel 3.1, ordening dan wel bij of parkeerterreinen. eerste lid, van die wet. het ontbreken daarvan 2°. een van het plan, bedoeld aaneengesloten gebied in artikel 3.1, eerste en 2000 of meer lid, van die wet. woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De wijziging valt onder activiteit D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De verandering is dermate klein dat deze ruim onder de drempelwaarden in kolom 2 blijft. Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uit jurisprudentie blijkt echter dat niet iedere ontwikkeling onder de drempelwaarde tot een stedelijk ontwikkelingsproject gerekend hoeft te worden. De aard en omvang van de opgave en het karakter van de omgeving zijn o.a. relevant om hierin mee te nemen. In dit geval is sprake van een redelijke grote ingreep in een kleinschalige dorpskern. Hierdoor is in dit geval wel sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld onder activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. Deze activiteit uit het Besluit m.e.r. is daarom wel van toepassing op het voornemen. Op basis van de toetsing aan het Besluit m.e.r. is het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk en uitgevoerd. Het document is toegevoegd als Bijlage 15 van het bestemmingsplan. Uit deze Vormvrije m.e.r.-beoordeling komt naar voren dat de ontwikkeling leidt tot minimale milieugevolgen in en rond het plangebied. Van belangrijke nadelige milieugevolgen is geen sprake.
Het uitvoeren van een volwaardige milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk Conclusie Er behoeft geen volwaardige milieueffectrapportage uitgevoerd te worden waardoor dit aspect geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming 42
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspect van belang: Kerkweg 27: Bedrijf/ Oliehandel Op de locatie Kerkweg 27 is op dit moment een oliehandel gevestigd. In het bestemmingsplan is dit perceel bestemd als een "Bedrijf - Niet agrarisch' met daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen'. Voor de opslag van de gasflessen op het perceel grenzend aan de wijk Oostbroek moet minimaal 5 meter afstand (Activiteitenbesluit) vanaf de erfgrens worden aangehouden. Op dit moment is ervoor gekozen het perceel direct ten zuiden van het perceel nog niet te ontwikkelen. Momenteel is het bedrijf dan ook geen belemmering voor woningbouw in Oostbroek. Daarnaast is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van Davelaar Oliehandel BV. Zie hiervoor Bijlage 22.
Doel van het onderzoek is het bepalen en toetsen van de door Davelaar Oliehandel BV veroorzaakte geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe woningen. Uit het onderzoek blijkt dat er in de onderzochte situatie niet wordt voldaan aan de standaard geluideisen bij de nieuwe woningen binnen het plan. Het is praktisch en technisch niet mogelijk om door middel van maatregelen te voldoen aan deze eisen. Om de huidige bedrijfsvoering van Davelaar Oliehandel BV niet te belemmeren zullen maatwerkvoorschriften in de vergunning opgenomen worden. Daarnaast hebben wij in het bestemmingsplan de hierna weergegeven aanvullende regels opgenomen om ervoor te zorgen dat bij en in de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, namelijk: De geluidwering van de oostgevels van de woningen, ter hoogte van de rekenpunten 003 t/m 006 en 013 en de noordgevels ter hoogte van de rekenpunten 008 en 009, dienen een geluidwering van minimaal 25 dB te bedragen; Rond de achtertuin van de woningen, ter hoogte van rekenpunt 008, dient een gesloten L-vormig scherm (hoogte 2 m, massa 10 kg/m2) te worden geplaatst. Zie uitsnede hieronder. Dit scherm wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan vastgelegd.
"Oostbroek I" (vastgesteld)
43
Oostbroek I
positie geluidscherm
Vooruitblik Vooruitkijkend zal, zodra wordt gestart met de ontwikkeling van woningbouw op het perceel direct ten zuiden van het perceel (c.q. wanneer dit planologisch mogelijk wordt gemaakt) een oplossing moeten worden bedacht voor de oliehandel. Dit kan zijn in de vorm van verplaatsing van de opslag van het bedrijf of het voorzien van een brandwerende opslag. Wij zullen t.z.t. proberen een oplossing te vinden met de eigenaar van de oliehandelaar voordat het bestemmingsplan in een volgende fase in procedure gaat.
Schoonbeekhof 53: Rehobothschool Op deze locatie is een school gevestigd en is onderzoek uitgevoerd (Bijlage 13) om vast te stellen of er vanuit de de school en de buitenruimte van de school, mogelijk hinder ontstaat naar de nieuwe woonbestemming die het plan mogelijk maakt. Het plangebied ligt in een omgeving die gelet op het karakter, is aan te merken als “gemengd gebied”. De richtafstand tot gevoelige (woon)bestemmingen bedraagt 30 meter. Doordat het gebied aangeduid kan worden als gemengd gebied kan deze afstand terug gebracht worden tot 10 meter. De woningen in het gebied liggen op een afstand die kleiner is. Om deze reden is er onderzoek gedaan om te bekijken of er sprake is/ kan zijn van een goed woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt dat het noodzakelijk is dat er een aantal maatregelen genomen moeten worden. De maatregelen betreffen het plaatsen van twee tuinschermen bij woningen aan de noord- en zuidzijde van de speelplek met een hoogte van minimaal 1.80 meter. Daarnaast zal hetwoonblok aan de oostzijde met een dove gevel worden uitgevoerd. Deze maatregelen worden geborgd in een voorwaardelijke verplichting. Door het toepassen van deze maatregelen is er bij en in de woningen en in de tuinen en op de dakterrassen sprake van een goed woonen leefklimaat.
Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat door de school bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaard eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op basis van dit onderzoek blijkt dat binnen het plan en de omgeving een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.
Schoonbeekhof 55: Zorgcentrum Dit zorgcentrum is op voldoende afstand gelegen en geeft geen belemmering voor onderhavig plan. De benodigde afstand bedraagt 30 meter. Aangezien het gemengd gebied betreft mag dit worden teruggeschaald tot 10 meter. De werkelijke afstand tot de dichtstbijzijnd gelegen woningen bedraagt zo'n 35 meter.
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit 44
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Omdat het een all electric wijk wordt zal er middenspanningsruimte geplaatst worden welke Liander nodig heeft voor deze wijk. Er hoeven hiervoor geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.
Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Voordat het dorp Kootwijkerbroek ontstond kenmerkte het landschap zich als natte, moeilijk toegankelijke broekgronden. De eerste ontwikkelingen richting het huidige Kootwijkerbroek zijn waarschijnlijk begonnen vanuit het oudere hoger gelegen Kootwijk. De lage broekgronden, afgewisseld met stukken natte heide, werden door rechtlijnige slootstelsels ontwatert op 1 van de –ooit talrijke- beken of oude nevengeultjes. In de huidige kaartbeelden categoriseren we de omgeving van Kootwijkerbroek als jonge broek- en heideontginningen, waarbij voor de noordoostelijke- tot oostelijke zijde een uitzondering wordt gezien; een hoger gelegen kampontginning. Deze kampontginningen laten -in tegenstelling tot de orthogonale, grootschalige en open heideontginningen- een meer gesloten, mozaïek-achtige groene setting zien. Rond het huidige Kootwijkerbroek is de overgang tussen deze twee landschapstypen nog wel te onderscheiden, maar veelal zijn de originele lijnen verdwenen, of vervaagd. Veel transparante kavelgrensbeplanting van de heideontginningen is gekapt of onderbroken, voor de karakteristieke gesloten kamerstructuur van het kampenlandschap geldt hetzelfde. De grootste structuurdragers, de valleibeken, zijn rechtgetrokken of gedempt. We wilden (en moesten) op georganiseerde wijze zo snel mogelijk van het wassende water af, zodat we op redelijk stabiele wijze landbouw konden bedrijven.
De Kleine Beek, die ooit de kern van Kootwijkerbroek in oost-westelijke richting doorsneed, is een voorbeeld van een rechtgetrokken en gedempte beek. De originele meanderende lopen van dit soort beken bepaalde onze aanpak van occupatie en daarmee de ontstaansgeschiedenis van onze tegenwoordige ontginningslandschappen. De illustratie hieronder toont de karakteristieke vormentaal van een voormalige kampontginning, overgaand in een heideontginning. Aan de zuidzijde is duidelijk te zien dat het landschap onder de Essenerweg uitgestrekter, opener en duidelijk rechtlijniger van opzet is, dan de meer mozaïekachtige structuur boven de Essenerweg. Het rood gemarkeerde projectgebied bevindt zich volledig binnen een hoger gelegen -door schaalvergroting verdwenen- kampontginning.
"Oostbroek I" (vastgesteld)
45
Oostbroek I
Landschapsty pen
Van het grondgebied binnen onze projectgrenzen kunnen we stellen dat het zich bevindt in een kampontginning. Ten oosten van Kootwijkerbroek, aan de oostrand van de plangrens, vrij liggend in de gras- en maislanden zijn nog een aantal houtopstanden te onderscheiden. Deze –van oorsprong aaneengesloten- groene kamers reikten een eeuw geleden nog tot ver in het plangebied en in de huidige oostelijke dorpsgrens, maar deze zijn door schaalvergroting en nieuwe ontwikkelingen verdwenen. Aanknopingspunten in landschappelijke structuurdragers bevinden zich aan de randen van de projectgrenzen. De noordzijde kenmerkt zich door een restant van de “Kleine Beek”, die langs een deel van de westelijke rand tot aan de Rehobothschool recent is uitgebreid met een waterbergingszone. De Kleine Beek valt nu nauwelijks op, maar kan in het nieuwe stedenbouwkundig plan beter beleefbaar worden gemaakt. Ten noorden van de Kleine Beek bevindt zich een mogelijke aansluiting op een wandelpad dat aantakt op het Pastoriebos en het Wallenborch wandelpad. De enige opvallende karakteristieke groenstructuur centraal binnen de plangrenzen, is te zien in de berm langs de Kerkweg en bestaat uit een -niet volledige- rij knotelzen en enkele wilgen. De kwaliteit van deze bomen is echter zo slecht, dat ze vanuit de groeninventarisatie niet als waardevol zijn gelabeld.
De loop van de Kerkweg binnen de plangrenzen is een oude historische verbindingslijn, die voor 1870 al was te onderscheiden. Als kenmerkende lijn is het een belangrijk element. Langs de oostrand van het projectgebied bevindt zich nog een herkenbare historische kavelbegrenzing, in zijn geheel van noord tot zuid aangezet door een smalle watergang. Deze groene lijn zal de toekomstige oostrand (de nieuwe dorpsrand) markeren. De aanwezige groenstructuren bestaan uit een afwisseling van Elzen, Wilgen, Beuken, Berken, Essen en Eiken. Alhoewel niet overal volledig aaneengesloten, zijn een groot aantal boomvormers aan de oostzijde in goede conditie en kunnen ze een groene transparante buffer gaan vormen tussen de nieuwe uitbreiding en het oostelijk gelegen buitengebied. Veel karakteristieken van het authentieke landschap direct rond de oostelijke zijde van het dorp zijn aangetast of verdwenen. In een ring op enige afstand van het dorp zijn echter nog wel veel kwaliteiten te zien en te voelen. Houtwallen, lanen, singels, lager gelegen graslanden, aangezet met slootjes en kronkelende smalle weggetjes getuigen van de kwaliteit en charme van dit agrarische gebied.
46
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I
Bestaande landschappelijke elementen
In het plangebied wordt rekening worden gehouden met de aanwezige landschapskenmerken zoals hierboven (en in Bijlage 1) beschreven. De opzet is uitgewerkt (zie Bijlage 20) en zal er met de landschappelijke aanvulling en invulling met groene elementen er als op de onderstaande kaart uit komen zien. Het bomenplan is toegevoegd als Bijlage 21.
Bomen en groen
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.
"Oostbroek I" (vastgesteld)
47
Oostbroek I
Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Structuur Van oudsher vormen de Wesselseweg, Veluweweg en Essenerweg de belangrijkste wegen van Kootwijkerbroek. Ook in de huidige situatie is dat nog steeds van toepassing. Door de ontwikkeling van Hoevedorp en Oostbroek wordt de Kerkweg als ontsluitingsweg steeds belangrijker.
Ligging belangrijke wegen rondom het plangebied
Oorspronkelijk is de Kerkweg een oud landweggetje dat meanderde door het open landschap. Het huidige wegprofiel is niet geschikt voor de toekomstige ontwikkelingen en zal daarop worden aangepast. Dit betekent dat de noordelijke Kerkweg wordt opgewaardeerd en richting de zuidzijde breder wordt gemaakt zodat deze weg voor de wijk gebruikt kan worden als ontsluiting richting de Veluweweg.
48
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I
Verbreding v an Kerkweg (Noordelijke gedeelte)
Ontsluiting en structuur in plangebied De Kerkweg is nu grotendeels 50 km/uur. Deze wordt afgewaardeerd tot een dorpsstraat en ingericht als 30 km/uur zone conform de richtlijnen voor een erftoegangsweg. Dat betekent dat fietsers gemengd gebruik maken van de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer. Voor voetgangers worden voetpaden gerealiseerd aan minimaal één zijde van de weg. Rondom het plangebied liggen een aantal fiets- en voetpaden. De paden aan de noordzijde lopen door hoogwaardige groene ruimten en de fietspaden in het buitengebied maken onderdeel uit van een grootschalig fietsnetwerk binnen de Veluwe. Hiermee heeft het plangebied een bijzondere ligging en de potentie om aan te sluiten op deze bijzondere en mooie langzaamverkeersroutes.
Ontsluitingsstructuur autov erkeer(Links) en langzaam v erkeer (Rechts)
Parkeren Op basis van de onderstaande sectie indeling is gekeken naar het benodigde aantal parkeerplaatsen in relatie tot het daadwerkelijke aantal. De indeling in de diverse secties is gemaakt omdat de beschikbare parkeerplaatsen op geringe afstand van de woningen gerealiseerd moeten worden voor het gewenste gebruik.
"Oostbroek I" (vastgesteld)
49
Oostbroek I
Op basis van bovenstaande indeling wordt gekomen tot de positieve parkeerbalans zoals toegevoegd in Bijlage 16. Iedere sectie heeft voldoende parkeerplaatsen waarbij er in het totale plan een overschot van 7 parkeerplaatsen zit. Voor de volledigheid geldt dat de parkeerbehoefte van sectie 2 nog niet exact bekend is. Dit komt doordat het aantal woningen kan varieëren tussen de 6 en 8 woningen. Deze behoefte wordt binnen de sectie opgelost. Hierbij wordt voldaan aan de parkeereis conform de Nota Parkeernormen 2020 Conclusie Het verkeersaspect is op basis van het voorgaande geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
5.15
Water
Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft aan dat water een erfgoed is, dat moet worden beschermd. De KRW geeft het kader voor de bescherming van oppervlaktewater en grondwater. Aquatische ecosystemen en daarvan afhankelijke gebieden dienen voor verdere achteruitgang te worden behoed. De waterkwaliteit dient verbeterd te worden door emissies van schadelijke stoffen terug te dringen. Het 50
"Oostbroek I" (vastgesteld)
Oostbroek I duurzaam gebruik van water bevorderen op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen. Nationaal Waterplan 2016 – 2021 Het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) is de voortzetting van het eerste Nationaal Waterplan uit 2009 (NW). Het NWP2 is een algemeen plan voor het op nationaal te niveau te voeren waterhuishoudkundig beleid. Veel elementen uit het NW komen terug in het NWP2, zoals de watersysteembenadering en de structuurvisie voor ruimtelijke aspecten. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde deltabeslissing fundamenteel veranderd ten opzichte van het vorige Nationaal Waterplan. Met het NWP2 wil het Rijk antwoorden formuleren op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer. Dit om ervoor te zorgen dat ook volgende generaties van Nederland als veilig en welvarend waterland genieten. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Daarnaast levert water een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit.
Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Om dit te bereiken moet water bepalender dan voorheen zijn bij de besluitvorming over grotere opgaven op het terrein van onder andere verstedelijking. De mate waarin water bepalend is bij ruimtelijke ontwikkelingen hangt af van de aard, omvang en urgentie van de wateropgave in relatie tot andere opgaven en kenmerken in dat gebied. Waterplan Gelderland 2010-2015 Het Waterplan zet het vorige beleid van het derde Waterhuishoudingplan (WHP3) voort. In het Waterplan staat beschreven hoe de provincie Gelderland wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Het plan geeft richtingen aan voor de bescherming, instandhouding en verbetering van de waterhuishouding voor alle maatschappelijke functies zoals landbouw, natuur en stedelijk gebied. De hoofddoelstelling is dat het water in 2027 volledig op orde moet zijn voor de maatschappelijke functies. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 waterschap Vallei en Veluwe In dit programma heeft waterschap Vallei en Veluwe haar huidige koers en ambities voor de toekomst vastgelegd.
Het waterbeheerprogramma bestaat uit 3 deelprogramma's: Waterveiligheid; richt zich op het voldoende beschermen van het gebied tegen overstromingen, Watersysteem; onderverdeeld in landelijke, stedelijke en KRW systemen, waarbij gericht wordt gestuurd op de juiste hoeveelheid water, de juiste kwaliteit van het water en (in het stedelijk watersysteem) het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen, Waterketen; dit programma richt zich op goede oppervlaktewaterkwaliteit, het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en de hoogst haalbare waarde uit het water halen. Ondanks de losse programma's voor het watersysteem en de waterketen worden deze wel heel nadrukkelijk als één systeem behandeld, en komen de ambities binnen deze programma's dus ook voor een groot deel overeen. In de programma's spelen het anticiperen van en reageren op klimaatontwikkelingen en het terugwinnen van grondstoffen een belangrijke rol. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem.
Huidige situatie In de huidige situatie betreft het plangebied Kootwijkerbroek Oost voornamelijk bouwland. Aan de noordkant van het plangebied stroomt de Kleine Beek (A-watergang) en aan de west- en oostzijde zijn respectievelijk een B-watergang en C-watergang aanwezig. Aan de Kerkweg die het plangebied doorsnijdt liggen enkele bestaande woningen die zijn aangesloten op drukriolering. Op basis van uitgevoerd "Oostbroek I" (vastgesteld)
51
Oostbroek I bodemonderzoek en bestaande peilbuizen ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand op circa NAP +16.00 m. Dit is op de lager gelegen delen ongeveer 50 cm beneden maaiveld. Toekomstige situatie Hemelwater Door de realisatie van het dit plan zal de hoeveelheid verhard oppervlak toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Om de versnelde afvoer van hemelwater te voorkomen, dient compenserende waterberging gerealiseerd te worden. De aan te leggen waterberging heeft een capaciteit van 65 mm ten opzichte van de toename van het verharde oppervlak. Binnen het openbare gebied is bekend hoeveel de toename in verharding zal zijn. Bij de uit te geven kavels is dit nog niet bekend, maar is uitgegaan van een gemiddelde verharding van 65% van het kaveloppervlak. De totale verharding vertaalt zich naar een bergend volume van 1880 m³. Deze berging zal worden voorzien van een overloop richting het oppervlaktewater. Per woning wordt binnen de erfgrens circa 1 m3 berging aangelegd in de vorm van infiltratiekratten. De resterende berging binnen het plangebied wordt gerealiseerd in de vorm een aantal wadi's, een overloopgebied naar de westelijke watergang en een waterbergend pakket onder een deel van de wegverharding.