Oostbroek I_Toelichting_Bijlage 15 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Oostbroek, juli 2020.pdf
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Oostbroek Jan-Willem van Veen Barneveld, juli 2020
Inleiding De gemeente Barneveld wil een nieuwe woonwijk (Oostbroek) van ongeveer 6 ha groot met 104 woningen ontwikkelen aan de oostzijde van de kern Kootwijkerbroek (zie Figuur 1). De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarom is voor deze activiteit een herziening van het bestemmingsplan nodig.
Figuur 1 Plangebied Oostbroek Op basis van toetsing aan het ‘Besluit m.e.r.’ is geconcludeerd dat voor dit voornemen een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Toetsing aan het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. is één activiteit opgenomen die van toepassing kan zijn voor het voornemen, namelijk ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (zie Tabel 1).
Tabel 1 Activiteit D11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’ D11.2
Kolom 1: Activiteit
Kolom 2: Gevallen
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Kolom 3: Plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Kolom 4: Besluiten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De aanleg van de woonwijk is dermate klein dat deze ruim onder de drempelwaarden in kolom 2 blijft. Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uit jurisprudentie blijkt echter dat niet iedere ontwikkeling onder de drempelwaarde tot een stedelijk ontwikkelingsproject gerekend hoeft te worden. De aard en omvang van de opgave en het karakter van de omgeving zijn o.a. relevant om hierin mee te nemen. In dit geval is sprake van een redelijke grote ingreep in een kleinschalige dorpskern. Hierdoor is in dit geval wel sprake van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld onder activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. Deze activiteit uit het Besluit m.e.r. is daarom wel van toepassing op het voornemen. Overigens kan een m.e.r.-plicht ook voortkomen uit de noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling en/of door bepalingen uit de provinciale omgevingsverordening. Voor deze ontwikkeling hoeft echter geen passende beoordeling uitgevoerd te worden en zijn er ook geen relevante bepalingen opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Voor elk besluit dat betrekking heeft op een (of meerdere) activiteit(en) die voorkomen in het Besluit m.e.r.
en die onder de drempelwaarden vallen moet een toets (de vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten dan is het noodzakelijk om een volwaardige m.e.r.procedure te doorlopen. Als belangrijk nadelige gevolgen wel kunnen worden uitgesloten dan kan volstaan worden met de uitkomsten van de vormvrije m.e.r.beoordeling en is het doorlopen van een volwaardige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk. Methodiek Voor het uitvoeren van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangesloten op de richtlijnen uit bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze richtlijn staan drie criteria met uitgangspunten per criterium benoemd: kenmerken van de activiteit, plaats van de activiteit en kenmerken van het potentiële effect (zie Tabel 2).
Tabel 2 Criteria uit de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling Criteria Beoordelingscriterium Kenmerken • omvang van de • cumulatie met andere projecten activiteit • gebruik van natuurlijke hulpbronnen • productie van afvalstoffen • verontreiniging en hinder • risico van ongevallen Plaats van • bestaand bodemgebruik de activiteit • relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen (gevoelige) gebieden: o wetlands, o kustgebieden, o berg- en bosgebieden, o reservaten en natuurparken, o gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd, o speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG, o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Kenmerken • het bereik van het effect van het • grensoverschrijdend karakter potentiële • orde van grootte en complexiteit van het effect effect • waarschijnlijkheid van het effect • duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect In de voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt het voornemen getoetst aan de relevante criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling.
Kenmerken van de activiteit Algemeen In het 6 hectare grote Oostbroek worden 104 woningen gebouwd. De nieuwe woonwijk is bedoeld voor gezinnen, ouderen alsmede kleine 1-en 2-persoons huishoudens. De woonwijk biedt hierdoor mogelijkheden voor zowel starters als Doorstromer.
Figuur 2 3D impressie van Oostbroek (illustratief) De inrichting van het plangebied houdt onder andere rekening met de landschapskenmerken van het gebied en de aanwezige landschappelijke elementen, waterstructuur, duurzaamheid, mogelijke belemmeringen en geluid. Deze aspecten hebben geleid tot een stedebouwkundig concept waarin deze aspecten een plek hebben gekregen. Op deze manier is er een helder raamwerk ontstaan waarin de woonblokken en verkeersstructuur en waterstructuur een logische plek hebben gekregen. Uitgangspunten Op basis van de Strategische visie van Barneveld 2030, de Dorpsvisie van Kootwijkerbroek, de Energievisie 2015-2020 en sectorale beleidsplannen op gebied van wonen, verkeer en vervoer, water, groen en spelen zijn een aantal uitgangspunten voor Oostbroek vastgesteld. Deze uitgangspunten zijn in belangrijke mate bepalend voor het karakter van de toekomstige woonwijk en de impact van de woonwijk op zijn omgeving en het milieu. Ruimtelijke aspecten • de wijk heeft een structuur, die aansluit op de natuurlijke systemen in het gebied en de wijk en cultuurhistorische waarden; • het verharde oppervlak wordt zoveel mogelijk beperkt.
Sociale aspecten • is een groene, ruim opgezette, gezonde, veilige, toekomstbestendige aanpasbare wijk met speel-en ontmoetingsplaatsen sociale samenhang; • heeft een passend en aanpasbaar gevarieerd woningaanbod (woonvisie); • geeft ruimte aan (Collectief) Particulier Opdrachtgeverschap ((C)PO).
Technische aspecten • is klimaatbestendig (water en warmte overlast worden beperkt); • speelt in op de toekomstige behoefte aan laadvoorzieningen van elektrische auto’s; • heeft goede comfortabele routes voor fietsers en wandelaars; • energiezuinig verlichtingsplan; • heeft goed geïsoleerde en energieneutrale woningen; • produceert zijn eigen duurzame energie; • aandacht voor circulair en biobased materiaal gebruik. Stedenbouwkundig ontwerp Het stedenbouwkundig ontwerp is opgebouwd uit de volgende drie elementen: • het landschappelijk raamwerk; • de woonvelden; • de wegen.
Het landschappelijk raamwerk vormt de hoofdrager van het stedenbouwkundig plan, het verbindt de overige ruimtelijke elementen met elkaar. Het landschappelijk raamwerk is volledig openbaar en vormt een robuuste structuur waarin de volgende elementen zijn opgenomen: waterstructuur, groenstructuur, ruimte voor (informeel) spelen, ontmoeten en recreëren. De woonvelden worden omringd door het landschappelijk raamwerk dat een robuuste structuur vormt. Deze stevige groenstructuur verdraagt alle woontypen en woonvormen en vergroot daarmee de flexibiliteit van de woonvelden. Met deze flexibiliteit speelt Kootwijkerbroek-Oost in op de marktvraag en toekomstbestendigheid van de wijk. Er is een duidelijke hiërarchie in de ontsluiting voor het autoverkeer. De hoofdweg in het plangebied is de Kerkweg. Dit is een bestaande weg die wordt opgewaardeerd naar een ontsluiting waarop je 50 km/u mag rijden. De zes woonvelden worden allen direct vanaf de Kerkweg ontsloten. Fasering en uitvoering De woonwijk wordt gefaseerd aangelegd. De volgende drie fasen worden onderscheiden: • Fase 1: 39 woningen vanaf 2021 (bouwnrs. 65 t/m 104, zie figuur 3) • Fase 2: 35 woningen vanaf 2022 (bouwnrs. 29 t/m 64, zie figuur 3) • Fase 3: 28 woningen vanaf 2023 (bouwnrs. 1 t/m 28, zie figuur 3)
Figuur 3 Fasering Oostbroek Tijdens de aanlegfase kan hinder en overlast ontstaan in de omgeving van het plangebied. Zo stoten dieselwerktuigen, transport- en personenvoertuigen schadelijke stoffen uit en kan er door de bouwwerkzaamheden geluidoverlast ontstaan. Het transport en vervoer van materialen en personen van en naar de bouwlocatie kan ook effect hebben op de bereikbaarheid en verkeersveiligheid rondom de bouwlocatie. Tot slot moeten er grootschalige aanpassingen plaats vinden in het plangebied zelf. Het bestaande agrarische gebied moet worden omgevormd naar een woongebied. Hierdoor zullen er grote aanpassingen worden doorgevoerd, zowel bovengronds als ondergronds.
Gebruiksfase De woonwijk wordt aardgasvrij aangelegd. De woningen stoten hierdoor geen schadelijke stoffen uit. Het verkeer van en naar de woonwijk zal echter nog wel invloed hebben op de luchtkwaliteit. Mogelijk leidt de toename van verkeer ook tot effecten op de bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Verlichting kan in de omgeving van het plangebied mogelijk ook nog tot hinder van (natuur)waarden leiden. Cumulatie met andere projecten In de omgeving van het plangebied liggen aantal ruimtelijke ontwikkelingen zoals het plan Hoevedorp aan de Kerkweg en het bedrijventerrein Puurveen.
Plaats van de activiteit Algemeen In de huidige situatie is het terrein in agrarisch gebruik. De Essenerweg vormt samen met twee particuliere kavels de zuidgrens van het plangebied waar de Kerkweg centraal in ligt. De westelijke grens wordt gevormd door een brede watergang, de Rehobothschool en de dependance van het verpleeghuis Norschoten. Aan de noordzijde ligt De Kleine Beek, een gekanaliseerde watergang die onderdeel uitmaakt van een groter stelsel dat in westelijke richting doorloopt tot in Harselaar. Aan de noordoosthoek van het plangebied liggen particuliere kavels die ontsluiten op de Kerkweg. Ten zuiden hiervan ligt een openlandschap dat karakteristiek is voor het buitengebied van Kootwijkerbroek. Vanaf de Kerkweg zijn er mooie doorzichten naar het buitengebied met de benoemde half open velden. Landschappelijke kenmerken en waarden Het plangebied ligt in een kampenlandschap. Ten oosten van Kootwijkerbroek, aan de oostrand van de plangrens, vrij liggend in de gras- en maislanden zijn nog een aantal kenmerkende houtopstanden uit dit landschapstype te onderscheiden. Deze –van oorsprong aaneengesloten- groene kamers reikten een eeuw geleden nog tot ver in het plangebied en in de huidige oostelijke dorpsgrens, maar deze zijn door schaalvergroting en nieuwe ontwikkelingen verdwenen.
Figuur 4 Landschapstypen rondom het plangebied De belangrijke landschappelijke elementen en structuren bevinden zich aan de randen van de projectgrenzen. De noordzijde kenmerkt zich door een restant van de “Kleine Beek”, die langs een deel van de westelijke rand (tot aan de Rehobothschool) recent is uitgebreid met een waterbergingszone. Langs de oostrand van het projectgebied bevindt zich nog een herkenbare historische kavelbegrenzing, in zijn geheel van noord tot zuid aangezet door een smalle watergang. De enige opvallende karakteristieke groenstructuur centraal binnen de plangrenzen, is te zien in de berm langs de Kerkweg en bestaat uit een -niet volledige- rij knotelzen en enkele wilgen. De loop van de Kerkweg binnen de plangrenzen is een oude historische verbindingslijn, die voor 1870 al –in meer gekromde vorm- op kaartbeelden was te onderscheiden. Als kenmerkende lijn –al dan niet in meer originele gekromde vorm- is de Kerkweg dus wel een belangrijk element. Veel karakteristieken van het authentieke landschap direct rond de oostelijke zijde van het dorp zijn aangetast of verdwenen. In een ring op enige afstand van het dorp
zijn echter nog wel veel kwaliteiten te zien en te voelen. Houtwallen, lanen, singels, lager gelegen graslanden, aangezet met slootjes en kronkelende smalle weggetjes getuigen van de kwaliteit en charme van dit agrarische gebied. Natuurlijke kenmerken en waarden Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit intensieve akkerbouw voor de teelt van mais en ligt niet in of nabij beschermde natuurgebieden zoals gebieden van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (NNN) of Natura-2000 gebieden. Op basis van het aanwezige biotoop wordt het voorkomen van beschermde planten uitgesloten. In het plangebied zijn tevens geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Ook zijn er geen sporen of uitwerpselen van beschermde soorten aangetroffen. Wel kan het plangebied potentieel geschikt zijn als leefgebied voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Het plangebied en de omgeving daaromheen bestaat uit een kleinschalig landschap, afgewisseld door open terrein en water. De randzones van het plangebied en de bermen van de kerkweg beiden schuilmogelijkheden die kunnen dienen als vaste rust- en/of voortplantingsplaats. De akkers e.o. zijn geschikt als foerageergebied. Daarnaast kan het gebied gebruikt worden als broedlocatie voor vogels. Het mogelijk dat de bomen, akker en oevers in het plangebied tijdens het broedseizoen in gebruik zijn als nestlocatie.
Overige kenmerken en waarden Op de archeologische beleidskaarten gold voor het plangebied een middelmatige en hoge archeologische verwachting voor resten uit de Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen. Tijdens een inventariserend archeologisch onderzoek zijn echter geen archeologische resten aangetroffen. Hierbij moet overigens worden vermeld dat een deel van het plangebied niet kon worden onderzocht omdat hier geen betredingstoestemming voor werd verleend. In het plangebied is ook onderzoek verricht naar eventuele aanwezige bodemverontreinigingen. Hoewel er enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen vormt de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kenmerken van het potentiële effect Doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is om te onderzoeken of het plan belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt. Hierbij worden de ‘kenmerken van de activiteit’ afgezet ten opzichte van de gevoeligheid van het plangebied en omgeving. Zoals uit de beschrijving van de ‘plaats van de activiteit’ blijkt ligt het plangebied niet in of nabij kwetsbare en/of gevoelige gebieden. Daarnaast is de aard en omvang van de ingreep niet dermate groot dat er sterke verstoringseffecten, zoals geluidoverlast, luchtverontreiniging, verkeersproblemen, etc., optreden. Op de meeste (milieu)thema’s heeft de ontwikkeling van Oostbroek dan ook geen noemenswaardig effect. In het hiernavolgende wordt ingegaan op de meest relevante aandachtspunten. Landschappelijke kenmerken en waarden De meeste karakteristieke kenmerken en waarden van het kampenlandschap zijn in de huidige situatie verdwenen. De meest relevante overgebleven landschappelijke elementen en structuren worden opgenomen in het ‘landschappelijke raamwerk’ van de nieuwe woonwijk. Hierdoor worden deze elementen en structuren versterkt. Nadelige gevolgen voor de landschappelijke kenmerken en waarden treden dan ook niet op.
Potentieel belang van de locatie voor marterachtigen en broedvogels Uit onderzoek bleek dat de locatie potentieel geschikt was als leefgebied voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Voor deze dieren is daarom een aanvullend onderzoek uitgevoerd om te bepalen welke functies het plangebied heeft voor kleine marterachtigen. Nader onderzoek wijst uit dat het plangebied geen essentiële functie voor één van deze soorten vervult. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Door buiten het broedseizoen te werken zijn nadelige gevolgen voor broedvogels te voorkomen. Archeologische waarden In het plangebied zijn diverse archeologische studies en onderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. In het noordwestelijk deel van het plangebied is de kans op het aantreffen van archeologische waarden mogelijk groter.
Tijdens het opstellen van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling werd dit gebied met een zogenaamd proefsleuvenonderzoek nog nader onderzocht. Door de strikte wet- en regelgeving m.b.t. archeologie mogen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op aanwezige archeologische waarden. Hierdoor kunnen belangrijk nadelige effecten op voorhand al worden uitgesloten. Geluidbelasting Hoewel de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft op zijn omgeving zijn er wel effecten vanuit de omgeving op het plangebied. Zo blijkt dat binnen een klein gedeelte van het plangebied de geluidbelasting, als gevolg van wegverkeerslawaai van de Essenerweg, hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB maar lager dan de maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwbouw van 63 dB. Uit de resultaten blijkt dat de nieuwe woningen een geluidbelasting (Lden) zullen ondervinden van maximaal 52 dB. De voorkeurswaarde wordt alleen bij twee eerstelijns woningen langs de Essenerweg overschreden.
Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting, ten gevolge van de Essenerweg bij de twee nieuwe eerstelijnswoningen, te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze twee woningen te kunnen realiseren moet de gemeente Barneveld hogere waarden tot 52 dB, vanwege het wegverkeerslawaai vaststellen en vastleggen in het kadaster. Hierbij wordt opgemerkt dat voldaan wordt aan alle voorwaarden, die de gemeente Barneveld stelt aan de verlening van hogere waarden voor nieuwbouw. Alle woningen hebben één of meer geluidluwe gevels en een buitenruimte aan de geluidluwe zijde. Van belangrijke nadelige milieugevolgen is dan ook geen sprake. Water Door de toename van het verhard oppervlak bestaat de kans op wateroverlast, o.a. als gevolg van een versnelde afvoer van water richting het omliggende watersysteem. Om nadelige effecten te voorkomen worden op verschillende locaties in het plangebied een aantal waterbergingsvoorzieningen aangelegd. Hiermee worden problemen ten aanzien van wateroverlast voorkomen.
Conclusie De ontwikkeling leidt tot minimale milieugevolgen in en rond het plangebied. Van belangrijke nadelige milieugevolgen is geen sprake. Het uitvoeren van een volwaardige milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.