CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Oostbroek I_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostbroek I21.796 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Oostbroek I

Oostbroek I

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 INLEIDING

5

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen

6 6 6

Hoofdstuk 3 PLANBESCHRIJVING 3.1 Visie 3.2 Ontwikkelingen 3.3 Functies

8 8 8 9

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Rijk 4.2 Provincie 4.3 Waterschap 4.4 Gemeente

10 10 12 13 13

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Veiligheid 5.14 Verkeer 5.15 Water

21 21 22 25 29 31 33 36 40 40 40 42 44 46 47 49

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Juridische aspecten 6.2 Handhaving

52 52 57

Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Grondexploitatie

58 58

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen

59 59 59 60

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

KWB-O Masterplan, gemeente Barneveld, April 2017

Bijlage 2

Beeldkwaliteitsplan Oostbroek, gemeente Barneveld, juni 2021

Bijlage 3

ontwerp Kerkweg noordzijde

Bijlage 4

Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en booronderzoek, Raap, mei 2020

2

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Bijlage 5

Archeologie proefsleuvenonderzoek, Raap, november 2020

Bijlage 6

Bodemonderzoek- Essenerweg 75 en 77, P&J juni 2007

Bijlage 7

Bodemonderzoek- Asbest, GAIM, juni 2013

Bijlage 8

Bodemonderzoek- Verkennend Bodemonderzoek Kerkweg 27 , Vink aug 1994

Bijlage 9

Onderzoek Stikstofdepositie, SPAWNP, mei 2021

Bijlage 10

Natuuronderzoek, Tauw , maart 2020

Bijlage 11

Nader onderzoek steenmarter, Tauw, juni 2020

Bijlage 12

Quickscan beschermde soorten voor de reconstructie, Tauw, mei 2020

Bijlage 13

Kootwijkerbroek Oost, Onderzoek milieuzonering, SPAWNP, december 2020

Bijlage 14

Akoestisch onderzoek, Spa juni 2020

Bijlage 15

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Oostbroek, juli 2020

Bijlage 16

Parkeerbalans

Bijlage 17

Waterhuishoudkundig- en rioleringsplan Sweco, september 2020

Bijlage 18

Natuurinclusief bouwen, Tauw, november 2020

Bijlage 19

Verslag Inspraak en overleg

Bijlage 20

Landschapsontwerp, gemeente Barneveld, februari 2021

Bijlage 21

Bomenplan, gemeente Barneveld, februari 2021

Bijlage 22

Akoestisch onderzoek Oliehandel Kerkweg, mei 2021

Bijlage 23

Nota Zienswijzen

"Oostbroek I" (vastgesteld)

3

Oostbroek I

4

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Toelichting Hoofdstuk 1

INLEIDING

Gemeente Barneveld wil een nieuwe woonwijk ontwikkelen aan de oostzijde van de kern Kootwijkerbroek.

Kaart Kootwijkerbroek

In de nieuwe woonwijk zullen ruim 104-106 woningen gerealiseerd worden. Voor 98 woningen is in bouwvlakken bepaald hoe de woningen komen te liggen. Voor één vlak naast de Speelplaats naast de Rehobothschool is de invulling nog niet vast en kan het aantal variëren tussen de 6 en 8 woningen. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarom is voorliggende een herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.

"Oostbroek I" (vastgesteld)

5

Oostbroek I

Hoofdstuk 2 2.1

BESTAANDE SITUATIE

Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de oostzijde van de kern Kootwijkerbroek. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Kerkweg. Aan de zuidzijde is de Essenerweg de grens waarbij tevens het perceel Essenerweg 90 bij het plangebied betrokken is. Aan de oostzijde vormt het agrarisch gebied de grens van het plangebied. Westelijk ligt de kern Kootwijkerbroek.Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.

Globale grens plangebied Oostbroek

2.2

Geldende bestemmingen

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad"Buitengebied 2012". Op het gebied ligt grotendeels de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast is er 'verkeer' en 'water' in het gebied bestemd. Realisatie van woningen is binnen deze bestemmingen niet toegestaan. Een klein gedeelte betreft het bestemmingsplan "Essenerweg VIII" met de bestemming 'Verkeer'. In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

6

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Bestemmingsplan verbeelding vigerende plan Buitengebied 2012 (L) en Essenerweg VIII (R)

"Oostbroek I" (vastgesteld)

7

Oostbroek I

Hoofdstuk 3 3.1

PLANBESCHRIJVING

Visie

De visie op de inrichting en uitstraling van de wijk in Oostbroek is vervat in een aantal documenten. Voor het plangebied is een masterplan (Bijlage 1) opgesteld waar de raad op 24 mei 2017 kennis van heeft genomen. Tevens is de raad akkoord met de in het masterplan gestelde kaders inzake ruimte, volkshuisvesting en duurzaamheid. Het masterplan is uitgewerkt naar een stedenbouwkundig ontwerp. Dit stedenbouwkundig ontwerp heeft als voorontwerp ter inzage gelegen en is aan de hand van deze inspraak en de nadere inzichten verder uitgewerkt. Hierin wordt aandacht geschonken aan de groei van Kootwijkerbroek en de wens om deze groei te faciliteren. Niet alleen gezinnen met kinderen kunnen hier terecht maar ook ouderen (bijvoorbeeld in een aantal seniorwoningen) alsmede kleine 1-en 2-persoons huishoudens. Voor zowel starters als doorstromers is er wat te vinden. Oostbroek faciliteert daarmee niet alleen woningbouw voor de mensen uit de eigen kern maar ook voor de mensen uit de directe omgeving van Kootwijkerbroek. De inrichting van het plangebied houdt onder andere rekening met de landschapskenmerken van het gebied en de aanwezige landschappelijke elementen, waterstructuur, duurzaamheid, mogelijke belemmeringen en geluid. Deze aspecten hebben geleid tot een stedenbouwkundig concept waarin deze onderdelen een plek hebben gekregen.

Op deze manier is er een helder raamwerk ontstaan waarin de woonblokken en verkeersstructuur en waterstructuur een logische plek hebben gekregen. Ook de groene elementen hebben hier een plek in

Stedenbouwkundige opzet Oostbroek

Daarnaast is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 2 toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

3.2

Ontwikkelingen

Het plan Oostbroek voorziet in 104 woningen. De woningen betreffen grondgebonden woningen en variëren in typologie en prijsklasse. Hieronder is indicatief het woonprogramma voor Oostbroek aangegeven

8

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Woonprogramma voor Oostbroek, differentiatie najaar 2020

Het woonprogramma is mede bepaald op basis van de ambities en uitgangspunten uit de in 2016 vastgestelde Woonvisie: 'Samen Werken aan Wonen'', alsmede op basis van demografische ontwikkelingen en verkoop- en verhuurresultaten van onder andere de nieuwe woongebieden Puurveen en Hoevedorp. Voor het woonprogramma van Oostbroek wordt indicatief ingezet op de streefpercentages die aansluiten bij de Woonvisie, de actualiseringen van de prijsklassen die daarna nog hebben plaatsgevonden en de rapportages Faseren en doseren woningbouw gemeente Barneveld.

3.3

Functies

Het gebied Oostbroek is opgezet als woonwijk. Dit betekent dat het gebied voornamelijk zal worden ingevuld met de functies 'Wonen', 'Groen' en 'Verkeer'. De ontsluiting van het gebied zal plaatsvinden via de bestaande Kerkweg, welke in noordelijke richting aansluit op de Veluweweg en aan de zuidkant op de Essenwerweg. Daarnaast zal er een nieuwe fiets verbinding richting de bestaande woonwijk gecreëerd worden richting de Rehobothstraat. Het binnengebied zal worden voorzien van een verkeersstructuurstructuur waarbij tevens aandacht is voor parkeren, groen, spelen, fiets- en voetpaden. Daarnaast maakt een speelvoorziening naast de Rehobothschool deel uit van het plan. Deze zal groen worden ingericht als speelplek voor de buurt maar krijgt een maatschappelijke bestemming. De reden dat dit perceel wordt meegenomen is, dat het gebruik van de plek zowel als buitenruimte van de school, als buurtspeelplaats geborgd wordt. Het agrarische perceel ten zuiden van het nieuwe woongebied heeft de agrarische bestemming. Dit perceel wordt meegenomen in dit bestemmingsplan zodat het bouwvlak aangepast kan worden en dit perceel qua geur geen belemmeringen kan geven voor de toekomstige woningen in Oostbroek.

"Oostbroek I" (vastgesteld)

9

Oostbroek I

Hoofdstuk 4

BELEIDSKADER

4.1

Rijk

4.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Ruimte. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.

De SVIR vervangt verschillende nota's, waaronder ook de Nota Ruimte en geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Met de SVIR zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. De SVIR geeft invulling aan het streven van het kabinet naar deregulering en decentralisatie van de ruimtelijke ordening. Het Rijk heeft gekozen voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan de andere overheden goed door hen worden behartigd.

Het Rijk heeft drie doelen gekozen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De 13 nationale belangen zijn: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3) Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6) Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem

te waarborgen (nationaal belang 7) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten 10

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I (nationaal belang 13) Doorwerking in plangebied In dit geval is er geen sprake van één van deze 13 nationale belangen. De SVIR vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

4.1.2

Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15) .

4.1.3

Crisis- en herstelwet

Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135). De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen.

Doorwerking in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet van toepassing, want het plan is gericht op de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied (artikel 1.1, eerste lid onder sub a Chw jo. artikel 3.1 van Bijlage I Chw).

"Oostbroek I" (vastgesteld)

11

Oostbroek I

4.2

Provincie

4.2.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.

4.2.1.1

Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebied De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied is in overeenstemming met de omgevingsvisie. Voorliggend plan past binnen de ambitie van de provincie om een duurzaam en divers woon- en leefklimaat te realiseren, met een aanbod aan woningtypen passend bij de diversiteit aan woningvraag.

4.2.1.2

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening.

In de Omgevingsverordening is het plangebied opgenomen op de kaarten Landbouw, Glastuinbouw en 12

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I Water en Milieu.

Doorwerking in plangebied Eerst wat betreft landbouw: in artikel 2.5.4.1 van de Omgevingsverordening is bepaald dat in bestemmingsplannen die betrekking hebben op verwevingsgebied de nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven niet is toegestaan. In artikel 2.5.4.2 is daaraan toegevoegd dat in zo een bestemmingsplan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel kan worden toegekend van ten hoogste 1 hectare. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met deze regels. Dan wat betreft glastuinbouw: er geldt een tijdelijk verbod voor de hervestiging en nieuwvestiging van glastuinbouw. Ook de uitbreiding van bestaande glastuinbouw is tijdelijk verboden. Het bestemmingsplan voorziet niet in glastuinbouw. Tot slot water en milieu: op afbeelding 7 is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van 'intrekgebied'. Een intrekgebied is een beschermingsgebied dat is aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid onder sub a van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 2.6.3.1 van de Omgevingsverordening is bepaald dat intrekgebieden in een bestemmingsplan geen bestemming krijgen die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. In het voorliggende bestemmingsplan is dit niet aan de orde. Het plan is in overeenstemming met de verordening.

4.3

Waterschap

Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Partnerschap als watermerk' van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt in het waterbeheerprogramma dat de huidige wateropgaven zo complex zijn, dat alleen een aanpak samen met partnerorganisaties en inwoners zorgt voor de gewenste resultaten en de beste oplossingen. Daarom kan en wil het waterschap niet alleen opereren in het behalen van zijn doelen en hecht daarom groot belang aan de samenwerking met zijn partners in de regio. Samen met inwoners, ondernemers en andere organisaties wil het waterschap werken aan een duurzame waterzuivering van afvalwater en toekomstgericht beheer van onze dijken en waterwegen zodat iedereen tegen aanvaardbare kosten veilig kan wonen, werken en recreëren. Daarbij wil Waterschap Vallei en Veluwe de goede waterhuishoudkundige voorwaarden scheppen voor zowel inwoners, bedrijven, natuur en landbouw. Een belangrijke ontwikkeling waar het waterschap op anticipeert, is het veranderende klimaat. Deze verandering zal leiden tot meer extreme weersituaties: perioden van veel neerslag met kans op wateroverlast en perioden van droogte met kans op watertekorten.

Om goed voorbereid te zijn, wil het waterschap het watersysteem robuuster maken door meer ruimte voor wateren te reserveren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. Het waterschap wil de effecten van klimaatverandering beperken door het vasthouden van water, het inrichten en beheren van robuuste watersystemen en het inrichten van een beperkt aantal waterbergingsgebieden. Afkoppelen van relatief schoon hemelwater van het riool is een belangrijke maatregel om overbelasting van het riool en een te snelle afvoer te voorkomen. Daarnaast wil het waterschap negatieve effecten op de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en bodem voorkomen, evenals negatieve effecten op beschermde flora en fauna. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.4

Gemeente

4.4.1

Structuurvisie Buitengebied Barneveld

De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. "Oostbroek I" (vastgesteld)

13

Oostbroek I

De gemeente Barneveld heeft in juni 2009 de Strategische Visie vastgesteld. De Strategische Visie geeft aan welke doelen het gemeentebestuur nastreeft voor de periode tot 2030. Daaraan voorafgaand heeft de raad in januari 2009 de Structuurvisie 2009 vastgesteld waarin de stedelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar zijn weergegeven. Mede op basis van de Strategische Visie is de Structuurvisie 2009 geactualiseerd door de vaststelling van de Structuurvisie Kernen 2022. De Structuurvisie Buitengebied is het derde en laatste onderdeel van deze beleidstrilogie. In de op 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied wordt specifiek ingegaan op onderwerpen als landbouw, recreatie en landschap in de periode tot 2020. De twee structuurvisies vullen elkaar hierbij inhoudelijk aan. De strategische visie geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn. Met deze Structuurvisie Buitengebied biedt de gemeente Barneveld ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon - en leefmilieu. Ontwikkelingen in de landbouw en bij recreatieve bedrijven zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap en woon- en leefomgeving. Deze omgevingskwaliteiten zijn ook de belangrijkste vestigingsfactoren voor het buitengebied.

Initiatieven beoordeelt de gemeente daarom mede op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon en leefmilieu, verkeer en natuur. Dit moet leiden tot een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat op die manier wordt ingericht is een aangename plek om te werken en te recreëren. De structuurvisie beoogt daarbij ontwikkelingsruimte te bieden aan goede initiatieven en wil een basis zijn voor samenwerking om die te realiseren. Bovenstaande aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast worden deelgebieden onderscheiden met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie (zie bijlage 8 Structuurvisie). Onderstaand is per deelgebied en zone een ontwikkelingsrichting met kwaliteitsbeeld beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum) eisen zijn kaderstellend voor het Bestemmingsplan.

14

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

"Oostbroek I" (vastgesteld)

15

Oostbroek I Kaart structuurvisie buitengebied met legenda

Agrarisch bedrijvenlandschap Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomst gerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren. Daarnaast is het gebied nader aangeduid als ontwikkelingsgebied "Uitbreiding wonen en bedrijven bij kleine kernen" Het plan betreft uitbreiding van de kern Kootwijkerbroek met woningbouw is in overeenstemming met de "Structuurvisie Buitengebied Barneveld" 4.4.2

Structuurvisie Kernen Barneveld 2022

De gemeenteraad heeft op 22 november 2011 de "Structuurvisie Kernen Barneveld 2022" vastgesteld. De structuurvisie legt de gemeentelijke visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het eigen grondgebied vast. Het bestemmingsplan zal hier binnen moeten passen. De structuurvisie bevat een uitvoeringsprogramma. Hierin laat de gemeente zien hoe het voorgenomen beleid gerealiseerd zal worden. In de structuurvisie is een groot aantal ruimtelijke projecten opgenomen, waarvoor investeringen in de openbare ruimte noodzakelijk zijn. Ook is er een groot aantal lopende en potentiële bouwmogelijkheden. Uit de kaart behorende bij de structuurvisie blijkt dat de planlocatie in een zoekgebied voor woningbouw ligt.

In de structuurvisie wordt aangegeven: "Een deel van de in 2009 aangewezen zoekzones is anno 2011 reeds in voorbereiding. Deze zijn aangeduid op de plankaart. Het betreft de volgende locaties: • De Burgt, Veller I en II (Barneveld); • Kromme Akker en Blankensgoed I (Voorthuizen); • Puurveen en locatie Oost (Kootwijkerbroek); • Zuidrand (Garderen); • Stroe IV (Stroe); • Uitbreidingslocaties Terschuur en Zwartebroek"

16

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Daarnaast wordt aangegeven dat aan de zuidoostkant dorpsuitbreiding mogelijk is tot oostelijk van de Kerkweg. Hierbij wordt ingezet op de Kerkweg als centrale ontsluiting. De wijk kan aan de oostzijde worden afgerond met woningbouw. Om de dorpse sfeer zoveel mogelijk te behouden en ‘zachte’ overgangen te maken tussen het dorp en het buitengebied wordt voorgesteld om de Kerkweg als lint vorm te geven. Een bebouwde dorpsrand in een groene setting levert een dergelijk beeld op. Het plan is in overeenstemming met deze structuurvisie.

4.4.3

Dorpsplannen en -visies

In alle dorpen in Barneveld zetten verenigingen plaatselijk belang zich actief in voor de leefbaarheid en toekomst van de dorpen en buurtschappen. Verschillende dorpen hebben in dit kader hun visie op de toekomst vastgelegd in een dorpsplan of –visie of zijn daar mee bezig. De dorpsplannen bevatten zowel een visie op de toekomst als een overzicht van concrete ideeën en wensen om de leefbaarheid van het dorp te versterken en zijn in samenspraak met veel inwoners en de gemeente tot stand gekomen. Vanuit de visie op burgerkracht ('Zelf-samen-gemeente') en netwerksamenleving is in de Strategische Visie 2030 (september 2016) ten aanzien van de dorpsplannen een voorstel opgenomen om een andere werkwijze te gaan volgen die de plannen een sterkere positie geeft. Op die manier kan recht worden gedaan aan de geleverde inspanningen en de lokaal gemaakte keuzes. Dorpsplannen hebben - waar mogelijk - een positie bij de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dit geldt in ieder geval voor de recente dorpsplannen (die opgesteld zijn na 2016) die in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen zijn. Deze dorpsplannen bevatten een goede weergave van de ideeën en behoeften die er leven in de kernen. De gemeente houdt daarom bij ruimtelijke plannen en –initiatieven rekening met de inhoud van het dorpsplan en kan – indien nodig – hierover in overleg gaan met Plaatselijk Belang.

In de DorpsVisie Kootwijkerbroek 2025 wordt reeds gesproken over de uitbreiding voor wonen in het gebied van Kootwijkerbroek-Oost (omgeving Kerkweg/ Hoevendorp) te laten plaatsvinden. Door dit op een kwalitatieve goede manier met bijpassende inrichting te doen met behoud van dorps karakter wordt goed aangesloten bij de wensen uit de visie.

4.4.4

Bestemmingsplannen globaal en flexibel

Op 6 mei 2014 heeft de raad de kaderstellende notitie 'Bestemmingsplannen globaal en flexibel' vastgesteld. Met deze notitie geeft de raad voor met name grote(re) uitleggebieden kaders aan om bestemmingsplannen globaal en flexibel te maken, om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke en marktontwikkelingen. Daarmee ontstaat enige ruimte om een plan te kunnen wijzigen, maar zonder significant verlies van kwaliteit in de openbare ruimte, beeldkwaliteit en rechtszekerheid. Globaal en flexibel zijn twee naast elkaar staande begrippen. Een globaal bestemmingsplan is een bestemmingsplan waarbij de belangrijkste uitgangspunten voor een gebied zijn vastgelegd. In een globaal bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet vastgelegd of gebonden aan een concreet perceel. Het tegenovergestelde van globaal bestemmen is gedetailleerd bestemmen, want een gedetailleerd bestemmingsplan legt juist wel een eindbeeld vast. Naast het begrip globaal, kennen we ook nog de begrippen star en flexibel. We spreken van een star bestemmingsplan als het niet of nauwelijks mogelijk is om van een bestemmingsplan af te wijken. Flexibel bestemmen is het tegenovergestelde. Flexibel bestemmen laat meer ruimte om in te spelen op initiatieven die niet direct zijn geregeld.

Flexibiliteit is in het bestemmingsplan in te bouwen door te werken met afwijkingsregels, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten. De notitie richt zich op toekomstige ontwikkelingen in de kernen, waarbij met name is gekeken naar de bestemmingen voor wonen en bedrijven. Doorwerking in plangebied In voorliggend bestemmingsplan zijn de gebruikelijke binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen. Daarnaast biedt het woongebied aansluitend aan de school, met één groot woon- en bouwvlak ruimte voor flexibiliteit en zijn daar slechts de minimale "Oostbroek I" (vastgesteld)

17

Oostbroek I en maximale aantal woningen aangegeven. Voor het overige is geen toepassing gegeven aan de kaders uit de notitie.

4.4.5

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden.

Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst). Per 1 juli 2018 krijgen nieuwbouwwoningen en andere gebouwen met een kleinverbruikaansluiting geen aardgasaansluiting meer. Dit staat in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). De Wet VET is een stap in de overgang van fossiele naar duurzame energie. Het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving wordt uitgefaseerd. In dit plan wordt aardgasvrij gebouwd. Op het gebied van duurzaamheid is er een hoge ambitie voor Oostbroek. Dit hoge ambitieniveau vormt een afgeleide van de vastgestelde energiedoelen voor 2020 van de energievisie. De duurzaamheidsambities hebben betrekking op ruimtelijke, sociale en technische aspecten. Ruimtelijk: betreft de ambitie van een streekeigen wijk met een structuur die aansluit op de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van het gebied; Sociaal: betreft een ruim opgezette, groene en gezonde wijk met aandacht voor ontmoetings- en speelplaatsen van en voor de bewoners; Technisch: betreft de ambitie van een gasloze en energieneutrale woonwijk met verantwoord materiaalgebruik. Om de duurzaamheidsambitie maximaal invulling te geven en verder uit te werken op de verschillende schaalniveaus, worden partijen uitgedaagd met concrete oplossingen te komen.

Door een juiste mix, waarbij oplossingen op wijk- en woningniveau elkaar aanvullen, wordt optimaal geprofiteerd van de voordelen van elk schaalniveau. De duurzaamheidsprincipes worden beschreven in het Masterplan Bijlage 1)

4.4.6

Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. 18

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.14). 4.4.7 Woonvisie Barneveld 2017-2021en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld In december 2016 heeft de raad de Woonvisie 2017-2021 'Samen werken aan Wonen' met doorkijk tot 2025 en verder, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking.

Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 400 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen (met een bandbreedte van 360 tot 440 woningen), waarvan gemiddeld 30% ten behoeve van goedkope woningen (sociale huur en sociale koop)), 32,5% middendure woningen en 37,5 % duurdere woningen. In regio FoodValley zijn in 2019 onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2020-2029 maximaal zo'n 4.000 tot 5.000 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort en overig Nederland. In Barneveld is vooral in het eerste tijdvak (t/m 2024) sprake van een grotere woningbehoefte dan in de tweede 5-jaarsperiode, als gevolg van natuurlijke groei en migratie. Gemeente Barneveld valt bovendien binnen de regio ANF (Arnhem-Nijmegen-FoodValley, waarvoor Verstedelijkingsafspraken gelden: tot 2040 moeten er zo'n 100.000 woningen aan deze regio worden toegevoegd, waarvan 40.000 woningen in regio FoodValley. Daarnaast kent provincie Gelderland het actieplan Wonen, waarin ook een Versnellingsprogramma is opgenomen om ze de ontstane woningtekorten terug te dringen. Naar aanleiding hiervan is de nieuwbouwambitie opgehoogd naar gemiddeld 450 tot 500 woningen per jaar voor de periode tot 2025.

Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2020 t/m 2023 is een programma van ruim 2.200 woningen voorzien (ofwel gemiddeld 570 woningen per jaar). De ervaring leert dat hiervan circa 80% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, gemiddeld betekent dit zo'n 455 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de gemaakte woningbouwafspraken en de ambities van gemeente Barneveld. In het tijdvak 2016 t/m 2019 zijn er gemiddeld 485 woningen per jaar opgeleverd. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen.

Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middendure huurwoningen). In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (10 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (10 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en goedkope koopwoningen ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 50.000, voor "Oostbroek I" (vastgesteld)

19

Oostbroek I sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang (in 2020 is dit € 43.574). Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking in plangebied De ontwikkeling van het plan Oostbroek zal naar verwachting in de periode vanaf 2022 worden gerealiseerd. Het maakt deel uit van de woningbouwafspraken met regio Foodvalley en provincie Gelderland. Het betreft een gevarieerd programma met 104 woningen, met tweekappers, vrijstaande woningen, seniorenwoningen, rij- en hoekwoningen (met en zonder garage), waarvan het overgrote deel in de koopsector. Een gedeelte zal in de sociale huursector worden gerealiseerd (15%), dit aandeel is iets minder groot vanwege het feit dat in de kern Kootwijkerbroek de interesse voor sociale huur gemiddeld lager ligt dan in de meeste overige kernen van Barneveld. Eigen woningbezit wordt in deze kern als belangrijk beschouwd. De sociale huurwoningen en sociale koopwoningen zullen door middel van de genoemde doelgroepenverordening worden bestemd voor de daarbij passende doelgroepen en minimale instandhoudingstermijn als zodanig functioneren. Met het programma wordt tegemoet gekomen aan de vraag vanuit de markt. Gezien de kwaliteiten van het plan en tekorten op de woningmarkt zullen deze woningen goed in de markt worden opgenomen.

Het programma zal in meerdere fasen op de markt worden gebracht om zo de afzet meer te laten aansluiten bij de behoefte van deze kern.

20

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Hoofdstuk 5

RANDVOORWAARDEN

5.1

Bodem

5.1.1

Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Onderzoek In het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6) waarbij extra aandacht is besteed aan een voormalige bovengrondse dieseltank, de werkplaats en de aanwezigheid van een oliehandel op het perceel Kerkweg 27. Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er een lichte mate is van verontreiniging maar dat vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.

Onderzochte locatie (bodemonderzoek P&J, 29 juni 2007)

In het verleden is er een bodemonderzoek uitgevoerd door Vink (1994) op de locatie Kerkweg 27 waar zich oliehandel Davelaar bevindt(zie hiervoor Bijlage 8). Dit onderzoek betreft een tweetal deelgebieden, A en B. Deellocatie A betreft een 'niet verdachte locatie'. Uit onderzoek blijkt deze hypothese stand te houden. Op deellocatie B zijn in de bodem lichte tot matige verontreinigingen aangetroffen. Doordat intensief bemonsterd wordt en geen sterk verhoogde gehaltes aan minerale olie wordt aangetroffen is nader onderzoek niet noodzakelijk. Bij ontgravingen moet rekening gehouden met de verontreiniging in de bodem op deze deellocatie.

"Oostbroek I" (vastgesteld)

21

Oostbroek I

Onderzochte locatie Kerkweg 27/Davelaar (Vink, augustus 1994)

De locatie van Davelaar valt buiten het plangebied en is voor wat betreft bodem geen belemmering voor de realisatie van de woningen in Kootwijkerbroek Oost. De onderzoeken zijn weliswaar verouderd maar op en nabij de onderzochte locaties is weinig tot niets veranderd. De bodemonderzoeken zijn daardoor nog representatief.

5.1.2

Niet gesprongen explosieven

In het kader van het bestemmingsplan is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van conventionele explosieven. Op basis van de CE risicokaart is het gebied niet verdacht op het voorkomen van conventionele explosieven in de bodem.

Uitsnede gemeente brede CE risicokaart

Het aspect conventionele explosieven vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:

22

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.2.1

Archeologie

Er moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Barneveld ligt het plangebied deels in een zone met een lage archeologische verwachting en deels in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Het beleid voor zones met een middelhoge verwachting schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 2.000 m2 en dieper dan 30 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In zones met een lage verwachting gelden vrijstellingen van 10.000 m2 en 30 cm -mv. Aangezien de geplande ingrepen de vrijstellingsgrenzen overstijgen wordt archeologisch onderzoek voor het gehele plangebied voorgeschreven.

Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtingskaart uit 2018

In maart 2020 is door de regio-archeoloog voor het eerst advies uitgebracht voor plangebied Oostbroek ten oosten van Kootwijkerbroek. Hier zal in de toekomst in een gebied van ca. 5,7 ha woningbouw plaatsvinden. Omdat het plangebied nog niet was onderzocht en er vanwege de omvang van de plannen een onderzoeksplicht was, is geadviseerd een archeologisch bureauonderzoek aangevuld met een verkennend booronderzoek uit te voeren. In april 2020 is het onderzoek uitgevoerd en het rapport is in mei 2020 afgerond. Zie hiervoor Bijlage 4 zoals toegevoegd aan de toelichting van dit plan. Resultaten booronderzoek Tijdens het booronderzoek zijn in het plangebied 34 verkennende boringen gezet. In het grootste deel van het plangebied bleek de bodem verstoord en/of was er sprake van een natte laaggelegen locatie, waardoor geen archeologische resten verwacht worden. In het noordwestelijk deel van het plangebied is echter

"Oostbroek I" (vastgesteld)

23

Oostbroek I sprake van een gebied, dat hoger ligt en waar de bodem nog redelijk in tact is. In dit gebied is een vervolgonderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd (dit is toegevoegd in Bijlage 5 en hiervan worden aan het einde van deze paragraaf de resultaten beschreven) Het gebied is ca. 11.000 m2 en is in rood aangegeven in de afbeelding hieronder.

Kaart vervolgonderzoeksgebied

Proefsleuven In opdracht van de gemeente Barneveld heeft RAAP van in oktober 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek (Bijlage 5)uitgevoerd. Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met voorgenomen woningbouw die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten.

24

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I Ligging proefsleuven en foto uit proefsleuf

Hoewel het onderzoek enkele interessante inzichten heeft opgeleverd voor de ontwikkeling van het onderhavige perceel, wordt de vindplaats op inhoudelijke gronden, met name zeldzaamheid en informatiewaarde, als niet-behoudenswaardig gewaardeerd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht.

Doorwerking in plangebied Archeologie is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedenbouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedenbouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied. Conclusie Historisch stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het bestemmingsplan. 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt niet in een gebied dat wordt aangeduid met een hoge of een zeer hoge waarde maar heeft een middelmatige waarde. Overigens is het bestemmingsplan opgesteld rekening houdende met de cultuurhistorische landschappelijke elementen. Zie hiervoor ook het Masterplan zoals bijgevoegd als Bijlage 1. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met de cultuurlandschappelijke waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als "Oostbroek I" (vastgesteld)

25

Oostbroek I speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. De afstand van het plangebied tot het meest nabij gelegen deel van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) bedraagt circa 2 km. De afstand van het plangebied tot het Natura 2000- gebied ‘Veluwe’ bedraagt circa 2,6 km.

Afstand plangebied tot Natura 2000-gebied

In het kader van het bestemmingplan Oostbroek is een onderzoek uitgevoerd naar de depositie van stikstof als gevolg van stikstofemissies die ontstaan door de beoogde woningbouw (Bijlage 9).In de berekening van de beoogde situatie wordt uitgegaan van een aanleg- en gebruiksfase.Voor de aanlegfase geldt ten tijde van dit onderzoek op basis van provinciale afspraken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden wanneer destikstofdepositie tijdens de aanlegfase kleiner dan of gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurendemaximaal twee jaar op een overbelast stikstofgevoelig habitat. Met een depositie van 0,01 mol/ha/jaar tijdens de aanlegfase wordt er in de onderhavige situatie voldaan aan dezevuistregel. Daarnaast geldt er voor activiteiten tijdens de aanlegfase een vrijstelling op basisvan de aangenomen wet Stikstofreductie en natuurverbetering. Het streven is dat deze wetop 1 juli 2021 in werking treedt. Ondanks deze ontwikkelingen zijn de emissies als gevolg van de activiteiten tijdens de aanlegfase in dit onderzoek wel beschouwd. Op basis van de berekende stikstofemissies gedurende de aanleg- en gebruiksfase, blijkt dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in beginsel niet kunnen worden uitgesloten. Om die reden zijn de bestaande emissies in de referentiesituatie vergeleken met de emissies van de beoogde situatie.

Hieruit volgt dat er geen hexagonen in Natura 2000-gebieden zijn met een berekend verschil hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van het stand-still beginsel kunnen significante gevolgen op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen andere milieuverstoringen te verwachten, zoals verstoring door trillingen, geluid en/of licht of aan bodem en grondwater. Opbasis daarvan geldt geen verplichting om een passende beoordeling te maken en hoeft er inhet kader van het bestemmingsplan geen plan-MER te worden opgesteld. Het onderdeel stikstofdepositie is daarmee verder niet relevant voor de ruimtelijke procedure, De berekeningen zijn in de rapportage (Bijlage 9) ingevoegd.

26

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets uitgevoerd (Tauw, 24 maart 2020). Op basis van literatuur in kunnen in de omgeving van het plangebied de verschillende soorten voorkomen.

Mogelijk voorkomende soorten (uit natuurtoets Tauw, 24 maart 2020)

Uit het natuuronderzoek (Bijlage 10) blijkt dat en geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is voor de flora en/of fauna. Uitzondering hierop zijn de kleine marterachtigen. Voor deze dieren is daarom een aanvullend onderzoek uitgevoerd om te bepalen welke functies het plangebied heeft voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en/of wezel). Nader onderzoek wijst uit dat het plangebied geen essentiële functie voor één van deze soorten vervult. Een ontheffing in het kader van de Wnb is niet nodig. Het nader onderzoek is toegevoegd als Bijlage 11 aan de toelichting. Daarnaast is op basis van deze onderzoeken en op basis van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld voor welke soorten maatregelen genomen kunnen worden bij de realisatie van woningen. Dit betreft het zogenoemde natuurinclusief bouwen. Het gaat in Oostbroek om de huismus, gierzwaluw, spreeuw en vleermuizen. Het betreft hier (nest)kasten waarbij het bij de keuze van het type kasten belangrijk is om in eerste instantie te kiezen voor inbouw. Zie hiervoor Bijlage 18. Omdat er een verbreding van de Kerkweg noodzakelijk is, en dit wordt meegenomen in het plan (en nog niet onderzocht is in het voorgenoemde natuuronderzoek Bijlage 11) is tevens dit gedeelte in een aparte oplegnotitie bekeken. Zie hiervoor Bijlage 12.

Om de verbreding mogelijk te maken wordt een watergang verlegd en er worden enkele bomen geveld. Het voornemen is alleen uitvoerbaar als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Het verkennend natuuronderzoek welke ten behoeve van de verbreding van de Kerkweg is uitgevoerd, wijst uit dat het voornemen niet strijdig is met het onderdeel soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. Er is geen nader soortgericht onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Conclusie Vanuit de Flora- en faunawet bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. "Oostbroek I" (vastgesteld)

27

Oostbroek I

Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Doorwerking in plangebied Er is geen sprake van een oppervlakte van meer dan 10 are of rijen van meer dan 20 of meer bomen. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het GNN en de GO. Uit § 4.2.1.1 Omgevingsvisie en § 4.2.1.2 Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet in Gelders Natuurnetwerk (GNN) of Groene Ontwikkelingszone (GO) ligt.

28

"Oostbroek I" (vastgesteld)

Oostbroek I

Fragment Gelders Natuurnetwerk en Gelderse Ontwikkelingszone

Doorwerking in plangebied Het plangebied ligt niet in GNN/GO.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=2737176b-5003-445b-9847-f663c43ec712