CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Oostbroek I_Toelichting_Bijlage 10 Natuuronderzoek, Tauw , maart 2020.pdf

Gemeenteraad 25 mei 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostbroek I in Kootwijkerbroek4.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuurtoets nieuwbouwwijk Oostbroek te Kootwijkerbroek in Gelderland Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming 24 maart 2020

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Verantwoording Titel

Natuurtoets nieuwbouwwijk Oostbroek te Kootwijkerbroek in Gelderland

Opdrachtgever

Gemeente Barneveld

Projectleider

Jordy Houkes

Auteur

Nils Rutjes

Tweede lezer

Berto van Dam

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Nils Rutjes

Projectnummer

1275872

Aantal pagina’s

24

Datum

24 maart 2020

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon Tauw bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Inhoud 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Doel .................................................................................................................................... 4

1.2

Wetgeving .......................................................................................................................... 4

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 4

1.4

Werkwijze ........................................................................................................................... 5

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 5

1.6

Uitgangspunten .................................................................................................................. 6

Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1

Huidige situatie................................................................................................................... 7

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8

Soortenbescherming ............................................................................................................... 10 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 10

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 10

3.3

Zorgplicht ......................................................................................................................... 10

3.4

Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 12

3.5

Effecten ............................................................................................................................ 12

3.5.1

Flora .......................................................................................................................... 12

3.5.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 13

3.5.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 14

3.5.4

Broedvogels .............................................................................................................. 14

3.5.5

Amfibieën .................................................................................................................. 15

3.5.6

Reptielen ................................................................................................................... 16

3.5.7

Ongewervelden ......................................................................................................... 16

4

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 17

5

Literatuur ................................................................................................................................. 19

Bijlage 1

Natura 2000-gebieden .............................................................................................. 20

Bijlage 2

Gelders Natuurnetwerk ............................................................................................. 21

Bijlage 3

Groene ontwikkelingszone ........................................................................................ 22

Bijlage 4

Bebouwde kom grenzen Wnb ................................................................................... 23

Bijlage 5

NDFF waarnemingen 2015-2020 .............................................................................. 24

3/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de werkwijze, kwaliteitsborging en de uitgangspunten voor toetsing.

1.1

Doel

Gemeente Barneveld is voornemens een bestemmingsplan vast te stellen voor deelgebied 3.5 te Kootwijkerbroek in Gelderland. Het plan voorziet in de ontwikkeling van nieuwbouwwijk Oostbroek. In opdracht van de gemeente Barneveld heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) om te bepalen of het plan redelijkerwijs uitvoerbaar is. De beoogde ontwikkeling kan alleen doorgaan als de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wnb zijn van belang? • • •

1.2

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Wetgeving

Sinds 1 januari 2017 is de Wnb in werking. De Wnb is het wettelijke stelsel voor natuurbescherming. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een ontheffing of vrijstelling.

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb

Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Op 2,6 kilometer afstand van het plangebied ligt Natura 2000-gebied de Veluwe (zie bijlage 1). Er liggen in de omgeving van het plangebied geen andere beschermde gebieden van het Natura 2000-netwerk. Gezien de afstand tot de Veluwe zijn negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied als gevolg van verstoring door geluid, trillingen, licht en andere storingsfactoren uitgesloten. Effecten op Natura 2000-gebied de Veluwe als gevolg van uitstoot van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om effecten als gevolg van stikstofdepositie te onderzoeken, dient een stikstofberekening met het rekeninstrument AERIUS Calculator te worden uitgevoerd. Hieruit moet blijken in hoeverre stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt en of vervolgstappen nodig zijn.

4/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Toetsing in het kader van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is niet nodig. Het plangebied maakt geen deel uit van het GNN (zie bijlage 2) en het beschermingsregime kent in de provincie Gelderland geen externe werking. Er is daarmee geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Het plangebied ligt ook niet in een Groene ontwikkelingszone van de provincie Gelderland (zie bijlage 3). Het plan staat daarmee ook geen ontwikkeldoelen ten aanzien van natuur in de weg. Het plangebied ligt binnen de bebouwde komgrenzen in het kader van de Wet natuurbescherming (zie bijlage 4). Toetsing van het Wnb onderdeel houtopstanden is daarom niet nodig. Er hoeft ook geen kapmelding te worden gedaan bij het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Gelderland. Indien er bomen worden gekapt met een stamomtrek >80cm op 1.30m hoogte dient conform de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Barneveld wel een omgevingsvergunning te worden aangevraagd (zie APV Barneveld, Afdeling 4, artikel 99).

1.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, geraadpleegd op 19 maart 2020) • • •

Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Een oriënterend veldbezoek op 20 maart 2020 Tauw, 2014. Natuurtoets ontwikkelingslocaties Kootwijkerbroek. 8 oktober 2014. Kenmerk:

•

R001-1221696ADK-agv-V01-NL Tauw, 2015. Nader onderzoek steenmarter in deelgebied 3.5 te Kootwijkerbroek. Kenmerk: N001-1231460JNA-agv-V01

Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten). In 2014 heeft Tauw al eens een natuurtoets uitgevoerd om het voorkomen van beschermde flora en fauna in beeld te brengen. De natuurtoets uit 2014 is uitgevoerd onder de destijds fingerende Flora- en Faunawet. De Flora- en Faunawet is inmiddels vervangen door de Wnb en de natuurtoets is ouder dan 3 tot 5 jaar. Deze natuurtoets betreft een actualisatie van de natuurtoets uit 2014. De scope en aard van het voornemen is ongewijzigd.

1.5

Kwaliteit

Tauw garandeert dat alle relevante beschermde gebieden bij het ecologisch onderzoek zijn betrokken. Een volledige garantie over de aanwezigheid van beschermde soorten is echter niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw

5/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

1.6

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Er worden geen gebouwen gesloopt • Zoveel mogelijk bomen blijven behouden, maar kap van bomen is niet uitgesloten •

De watergang aan de westzijde van het plangebied blijft behouden

6/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het plangebied ligt aan de oostzijde van de bebouwde kom van Kootwijkerbroek in de gemeente Barneveld te Gelderland. Het plangebied is circa zes hectare groot en ligt globaal gezien tussen de Essenerweg, Bersebastraat en Kerkweg. Een deel van de Kerkweg doorkruist het plangebied. In de huidige situatie is het terrein in agrarisch gebruik. Langs de kerkweg en de westzijde van het plangebied staan rijen van knotelzen- en wilgen. Langs de oostzijde van het terrein staan enkele elzen en zomereiken. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een boerderij en ten westen van het plangebied staat het nieuwe schoolgebouw van de Rehoboth. In figuur 2.2 zijn overzichtsfoto’s van (de omgeving van) het plangebied weergegeven.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd).

7/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Figuur 2.2 Impressiefoto’s van (de omgeving van) het plangebied.

2.2

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling is van permanente aard en betreft de realisatie van de nieuwbouwwijk Oostbroek. Het plangebied ondergaat daarmee een transformatie van agrarisch gebruik naar woningen. De gemeente is voornemens om ongeveer 105 nieuwbouwwoningen te realiseren. De woonwijk bestaat uit zes ‘woonvelden’ die zijn omsloten door het landschappelijk raamwerk en uitkijken op het aangrenzende landschap. Hierdoor ontstaat een karaktervolle woonwijk die aansluit op het landschap in de directe omgeving. De kerkweg wordt de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Het is niet de bedoeling dat auto’s via de bestaande woonwijken worden geleid. Voor fietsers en voetgangers komen er wel verbindingen naar de bestaande wijken. Daarnaast worden rondom het plangebied nieuwe voetpaden aangelegd ten behoeve van recreatief gebruik. In figuur 2.3 is een schetsontwerp van de nieuwe situatie in het plangebied weergegeven.

8/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Figuur 2.3 Schetsontwerp van de beoogde ontwikkeling.

9/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag of de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten op beschermde flora en fauna.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • • •

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern/Bonn Nationale soorten: het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. GS van de provincie Gelderland kan ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

3.2

Vrijstellingen

In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie ‘Nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Gelderland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten ‘vrij te stellen’ van de ontheffingsplicht. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

3.3

Zorgplicht

De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

10/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb.

Verbodsbepaling

A

B

C

D

E

Vogels VR

Dieren HR/

Planten HR/

Dieren

Planten

Bonn/Bern

Bonn/Bern

(‘nationaal’)

(‘nationaal’)

Dieren of planten: Doden of vangen

3.1.1

3.5.1

Storen/verstoren

3.1.4

3.5.2

3.10.1.a

(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,

3.5.5

3.10.1.c

ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren

3.2.6

3.6.2

3.6.2

Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen

3.1.2

nesten Beschadigen of vernielen

3.5.4

voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen

3.10.1.b (vaste vp)

3.1.2

3.5.4

3.10.1.b (vaste rp)

Eieren: Vernielen (of –VR- beschadigen)

3.1.2

3.5.3

Rapen

3.1.3

3.5.3

Onder zich hebben

3.1.3

Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.

Rood

verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.

11/24

Kenmerk

3.4

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Literatuuronderzoek

De soorten in tabel 3.2 kunnen op basis van literatuur in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Tabel 3.2 Soorten die in (de omgeving van) het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen. Soortgroep

Aanwezige soorten in omgeving

Flora

Glad biggenkruid en dreps (artikel 3.10)

Grondgebonden zoogdieren

Edelhert, damhert, wild zwijn, das, boommarter, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, eekhoorn, (artikel 3.10)

Vleermuizen

Baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis (artikel 3.5)

Vogels jaarrond bescherming

Ooievaar, wespendief, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, steenuil, kerkuil, ransuil, roek, gierzwaluw, huismus (artikel 3.1)

Algemene broedvogels

Diverse soorten (artikel 3.1)

Amfibieën

Heikikker, poelkikker, rugstreeppad (artikel 3.5),

Reptielen

Zandhagedis (artikel 3.5), adder, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang (artikel 3.10)

Vissen

N.v.t.

Ongewervelden

Vliegend hert (artikel 3.10)

Vissen: Er is geen sprake van werkzaamheden aan watergangen. Wel zullen verschillende greppels worden gereconstrueerd of verlegd. Deze greppels zijn niet permanent watervoerend en daarmee ongeschikt als biotoop voor beschermde vissen. Effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ten aanzien van deze soortgroep is verder geen toetsing, nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

3.5

Effecten

3.5.1

Flora

In het plangebied zijn geen beschermde planten waargenomen. Op basis van het aanwezige biotoop wordt het voorkomen van beschermde planten uitgesloten. Glad biggenkruid en dreps komen hoofdzakelijk voor in extensieve akkers en bermen op voedselarme, met name stikstofarme, grond. Dergelijk biotoop is in het plangebied afwezig. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit intensieve akkerbouw voor de teelt van mais. De grond is voedselrijk en dus ongeschikt als standplaats voor glad biggenkruid en dreps. Het voorkomen van andere beschermde flora is uitgesloten op basis van de ligging in Nederland en het gebrek aan natuurlijk biotoop, zoals veen, heide, natte of droge storings-/ pioniermilieu’s of oppervlaktewater. Negatieve effecten op beschermde flora zijn uitgesloten. Ten aanzien van deze soortgroep is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

12/24

Kenmerk

3.5.2

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Grondgebonden zoogdieren

In het plangebied zijn geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Ook zijn er geen sporen of uitwerpselen van beschermde soorten aangetroffen. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) Het plangebied is potentieel geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Het plangebied en de omgeving daaromheen bestaat uit een kleinschalig landschap, afgewisseld door open terrein en water. De randzones van het plangebied en de bermen van de kerkweg beiden schuilmogelijkheden die kunnen dienen als vaste rust- en/of voortplantingsplaats. De akkers e.o. zijn geschikt als foerageergebied. De volgende negatieve effecten zijn niet uitgesloten: doden van kleine marterachtigen en/of beschadigen/vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen (artikel 3.10, lid 1a en 1b van de Wnb). Nader onderzoek moet uitwijzen of het plangebied een essentiële functie vervult voor kleine marterachtigen en of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig is. Overige soorten grondgebonden zoogdieren Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor damhert, edelhert en wild zwijn. Het ontbreekt in en in de directe omgeving aan bos om te foerageren en schuilen. Ook zijn er in de omgeving onvoldoende dekkingsmogelijkheden voor deze soorten aanwezig. Negatieve effecten op damhert, edelhert en wild zwijn zijn uitgesloten.

In het plangebied zijn geen burchten van das waargenomen. Wel is het mogelijk dat das het plangebied incidenteel passeert of gebruikt als foerageergebied. De omgeving ten oosten van het plangebied bestaat immers uit kleinschalig landschap met struweel, heggen, houtwallen en watergangen. Het is mogelijk dat er buiten het plangebied verblijfplaatsen van das aanwezig zijn. Omdat er in de omgeving ten oosten van het plangebied voldoende foerageergebied intact blijft, is er geen sprake van negatieve effecten op essentieel leefgebied van das. Het plangebied heeft geen essentiële functie voor deze soort als leefgebied. Negatieve effecten op das zijn uitgesloten. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor waterspitsmuis. Het ontbreekt in het plangebied aan watergangen met een behoorlijk ontwikkelde onderwatervegetatie en oevers met ruigte. Negatieve effecten op waterspitsmuis zijn uitgesloten. Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn geen bomen aangetroffen die beschikken over verblijfplaatsen voor boom- en of steenmarter. Ook zijn er geen nesten van eekhoorn aangetroffen. Het is mogelijk dat deze soorten het plangebied incidenteel passeren of te foerageren, maar het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor deze soorten. Negatieve effecten op andere beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.

Ten aanzien andere soorten uit deze soortgroep is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

13/24

Kenmerk

3.5.3

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Vleermuizen

Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Er staan in het plangebied geen gebouwen en in de bomen zijn geen geschikte holtes of spleten aangetroffen. De knotelzen langs de Kerkweg beschikken over holtes, maar deze zijn vaak volledig doorgerot en bieden onvoldoende vrije uitvliegruimte. De overige grote bomen waren goed te inspecteren, omdat de bomen tijdens het veldonderzoek niet in blad stonden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten. Ten aanzien van verblijfplaatsen voor vleermuizen is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Vliegroutes In het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes voor vleermuizen aanwezig.

De knotelzen langs de Kerkweg vormen een lijnvormig landschapselement dat door vleermuizen gebruikt kan worden ter oriëntatie bij het vliegen. De omgeving biedt echter voldoende alternatieve vliegroutes voor vleermuizen. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes voor vleermuizen zijn uitgesloten. Ten aanzien van vliegroute voor vleermuizen is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Foerageergebieden In het plangebied zijn geen essentiële foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig. De maisakkers in het plangebied en de watergang langs de westelijke plangrens zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De omgeving biedt echter voldoende alternatieve foerageergebieden voor vleermuizen. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden voor vleermuizen zijn uitgesloten. Ten aanzien van foerageergebieden voor vleermuizen is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. 3.5.4

Broedvogels

Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest die nodig is om een nest als dusdanig te laten functioneren. Er staan in het

14/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

plangebied geen gebouwen of andere bouwwerken. Verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil zijn daarmee uitgesloten in het plangebied. Wel zijn ten westen en zuiden van het plangebied groepen huismussen gezien en gehoord. Het plangebied vormt echter geen essentieel onderdeel van het leefgebied van deze huismussen. Er is voldoende alternatief biotoop aanwezig in de tuinen en overige groenvoorzieningen dichter bij de verblijfplaatsen van de aanwezige huismuspopulaties. Er zijn tijdens het veldbezoek in het plangebied geen jaarrond beschermde nesten in bomen waargenomen. De bomen waren goed inspecteerbaar, omdat deze tijdens het onderzoek niet in blad stonden. Het is niet uit te sluiten dat het plangebied foerageergebied vormt voor uilen of roofvogels die in de omgeving broeden. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, omdat er binnen 200 meter voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig is en aanwezig blijft. Ten aanzien van vogels met een jaarrond beschermd nest is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels Ieder nest is beschermd als deze als broedlocatie in gebruik is. Het mogelijk dat de bomen, akker en oevers in het plangebied tijdens het broedseizoen in gebruik zijn als nestlocatie.

De volgende negatieve effecten zijn niet uitgesloten: verstoren en/of vernietigen van in gebruik zijnde nesten van broedvogels (artikel 3.1, lid 2 en 4 van de Wnb). Als buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, zijn negatieve effecten op broedvogels te voorkomen. Vogels kunnen gedurende het hele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m augustus (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Voorafgaand aan de werkzaamheden is een broedvogelcontrole nodig om overtreding van de Wnb uit te sluiten. Indien een broedgeval aanwezig is dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. 3.5.5 Amfibieën Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor beschermde soorten amfibieën zoals heikikker, poelkikker en rugstreeppad. De watergang langs de westelijke plangrens is vishoudend, waardoor deze matig geschikt is als afzetplaats voor eieren van beschermde amfibieën. Ten aanzien van de rugstreeppad is geen geschikt voortplantingswater aanwezig in de vorm van ondiepe poelen.

Ook de watergangen en greppels zijn ongeschikt voor rugstreeppad, omdat deze vishoudend zijn, een steile oever hebben en-/of tijdens de voortplantingsperiode droog staan . Negatieve effecten op beschermde amfibieën kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van deze soortgroep is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

15/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

3.5.6 Reptielen Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor beschermde soorten reptielen. Er is in het plangebied geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig voor hagedissen en slangen, zoals heide, broeihopen, een goed ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Negatieve effecten op reptielen kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van deze soortgroep is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. 3.5.7 Ongewervelden Het plangebied is ongeschikt voor beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden. Het plangebied beschikt niet over of essentiële waardplanten of bomen voor beschermde ongewervelden. Daarnaast beschikt het water niet over florarijke oevers of onderwatervegetatie. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van deze soortgroep is geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

16/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

4 Conclusies en aanbevelingen Gemeente Barneveld is voornemens een bestemmingsplan vast te stellen voor deelgebied 3.5 te Kootwijkerbroek in Gelderland. Het plan voorziet in de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Oostbroek. In opdracht van de gemeente Barneveld heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) om te bepalen of het plan redelijkerwijs uitvoerbaar is. De beoogde ontwikkeling kan alleen doorgaan als de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Welke onderdelen van de Wnb zijn van belang? Voor de beoogde ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met het onderdeel soortenbescherming van de Wnb. Effecten op Natura 2000-gebied zijn beperkt tot stikstof. Om effecten als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten moet een stikstofberekening met het rekeninstrument AERIUS Calculator worden uitgevoerd. Hieruit zal blijken of er sprake is van een effect als gevolg van stikstofdepositie. Toetsing aan het NNN is niet nodig. Er is geen sprake van ruimtebeslag op gronden die deel uitmaken van het NNN en externe werking hoeft in Gelderland niet te worden getoetst. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden van de Wnb is niet nodig, omdat de het plangebied binnen de bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt.

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Het is niet uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op kleine marterachtigen. Het doden van kleine marterachtigen en beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen zijn verboden handelingen, zoals gesteld in Wnb artikel 3.10, lid 1a en 1b. Daarnaast zijn negatieve effecten op algemene broedvogels mogelijk wanneer er sprake is van werkzaamheden in het broedseizoen (maart-augustus). Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen welke functies het plangebied heeft voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en/of wezel). Indien nader onderzoek uitwijst dat het plangebied een essentiële functie voor één van deze soorten vervult is een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Voorafgaand aan de werkzaamheden is een broedvogelcontrole nodig als werkzaamheden in het vogelbroedseizoen plaatsvinden. Als daaruit blijkt dat een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone aangehouden te worden. De broedvogelcontrole dient te worden uitgevoerd door een ter zake kundige ecoloog.

17/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Dat het project binnen de kaders van de Wnb redelijkerwijs uitvoerbaar is, maar dat soortgericht onderzoek eerst moet uitwijzen of het plangebied essentiële functies voor kleine marterachtigen vervult. Indien nader onderzoek effecten op essentiële functies voor kleine marterachtigen aantoont is mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Voorafgaand aan de werkzaamheden is een broedvogelcontrole nodig als de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Als tijdens deze broedvogelcontrole in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, dan is werken met een verstoringsvrije zone noodzakelijk. Bij werkzaamheden buiten het broedseizoen is een dergelijke broedvogelcontrole niet noodzakelijk en kunnen de werkzaamheden zonder de controle doorgang vinden.

18/24

Kenmerk

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

5 Literatuur Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten (Versie 1.0, 2017). Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Tauw, 2014. Natuurtoets ontwikkelingslocaties Kootwijkerbroek. 8 oktober 2014. Kenmerk: R0011221696ADK-agv-V01-NL.

Tauw, 2015. Nader onderzoek steenmarter in deelgebied 3.5 te Kootwijkerbroek. Kenmerk: N0011231460JNA-agv-V01. Geraadpleegde internetwebsites: • www.floron.nl • • •

www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl

• • •

www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl

• •

www.zoogdiervereniging.nl https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0281.BP00030va01/t_NL.IMRO.0281.BP00030-va01.html

19/24

Kenmerk

Bijlage 1

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Natura 2000-gebieden

20/24

Kenmerk

Bijlage 2

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Gelders Natuurnetwerk

21/24

Kenmerk

Bijlage 3

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Groene ontwikkelingszone

22/24

Kenmerk

Bijlage 4

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

Bebouwde kom grenzen Wnb

23/24

Kenmerk

Bijlage 5

R001-1275872NJR-V01-efm-NL

NDFF waarnemingen 2015-2020

24/24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=587604c7-d874-441a-a9e2-ff83af889c0f